Gemeentelijke regelgeving

Bodemkwaliteit bij bouwen

Gemeente Gouda · geldt sinds 23 april 2022

Aanhef

Beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoek in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen

oktober 2013

4 Het historisch onderzoek

4.4 Beoordeling Historisch Onderzoek

4.4.1 Puntbronnen

Indien op de locatie een puntbron aanwezig is (geweest), dan kan dit een aanleiding zijn om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Hulpmiddel hierbij is het UBI-model (UBI=Uniforme Bron Indeling). Voormalige (bedrijfs-)activiteiten hebben in het UBI-model scores gekregen. Een hoge score betekent dat de kans op bodemverontreiniging groter is dan lage scores. Een activiteit met een score van kleiner dan 99 hoeven in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen niet verkennend te worden onderzocht.

4.4.2 Slootdempingen

In de regio Midden-Holland zijn in het verleden veel sloten gedempt. Veel van deze sloten zijn door de provincie Zuid-Holland in 1995 geïnventariseerd en verwerkt in het zgn. Bio-s bestand, later overgenomen in het HBB-bestand en het Bodem Informatie Systeem . Dit zijn echter vooral dempingen in het landelijk gebied. Dempingen in het stedelijk gebied zijn minder goed in beeld. Of er dempingen in het stedelijk gebied zijn gelegen moet blijken uit gedegen historisch onderzoek (standaard NEN 5725). Hulpmiddel kan zijn de website van Atlas Leefomgeving, watwaswaar.nl of ander oud kaartmateriaal. Bij locaties groter dan 500 m2 moet dit worden meegenomen in het historisch onderzoek.

In de Krimpenerwaard zijn veel sloten in beheer bij de Stichting Bodembeheer Krimpenerwaard (SBK). De SBK heeft een bestand met dempingen die bij haar in beheer zijn. Hier zijn ook na 1995 aan het licht gekomen dempingen in opgenomen.

Het Technisch Bureau Krimpenerwaard (TBK) heeft een gedetailleerd beeld van dempingen in de bebouwde kom van 3 gemeenten (Nederlek, Bergambacht en Ouderkerk).

Aldus zijn er verschillende bestanden/bronnen met dempingen:

4.4.3 Verhardingslagen

Verhardingslagen zijn lagen met meer dan 50% puin of ander verhardingsmateriaal. Analytisch onderzoek naar zware metalen en PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) is niet zinvol en wordt achterwege gelaten. Een verhardingslaag is immers geen bodem en dat maakt een beoordeling aan de Wbb onmogelijk.

Een bodemlaag onder de verharding wordt alleen analytisch onderzocht indien er in de verharding wordt gegraven of het gebouw ter plaatse van de verharding wordt gebouwd.

Verhardingslagen hoeven in eerste instantie alleen visueel geïnspecteerd te worden op asbest. Zie verder de volgende paragraaf voor onderzoek naar asbest.

Indien uit het bodemonderzoek blijkt dat de laag toch meer dan 50% bodemmateriaal bevat, moet de laag als bodem worden beschouwd en toch analytisch worden onderzocht.

4.4.4 Asbest

Een goed uitgevoerd historisch onderzoek conform de NEN 5725 bevat ook een terreininspectie waarbij het gehele terrein visueel geïnspecteerd wordt op asbest (paragraaf 5.2.3 van de NEN 5725 in combinatie met bijlage E van de NEN 5725).

Indien er:

–bij deze locatie-inspectie geen asbestverdachte materialen/deeltjes worden aangetroffen, en

–uit andere hoofde geen verdenking is voor asbest (slootdempingen, stortingen, bekende ophogingen met bouw- en sloopafval), kan asbestonderzoek achterwege worden gelaten.

Is er wel een “verdacht-asbest-object” aanwezig of is geweest (bijvoorbeeld een puinverharding, demping) dan is het afhankelijk van of er gegraven gaat worden in dit object of asbestonderzoek uitgevoerd moet worden. Indien er:

–niet gegraven wordt in het asbest-verdachte object, en

–er is visueel geen asbest aanwezig,

kan asbestonderzoek achterwege worden gelaten.

Bijvoorbeeld: oprit van puinverharding/grind aanwezig op boerenerf. Visueel is geen asbest waarneembaar en er gaat niet gebouwd worden op de oprit: asbestonderzoek is in het kader van de bouw van woning niet nodig. Indien er wel een deel van de oprit bebouwd gaat worden of visueel is asbest aanwezig, dan is wel asbestonderzoek conform de NEN 5707 [7] noodzakelijk.

