Gemeentelijke regelgeving

Bodembeheernota Zuid-Holland Zuid

Gemeente Gorinchem · geldt sinds 14 april 2023

Aanhef

[Een deel van de tekst van deze bekendmaking is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar: https://geo.ozhz.nl/?@Bodemkwaliteitskaart.]

Gezien het voorstel d.d. 21 februari 2023 inzake het vaststellen van de Bodemkwaliteitskaart en Bodemfunctiekaart Zuid-Holland Zuid (reguliere stoffen, excl. PFAS);

Gelet op:

–artikel 57 van het Besluit bodemkwaliteit;

B E S L U I T:

1De Regionale Bodemkwaliteitskaart Zuid-Holland Zuid - Actualisatie 2021 van Marmos Bodemmanagement, kenmerk P20-11, d.d. 22 november 2021, wordt vastgesteld als Bodemkwaliteitskaart Zuid-Holland Zuid (reguliere stoffen, exclusief PFAS).

2Het verantwoordingsrapport van de Bodemkwaliteitskaart (Marmos Bodemmanagement, kenmerk P20-11, d.d. 22 november 2021) is in te zien op: https://www.ozhz.nl/bkkzhz2021/

3De digitale versie van de Bodemkwaliteitskaart en Bodemfunctiekaart Zuid-Holland Zuid (reguliere stoffen, exclusief PFAS) zijn in te zien op https://geo.ozhz.nl/?@Bodemkwaliteitskaart.

4Dit besluit treedt in werking na de bekendmaking ervan in het gemeenteblad.

SAMENVATTING

Inleiding

Voor u ligt de bodembeheernota van de regio Zuid-Holland Zuid. Deze nota is tot stand gekomen in samenwerking met de 19 gemeenten in deze regio, het Waterschap Hollandse Delta, het Waterschap Rivierenland en de Milieudienst Zuid-Holland Zuid.

Aanleiding voor het opstellen van nieuw bodembeleid is het Besluit bodemkwaliteit dat per 1 juli 2008 in werking is getreden voor het op landbodem toepassen van grond en baggerspecie. Doel van dit Besluit is het mogelijk maken van maatschappelijke ontwikkelingen zonder hierbij de bodemkwaliteit te schaden.

Reden voor de Milieudienst Zuid-Holland Zuid en de gemeenten om gezamenlijk invulling te geven aan bodembeleid is:

■ de ambitie om zelfvoorzienend te zijn op het gebied van grond en bagger binnen de regio. Dit betekent dat de regio zoveel mogelijk vrijkomende grond en baggerspecie binnen de regio Zuid-Holland Zuid willen herbestemmen\-gebruiken.

■ heldere en eenduidige regelgeving voor alle gemeenten binnen de regio. Dit vergemakkelijkt de taken van het bevoegd gezag, waardoor deze efficiënter uitgevoerd kunnen worden.

■ financieel voordeel voor zowel uitvoerende gemeentelijke diensten als externe partijen omdat vrijkomende grond en baggerspecie in de regio kan worden hergebruikt en niet aan marktpartijen hoeft te worden afgezet. Ook de te leveren onderzoeksinspanning naar de milieuhygiënische kwaliteit van partijen grond wordt door regionaal beleid verminderd.

Doel

De kwaliteit van de bodem speelt een rol bij onder meer bouwplannen, herinrichting van stadsdelen, civieltechnische werken, het verlenen van milieuvergunningen, etc. Bij deze activiteiten zijn diverse partijen betrokken. Al deze partijen in het proces (gemeentelijke uitvoerende diensten maar ook aannemers, loonbedrijven, makelaars, projectontwikkelaars, etc.) hebben behoefte aan duidelijke regels voor het omgaan met de bodemkwaliteit en het toepassen van partijen grond en baggerspecie.

Tevens willen de gemeenten hun bodemkwaliteit duurzaam beheren. Dat betekent ondermeer dat hergebruik van vrijkomende grond en baggerspecie efficiënt en verantwoord moet plaatsvinden.

Toepassingskaders

Het op landbodem toepassen van grond en baggerspecie kan plaatsvinden volgens het generieke of het gebiedsspecifieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. De gemeenten hebben, na een gedegen afwegingsproces, gebieden aangewezen waarop gebiedsspecifiek beleid van toepassing is. De regio voorziet hiermee de volgende voordelen:

■ het specifieke beleid bevat lokale normen die optimaal aansluiten bij de ambities, de gebruiksfuncties, de activiteiten en de ontwikkelingen van de betreffende gebieden.

■ door decentralisatie van bodembeheertaken kan de gemeente zelf meer sturing geven aan het realiseren van haar eigen bodemambities. Hergebruik van de juiste kwaliteit grond op de juiste plek is hiervan het resultaat waardoor duurzaam bodembeheer mogelijk is.

■ door te kiezen voor een goede invulling van de lokale uitgangspunten wordt ruimte gecreëerd voor optimaal hergebruik. Maatschappelijke kosten worden hierdoor verlaagd, onnodige stagnatie van grondverzet voorkomen en export van grond tot buiten de gemeente- dan wel regiogrenzen (met de bijkomende extra transportkosten) geminimaliseerd.

Uitgangspunten en randvoorwaarden

■ In de bodembeheernota staat het gebruik van de bodem centraal. Dit in tegenstelling tot het Bouwstoffenbesluit, dat tot 1 juli 2008 de basis vormde voor hergebruik van grond en baggerspecie, waarbij de kwaliteit van de bodem het uitgangspunt vormde (dit was nader uitgewerkt in de Ministeriele Vrijstellingsregeling Grondverzet).

Omdat het Besluit bodemkwaliteit voorop stelt dat het toepassen van grond en baggerspecie geen risico’s mag opleveren voor het gebruik van de bodem, is door de gemeenten beleidsruimte verkregen waarmee het feitelijke beheer van de bodem beter kan worden afgestemd op de gemeentelijke bodemambities.

