Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van Gouda;
gelezen het voorstel van 16 juni 2026, gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit: de beleidsregel Natuurinclusief bouwen vast te stellen.
Aldus besloten in de vergadering van 16 juni 2026.
5. Bijlagen
5.4 Factsheets doelsoorten
5.4.1 Akkerhommel
Algemene hommelsoort in Nederland die je kan aantreffen in allerlei landschapstypen, van natuurgebied tot in je eigen tuin. Deze hommelsoort is hoofdzakelijk bruin gekleurd, al kan de soort erg variabel van kleur zijn. Vliegt van april tot en met oktober. Bij goed weer kunnen ze soms ook later worden aangetroffen.
Voortplanting: maakt meestal een nest onder de grond, bijvoorbeeld in muizenholletjes. Er zijn voldoende alternatieven die we als mensen kunnen aanbieden. Denk hierbij aan speciaal ontworpen hommelhotels, -kasten of -potten. Ook het aanbieden van insectenstenen, dood hout en zand helpt de soort.
Voedsel: nectar. Door hun lange tong kunnen ze dieper in bloemen nectar verzamelen dan andere soorten hommels. Plantensoorten zoals klavers, dovennetels, fluitenkruid, lavendel en gewone smeerwortel worden veel bezocht door akkerhommels, al is deze hommelsoort zeker niet kieskeurig in het kiezen van nectarplanten. Gezien hun lange vliegtijd is het van belang dat er altijd bloeiende vegetatie aanwezig is, dus daar rekening mee bij het aanplanten van plantensoorten.
Verbinding: verbind potentieel geschikte gebieden zoveel mogelijk met elkaar, bijvoorbeeld via bloemenrijke bermen.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting
Hommelhotel, -kast of- pot
Voortplanting
Insectenstenen, dood hout, zand
Voedsel
Groene daktuin / groene gevel / groen dak met grassen, kruiden en struiken
Voedsel
Bloemrijke graslanden / bermen
Voedsel
Bloeiende bomen of heesters.
Voedsel
Geveltuin
Verbinding
Aaneengesloten groengebieden
Verbinding
Gevarieerde bloeiboog, bloemen die in verschillende maanden bloeien (maart – oktober)
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: insecten die leven in kruidenrijke bermen en graslanden, zoals andere soorten hommels en bijen, sprinkhanen, icarusblauwtje en argusvlinder.
5.4.2 Bruine kikker
Tegenhanger van de bekende groene kikkers. Algemene kikkersoort die in heel Nederland voorkomt, ook in dorpen en steden. Ook in Gouda worden bruine kikkers waargenomen. Kenmerkend voor amfibieën is dat ze zowel in het water als op het land leven. Voor bruine kikkers is dat niet anders.
Voortplanting: heeft waterpartijen (bijv. vijvers, poelen) nodig om zijn eitjes in af te zetten. Deze wateren dienen visvrij te zijn en watervegetatie langs de randen te bevatten (riet, lisdodden, etc.), zodat ze voldoende beschutting bieden aan de (jonge) kikkers. Ook moeten de wateren voorzien zijn van een natuurvriendelijke oever, zodat de kikkers het water in en uit kunnen klimmen.
Voedsel: breed dieet, bestaande uit o.a. slakjes, kevers, insectenlarven en andere ongewervelde dieren.
Verbinding: verbinding tussen het water- en landhabitat is cruciaal. Indien die ontbreekt, kan gedacht worden aan faunapassages. Denk ook aan niet te hoge stoepranden en “amfibieëntrapjes” in putten, om versnippering van het leefgebied tegen te gaan.
Veiligheid: in de winter heeft de soort een erg sterke binding met bos en struweel. Realiseer daarom bosplantsoenen, kleine parkjes, (inheemse) struiken of andere hogere vegetatie in de nabijheid van het water.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting & voedsel
Poel of vijver, voorwaarden:
-Geen (of weinig) vissen
-Vegetatie langs oever
-Zon kan erop schijnen
-Natuurvriendelijke oever
Voedsel
Ecologische wadi
Veiligheid (winter)
(Inheemse) struiken van minstens 2-3 meter hoog.
Veiligheid (winter)
Pocketpark
Veiligheid (winter)
Takkenrillen, stenen, ‘overhoekjes’
Veiligheid (winter)
Cluster van bomen / bomenrij
Verbinding
Faunapassages
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: o.a. andere soorten kikkers, kleine watersalamander, libellen, ringslang en waterhoen.