1Minimaal op basis van een goed uitgevoerd standaard NEN 5725

2Bij een woonhuis: het woonhuis èn de daarbij horende tuin

3Bekendste voorbeeld is een asbest beschoeiing

4Wel NEN 5740 onderzoek met standaard stoffenpakket

5Wel NEN 5740 onderzoek met standaard stoffenpakket van de bodemlaag onder de verharding

4.4.5 Diffuse bodemverontreiniging

Locaties in oude binnenstedelijke gebieden (denk aan de binnenstad van Gouda, Schoonhoven of de oude dorpskernen), maar ook oude lint- en dijkbebouwingen zijn gezien de eeuwenlange historie verdacht voor bodemverontreiniging met zware metalen en PAK. Dit blijkt ook veelal uit de bodemkwaliteitskaart, die in dergelijke gebieden (zones) matig tot sterk verhoogde gehalten aan deze immobiele stoffen laat zien.

In zones met een redelijke kans op interventiewaarde-overschrijdingen is er ook een kans dat er een risico ontstaat bij het (toekomstige) gebruik. Het historisch onderzoek moet dus uitsluitsel geven over het toekomstig gebruik op de locatie.

In 2012 is geïnventariseerd in welke zones er een kans is op overschrijding van de risiconorm bij een bepaald gebruik [4]. De risiconorm is modelmatig afgeleid en is een ‘worst-case’ benadering van het werkelijke risico. De normen voor lood zijn al jaren onderwerp van discussie en zijn in 2013 vastgelegd in diverse publicaties. Op onderstaande kaart zijn deelgebieden afgebeeld waar de kans op overschrijding dermate is, dat een verkennend bodemonderzoek gerechtvaardigd is bij respectievelijk de functies wonen met (sier-)tuin, wonen met kleine moestuin en wonen met grote moestuin. Bijlage 6 geeft een onderbouwing hoe deze gebieden zijn geselecteerd.

In de legenda van de kaart is aangegeven bij welk gebruik er verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd naar diffuse bodemverontreiniging. In bijlage 6 worden deze zones met naam/aanduiding genoemd, zodat ze op http://bkk.odmh.nl eenvoudig zijn terug te vinden.

4.4.6 Eindoordeel: wel of geen verkennend bodemonderzoek?

Op basis van de beoordeling wordt door de Omgevingsdienst bepaald of het historisch onderzoek voldoende informatie over de bodemkwaliteit heeft opgeleverd. Is dit het geval en kan de locatie als onverdacht voor bodemverontreiniging worden beschouwd, dan wordt de initiatiefnemer vrijgesteld van de plicht tot het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek.

Indien de locatie wel verdacht is moet een verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.

Het volgende hoofdstuk gaat dieper in op het verkennend bodemonderzoek.

5 Verkennend en nader bodemonderzoek

5.5 Beoordeling bodemonderzoek

5.5.1 Toetsing aan Wet bodembescherming

De gehalten uit het bodemonderzoek worden getoetst aan de achtergrondwaarden en interventiewaarden [5]. Daarbij is ook de omvang van eventuele bodemverontreiniging van belang. Er zijn verschillende uitkomsten mogelijk die zijn samengevat in onderstaande tabel.

Bodemkwaliteit

Omvang

Aanduiding

Vervolgactie

< AW (achtergrondwaarden)

n.v.t.

Schoon

Geen

> AW,

maar kleiner dan tussenwaarde

n.v.t.

Licht verontreinigd

Geen

> tussenwaarde,

maar kleiner dan interventiewaarde

Omvang onbekend

Matig verontreinigd

Nader onderzoek, indien gehalte > achtergrondgehalte (zie paragraaf 5.4.3)

Omvang bekend en/of homogeen verdeeld

Matig verontreinigd

Geen

> interventiewaarde

Omvang onbekend

Sterk verontreinigd

Nader onderzoek, indien gehalte > achtergrondgehalte (zie paragraaf 5.4.3)

Omvang < 25 m3

Sterk verontreinigd

Geen

Omvang > 25 m3

Ernstig geval

Melden bij ODMH, toetsing Sanscrit op spoedeisendheid

In sommige gevallen is bij kleine verontreinigingen (kleiner dan 25 m3 boven de interventiewaarde) een risico niet uit te sluiten. Bijvoorbeeld een moestuin ter plaatse van een sterke verontreiniging met lood. Aan de hand van de locatiespecifieke factoren kan met de RisicoToolbox bepaald worden of een risico kan worden uitgesloten.

5.5.2 Asbest

Veel voorkomende conclusie in bodemonderzoeksrapporten is “in het opgeboorde bodemmateriaal is geen asbestverdacht materiaal waargenomen”. Dit is niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat geen onderzoek naar asbest hoeft te worden uitgevoerd. Het is afhankelijk van de mate van puinbijmenging of asbestonderzoek noodzakelijk is:

•Sporen, licht en matig puin- of baksteenhoudend en geen waarnemingen die duiden op de aanwezigheid van asbest: geen asbestonderzoek noodzakelijk

•Sterk of uiterst puinhoudend: wel asbestonderzoek noodzakelijk conform de NEN 5707 of NEN 5897 [8]

De tabel van paragraaf 4.4.3 kan worden betrokken bij de vraag of asbestonderzoek noodzakelijk is.