■ Het beginsel van standstill (door hergebruik van grond en baggerspecie mag geen verslechtering optreden) krijgt een nieuwe invulling. Hiermee wordt bedoeld dat het lokaal afnemen van de bestaande bodemkwaliteit alleen is toegestaan wanneer dit plaatsvindt met gebiedseigen grond. Op deze manier blijft de binnen het gebied al aanwezige bodembelasting namelijk gelijk, oftewel, er wordt geen nieuwe bodembelasting gecreëerd. Voor grond en baggerspecie die van buiten het gebied (de regio) wordt aangevoerd, gelden andere (strengere) voorwaarden. Wanneer dit van toepassing is, is dat in de nota aangegeven.

■ Om het toepassen van grond of baggerspecie binnen de regio te kunnen faciliteren, zonder dat telkens een bodemonderzoek of partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd, zijn bodemkwaliteitskaarten opgesteld. De bodemkwaliteitskaarten kunnen als bewijsmiddel worden gebruikt om de kwaliteit van vrijkomende grond en/of de ontvangende bodem aan te tonen. Hiermee kan, ook door burgers en bedrijven, worden bespaard op (onderzoeks)kosten.

■ Grond en/of baggerspecie die vrijkomt op locaties waarvan bekend is dat er een kans bestaat op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging is uitgesloten van hergebruik.

■ De eigenaar van een locatie beslist zelf of hij/zij de, met het gebiedsspecifieke beleid, geboden ruimte wil benutten. Als bijvoorbeeld de eigenaar van een perceel op een industrieterrein alleen schone grond wil ontvangen, is dat een legitieme keuze.

■ De gemeente is bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit. In dat kader ontvangt, beoordeelt en registreert de gemeente de meldingen (nagenoeg alle toepassingen van grond en baggerspecie moeten worden gemeld). Namens de gemeenten verzorgt de Milieudienst Zuid-Holland Zuid het toezicht op en de handhaving van het op landbodem toepassen van partijen grond of baggerspecie.

Adequaat toezicht en handhaving van het beleid is belangrijk. Deze taken zijn in de nota toegelicht.

■ Naast deze bodembeheernota is een separaat document opgesteld, de verantwoordingsrapportage. Hierin zijn de gemaakte keuzes, scenario’s en achtergronden beschreven die hebben geleid tot het gebiedsspecifieke bodembeleid.

6. GEBIEDSSPECIFIEKE TOEPASSINGSEISEN GROND EN BAGGERSPECIE BIJ TOEPASSING ALS "BODEM"

6.1 Toepassingseisen gebiedsspecifiek beleid

6.1.1 Aanleggen toekomstige bedrijventerreinen/industrieterreinen (> 2 ha)

Binnen de hele regio Zuid-Holland Zuid geldt, voor toekomstige bedrijven- en industrieterreinen met een minimale omvang van 2 hectare (20.000 m2), een ontheffing van de kwaliteitstoets van de ontvangende bodem.

Dit betekent dat op deze terreinen, ongeacht de kwaliteit van de ontvangende bodem, grond of baggerspecie mag worden toegepast van maximaal de generieke kwaliteitsklasse industrie (zie bijlage 5). Voorwaarde is wel dat de grond of baggerspecie die wordt toegepast afkomstig is uit de regio. Wordt voor de aanleg van het bedrijven- of industrieterrein grond of baggerspecie van buiten de regio aangevoerd, dan dient van de generieke toepassingseisen te worden uitgegaan.

6.1.2. Toepassen industriegrond op bestaande bedrijventerreinen/industrieterreinen

Binnen de gehele regio Zuid-Holland Zuid is het mogelijk om ter plaatse van bestaande bedrijven- en industrieterreinen partijen grond of baggerspecie toe te passen die voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie. Voor deze toepassing gelden een aantal randvoorwaarden met betrekking tot de toepassingslocatie, hoeveelheden, toepassingseisen en meldingsplicht. De voorwaarden zijn hieronder opgenomen:

•de hoeveelheid toe te passen grond of baggerspecie dient minimaal 200 m3 aaneengesloten in het werk te bedragen met een minimale dikte van 0,5 meter;

•als de toe te passen partij grond of baggerspecie visueel weinig afwijkt van de ontvangende bodem moet geotextiel worden aangebracht om de scheiding duidelijk te maken;

•de toepassing moet gemeld worden bij de Milieudienst Zuid-Holland Zuid overeenkomstig de voorwaarden zoals beschreven in paragraag 10.1 van de bodembeheernota;

•het toepassen van industriegrond ter plaatse van minder verontreinigde industrieterreinen is niet toegestaan ter plaatse van bedrijfswoningen of tuinen van bedrijfswoningen;

•als bij een toepassing in bermen en groenstroken een ontsluitingsweg door de toepassing loopt, mag de toepassing toch als aaneengesloten worden gezien.

•de toe te passen grond of baggerspecie dient afkomstig te zijn uit de regio. Wordt grond of baggerspecie van buiten de regio aangevoerd, dan dient van de generieke toepassingseisen te worden uitgegaan.

De Milieudienst Zuid-Holland Zuid zal de meldingen en toepassingen in het bodeminformatiesysteem registreren om te voorkomen dat de toegepaste partij industriegrond de algehele bodemkwaliteit van de betreffende zone laat verslechteren.

Door aparte registratie wordt voorkomen dat de toepassingslocatie onderdeel gaat uitmaken van de bodemkwaliteitszone, waardoor de algehele bodemkwaliteit in die zone negatief beïnvloed wordt.

6.1.3 Aanleggen nieuwe woongebieden in de Hoeksche Waard

Binnen de subregio Hoeksche Waard geldt, voor toekomstige woongebieden met een minimale omvang van 2 hectare (20.000 m2), een ontheffing van de kwaliteitstoets van de ontvangende bodem.

Op deze terreinen mag derhalve, ongeacht de kwaliteit van de ontvangende bodem, grond of baggerspecie worden toegepast van maximaal de generieke kwaliteitsklasse wonen (zie bijlage 5).