5.4.3 Egel
Populaire bewoner van stedelijk groen, zoals parken, groene achtertuinen en rommelhoekjes. Egels zijn vooral bekend vanwege hun stekelvacht. Bij gevaar rollen ze zich op tot een bal en zetten ze hun stekels uit. Egels zijn vooral in de schemer en ’s nachts actief. ’s Winters houden ze een winterslaap.
Voedsel: heel gevarieerd dieet. Eet vooral regenwormen, slakken en kevers. Ook spinnen, amfibieën, kleine reptielen, vogeleieren, aas en (in het najaar) bessen en paddenstoelen worden niet gemeden. Zoekt zijn voedsel in een groene omgeving, zoals achtertuinen, parken, wegbermen, bosjes en bossen.
Vocht: drinkt water, bijvoorbeeld schaaltjes water in achtertuinen, regenplassen of natuurlijke waterbronnen. In het laatste geval is het belangrijk dat de oevers flauwe hellingen hebben of dat er andere manieren worden aangeboden om het water uit te kunnen (bijv. via een loopplankje). Anders lopen egels gevaar om te verdrinken.
Veiligheid: schuilt en slaapt graag in rommelhoekjes en onder struiken.
Verbinding: om de versnippering van het leefgebied tegen te gaan, is het aan te raden om verbindingszones te creëren. Dit kan door bijvoorbeeld door gebruik te maken van groene erfafscheidingen (hagen), door gelaagdheid te creëren waar langs egels zich kunnen verplaatsen of door de aanleg van faunapassages onder wegen door.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voedsel
Geveltuin
Voedsel
(Inheemse) struiken van minstens 2-3 meter hoog.
Voedsel
Bloemrijke graslanden / bermen
Voedsel
Pocketpark
Voedsel
Solitaire / cluster van bomen.
Voedsel
Takkenrillen
Vocht
Water (schaaltje of natuurlijke waterbron toegankelijk maken via natuurvriendelijke oever of loopplankje)
Veiligheid
Rommelhoekjes
Verbinding
Faunapassages
Verbinding
Groene erfafscheidingen (hagen), met openingen onder de afscheiding vanaf 15 cm
Verbinding
Gelaagdheid, combinatie van bomen, struiken en open plekken
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: o.a. merel, zanglijster, heggenmus en huismus.
5.4.4 Gehakkelde aurelia
Middelgrote oranje vlinder die zijn naam te danken heeft aan de opvallende vorm van de vleugels. Deze vlindersoort is de afgelopen decennia in aantal toegenomen en komt nu in heel Nederland voor, waaronder in Gouda. De gehakkelde aurelia leeft langs bosranden, in open plekken in het bos en in parken. Ze bezoeken ook tuinen, zeker als er veel bloemen of nectarrijke struiken aanwezig zijn en er enige beschutting is.
Voortplanting: iedere vlindersoort heeft een specifieke plantsoort waar zij haar eitjes op afzet. Voor de gehakkelde aurelia is dat de grote brandnetel, al worden de eitjes in mindere mate ook op iepen, ribes, hazelaar, boswilg en op hop afgezet.
Voedsel en veiligheid: in de rupsfase is de grote brandnetel van cruciaal belang voor de rupsen om zich mee te voeden. De volwassen vlinders drinken nectar van bloeiende bloemen en struiken. Gehakkelde aurelia’s zijn warmtelievend, wat betekent dat ze graag de zon opzoeken. Ze vliegen graag boven windluwe, zonnige en vrij vochtige plaatsen nabij ruige vegetatie.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting
Grote brandnetel (of iep / hop)
Voedsel
Bloemrijk graslanden / bermen
Voedsel
Groen dak met grassen en kruiden
Voedsel & veiligheid
Pocketpark
Voedsel & veiligheid
Cluster van bomen.
Voedsel & veiligheid
Groen dak met grassen, kruiden en struiken
Voedsel & veiligheid
Groene gevel
Voedsel & veiligheid
(Inheemse) struiken van minstens 2-3 meter hoog.
Voedsel & veiligheid
Rommelhoekjes / overhoekjes / zonnige luwe plekjes
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: o.a. boomblauwtje, bont zandoogje en winterkoning.