Indien in het opgeboorde materiaal wel asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen dient een asbestonderzoek conform de NEN 5707 te worden uitgevoerd.

5.5.3 Ontheffing van nader bodemonderzoek

Indien uit het verkennend onderzoek blijkt dat er voor één of meer stoffen de tussenwaarde danwel interventiewaarde wordt overschreden zal conform de Wbb nader onderzoek dienen te worden uitgevoerd.

In bodemkwaliteitszones met verhoogde achtergrondgehalten van immobiele stoffen (zware metalen en PAK) is een dergelijk nader onderzoek minder zinvol, omdat de aangetroffen verontreiniging mogelijk deel uitmaakt van het achtergrondgehalte. Afbakening van een verontreiniging is dan ook niet aan de orde. In gevallen dat het aangetroffen gehalte de tussenwaarde overschrijdt, maar beneden het achtergrondgehalte is gelegen, wordt nader onderzoek achterwege gelaten (ook als deze overschrijding een mengmonster betreft, uitsplitsing hoeft niet plaats te vinden).

Om te bepalen of de aangetroffen verontreiniging beneden het achtergrondgehalte is gelegen dient het gehalte te worden getoetst aan de 95-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Deze waarden zijn af te leiden van de website met digitale bodemkwaliteitskaart: http://bkk.odmh.nl/

Indien het aangetroffen gehalte boven deze waarde is gelegen, is er mogelijk toch sprake van een verontreiniging veroorzaakt door een puntbron en wordt geen ontheffing van nader onderzoek verleend. In hiernaast afgebeelde stroomschema is bovenstaande samengevat.

Ontheffing van nader onderzoek ontslaat de aanvrager niet van de verplichting de verontreiniging te melden bij het bevoegd gezag Wbb. Zie hiervoor het volgende hoofdstuk. Dit geldt alleen voor interventiewaarde-overschrijdingen. Is er alleen sprake van tussenwaarde-overschrijdingen die bovendien beneden het achtergrondgehalte zijn gelegen, dan zal een Wbb- of BUS-melding aan het bevoegd gezag Wbb achterwege kunnen worden gelaten.

Voor het grondwater is geen bodemkwaliteitskaart opgesteld. Toch zijn er in de provincie Zuid-Holland gebieden waar in het freatisch grondwater verhoogde concentraties voor arseen, nikkel, zink of lood voorkomen, zonder dat daarbij in de vaste fase van de bodem ter plaatse van het grondwater de streefwaarden worden overschreden. De verhoogde concentraties worden toegeschreven aan natuurlijke oorzaken of aan de gevolgen van menselijke ingrepen in de waterhuishouding van een gebied. Indien duidelijk is dat de aangetroffen verhoogde gehalten niet een gevolg zijn van handelingen waarbij deze stoffen in de bodem zijn geraakt, wordt nader onderzoek achterwege gelaten.

5.5.4 Perceelsoverschrijdende sterke verontreinigingen

Het is niet redelijk om een omgevingsvergunning voor bouwen aan te houden indien er op het perceel een (mogelijk) geval van ernstige perceelsoverschrijdende bodemverontreiniging aanwezig is. Het volledig afperken van een dergelijke verontreiniging is immers alleen mogelijk indien toestemming wordt gegeven door de eigenaar van het naastgelegen perceel.

In dergelijke gevallen wordt de vergunning verleend onder de voorwaarde dat er niet gebouwd gaat worden op het verontreinigde deel en dat er daar geen moestuin gerealiseerd mag worden (in geval van een verontreiniging met lood). De Omgevingsdienst meldt de verontreiniging aan het bevoegd gezag Wbb. Vervolgens kan de eigenaar van naastgelegen perceel door het bevoegd gezag Wbb worden aangeschreven om bodemonderzoek uit te voeren.

5.6 Nader bodemonderzoek

Indien uit de beoordeling blijkt dat nader bodemonderzoek noodzakelijk is om een oordeel te kunnen vellen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zal nader bodemonderzoek noodzakelijk zijn. Dit onderzoek moet voldoen aan de NTA 5755 [6].

6 Procedures

6.1 Samenloop met Wbb

Wat als er een bodemverontreiniging is aangetroffen en sprake is van een redelijk vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging?

Op basis van artikel 6.2.c van de Wabo treedt een omgevingsvergunning niet eerder in werking totdat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstig en spoedeisend geval van bodemverontreiniging. De vergunning wordt dus wel verleend, maar kan nog niet worden gebruikt! Dit moet de aanvrager uiteraard gemeld worden. De vergunningaanvrager moet vervolgens eerst aantonen dat er geen sprake is van een ernstig en spoedeisend geval.