Voorwaarde is wel dat de grond of baggerspecie die wordt toegepast afkomstig is uit de subregio Hoeksche Waard. Wordt voor de aanleg van het woongebied grond of baggerspecie van buiten de subregio aangevoerd, dan dient van de generieke toepassingseisen te worden uitgegaan.

6.1.4 Hergebruik binnen wegbermen

Voor de hele regio geldt dat de grond en baggerspecie die voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie, in wegbermen buiten de bebouwde kom mag worden toegepast mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

–Tot de wegberm wordt gerekend een strook van maximaal 10 meter aan beide zijden van de weg (bijvoorbeeld de asfaltrand), tenzij de berm langs de weg eerder wordt onderbroken door een sloot dan wel een aangrenzende perceel. Voor wegbermen langs dijkwegen geldt voor beide zijden buiten het wegdek een strook van maximaal 2 meter.

–De kwaliteit van de te ontgraven bodem in wegbermen moet geverifieerd worden met een verkennend bodemonderzoek (zie paragraaf 8.2.4):

■ Indien blijkt dat de kwaliteit van de bermengrond voldoet aan de maximale waarden van de kwaliteitsklasse industrie (zie bijlage 5), dan mag deze grond elders binnen de wegbermen opnieuw worden toegepast.

■ Indien de maximale waarden van de kwaliteitsklasse industrie worden overschreden, dan dient voor de bermengrond een andere bestemming gevonden te worden.

■ Indien de interventiewaarden worden overschreden, dan dient een saneringsplan opgesteld te worden (spoor van de Wet bodembescherming).

Er dient van de generieke toepassingseisen te worden uitgegaan wanneer ter plaatse van wegbermen grond wordt toegepast afkomstig van buiten de regio. Wordt (bermen)grond uit de regio binnen de bebouwde kom (incl. lintbebouwing) toegepast, dan geldt hiervoor de kwaliteitsklassen uit de toepassingskaart (zie bijlage 3).

Opgemerkt wordt dat het beschreven beleid alleen geldig is voor bestaande wegbermen.

Wegbermen ter plaatse van nieuw aan te leggen wegen zijn hiervan uitgesloten. Voor een verdere onderbouwing van het gebiedsspecifieke beleid voor wegbermen wordt verwezen naar de verantwoordingsrapportage.

6.1.5 Oude woonwijken gemeente Dordrecht, Gorinchem, Zwijndrecht en Leerdam

De bodemkwaliteit in:

•de wijken Oude binnenstad, Reeland en Krispijn van de gemeente Dordrecht;

•de zones Binnenstad en Lingedijk in Gorinchem,

•het oude centrum van Zwijndrecht,

•het centrum van Leerdam,

is door de eeuwen heen veelal verontreinigd geraakt als gevolg van menselijke handelingen. Daardoor is een bodemkwaliteit ontstaan die niet voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen, maar gemiddeld wel aan de kwaliteitsklasse industrie.

Omdat het ecologische belang van deze oude bewoningskernen relatief laag is, geldt voor deze wijken een specifieke toepassingseis voor grond en baggerspecie. Ter plaatse mag namelijk grond of baggerspecie worden toegepast van maximaal de gebiedsspecifieke kwaliteitsklasse 'wonen II' (zie bijlage 5). E.e.a. wordt nader beargumenteerd in de verantwoordingsnota.

Voorwaarde is wel dat de grond of baggerspecie die wordt toegepast afkomstig is uit de regio. Wordt de in de genoemde wijken toe te passen grond of baggerspecie van buiten de regio aangevoerd, dan dient van de generieke toepassingseisen te worden uitgegaan.

Omdat de maximale waarden van de klasse 'wonen II' boven de maximale waarden van de generieke kwaliteitsklasse wonen liggen, geldt binnen de eerder genoemde wijken een gebruiksbeperking: het wordt afgeraden om groenten en fruit uit eigen tuin te consumeren. Bekent is dat in deze wijken geen volkstuinen zijn gelegen.

Doordat de huidige bodemkwaliteit als klasse industrie is beoordeeld, en de toe te passen grond of baggerspecie aan de maximale waarden van de klasse 'wonen II' moet voldoen, ontstaat in de wijken op den duur een verbetering van de algehele bodemkwaliteit.

6.1.6 Landelijk gebied Hoeksche Waard, Alblasserwaard-Vijfheerenlanden (ALV) en Drechtsteden

In het landelijk gebied van de Hoeksche Waard, Alblasserwaard- Vijfheerenlanden en Drechtsteden voldoet de gemiddelde kwaliteit van de bovengrond in sommige deelgebieden plaatselijk net niet aan de voorwaarden voor een schone bodem (klasse AW2000). Desondanks is door de regio Zuid-Holland Zuid besloten dat, om stagnatie in grondverzet te voorkomen, tussen deze buitengebieden grond mag worden uitgewisseld.

Wordt daarentegen in het landelijk gebied grond of baggerspecie toegepast die van elders afkomstig is (al dan niet uit de regio), dan dient deze wel te voldoen aan de generieke kwaliteitsklasse AW2000.

Het bovenstaande kader is verwerkt in de ontgravings- en toepassingskaarten.

6.1.7 Verruimd toepassingsbeleid ongerijpte baggerspecie

In het Besluit bodemkwaliteit geldt, voor het verspreiden van ongerijpte baggerspecie op het aangrenzend perceel, een risicogrens als maximale norm voor de kwaliteit van de te verspreiden baggerspecie; de ms-PAF methode (zie paragraaf 4.2).

Deze toets geldt alleen bij het verspreiden van ongerijpte baggerspecie op percelen direct grenzend

2Het begrip 'direct aan de watergang grenzend' is in het "Handvat implementatie Besluit bodemkwaliteit, reikwijdte verspreiden van baggerspecie", Bodem+, juni 2008 nader toegelicht met onderstaande tekst: "Een strikte interpretatie van het begrip 'direct aan de watergang grenzend perceel' is onnodig en ongewenst. Het begrip biedt een zekere ruimte om dit soort situaties praktisch te benaderen. Vaak is er voor de betreffende baggerspecie op een ander perceel aan dezelfde watergang wel ruimte. Het begrip 'direct aan de watergang grenzend perceel' laat afzet van baggerspecie op zo'n perceel toe."

aan de watergang van herkomst. In de regio is echter vaak geen of onvoldoende ruimte voor het verspreiden van deze specie op de aangrenzende percelen. Toch is er in de regio veelal door agrariërs vraag naar deze baggerspecie. De baggerspecie wordt door hen gebruikt voor algehele bodemverbetering.