5.4.5 Gewone dwergvleermuis
De algemeenste vleermuissoort in Nederland. Overdag rusten gewone dwergvleermuizen in spleten en gaten in gebouwen. Door hun geringe grootte kunnen ze zelfs de kleinste gaatjes bewonen. In de schemer verlaten ze hun slaapplaatsen om te gaan jagen. Met behulp van echolocatie (sonar) verplaatsen ze zich door het landschap en lokaliseren ze hun prooi.
Voortplanting: vleermuizen zijn tamelijk plaatstrouw. Ze gebruiken een netwerk van verblijfplaatsen en stellen verschillende eisen aan elk type verblijfplaats. Er bestaan verschillende soorten nestkasten om in te bouwen in gebouwen. Andere mogelijkheden om vleermuizen een plek te geven, is het toegankelijk maken van de spouwmuur. Ook bestaan er paalkasten.
Voedsel: insecteneter, vooral muggen en andere kleine vliegende insecten. Een enkele vleermuis vangt gemiddeld honderden insecten per nacht. Ze jagen bij voorkeur langs de randen en in de beschutting van opgaande vegetatie, o.a. in parken, groene tuinen en groepjes bomen, en bij water.
Verbinding: bewegen zich door het landschap via groenstructuren, zoals bomenlanen. Bij het onderbreken van bestaande groenstructuren (die als vliegroute dienen) kunnen de dieren gedesoriënteerd raken.
Veiligheid: vleermuizen zijn zeer gevoelig voor verlichting. Richt de verlichting in het projectplan daarom weg van de vegetatie en weg van de voortplantingslocaties.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting
Speciale ingebouwde geschakelde nestkasten in gevel. Hoogte 3-50 m, plaats ze niet binnen 1 meter boven of naast ramen. Rondom de nestkasten dient de aanvliegroute vrijgehouden te worden van obstakels (bomen, gebouwen, e.d.; minstens 4 m vrij). Alle windrichtingen, liefst variëren in hoogte en windrichting zodat vleermuizen keuze hebben.
Voortplanting
Spouwmuur toegankelijk maken
Voortplanting
Paalkasten (alleen als andere opties niet mogelijk zijn).
Voedsel
Pocketpark
Voedsel
Solitaire / cluster van bomen.
Voedsel
Water(randen of vijver)
Voedsel
Groene daktuin / groene gevel / groen dak met grassen, kruiden en struiken
Verbinding
Groen moet aansluiten op bestaand groen dat aan het projectgebied grenst voor verbinding tussen nieuw en bestaand groen.
Veiligheid
Geen verlichting richten op groen en water of nestgelegenheid.
Voor meer info, zie https://natuurinclusiefontwikkelen.nl/doelsoort/gewone-dwergvleermuis/
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: o.a. andere soorten vleermuizen.
5.4.6 Gierzwaluw
Ondanks de naam is de gierzwaluw geen familie van de andere zwaluwsoorten, zoals de boeren-, oever- en huiszwaluw. Gierzwaluwen vormen namelijk een eigen familie binnen de vogelwereld. Ze zijn zelfs sterker verwant aan kolibries dan aan zwaluwen. De gierzwaluw brengt bijna zijn hele leven door in de lucht, zelfs het slapen en paren gebeurt in de lucht. Ze komen alleen aan de grond om te broeden. De soort brengt de winter door in Afrika en traditiegewijs verschijnt de soort vanaf Koningsdag weer in ons land.
Voortplanting en verbinding: broedt in Europa vrijwel altijd in gebouwen. Dit kan gebeuren onder dakpannen, in kleine open ruimten in de gevel of in speciaal ontwikkelde in te bouwen nestkasten. Houd rekening met een obstakelvrije zone rondom de nestkasten (van 4-6 meter), zodat de gierzwaluwen een vrije vliegroute hebben van en naar de nestkasten.
Voedsel en veiligheid: eet insecten, zoals muggen, vliegen en vlinders, die al vliegend worden gevangen. Het jagen op insecten gebeurt vaak in moerasgebieden (zoals de Reeuwijkse Plassen), maar zeker ook boven de stad Gouda. Gierzwaluwen zijn zeer goed in staat om afstanden af te leggen. Daarom worden voor het Goudse beleid geen aanvullende eisen gesteld op het gebied van voedsel of veiligheid.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting
Speciale ingebouwde nestkasten in gevel / ruim onder dakgoot / in gootbetimmering. Plaats er meerdere (minstens 5, maximaal 20) per gebouw, op minstens 80 cm van elkaar vandaan. Hoogte 6-40 m, windrichting N, NO of O. Rondom de nestkasten dient de aanvliegroute vrijgehouden te worden van obstakels (bomen, gebouwen, e.d.; 4-6 m vrij).