Het nader bodemonderzoek zal dus uitsluitsel moeten geven over de ernst en spoedeisendheid. Deze beoordeling moet formeel door het bevoegd gezag Wbb gebeuren, maar bij overzichtelijke gevallen kan dit ook door de ODMH. Hiermee wordt voorkomen dat de aanvragers onnodig in Wbb-procedures terecht komen. Uit ervaring blijkt namelijk dat in circa de helft van de situaties middels een eenvoudig aanvullend onderzoek uitsluitsel kan worden gegeven over de ernst van een verontreiniging.

De volgende situaties kunnen zich voordoen:

1geval van ernstige bodemverontreiniging, maar geen spoed → beschikking ernst en geen spoed moet zijn afgegeven en daarna treedt de omgevingsvergunning in werking. Niettemin blijft er ook hier sprake van een ernstige bodemverontreiniging. De omgevingsvergunning treedt in werking, maar het Wbb-traject wordt ook gestart. Er mag niet geroerd worden in verontreinigde grond (verbod tot verplaatsing verontreinigde grond van artikel 28 Wbb). Wanneer in de grond wordt geroerd, gegraven of wanneer er een leeflaag wordt aangebracht, moet een saneringsplan of een BUS-melding worden ingediend inzake de sanering van het ernstige, niet spoedeisende geval van bodemverontreiniging.

Dit gegeven moet zeer duidelijk worden gecommuniceerd naar de aanvrager van de omgevingsvergunning.

2geval van ernstige en spoedeisende bodemverontreiniging. Afhankelijk van de verontreinigingssituatie en de saneringsaanpak wordt een saneringsplan opgesteld of BUS-melding ingediend:

a.saneringsplan. Na de instemmingsbeschikking met het saneringsplan treedt de omgevingsvergunning in werking. Ook hier zal het Wbb-traject moeten worden doorlopen.

b.BUS-melding. Na het verstrijken van de termijn van 5 weken nadat een correcte BUS-melding is ontvangen treedt de omgevingsvergunning in werking. Ook hier zal het Wbb-traject moeten worden doorlopen.

3geen geval van ernstige bodemverontreiniging → de omgevingsvergunning treedt in werking. Het Wbb-traject speelt hier geen rol.

Het feit dat de omgevingsvergunning voor bouwen onder de Wabo wel wordt verleend, maar in sommige gevallen nog niet kan worden gebruikt, betekent dat de communicatie naar de aanvrager zeer goed moet zijn over de voorwaarde voor inwerkingtreding. De aanvrager mag nog niet gaan “roeren” in de grond.

Bovenstaande is samengevat in onderstaand schema.

In artikel 6.2c van de Wabo wordt aangegeven dat er ter plaatse van het bouwwerk sprake moet zijn van een spoedeisend geval van ernstige bodemverontreiniging om de inwerkingtreding te kunnen opschorten. Als het geval dus niet ter plaatse van het bouwwerk ligt maar bijvoorbeeld in de tuin, treed de vergunning wel in werking. De Wbb dient dan als vangnet om risico’s ter plaatse van de verontreiniging weg te nemen.

Bijlage 1: relevante wet- en regelgeving

De in deze bijlage opgenomen wet- en regelgeving is van september 2013. Raadpleeg www.wetten.nl voor de laatste versies.

Model Bouwverodening VNG, 14e serie wijzigingen, september 2011

Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek

16Let op: de ODMH heeft haar gemeenten geadviseerd dit artikel te wijzigen. Zie bijlage 2 voor het gewijzigde artikel.

1Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:

a.de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.

b.(vervallen)

c.Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.

2De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.

3Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

4Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009, niet rechtvaardigen.

5Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:

a.waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

b.voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en

1dat de grond raakt, of

2waarvan het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd;

d.dat wordt opgericht voor een termijn, langer dan 1 jaar.

Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder de, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

Toelichting op de MBV, 14e serie wijzigingen, september 2011

Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek

Inleiding

De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.

De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.

Lid 1

Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.

Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed.

Lid 3

In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor.

Lid 4

Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen.

Lid 5

De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd.

Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.

Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem

Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond

Algemeen

In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan.

De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt:

•Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.

•Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het bevoegd gezag zijn.

•Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.

•Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht.

•De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.

Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen

De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het Bouwbesluit 2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe het begrip ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen verblijven’ kan worden geconcretiseerd.

Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat.

Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.

Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.

Bouwwerken die de grond niet raken

Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden geëist.

Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging

Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd.

Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn.

Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens genoemd Besluit.

Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.

Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk

Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV.

Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.

Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.

In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:

-de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht;

-de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;

-de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.

Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden.

Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 6.2c

1Onverminderd artikel 6.1 treedt een omgevingsvergunning met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, indien het te bouwen bouwwerk een bouwwerk betreft als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Woningwet en het bevoegd gezag op basis van het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, van die wet, dan wel uit anderen hoofde een redelijk vermoeden heeft dat ter plaatse van het bouwwerk sprake is van een vóór 1 januari 1987 ontstaan geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming, niet eerder in werking dan nadat:

a.op grond van artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming is vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is en het desbetreffende besluit in werking is getreden,

b.op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming met het saneringsplan, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, is ingestemd en het desbetreffende besluit in werking is getreden, of

c.een melding van een voornemen tot sanering als bedoeld in artikel 39b, derde lid, van de Wet bodembescherming is gedaan en de bij of krachtens het vierde lid van dat artikel gestelde termijn is verstreken.

2In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, treedt de omgevingsvergunning in werking als in de beschikking, bedoeld in artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, is vastgesteld dat:

a.sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is,

b.geen sprake is van risico’s voor de mens, en

c.het bouwen de uitvoering van de sanering niet belemmert,

mits degene die het nader onderzoek heeft overgelegd daarbij een met redenen omkleed verzoek heeft ingediend en de beschikking, bedoeld in de aanhef van dit lid, in werking is getreden.

3Bij de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, vermeldt het bevoegd gezag of het een vermoeden heeft als bedoeld in dat lid.

Regeling omgevingsrecht (MOR)

Artikel 2.4. Overige voorschriften bouwverordening

In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager ten behoeve van toetsing aan de overige voorschriften van de bouwverordening een onderzoeksrapport betreffende verontreiniging van de bodem, gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 2.7 Uitgestelde indieningsvereisten omtrent het bouwen

lid 3

Indien de aard van het bouwplan naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding geeft, kan in de vergunning worden bepaald dat gegevens en bescheiden, genoemd in de artikelen 2.2, tweede lid, 2.3, onderdeel i, 2.4 en 2.5, binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd.

Woningwet

Artikel 8

1De gemeenteraad stelt een bouwverordening vast, die uitsluitend de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met zesde lid, bevat.

2De bouwverordening bevat voorschriften omtrent het tegengaan van het bouwen van een bouwwerk op verontreinigde bodem.

3De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken:

a.waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven,

b.voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk waarvoor op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een dergelijke vergunning niet is vereist, en

1°. die de grond raken, of

2°. ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

4De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, hebben in elk geval betrekking op:

a.het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem;

b.aard en omvang van het onderzoek, en

c.inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.

Bijlage 2: in Midden-Holland gewijzigd artikel 2.1.5 bouwverordening

(in vet gewijzigde/toegevoegde tekst)

Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek

1Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:

a.de resultaten van een recent standaard vooronderzoek verricht volgens NEN 5725 (uitgave 2009)

b.Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat er een bodemverontreiniging aanwezig is, worden tevens ingediend de resultaten van een recent milieuhygiënisch verkennend bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.

c.Indien op basis van het milieuhygiënisch verkennend bodemonderzoek een vermoeden bestaat dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, worden tevens ingediend de resultaten van een nader onderzoek, verricht volgens NTA 5755 (uitgave 2010).

d.Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.

2De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.

3Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

4Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009, niet rechtvaardigen.

5Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt en er als gevolg van de aanwezige bouwwerken vooraf geen goed beeld kan worden verkregen van de bodemsituatie, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

6Bodemonderzoeken dienen geheel overeenkomstig vastgestelde protocollen en NEN normen en overeenkomstig hoofdstuk 2 uit het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd. De onderzoeksbureaus moeten in het bezit zijn van een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid voor onderzoeken van voor 1 juli 2007. De rapportage moet als volgt ingediend worden:

–een papieren rapportage

–een digitaal exemplaar in pdf-bestand

–een digitaal exemplaar in SIKB-0101 xml-bestand (meest recente versie).

Toelichting:

Voorgesteld is om artikel 2.1.5 (Bodemonderzoek) af te stemmen op het beleid dat de Omgevingdsdienst Midden-Holland voert voor de gemeenten in de regio Midden-Holland. Dit in afwijking van/ter aanvulling op het VNG-model. Het beleid in Midden-Holland is sinds 2003 vastgelegd in de Nota “Bodemkwaliteit bij bouwen”. Hierin is opgenomen dat op onverdachte locaties geen volledig bodemonderzoek hoeft te worden uitgevoerd. Dit is een lastenverlichting voor burgers en bedrijven.

Of een locatie onverdacht is voor bodemverontreiniging moet blijken uit een historisch vooronderzoek conform de NEN 5725. Onder a van lid 1 van artikel 2.1.5 is dit historisch vooronderzoek toegevoegd als onderzoek dat kan worden ingediend bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Het gaat dus over eigen beleid dat de regio Midden-Holland al sinds 2003 voert, en wat nu niet goed in de standaard MBV is geëffectueerd.