Om aan de vraag van agrariërs gehoor te geven, en tevens te voldoen aan de gestelde doelen van zelfvoorzienendheid, is specifiek beleid opgesteld om vrijkomende baggerspecie in een groter gebied her te kunnen gebruiken. Omdat uit waterbodemonderzoeken is gebleken dat baggerspecie uit het landelijk gebied veelal schoner is dan de bagger vrijkomend uit het stedelijk gebied, zijn hiervoor verschillende toepassingseisen opgesteld.

Landelijk gebied

De gemiddelde kwaliteit van de ongerijpte baggerspecie uit de landelijke, bij de waterschappen in beheer zijnde watergangen is dusdanig goed, dat verspreiding dan wel toepassing hiervan niet zal leiden tot verslechtering van de kwaliteit van de ontvangende bodem mits wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden:

•de beoogde toepassing wordt gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (zie hoofdstuk 10.1)

•de baggerspecie dient afkomstig te zijn uit de watergangen van het beheergebied van de waterschappen Hollandse Delta en/of Rivierenland en gelegen zijn binnen het beheergebied van de Milieudienst Zuid-Holland Zuid;

•de baggerspecie mag alleen, op de percelen in het landelijk gebied van de regio, door agrariërs als grondverbetering worden toegepast;

•baggerspecie uit onverdacht watergangen (art. 4.3.4 van de Regeling Bodemkwaliteit) behoeft niet te worden onderzocht.

•de kwaliteit van de te toe te passen baggerspecie uit de overige watergangen is bepaald met een waterbodemonderzoek volgens de NEN5720 of een partijkeuringconform AP04;

•de toetsingsresultaten van het waterbodemonderzoek liggen onder de ms-PAF;

•de baggerspecie dient in natte, ongerijpte toestand, toegepast te worden in diktes van maximaal 15 centimeter (nat);

•voor toepassing van baggerspecie buiten het aangrenzende perceel geldt geen ontvangstplicht; de eigenaar van het perceel waarop de baggerspecie wordt toegepast dient derhalve altijd toestemming te geven;

•de initiatiefnemer van het baggerwerk (de ontdoener) dient aan de perceeleigenaar (de ontvanger) kwaliteitsgegevens te overleggen.

Stedelijk gebied

De baggerspecie afkomstig uit stedelijk gebied is veelal van mindere kwaliteit dan de specie uit het landelijk gebied. Dit is het gevolg van al dan niet voormalige (industriële) lozingen en diverse puntbronnen zoals overstorten. Hierdoor komen in stedelijke baggerspecie veelal de organische parameters (PAK, minerale olie etc.) in hogere concentraties voor.

Om hergebruik van deze specie op landelijk gelegen percelen mogelijk te maken, dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

•de baggerspecie dient afkomstig te zijn uit de watergangen binnen het beheergebied binnen de regio Zuid-Holland Zuid;

•de baggerspecie mag alleen, op de percelen in het landelijk gebied van de regio, door agrariërs als grondverbetering worden toegepast;

•het milieuhygiënisch onderzoek van de toe te passen baggerspecie moet voldoen aan de Regeling bodemkwaliteit en dient te zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit;

•de beoogde toepassing moet worden gemeld aan het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit

•de toe te passen baggerspecie moet voldoen aan de maximale waarden en rekenregels van de klasse AW2000, met die uitzondering dat voor de organische parameters PAK en minerale olie een ruimere norm gehanteerd wordt van 3 x AW2000 (ongecorrigeerd); uit recent onderzoek is namelijk gebleken dat deze stoffen in een aërobe omgeving snel afbreken. In figuur 11 zijn de maximaal toegestane gehalten voor minerale olie en PAK(VROM) opgenomen; een nadere toelichting op deze verruimde toepassingseisen is opgenomen in de verantwoordingsrapportage.

Parameter

maximaal toegestane gehalte (in mg/kg.ds)

minerale olie

5001)

PAK (VROM)

4,5

Figuur 11: maximaal toegestane gehalten aan minerale olie en PAK in stedelijke baggerspecie (standaardbodem)

1) de maximale concentratie minerale olie mag de maximale waarde industrie niet overstijgen en is hierop afgetopt.

•Indien door landelijke ontwikkelingen eventuele verruimingen ontstaan van de bovengenoemde normeringen en uitgangspunten dan zal hierbij worden aangesloten.

•de baggerspecie dient in natte, ongerijpte toestand, toegepast te worden in diktes van maximaal 15 centimeter (nat);

•voor toepassing van baggerspecie buiten het aangrenzende perceel geldt geen ontvangstplicht; de eigenaar van het perceel waarop de baggerspecie wordt toegepast dient derhalve altijd toestemming te geven;

•de initiatiefnemer van het baggerwerk (ontdoener) dient aan de perceeleigenaar (ontvanger) kwaliteitsgegevens te overleggen.

Opmerkingen:

•indien de baggerspecie na onderzoek volgens de NEN5720 of een partijkeuring conform AP04 schoon (klasse AW2000) blijkt te zijn, gelden er geen toepassingsbeperkingen;

•het beleid geldt alleen voor ongerijpte baggerspecie, dus niet voor gerijpte bagger/grond;

•er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem.

6.1.8 Natuurontwikkeling

Binnen de regio Zuid-Holland Zuid heeft een initiatiefnemer van grootschalige natuurontwikkeling de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de desbetreffende gemeente(n) (lees bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit) om af te wijken van de AW2000-norm uit het Besluit bodemkwaliteit. Als voorwaarden gelden hierbij:

•dat de betreffende gemeente(n) na vooroverleg instem(t)(en) met het afwijken van het generieke beleid voor de betreffende locatie;

•dat een verzoek alleen in behandeling wordt genomen als met een ecologisch onderzoek is aangetoond dat de bodemkwaliteit geen (onacceptabel) ecologisch risico oplevert voor het gewenste natuurdoeltype;

•overeenstemming over de onderzoeksmethode en de te behalen (neven)doelstellingen van het onderzoek.