Voortplanting
Toegankelijk maken ruimten onder dakpannen, onder dakgalerijen of in (spouw)muren
Verbinding
Houd de aanvliegroute vrij van obstakels
Voor meer info, zie https://natuurinclusiefontwikkelen.nl/doelsoort/gierzwaluw/
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: ongebruikte nestkasten worden soms gebruikt door huismussen en spreeuwen.
5.4.7 Grote bonte specht
Van de zes soorten spechten die in Nederland voorkomen, is de grote bonte specht verreweg de algemeenste. Waar andere Nederlandse spechtensoorten vooral aan (oud) bos gebonden zijn, kan de grote bonte specht ook in andere gebieden worden aangetroffen. Zo komt de soort ook voor in parken en tuinen in een stedelijke omgeving. De aanwezigheid van oude en grote bomen is cruciaal. Ze hakken zelf een rond hol uit in bomen, het liefst in zacht hout (bijvoorbeeld berken). Het mannetje verschilt van het vrouwtje door een rode vlek op het achterhoofd; bij het vrouwtje is dat zwart.
Voortplanting en veiligheid: is voor de voortplanting afhankelijk van grote bomen, waar ze een hol in hakken. Hakt het liefste een hol in zacht hout, zoals berken of in dode bomen. Er bestaan ook nestkasten waar deze soort gebruik van maakt. Deze nestkasten dienen aan bomen opgehangen te worden en worden maar één jaar gebruikt door de spechten.
Voedsel: eet van alles. Zoekt in bomen, en in mindere mate op de grond, naar insecten, zowel volwassen insecten als hun larven en poppen. Eet ook vogeleieren en zelfs vogelkuikens. In de winter meer plantaardig voedsel, zoals zaden van (naald- en loof)bomen en bessen. Komt ook op vogelvoer in tuinen af.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voedsel & voortplanting
Grote oude bomen
Voedsel & voortplanting
Behoud van bomen
Voedsel & voortplanting
Pocketpark
Voedsel & voortplanting
Cluster van bomen
Voedsel
(Inheemse) besdragende struiken
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: o.a. boomkruiper, boomklever, koolmees, pimpelmees, zwartkop, bont zandoogje en boomblauwtje.
5.4.8 Huismus
Misschien wel de bekendste dierlijke stadsbewoner. Hun bekende ”getjilp” is vaak te horen in tuinen, parken of hagen in stad en dorp. Ook op het platteland komt de soort veel voor. Huismussen houden van een rommelige omgeving, met een combinatie van struiken, open bloemrijke plekjes en gebouwen. Door de gewoonte van de mens om de leefomgeving “netjes” in te richten, is de huismus sinds de jaren ’80 hard achteruitgegaan. Hierdoor is de soort zelfs op de Rode lijst terechtgekomen. Gelukkig lijkt de afname recent gestopt en is er op sommige plekken zelfs enig herstel te zien. Huismussen houden van het nemen van een stofbad in zand.
Voortplanting: broedt in gebouwen. Dit kunnen “natuurlijke” openingen in gebouwen, de dakgoot, onder dakpannen of speciale nestkasten zijn.
Voedsel: eet o.a. zaden, granen, bloemknoppen, bessen en menselijk voedsel (brood, vetbollen, etc.). In de zomer bestaat het dieet vooral uit insecten, waarmee ook de jongen gevoerd worden. Zorg daarom voor gevarieerd groen, bijvoorbeeld in tuinen, in bermen of in de vorm van parkjes.
Veiligheid: schuilt graag tegen predatoren in dichte hagen, klimmend groen of in bomen.
Verbinding: huismussen leggen geen grote afstanden af. Daarom dienen de maatregelen binnen 200 meter van elkaar genomen te worden.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting
Toegankelijke dakgoot
Voortplanting
Speciale ingebouwde nestkasten in gevel / ruim onder dakgoot. Plaats er meerdere (minstens 2, liefst 5) per gevel, op minstens 50 cm van elkaar vandaan. Hoogte 3-10 m, windrichting N, NO of O.