Daarnaast is lid 6 toegevoegd waarin een passage over het digitaal aanleveren van bodemonderzoeksgegevens. Bodemadviesbureaus kunnen relatief eenvoudig onderzoeksgegevens aanleveren in een bepaald bestandsformaat, vastgelegd in SIKB-protocol 0101. Met dit formaat kan de Milieudienst eenvoudig de gegevens importeren in haar Bodem Informatie Systeem, zodat gegevens niet langer handmatig hoeven worden ingevoerd. Dit scheelt tijd en verkleint de kans op fouten bij het overtypen.

Bijlage 3: voorbeelden (cases)

Case 1 : Serre aan achterzijde

•Vergunningsvrij, dus geen onderzoeksrapport (dus ook geen historisch onderzoek) naar bodemgesteldheid

Case 2: Serre aan voorzijde

•Omgevingsvergunning vereist

•Maar geen onderzoeksrapport (ook geen historisch onderzoek), want naar “aard en omvang” gelijk aan serre aan de achterzijde

Case 3: hoge serre aan de achterzijde

•Omgevingsvergunning vereist want hoger dan 4 meter

•Maar geen onderzoeksrapport (dus ook geen historisch onderzoek), want door hoogtebepaling vergunningplichtig

Case 4: berging/schuur

•“Bijgebouw”, ondergeschikt aan hoofdgebouw

•Op achtererf

•Geen omgevingsvergunning

•Geen onderzoeksrapport (bovendien geen verblijfplaats voor mensen)

Case 5: tuinhuis, ondergeschikt aan hoofdgebouw op achtererf

•Geen omgevingsvergunning, gezien omvang en op achtererfgebied.

•Geen onderzoeksrapport

Case 6: tuinhuis, ondergeschikt aan hoofdgebouw op voorerf

•Wel een omgevingsvergunning want op voorerf

•Geen onderzoeksrapport, want naar aard en omvang gelijk aan case 5.

Case 7: groot tuinhuis, ondergeschikt aan hoofdgebouw

•Omgevingsvergunning voor bouwen vereist gezien de omvang

•Let op: afhankelijk van wat in bestemmingsplan is opgenomen!

•Wel onderzoeksrapport naar bodemgesteldheid (eerst historisch onderzoek)

Case 8: 2e woonhuis op achtererfgebied op hetzelfde perceel

•Geen bijgebouw, want functioneel niet ondergeschikt aan 1e woonhuis

•Omgevingsvergunnnig vereist

•Wel onderzoek naar bodemgesteldheid (eerst historisch onderzoek)

Bijlage 4 Ophogingen: aanleiding voor bodemonderzoek?

Inleiding

Door de slechte fysische bodemgesteldheid in de regio Midden-Holland vonden en vinden veel ophogingen plaats. Met name in de veengebieden kan men er van uitgaan dat elk bebouwd perceel wel één of meerder malen is opgehoogd. Vaak is de herkomst en de kwaliteit van het ophoogmateriaal niet bekend. Pas vanaf 1987 vallen ophogingen onder een wettelijk regime, namelijk de Wet bodembescherming en later het Bouwstoffenbesluit en het Besluit bodemkwaliteit. De ligging en kwaliteit van ophogingen van voor deze tijd is uitermate onzeker.

Ophogingen zijn volgens de norm voor historisch onderzoek, NEN 5725, aanleiding om bodemonderzoek uit te voeren. Er dient dan een onderzoeksstrategie “verdacht” te worden gehanteerd. In ophooglagen zullen met name zware metalen en PAK in verhoogde mate worden aangetroffen. Het is van belang inzicht te hebben in deze gehalten, omdat deze kunnen leiden tot risico’s. De ODMH hanteert de volgende werkwijze om te bepalen of een ophoging dient te worden onderzocht.

Werkwijze

Het historisch onderzoek dient nadrukkelijk aandacht te besteden aan ophogingen (§ 6.1.1 van de NEN 5725). Indien aannemelijk kan worden gemaakt dat er in het verleden geen ophogingen hebben plaatsgevonden, dan is de locatie onverdacht voor deze mogelijke bron van bodemverontreiniging en vormt dit geen aanleiding om bodemonderzoek uit te voeren.

Indien bekend is dat er is opgehoogd met bodemvreemd materiaal of verdachte grond, kan dit een aanleiding zijn om een bodemonderzoek uit te voeren. Indien exact bekend is op welke plaats de locatie is opgehoogd, dan zal het onderzoek zich alleen richten op de bekende plaats. De onderzoeksstrategie die dient te worden gevolgd is VED-HE uit de NEN 5740. In tabel 9 van de NEN 5740 is onder andere het aantal te analyseren mengmonsters aangegeven. Hieruit blijkt dat alleen de verdachte laag en het grondwater dienen te worden geanalyseerd. Het beleid in de regio Midden-Holland is echter dat ook de bodemlaag onder de ophooglaag dient te worden geanalyseerd middels één (meng)monster indien de ophooglaag niet dikker is dan 2 meter. Deze analyse mag in mindering worden gebracht op het aantal analyses van de ophooglaag.