Indien het hanteren van gebiedsspecifieke waarden wordt goedgekeurd, dan gelden deze alleen voor gebiedseigen grond of baggerspecie (uit de regio) en alleen voor de duur van het project. Grond of baggerspecie die van buiten de regio wordt aangevoerd moet voldoen aan de generieke regels van het Besluit bodemkwaliteit, tenzij in deze bodembeheernota anders bepaald is.

8. BEWIJSMIDDELEN GROND EN BAGGERSPECIE

8.1 Bodemkwaliteitskaart

8.1.1 Beheergebied

De ontgravingskaart in bijlage 2 geeft per zone in de regio Zuid-Holland Zuid een indicatie van de chemische kwaliteit van een partij grond die na ontgraven vrijkomt.

In geval de ontgravingskaart gebruikt wordt als milieuhygiënische verklaring voor vrijkomende bovengrond (0,0-0,5 m -maaiveld), die uiteindelijk wordt toegepast in een grootschalige bodemtoepassing, dient te worden opgemerkt dat grond bijvoorbeeld afkomstig uit de oude binnenstad van Dordrecht met kwaliteitsklasse industrie niet zondermeer hiervoor mag worden gebruikt. Voorafgaand aan een eventuele toepassing dient namelijk een uitloogonderzoek plaats te vinden. Alleen wanneer de mate van uitloging aan de maximale emissiewaarden voldoet, mag de grond in een grootschalige bodemtoepassing worden verwerkt.

Zoals ook aangegeven in paragraaf 1.6, geeft een bodemonderzoek of partijkeuring meer zekerheid over de milieuhygiënische kwaliteit van een partij grond of de ontvangende bodem dan de bodemkwaliteitskaart.

Dit betekent dat wanneer op de locatie van herkomst en/of de locatie van toepassing een partijkeuring of een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd, dat voldoet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit (zie paragraaf 8.2), er GEEN gebruik mag worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. In dat geval moet worden uitgegaan van de resultaten van het lokaal uitgevoerde onderzoek. Dit geldt ook voor uitgevoerde verkennende bodemonderzoeken volgens de NEN5740 waaruit blijkt dat de kwaliteit slechter is dan de zone.

Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat sprake is van een zeer geringe overschrijding van de zonekwaliteit, kan in overleg met de Milieudienst bepaald worden of deze resultaten vallen binnen de bandbreedte (P95) van de zone. Indien dit het geval blijkt en onderzoeksresultaten voldoen, mag de bodemkwaliteitskaart alsnog als bewijsmiddel gebruikt worden.

Niet-gezoneerde gebieden

Voor de niet-gezoneerde gebieden (witte vlekken), op zowel de ontgravingskaart dan wel de kaart van de ontvangende bodem, geldt dat de bodemkwaliteitskaart niet kan dienen als milieuhygiënische verklaring. De kwaliteitsklasse moet in dat geval op een andere wijze aangetoond worden:

•De kwaliteit van vrijkomende grond uit niet gezoneerde gebieden moet bepaald worden middels een partijkeuring (zie paragraaf 8.2.1) of een verkennend bodemonderzoek volgens een NEN 5740 strategie zoals genoemd in paragraaf 8.2.4, onderdeel toe te passen grond.

•De kwaliteit van de ontvangende bodem in niet-gezoneerde gebieden moet bepaald worden met een verkennend bodemonderzoek zoals genoemd in paragraaf 8.2.4, onderdeel ontvangende bodem.

8.1.2 Heterogeniteit

De bodemkwaliteitskaarten zijn gebaseerd op de gemiddeld gemeten gehalten in de zones. Voor de volgende zones binnen de regio is de heterogeniteit echter zodanig hoog, dat de gemiddelde gehalten geen goede maatstaf zijn voor de kwaliteit van de ontvangende bodem of de vrijkomende grond:

•de centrumgebieden van Dordrecht, Gorinchem, Zwijndrecht en Leerdam;

•woongebieden van voor 1950;

•lintbebouwingen;

•enkele industriegebieden in Dordrecht, Papendrecht, H.I. Ambacht, Zwijndrecht en Sliedrecht.

De genoemde heterogene gebieden zijn aangegeven op de ontgravingskaart (bijlage 2).

De onderzoeksstrategie voor het uitvoeren van bodemonderzoek ter plaatse van heterogene zones is beschreven in hoofdstuk 8.1.4.

8.1.3 Verdachte locaties

In alle gevallen geldt dat de ontgravingskaart, en daarmee ook deze bodembeheernota, niet van toepassing is als de toe te passen partij grond afkomstig is van een verdachte locatie of als de grond zintuiglijk opvallende afwijkingen vertoont (puin

3De aanwezigheid van sporen puin worden in dit kader niet aangemerkt als zintuiglijke afwijking, omdat deze te algemeen voorkomen.

, oliegeur e.d.).

Grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart is ook niet mogelijk als de toepassingslocatie een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft. Bij toepassing op een dergelijke locatie moet het bevoegd gezag Wbb

4De gemeente Dordrecht is bevoegd gezag Wbb; buiten de gemeente Dordrecht is in de regio Zuid-Holland Zuid de provincie Zuid-Holland bevoegd gezag Wbb.

(Wet bodembescherming) op de hoogte worden gesteld en zijn de eisen vanuit de Wbb leidend.

Het is tevens niet toegestaan om grond (of baggerspecie) toe te passen op een (half)verhardingslaag. Deze verhardingslaag verliest in dat geval namelijk zijn functie en wordt onderdeel van de bodem. Er is dan sprake van het in de bodem brengen van een afvalstof, zijnde de (half)verhardingslaag.