Voortplanting
Paalkasten (tillen; alleen als andere opties niet mogelijk zijn).
Voedsel
Geveltuin
Voedsel
Bloemrijke graslanden / bermen
Voedsel
Groene daktuin / groene gevel / groen dak met grassen, kruiden en struiken
Voedsel
Pocketpark
Voedsel & veiligheid
(Inheemse) besdragende struiken van minstens 2-3 meter hoog.
Veiligheid
Solitaire / cluster van bomen.
Verbinding
Alle maatregelen binnen 200m van elkaar. Hoe dichterbij, hoe beter.
Zie https://natuurinclusiefontwikkelen.nl/doelsoort/huismus/ voor informatie over broedplaatsen.
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: o.a. heggenmus, ringmus en insecten.
5.4.9 Muurplanten
Met muurplanten worden o.a. verschillende soorten varens, gele helmbloem (foto) en muurleeuwenbek bedoeld. Deze soorten groeien van nature in rotsachtige omgevingen. In Nederland ontbreekt dit landschapstype, maar hebben de planten een vervanger gevonden in oude muren en grachten. In de binnenstad van Gouda fleuren de verschillende soorten muurplanten de muren van de oude grachten op. Deze (kruidachtige) muurplanten brengen met hun wortels geen schade aan aan de muren.
Vestiging: muurplanten groeien niet zomaar op elke muur, maar stellen voorwaarden aan de stenen omgeving. De muren moeten in een vochtige omgeving staan en bestaan uit een kalkrijke samenstelling (kalksteen of kalkmortel). Omdat de plantensoorten zich via de lucht verspreiden, mogen nieuw ontwikkelde muren niet al te ver weg liggen van bekende groeiplekken.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Vestiging
Muren moeten voldoen aan:
-Dicht genoeg bij water, zodat water kan optrekken
-Muur heeft kalkrijke samenstelling nodig (kalksteen of kalkmortel)
-Verdiepte (>1 cm) en opgeborstelde voeg
-Binnen 1000 meter van bekende groeiplekken van muurplanten in Gouda
5.4.10 Ratelaars
Ratelaars zijn opmerkelijke plantensoorten. Niet alleen komen er veel insectensoorten af op de bloeiende gele bloemen en kunnen ze hele grasvelden of bermen massaal geel kleuren als ze bloeien. De soorten staan vooral bekend als halfparasiet. Dat houdt in dat ratelaars zich voeden via de wortels van andere planten, in dit geval vaak de wortels van grassen. Hierdoor zorgen ratelaars ervoor dat de grassen minder dominant worden en andere soorten bloemen de kans krijgen te bloeien. In Gouda zijn drie soorten ratelaars vastgesteld (al dan niet door mensen ingezaaid), namelijk de grote, kleine en harige ratelaar.
Vestiging: groeien op open en matig voedselrijke, vrij zure en vochtige grond. Gebruik bij nieuw aangelegde gebieden en ophogingen dus geen voedselrijke, “vette” aarde, maar een mix van zand en grond. Komt in Gouda veel voor in wegbermen en velden waar het beheer speciaal op deze soort in gericht. Juist beheer is belangrijk, want ratelaars zijn eenjarige planten. Maai daarom pas nadat de zaden zijn afgezet (juli-september), anders kunnen de zaden niet kiemen en kan de soort verdwijnen.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Vestiging
Beheermaatregelen:
-Maaien na zaadafzetting
-Winter open grond, dus maaien voor de winter
-Redelijk verarmde grond
1Mix van zand en grond (geen te voedselrijke teelgrond)
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: andere (nectarrijke) kruiden profiteren van bijzondere eigenschappen van de ratelaar. In Gouda staan vaak orchideeën in de bermen waar ratelaars bloeien. De kruidenrijke bermen en graslanden trekken weer veel insecten, zoals sprinkhanen en krekels, het icarusblauwtje en de kleine vos.
5.4.11 Ringslang
Een van de drie (inheemse) slangensoorten die in Nederland voorkomen, en de enige die Laag-Nederland voorkomt. De ringslang is een aan water gebonden slang. Ze kunnen maximaal 1,20 meter lang worden, wat ze de grootste slangensoort van Nederland maakt. Ringslangen zijn ongevaarlijk voor mensen, want ze zijn niet giftig en zijn niet agressief naar mensen toe. Het lichaam is over het algemeen donker gekleurd, met kleine zwarte stippen. Net achter de kop zitten twee zwarte en gele vlekken, die een soort ring vormen (waaraan de soort ook zijn naam te danken heeft).