Voorbeeld: de ophooglaag heeft een omvang van minder dan 0,1 ha. Er zullen dan 5 boringen tot 0,5 meter in de verdachte laag worden gezet èn 1 boring tot de onderzijde van de verdachte laag (met een maximum van 2 meter) èn een boring met peilbuis. Indien de ophooglaag niet dikker is dan 2 meter, kan de boring die wordt gebruikt om de onderzijde af te perken worden doorgezet tot in de bodemlaag onder de ophooglaag. Hier dient een monster te worden genomen van deze onverdachte bodemlaag. Er zullen dan niet 3 maar 2 analyses van de ophooglaag dienen te worden uitgevoerd en 1 analyse van de bodemlaag onder de ophooglaag.

Indien bekend is dat er is opgehoogd met aantoonbaar schoon materiaal kan onderzoek naar de ophooglaag achterwege worden gelaten.

In het merendeel van de gevallen zal niet precies bekend zijn of er is opgehoogd en waarmee is opgehoogd. Zo zal een huidige eigenaar vaak niet op de hoogte zijn van alle ophoogactiviteiten in het verleden. In veengebieden is echter wel aannemelijk dat er op bebouwde percelen is opgehoogd. In dergelijke gevallen zal worden getoetst of er een risico is te verwachten. Dit gebeurt aan de hand van de tabel in paragraaf 4.4.4. Indien de locatie is gelegen in een zone of deelgebied die is vermeld in deze tabel is bij het gebruik “wonen met tuin” een kans dat risico’s kunnen optreden. Het historisch onderzoek dient daarom nadrukkelijk in te gaan op het toekomstig gebruik (§ 6.1.3 van de NEN 5725).

De strategie voor het onderzoek is “onverdacht” uit de NEN 5740. De gehele kavel dient te worden onderzocht (zie ook paragraaf 4.2), waarbij er echter minimaal één boring ter plaatse van het gevoelige gebruik (tuin, moestuin, speelplaats) dient te worden geplaatst.

Voorbeeld 1: De locatie is gelegen in een zone uit tabel in paragraaf 4.4.4. Het is niet precies bekend of de locatie (te bouwen bouwwerk inclusief het terrein dat een directe relatie heeft met de activiteiten die bij dat gebouw horen) is opgehoogd. De aanvrager van de vergunning wil (naast het bouwwerk) een moestuin realiseren. Er zal een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Voorbeeld 2: De locatie is gelegen in een zone uit tabel in paragraaf 4.4.4.Het is niet precies bekend of de locatie (te bouwen bouwwerk inclusief het terrein dat een directe relatie heeft met de activiteiten die bij dat gebouw horen) is opgehoogd. De aanvrager wil een kantoorruimte realiseren. Er hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd want het betreft geen gevoelige bestemming.

In het schema zijn alle mogelijkheden afgebeeld.

Bijlage 5 Verblijfplaatsen

In paragraaf 3.1 is onder punt 4 aangegeven dat geen bodemonderzoek hoeft te worden uitgevoerd voor gebouwen waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. Onderstaande lijst is een handreiking van gebouwen die wel en niet als verblijfsplaats worden aangemerkt.

Wel verblijfplaats

Geen verblijfplaats

•Woning

•Kantoor

•School

•Ziekenhuis

•Kerk

•Verenigingsgebouw

•Voertuigstalling met reparatiewerkplaats

•Sorteerruimte op tuin-/landbouwbedrijf

•Sporthal

•Gymzaal

•Zwembad

•Peuterspeelzaal

•Kinderdagverblijf

•Kantine van (sport-)vereniging

•Gebouwen voor het opslaan van materialen/goederen

•Gebouwen voor het telen/kweken van land- en tuinbouwprodukten*

•Gebouwen t.b.v. nutsvoorzieningen

•Gebouwen voor de waterhuishouding- of zuivering

•Parkeergarage

•Voertuigstalling zonder reparatiewerkplaats

•Schaapskooi

•Stallen

•Rioolgemaal

•Schuur of garage bij woonhuis

•Kleedkamers (vrijstaand) bij sportverenigingen

* Er wordt vanuit gegaan dat er in een kas niet langer dan twee uur per dag voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. Opgemerkt wordt dat een sorteerruimte op een tuin- of landbouwbedrijf wel als verblijfplaats wordt aangemerkt (zie tabel).

Wanneer in een kas een gedeelte wordt ingericht als winkel- of als kantoorgebouw, dan moet, indien daarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven, op dat gedeelte wel onderzoek plaatsvinden.