Om het bovengenoemde uit te kunnen sluiten dient, als het voornemen bestaat om grond binnen de regio te hergebruiken, altijd een (summier) historisch onderzoek uitgevoerd te worden. Hierbij kan onder andere gebruik gemaakt worden van de gegevens in het gemeentelijk of provinciaal bodeminformatiesysteem, waarin naast feitelijke gegevens over uitgevoerde bodemonderzoeken, ook potentieel verdachte locaties van (ernstige) bodemverontreiniging zijn opgenomen.

Wanneer uit het historisch onderzoek blijkt dat de locatie (van herkomst en/of van toepassing) onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging, zijn de regels uit deze bodembeheernota van toepassing. Zo niet, dan kan de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt voor de milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende grond of de ontvangende bodem. In dat geval dient de kwaliteitsklasse op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van één van de bewijsmiddelen zoals beschreven in paragraaf 8.2.

Verdachte locaties

Verdachte locaties zijn locaties waar in het verleden (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden die mogelijk een bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. Wanneer bodemonderzoek op een verdachte locatie heeft uitgewezen dat er geen sprake is van bodemverontreiniging, of de milieuhygiënische kwaliteit vergelijkbaar is met de kwaliteit zoals weergegeven op de bodemkwaliteitskaart, wordt deze locatie niet meer aangemerkt als verdacht.

Boomgaarden en kassen

Uit historisch onderzoek blijkt dat in het buitengebied van de regio in de periode 1950-1973 veelvuldig sprake was van het voorkomen van boomgaarden. In deze periode werden bestrijdingsmiddelen zoals DDT’s overvloedig gebruikt, als gevolg waarvan de bodem ter plaatse van deze (voormalige) boomgaarden verontreinigd kan zijn. Deze (voormalige) boomgaarden zijn derhalve verdachte locaties. Bodemonderzoek moet uitwijzen of de ter plaatse van deze locaties vrijkomende grond in aanmerking komt voor hergebruik binnen het gebied van herkomst.

Of een locatie verdacht is ten aanzien van het voorkomen van boomgaarden uit de periode 1950 - 1973 is te vinden op kadastrale kaarten uit deze periode (onder andere te raadplegen via www.watwaswaar.nl).

Opgemerkt wordt dat ook voormalige kassen verdacht zijn voor de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen.

Erven

Erven in het buitengebied worden eveneens aangemerkt als verdachte locaties. In het verleden zijn deze vaak opgehoogd met (ongebroken) puin en ander afval. Hierdoor is de kans op bodemverontreiniging, door de aanwezigheid van PAK en zware metalen in de bodemlaag onder de verharding, groot.

Gedempte sloten

Sloten werden in het verleden regelmatig gedempt met afvalstoffen; ook tegenwoordig komt het voor dat sloten worden gedempt met afvalstoffen. Dit kan variëren van snoeiafval of (verontreinigd) puin tot huishoudelijk of bedrijfsafval. Landelijk worden slootdempingen aangemerkt als potentieel verontreinigde locaties omdat uit onderzoek is gebleken dat sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Asbest

De volgende typen locaties zijn verdacht ten aanzien van asbest:

•puinpaden/puinverhardingen veelal nabij (voormalige) boerderijen en schuren;

•locaties met gesloopte bebouwing (fabrieken, scholen etc.) uit de periode 1930 -1993;

•volkstuinen (asbestplaat als grondkering of beschoeiing);

•slootdempingen uit de periode na 1945 (eindstukken van drainagepijpen waren/zijn vaak asbesthoudend).

Onverwachte situaties

Ook wanneer sprake is van een niet-verdachte locatie kan het voorkomen dat er tijdens de graafwerkzaamheden alsnog een (mogelijke) afwijking van de bodemkwaliteit wordt geconstateerd. Een onverwachte situatie doet zich voor indien:

–de grond een afwijkende kleur, geur of samenstelling heeft;

–de grond een bijmenging aan bodemvreemde materialen bevat (puin, gruis, kooltjes, etc.) op basis waarvan wordt verwacht dat de ontgravingskaart niet meer representatief is voor de milieuhygiënische kwaliteit, dan wel waarvan men redelijkerwijs kan vermoeden dat deze bijmenging de bodem ter plaatse van de toepassingslocatie negatief kan beïnvloeden;

–in de grond visueel asbest wordt aangetroffen.

Een onverwachte situatie dient in alle gevallen te worden geregistreerd en gemeld bij de Milieudienst Zuid-Holland Zuid.

8.1.4 Uit te voeren onderzoek in heterogene zones en verdachte locaties

Voor de heterogene zones en verdachte locaties kan een bodemkwaliteitskaart niet gebruikt worden als bewijsmiddel. Deze locaties of zones wijken te sterk af van de gemiddelde, homogene bodemkwaliteit waarop de bodemkwaliteitskaarten zijn geënt.

Toch is het denkbaar dat ook locaties of delen van deze zones voldoen aan een verwachte bodemkwaliteit. Hiervoor is een procedure opgesteld om door middel van een verificatieonderzoek te kunnen toetsen of de bodemkwaliteit overeenkomt met de kwaliteit zoals opgenomen in de ontgravingskaart. In onderstaand stappenplan is deze procedure en toetsing opgenomen.

Ter plaatse dient eerst een verificatieonderzoek plaats te vinden:

•Stap 1: uitvoeren bodemonderzoek

De kwaliteit van de te ontgraven grond moet geverifieerd worden door middel van een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740, strategieën onverdacht (ONV);

verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE); verdachte locatie, diffuse bodembelasting, homogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HO) of zoals genoemd in paragraaf 8.2.4, onderdeel toe te passen grond.

•Stap 2: Toetsing

De analyseresultaten van het uitgevoerde verificatieonderzoek worden getoetst aan de kwaliteitsklasse van de bodem in de betreffende zone, zoals weergegeven op de ontgravingskaart.