Voortplanting: legt eieren in composthopen, bladhopen en mestvaalten. In Nederland worden speciaal ontwikkelde broeihopen aangelegd om de soort te helpen. Deze kunnen bestaan uit compost, bladeren, takken en (ruwe paarden)mest. Zie hier voor meer informatie over het aanleggen van broeihopen.
Voedsel: eet voornamelijk amfibieën (kikkers, padden en in mindere mate salamanders). Pakt ook heel af en toe vissen of muizen. Voor het vinden van voedsel heeft de ringslang daarom vooral waterkanten (natuurvriendelijke oevers) en wateren nodig.
Veiligheid: houdt een winterslaap. Doet dit op plekken die ’s winters niet bevriezen, zoals in takkenrillen, stenenhopen, onder de grond (bijvoorbeeld in muizenholen) of in broeihopen.
Verbinding: verbindingen tussen locaties waar de slangen jagen (water), zich voortplanten (broeihopen) en overwinteren (zie veiligheid) zijn cruciaal. Lijnvormige landschapselementen, zoals wegbermen, natuurvriendelijke oevers en takkenrillen zorgen voor goede verbindingen.
Overig: ringslangen zijn koudbloedige dieren die moeten zonnen voordat ze zich soepel kunnen voortbewegen. Realiseer daarom open plekken in het leefgebied, zoals korter gemaaide plekken in de oever.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting
Broeihoop, op plekken waar weinig mensen bij kunnen komen
Voedsel
Natuurlijke poel of vijver, met oevervegetatie
Voedsel & verbinding
Sloten
Voedsel & verbinding
Natuurvriendelijke oevers
Verbinding
Bloemrijke graslanden / bermen
Verbinding & veiligheid
Pocketpark
Verbinding & veiligheid
Takkenril
Veiligheid
Hopen stenen of plantaardig materiaal
Overig
Open plekken om langs oever (om op te warmen)
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: o.a. bruine kikker, groene kikkers, gewone pad, kleine watersalamander en libellen.
5.4.12 Rosse metselbij
Zeer algemene bijensoort van de familie metselbijen. Metselbijen broeden solitair, in tegenstelling tot veel andere soorten bijen en wespen. De rosse metselbij komt voor in natuurlijke landschappen, maar ook veelvuldig in stedelijk gebied. Hier bezoeken ze tuinen, parken en andere groengebieden. Ze zijn niet gevaarlijk voor mensen, want ze kunnen niet steken en zijn niet agressief. De rosse metselbij is vrij vroeg in het jaar actief, ongeveer van maart tot begin juni.
Voortplanting: plant zich voort in kleine holen van hout of steen. Dit kunnen kleine gaatjes in stenen muren zijn, holle plantenstengels of gaten in hout. Rosse metselbijen maken ook veel gebruik van insectenhotels.
Voedsel: bestuiver. Favoriete plantensoorten zijn longkruid, aalbes en kruisbes. Echter niet heel kieskeurig, bezoekt ook vele andere plantensoorten. Zorg er daarom voor dat er altijd bloeiende planten aanwezig zijn (lange bloeiboog).
Verbinding: verbind potentieel geschikte gebieden zoveel mogelijk met elkaar, bijvoorbeeld via bloemenrijke bermen.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting
Insectenhotel gemaakt van permanente materialen (dus niet van hout, want gaan niet lang mee)
Voortplanting
Insectenstenen
Voortplanting
Dood hout of stapels stenen
Voedsel
Bloemrijke graslanden of bermen
Voedsel
Groen dak met grassen en bloemrijke kruiden (en eventueel struiken)
Voedsel
Geveltuin
Voedsel
(Inheemse) bomen of struiken (minstens 2-3m hoog) met bloemen
Verbinding
Verbind plangebied met omgeving
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: vele andere soorten bijen, hommels, zweefvliegen en sprinkhanen.
5.4.13 Scholekster
De scholekster is een van onze bekendere weidevogels, maar komt ook veel langs de kust voor, zoals langs de Waddenzee en in Zeeland. In het binnenland spreekt vooral de afwisseling tussen bouw- en grasland de soort aan. Sinds kort broeden ze ook op platte daken op industriegebieden, waar de met grind bedekte daken een goede vervanging vormen voor de natuurlijke nestplekken aan de kust. Luidruchtige soort.