Bijlage 6: onderbouwing uitvoeren bodemonderzoek in diffuus verontreinigde gebieden

In 2011 is een bodemkwaliteitskaart (BKK) voor de regio Midden-Holland opgesteld. De BKK bestaat uit zones, waarbinnen veelal een groot aantal gegevens (waarnemingen) over de bodemkwaliteit bekend zijn. In het rapport “Diffuse spoed Midden-Holland” [4] is een analyse gemaakt van de risico’s die kunnen optreden als gevolg van diffuse bodemverontreiniging. Enkele zones uit de BKK zijn opgesplitst omdat het vermoeden bestond dat er binnen deze zones nog verschillen in bodemkwaliteit kunnen bestaan.

In onderstaande tabel is de kans op overschrijding van de modelmatig berekende risiconorm afgebeeld. Berekend is het aantal waarnemingen van de BKK-dataset dat de risiconorm voor lood overschrijdt. Er zijn twee risiconormen: één voor binnensteden en toemaakdekken (hier is de beschikbaarheid van lood laag) en één voor de overige gebieden.

Op basis van de percentages, ervaringen en “expert judgement” zijn deelgebieden/zones geselecteerd waar een redelijke kans bestaat op overschrijding van de risiconorm. In deze gebieden wordt bodemonderzoek noodzakelijk geacht. Hiervan zijn de cellen grijs gekleurd.

Deelgebied

Wonen met siertuin e/of plaatsen waar kinderen spelen

Wonen met tuin (incl 10% gewascons.)

Kleine moestuin

(100 m2)

Grote moestuin

(200m2)

Risiconorm binnensteden en toemaakdek:

1040 mg/kg

950mg/kg

730mg/kg

560mg/kg

Risiconorm overig:

560mg/kg

530mg/kg

450mg/kg

380mg/kg

1.01

Historische bebouwing Gouda (voor 1900)

4

7

8

17

1.02

Historische bebouwing Bodegraven (voor 1900)

4

8

12

20

1.03

Historische bebouwing Schoonhoven (voor 1900)

4

4

7

16

2

Historische bebouwing Krimpenerwaard

9

9

12

14

3

Historische bebouwing Zuidplas, Waddinxveen, Boskoop

11

12

15

20

4.

1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop

4

5

5

7

8.01

Oude Rijn zone, lintbebouwing (Bodegraven)

7

7

7

7

8.02

Lintbebouwing Gouda

17

21

24

24

8.04

Lintbebouwing Boskoop

0

3

8

8

9

Lintbebouwing op toemaakdek

6

6

7

13

10

Lintbebouwing Krimpenerwaard

3

3

5

7

11.01

Dijkbebouwing Krimpenerwaard langs Hollandse IJssel

5

5

5

5

11.02

Dijkbebouwing Krimpenerwaard langs de Lek

15

15

19

21

12.01

’s Gravenweg (Nieuwerkerk ad IJssel)

8

8

8

23

12.02

Overige lintbebouwing Zuidplas en Waddinxveen

6

6

7

7

17

Landelijk gebied toemaakdek

2

1

7

14

In de meeste deelgebieden is het beeld eenduidig bij alle typen gebruik: overal wordt het percentage van 7% overschreden of juist niet. Voor deze deelgebieden is het daarom duidelijk of wel of geen bodemonderzoek gerechtvaardigd is. Voor enkele deelgebieden is het beeld minder eenduidig:

•Deelgebieden 101, 102 en 103. Door hogere risiconorm als gevolg van de mindere biobeschikbaarheid van lood lijkt er in de oude binnensteden weinig kans op een risico. Ervaring is echter dat met name in de binnenstad van Schoonhoven ook bij wonen met tuin risico’s kunnen voorkomen. Daarom is in deze deelgebieden toch onderzoek noodzakelijk.

•Zones 4 en 10. Alleen bij grote moestuinen (> 200m2) is er een kans van meer dan 7% dat de risiconorm wordt overschreden. Het vooronderzoek moet duidelijkheid scheppen of een grote moestuin wordt gerealiseerd. Zo ja, dan moet bodemonderzoek worden uitgevoerd.

•Deelgebieden 8.04 en zone 9. Bij moestuinen met een oppervlakte van meer dan 100m2 is er een kans van 7% of meer dat de risiconorm wordt overschreden. Het vooronderzoek moet duidelijkheid scheppen of een grote moestuin wordt gerealiseerd. Zo ja, dan moet bodemonderzoek worden uitgevoerd.

Zone 17, het landelijk gebied waar toemaakdek kan voorkomen, is een bijzonderheid. Uit het rapport “Diffuse spoed Midden-Holland” kwam naar voren dat hier bij het huidige gebruik (grasland, landbouw, natuur en recreatie) geen risico’s zijn. Wordt er echter een woning met moestuin van groter dan 100 m2 gerealiseerd, dan is dit niet zo zeker meer en is een bodemonderzoek gerechtvaardigd.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.