•Stap 3: Beoordeling toetsingsresultaat:

Kwaliteit komt overeen met of is schoner dan ontgravingskaart

Indien uit onderzoek blijkt dat de partij grond voldoet aan de bovengenoemde voorwaarden (kwaliteit komt overeen met of is schoner dan de klasse op de ontgravingskaart) dan kan de grond conform de voorschriften uit deze bodembeheernota elders in de regio worden toegepast.

Kwaliteit komt niet overeen met ontgravingskaart

Indien uit onderzoek blijkt dat de partij grond niet voldoet aan de bovengenoemde voorwaarden dan dient een partijkeuring uitgevoerd te worden. De uitkomsten van deze keuring geven de mogelijkheden voor hergebruik van de partij weer. De uitgevoerde partijkeuring kan dienen als een geldig bewijsmiddel voor de partij grond, voor toepassing zowel binnen als buiten de regio Zuid-Holland Zuid.

NB: Voor de toetsing van de onderzoeksresultaten kan gebruik worden gemaakt van de toetsregels zoals opgenomen in hoofdstuk 9 van deze bodembeheernota.

Onverdachte percelen in heterogene zones

In de heterogene zones kunnen percelen voorkomen die niet heterogeen van aard zijn, zoals bijvoorbeeld weilanden binnen de lintbebouwing.

Op deze percelen kan een verificatieonderzoek, zoals hierboven is beschreven, achterwege blijven als aannemelijk gemaakt wordt dat het betreffende perceel als onverdacht beschouwd kan worden. Hiervoor dient een beperkt historisch onderzoek (NEN 5725) uitgevoerd te worden. In bijlage 6 is het formulier "beperkt HO t.b.v. melding grondverzet opgenomen. Dit formulier dient door de grondeigenaar ingevuld en verzonden te worden aan de Milieudienst Zuid-Holland Zuid. De resultaten van dit historisch onderzoek dienen overlegd te worden aan de Milieudienst Zuid-Holland Zuid.

De Milieudienst toetst het ingediende onderzoek en verleent eventueel een ontheffing voor het uitvoeren van een verificatieonderzoek.

8.2 Overige erkende bewijsmiddelen

8.2.1 Partijkeuring

Van elke partij grond of baggerspecie (depot) kan de kwaliteit worden bepaald met een partijkeuring conform de SIKB BRL 1000; protocol 1001.

8.2.2 Erkende kwaliteitsverklaring

Een erkende kwaliteitsverklaring is een milieuhygiënische verklaring op basis van gecertificeerde grond. De verklaring bestaat uit twee onderdelen. Het eerste deel is het productcertificaat dat wordt afgegeven door een erkende certificeringsinstelling. Dit productcertificaat heeft betrekking op de eigenschappen van de grondstroom. Het tweede deel is de erkenning door de ministers. Een producent kan alleen voor een product worden erkend op basis van een geldige kwaliteitsverklaring.

Bodem+ publiceert op haar website (www.bodemplus.nl) een overzicht van alle erkende kwaliteitsverklaringen.

8.2.3 Fabrikant-eigen-verklaring

Dit is een milieuhygiënische verklaring die door de producent zelf wordt afgegeven, zonder periodieke externe controles door een erkende certificerende instelling en zonder aparte erkenning van de verklaring door onze ministers. De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het product ligt dus volledig bij de fabrikant.

Voor fabrikanten is dit een handig middel voor producten waarbij zware borging van de kwaliteit onnodig is, namelijk bij grond waarvan de samenstellings- en emissiewaarden altijd ruim onder de norm liggen en waarbij voortdurende controle niets toevoegt aan de milieuhygiënische kwaliteit van het product (bijvoorbeeld bij dynamische zandwingebieden). Voordat een producent een fabrikant-eigenverklaring mag afgeven, moet hij door middel van een toelatingskeuring aantonen dat zijn product aan de gestelde eisen voldoet. Een overzicht van fabrikant-eigen-verklaringen wordt gepubliceerd op de website van Bodem+ (www.bodemplus.nl).

8.2.4 (Water)bodemonderzoek

Landbodem of een partij grond

Bodemonderzoeken die voldoen aan bepaalde onderzoeksstrategieën van de NEN 5740 zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen onderzoek naar de kwaliteit van een partij toe te passen grond en de bepaling van de bodemkwaliteit op een bepaalde locatie (de ontvangende bodem).

Voor toe te passen grond zijn alleen de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit:

•onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem;

•onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties;

•onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet-schone grond uit diffuus belaste gebieden met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

Deze onderzoeksstrategieën van de NEN 5740 gaan uit van een monsternameintensiteit die in eenzelfde orde van grootte ligt als bij de partijkeuring en de erkende kwaliteitsverklaring.

Een uitzondering wordt gemaakt voor een NEN 5740 onderzoek, onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie. Als uit een recent bodemonderzoek (rapportdatum < 2 jaar) blijkt dat de kwaliteit van de onderzochte grond beter is dan de kwaliteit van de zone van herkomst, wordt geadviseerd om in contact te treden met de Milieudienst ZuidHolland Zuid. Zij beoordelen of de gegevens van het onderzoek bruikbaar zijn.

Voor de bodemkwaliteit op een locatie waar grond of baggerspecie zal worden toegepast (de ontvangende bodem) zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit:

•onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie;

•onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie;

•onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting;

•onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem;

•onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties;

•onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet-schone grond uit diffuus belaste gebieden met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

Waterbodem of een partij baggerspecie

Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van toe te passen of te verspreiden baggerspecie en voor de kwaliteit van de waterbodem gelden de onderzoeksstrategieën die voldoen aan de NEN 5720 of AP04.

Ook in het geval van rijping of tijdelijke opslag alvorens het toepassen blijven de in-situ gegevens van de baggerspecie geldend voor de betreffende partij. Gelet op het feit dat het rijpingsproces in veel gevallen een verbetering van de milieuhygiënische kwaliteit geeft, verdient het aanbeveling de partij baggerspecie opnieuw te onderzoeken.

Baggerspeciedepots kunnen alleen middels de BRL SIKB 1000 worden gekeurd (zie paragraaf 8.2.1). De toepassingsmogelijkheden van de baggerspecie kunnen hierbij groter zijn.