Voortplanting: broedt tegenwoordig steeds vaker op platte, bruine daken in industriegebieden. Hier hebben ze geen last van grondpredatoren, zoals vossen, marters en loslopende katten. Het nest is niet meer dan een ondiep kuiltje. Bruine daken bestaan uit een laag van vermalen (puin)steen, met een variatie aan schelpen, blokken hout en stenen (of zonnepanelen!). Lage planten kunnen hier spontaan opkomen en houden zichzelf in stand.
Voedsel: eet o.a. schelpdieren (langs de kust), wormen en emelten (de larven van langpootmuggen). In de stad foerageren scholeksters in bloemrijke graslanden en bermen. Vogels die op industriegebieden aan de rand van de stad broeden, kunnen in het nabijgelegen agrarisch gebied gaan zoeken naar voedsel.
Veiligheid: eieren en pasgeboren scholeksters zijn kwetsbaar voor vliegende predatoren (roofvogels, meeuwen, kraaien). Op het bruine dak moet daarom schuilgelegenheid gecreëerd worden, bijvoorbeeld in de vorm van afdakjes, pallets en andere voorwerpen waar de jongen onder kunnen schuilen. Zorg ook voor een verhoogde dakrand, zodat jonge scholeksters niet van het dak af kunnen vallen.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting & veiligheid
Bruine daken: substraat van wisselende 5-15 cm dikte, bestaande uit gemalen puin, lage (spontaan opkomende) vegetatie en losse grotere stenen en houtstammetjes.
Voedsel
Bloemrijke graslanden / bermen
Voedsel
Natuurvriendelijke oevers
Zie ook de Factsheet ‘Scholekster op het dak’ die de Vogelbescherming opstelde.
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: zwarte roodstaart, visdief en meeuwen.
5.4.14 Weidehommel
Komt in Nederland voor in allerlei landschapstypen, zoals in wegbermen, in graslanden, langs bosranden, in parken en in tuinen. Maakt zijn nestje bovengronds. Is al vroeg in het voorjaar (eind februari) actief en kan tot begin augustus opgemerkt worden.
Voortplanting: nestelt in oude vogelnestjes, in boomholten, in composthopen, in struiken, maar ook onder stenen. Er bestaan ook speciale hommelhotels. Maakt geen gebruik van de traditionele insectenhotels. De weidehommel kan ook geholpen worden door het aanbieden van omgekeerde bloempotten op de grond.
Voedsel: bezoekt nectar van bloeiende kruiden, struiken en bomen. Zit in het vroege voorjaar vaak op bloeiende wilgen, op bolgewassen, longkruid en andere vroege bloeiers. Later in het jaar bezoekt de soort andere soorten die dan bloeien. Daarom is het belangrijk dat er altijd bloeiende vegetatie aanwezig is.
Verbinding: verbind potentieel geschikte gebieden zoveel mogelijk met elkaar, bijvoorbeeld via bloemenrijke bermen.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting
Hommelhotel (bloempot of vele andere methodes)
Voortplanting
Insectenstenen, dood hout, zand
Voedsel
Groene daktuin, groene gevel en groen dak met grassen, kruiden (en struiken)
Voedsel
(Inheemse) struiken van minstens 2-3 meter hoog
Voedsel
Bloemrijke graslanden / bermen
Voedsel
Geveltuin
Verbinding
Aaneengesloten groengebieden
Verbinding
Gevarieerde bloeiboog, bloemen die in verschillende maanden bloeien (maart – oktober)
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: andere bijen en hommelachtigen, sprinkhanen en krekels en het icarusblauwtje.
5.4.15 Wezel
Een kleine marterachtige met een bruine bovenzijde en een lichte onderzijde. Wezels kunnen overal aangetroffen worden, zolang er maar genoeg prooidieren voorkomen en er voldoende dekking is. Dit kunnen zowel natuur- als cultuurgebieden zijn.
Voortplanting: plant zich voort in holen in de grond (bijvoorbeeld muizenholen), in stapels stenen of takken, in dicht struikgewas of in hooibalen of -mijten.
Voedsel: vooral muizen. In mindere mate ook ratten, jonge konijnen, mollen, slakken, kikkers, vogels en eieren.