Wegbermen

Het verificatieonderzoek voor het ontgraven en opnieuw binnen bermen toepassen van bermengrond (zie paragraaf 6.1.3), dient plaats te vinden overeenkomstig de richtlijn NEN 5740. Hierbij dient uitgegaan te worden van de strategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreinigde stof op schaal van monsterneming (VED-HE). De diepte tot waarop het bodemonderzoek wordt uitgevoerd is de voorgenomen ontgravingsdiepte.

De resultaten van het onderzoek worden indicatief getoetst aan de normen van het Besluit bodemkwaliteit. Zodoende kan worden vastgesteld of de te ontgraven grond voldoet aan het toepassingseis (= maximaal kwaliteitsklasse industrie).

Bijlage 1 Begrippenlijst

Begrip

Beschrijving

AW2000

Landelijk vastgestelde aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen.

Baggerspecie

Materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 mm.

Bestemmingsplanwijziging

wijziging van het gemeentelijk bestemmingsplan op grond van de Wet Ruimtelike Ordening (WRO).

Bodembeheernota

Nota waarin - op grond van de bodemkwaliteitskaart - aangegeven op welke wijze met ingrepen in de (diffuus verontreinigde) bodem wordt omgegaan. In de bodembeheernota zijn de toepassingsmogelijkheden van de bodemkwaliteitskaart uitgewerkt.

Bodeminformatiesysteem

(Gemeentelijk) informatiesysteem (database) waarin digitaal de bekende bodemgegevens uit milieuonderzoeken zijn opgenomen.

Bodemkwaliteitsdata

Data opgeslagen in het bodeminformatiesysteem.

Bodemkwaliteitskaart

Onder het begrip bodemkwaliteitskaart wordt zowel een set van kaarten als de karakteristiek van de gebiedseigen bodemkwaliteit door middel van kengetallen verstaan. De kaart bestaat als het ware uit verschillende 'lagen', waarbij elk van de lagen gericht is op de ruimtelijke rangschikking van een verschillend type informatie waarvoor verondersteld wordt dat deze bepalend is voor de gebiedseigen bodemkwaliteit.

Bodemkwaliteitszone

Deel van een beheersgebied waarvoor geldt dat er eenzelfde verwachting bestaat omtrent de bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit bepalend zijn.

College B & W

College van Burgemeester en Wethouders

DDT 's

Dichloor-diphenyl-trichloorethaan, een organisch chemisch insecticide

Diffuse bodemkwaliteit

Algehele bodemkwaliteit zoals die geldt voor het grootste gedeelte van een vooraf bepaalde zone. Het begrip diffuse bodemkwaliteit is het tegengestelde van een puntbron.

Duurzaam bodembeleid

Het nieuwe bodembeleid richt zich op bewuster en duurzamer bodemgebruik die de waarde van de bodem behoudt

Emissiewaarden

Uitloogwaarden van (licht) verontreinigde grond.

Gebiedsspecifiek beleid

Lokale regels inzake het toepassen van grond en bouwstoffen waarbij lokale maximale waarden aan stoffen gelden in bodemkwaliteitszones. Gebiedsspecifiek beleid is door de gemeenteraad vastgesteld..

Generiek beleid

Landelijk geldende regels voor het toepassen van grond en bouwstoffen.

Bijlage 5 Overzicht indeling en maximale waarden kwaliteitsklassen

Algemeen

Voor het toepassen van grond en baggerspecie zijn maximale waarden vastgesteld waaraan de grond/baggerspecie moet voldoen. In de toepassingskaarten (bijlage 3) zijn voor alle zones de bijbehorende bodemkwaliteitsklasse in een kleur weergegeven.

Maximale waarden

In de onderstaande tabel zijn de maximale waarden per stof voor iedere kwaliteitsklasse uit de toepassingskaart weergegeven. De maximale waarden voor de kwaliteitsklassen Achtergrondwaarden (AW2000), Wonen en Industrie zijn landelijk vastgestelde normen.

De normering Wonen II is een afgeleide norm voor een aantal zones die zijn gelegen in centrumgebieden van Dordrecht, Gorinchem, Zwijndrecht en Leerdam. In deze zones mag grond worden toegepast die voldoet aan de kwaliteitseis Wonen II. De verantwoording voor deze afgeleide norm is opgenomen in de verantwoordingsrapportage (verantwoordingsrapportage, bijlage behorende bij de bodembeheernota, d.d. 1 juli 2010).

Toepassingseis per zone voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem (voor standaardbodem, in mg kg/ds).

AW2000

Wonen

Wonen II

Industrie

As

20

27

76

76

Cd

0,6

1,2

4,3

4,3

Cr

55

62

175

180

Cu

40

54

100

190

Hg

0,15

0,83

4,8

4,8

Pb

50

210

360

530

Ni

35

39

95

100

Zn

140

200

350

720

PAK10

1,5

6,8

40

40

M.O.

190

190

190

500

V

80

97

250

250

Co

15

35

185

190

Ba1)

1901)

5501)

920

920

1) Voor een concentratie onder 920 mg/kg.ds (=interventiewaarde) vindt geen toetsing plaats.

Overige parameters

Voor overige parameters die getoetst moeten worden aan het gebiedsspecifieke bodembeleid geldt de volgende regel:

Voor die parameters die niet voorkomen in de bovenstaande lijst dient te worden aangesloten bij de kwaliteitsklassen zoals opgenomen in tabel 1 en 2 van bijlage B uit de Regeling bodemkwaliteit.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de lokale maximale waarden Wonen II alleen van toepassing zijn voor bovengenoemde parameters. Overige, niet genoemde, parameters moet worden voldaan aan de maximale waarden wonen (MWW).

Bijlage 6 Formulier HO t.b.v. melding grondverzet

Beknopt historisch onderzoek herkomstlocatie t.b.v. grondverzet o.b.v. ontgravingskaartregio Zuid-Holland Zuid.

Dit formulier is bedoeld voor het melden van grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart/ontgravingskaart voor de gemeenten in de regio Zuid-Holland Zuid.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.