Verbinding en veiligheid: Verplaatst zich graag langs lijnvormige elementen, zoals houtwallen, heggen, stenen muurtjes of takkenrillen. Hier vinden ze ook voldoende beschutting.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting
Niet-gebruikte stapels stenen of takken
Voortplanting
Dicht struikgewas
Voortplanting
Hooimijt
Voedsel
Pocketpark
Voedsel
Bloemrijke graslanden / bermen
Veiligheid en verbinding
(Inheemse) struiken van minstens 2-3 meter hoog
Veiligheid en verbinding
Takkenrillen
Veiligheid en verbinding
Gestapeld muurtjes
Veiligheid en verbinding
Beschutte greppels
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: bunzing. Ook soorten die leven in kleinschalige landschapselementen, zoals de winterkoning, heggenmus en egel.
5.4.16 Zwarte roodstaart
De zwarte roodstaart is van oorsprong een rotsbewoner, maar in West-Europa is de soort ook te vinden in stenige stedelijke omgevingen. Dit zijn vaak industriegebieden en nieuwe woonwijken in aanbouw, met voldoende braakliggende gronden. De soort wordt aangetrokken door open, stenige omgevingen; zodra het te groen wordt (bijvoorbeeld door het opkomen van bomen of struiken), verdwijnt hij weer. Het mannetje brengt zijn kenmerkende zang voort vanaf een hoge zangpost, met als doel om zijn territorium af te bakenen. Bruine daken bieden een compleet leefgebied voor deze soort.
Voortplanting: broedt in spleten en gaten in gebouwen, in stapels stenen of op rotsachtige terreinen. Bruine daken vormen een prima alternatief waar de soort zich kan voortplanten. Ook bestaan er nestkasten die specifiek zijn ontworpen voor de zwarte roodstaart. Bouw deze nestkast boven de 2 meter hoogte in, met vliegopening naar het noorden of oosten.
Voedsel: bestaat uit insecten, die de soort vindt in open gebieden met korte vegetatie. Bijv. op groene daken, op bruine daken of in bloemrijke graslanden.
Verbinding: hoge zangposten van 20 meter of hoger, zoals hijskranen, hoge gebouwen, dakranden, etc., waar ze vanaf zingen.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting en voedsel
Bruine daken
Voortplanting
Nestkasten, ingebouwd of los aanbieden (op dak)
Voedsel
Groene daken met sedum en / of kruiden
Voedsel
Bloemrijke graslanden / bermen (zonder bomen)
Voedsel
Braakliggend terrein met lage vegetatie
Verbinding
Hoge gebouwen waarvandaan ze kunnen zingen
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: witte kwikstaart en in de winter ook de grote gele kwikstaart. Insecten profiteren van de maatregelen die gericht zijn op de aanleg van bloemrijke bermen en graslanden.
5.4.17 Zwartkop
De zwartkop is een bruingrijze zangvogel ter grootte van een mus. Hij is vernoemd naar zijn zwarte ‘petje’. Bij vrouwtjes en jonge vogels is deze roodbruin van kleur. Vanaf maart is zijn karakteristieke, lijsterachtige zang te horen in onder meer bossen, parken en tuinen. De soort kun je vooral in maart-oktober tegenkomen in ons land. Oorspronkelijk brachten Zwartkoppen de winter door in Zuidwest-Europa en Noord-Afrika, maar door klimaatopwarming probeert de soort steeds vaker om de winter in Nederland door te brengen.
Voortplanting: broedt graag in dichte struiken, vooral braam, en in ruigtekruiden (zoals brandnetels).
Voedsel: eet ’s zomers vooral insecten. In het najaar en de winter verandert het dieet en worden vooral bessen en vruchten gegeten.
Verbinding: leeft in gebieden met voldoende bomen en struiken, die gebruikt worden om in te broeden, om voedsel te zoeken en om in te zingen.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting
(Inheemse) struiken (minstens 2-3m hoog)
Voortplanting en voedsel
(Inheemse) besdragende struiken
Voedsel
Cluster van bomen
Voedsel
Fruitbomen
Voedsel
Tiny forest
Voedsel
(Pocket)park
Verbinding
Zingt graag vanuit bomen, struiken en andere (middel)hoge vegetatie
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: andere vogelsoorten die afhankelijk zijn van de combinatie van (kleine) bossen en struiken, zoals mezen, roodborst, heggenmus, tuinfluiter en lijsters.