Aanhef
De gemeenteraad van Gorinchem,
Gelet op het raadsvoorstel van het college d.d. 23 november 2022
Gelet op de wettelijke bepalingen
Besluit:
Het aangepaste archeologiebeleid 2021 vast te stellen.
Samenvatting
De gemeenten Gorinchem en Molenlanden beschikken sinds 2009 over een archeologische verwachtingen- en beleidskaart. In de toentertijd verschenen rapportage (Boshoven e.a., 2009) is uitgebreid ingegaan op beleidsaspecten, het fysisch-geografisch landschap, de archeologische vindplaatsen en bewoningsgeschiedenis en op de samengestelde verwachtingskaart zelf. Omdat (zeker de laatste jaren) het aantal archeologische onderzoeken landelijk enorm is gestegen, is het zaak om de archeologische waarden- en verwachtingskaarten periodiek te laten actualiseren. In opdracht van de gemeenten Gorinchem en Molenlanden hebben RAAP Archeologisch Adviesbureau en BAAC B.V. in 2020/2021 een actualisatie doorgevoerd van de bestaande archeologische kaarten van de betreffende gemeenten.
De actualisatie betreft het bijwerken van de bestaande laag met de ligging van de fossiele rivierlopen alsmede het bijwerken van de achterliggende databestanden met nieuwe/aanvullende archeologische gegevens en inzichten. Zo is de bestaande kaart bijgewerkt met behulp van de in 2012 geactualiseerde Paleogeografische kaart voor het Nederlandse rivierengebied. Daarnaast is de kaart uitgebreid met het thema conflictarcheologie. Hiertoe is een inventarisatie op het gebied van conflictarcheologie uitgevoerd waarbij diverse bronnen, kaarten en luchtfoto’s bestudeerd zijn. Dit thema heeft geresulteerd in een thematische kaart en is ook integraal verwerkt in de archeologische verwachtings- en beleidskaart.
Een archeologische verwachtingskaart vormt een instrument voor het archeologiebeleid ten aanzien van de planvorming binnen de gemeente. De eerste stap om te kunnen komen tot een archeologische verwachtingskaart is een inventarisatie van de op dit moment bekende vindplaatsen binnen de gemeentegrenzen van Gorinchem en Molenlanden. De resultaten van een dergelijke inventarisatie kunnen worden weergegeven op een bronnenkaart waarmee een goed beeld wordt verkregen van de hoeveelheid bekende archeologische vindplaatsen, de verspreiding ervan en de verdeling over de verschillende perioden. Ook staan de belangrijkste historische elementen en structuren op een dergelijke bronnenkaart weergegeven. In combinatie met een landschappelijke eenhedenkaart, het resultaat van de landschappelijke inventarisatie, wordt inzicht verkregen in de ruimtelijke spreiding van archeologische vindplaatsen in het landschap. Het combineren van zowel de landschappelijke als archeologische informatie is essentieel in het opstellen van een verwachtingsmodel. Zo kan middels analyses worden nagegaan of de vondsten zijn gebonden aan bepaalde archeolandschappelijke eenheden. Een dergelijke analyse leidt vervolgens tot een verwachtingsmodel.
De archeologische waarden- en verwachtingskaart laat terreinen zien waar archeologische waarden al bekend zijn en waar archeologische resten verwacht kunnen worden. Aan elke verwachtingscategorie zijn vervolgens bepaalde beleidsadviezen gekoppeld resulterend in een beleidskaart. Als uitgangspunt zijn de vrijstellingsgrenzen dezelfde als de vrijstellingsgrenzen op de kaart uit 2009 en zijn de nieuwe categorieën voorzien van een beleidsadvies met bijbehorende onderbouwing.
2 Opzet en methoden
2.4 Actualisatie en aanvullen van de archeologische gegevens
2.4.1 Waarnemingen in ARCHIS
In totaal zijn binnen beide gemeenten 1120 in ARCHIS geregistreerde waarnemingen bekend. Hiervan bevinden zich 74 binnen de gemeente Gorinchem en 1046 binnen de gemeente Molenlanden. Binnen deze waarnemingen zijn de waarnemingen van de lokale amateurarcheologen zoals deze in 2009 zijn verzameld nagenoeg allemaal verwerkt. Het blijkt echter dat 33 van de destijds verzamelde waarnemingen van de amateurarcheologen niet in ARCHIS is opgenomen
3De reden hiervoor in niet bekend. Mogelijk dat deze waarnemingen door de RCE zijn afgekeurd. Het betreft locaties in de gemeente Molenlanden.
. Voor onderhavig project is ervoor gekozen om deze 33 waarnemingen wel te handhaven.
Er zijn tijdens de inventarisatie geen aanvullende waarnemingen gebaseerd op oud kaartmateriaal toegevoegd. Er is voor gekozen deze puntlocaties wel op de bronnenkaart te plaatsen, maar dan als historische punten. Deze punten zijn derhalve niet opgenomen in de vindplaatsen catalogus. Het gaat daarbij om historische bebouwing, molens, kerken, kastelen, eendenkooien en dijken en wegen. De meeste van deze historische punten zijn al tijdens de vervaardiging van het kaartmateriaal in 2009 opgetekend.
4Boshoven et al 2009.
Tijdens onderhavige update zijn echter nog 47 aanvullende punten toegevoegd. Het betreft voornamelijk (inmiddels verdwenen) molens.
Het militaire erfgoed binnen beide gemeenten vormt een aparte categorie. Er is voor gekozen om dit militaire erfgoed op een aparte kaart weer te geven. Het gaat hierbij om het militaire erfgoed vanaf de middeleeuwen, maar vooral om relicten uit de Tweede Wereldoorlog (kaartbijlage 2). Deze kaart is door een specialist conflictarcheologie vervaardigd.
5drs. D.E.P.C.M. Beckers.
Voor de inventarisatie van deze gegevens is gebruik gemaakt van een verscheidenheid aan bronnen. In paragraaf 2.6 wordt hier nader op ingegaan.
omschrijving
aantal
waarnemingen ARCHIS 2009
886
waarnemingen AWN 2009
71
totaal aantal waarnemingen 2009
957
waarnemingen ARCHIS 2019
1120
waarnemingen AWN 2019
6Dit betreft AWN-waarnemingen uit 2009 die om wat voor reden dan ook niet in ARCHIS zijn opgenomen na melding in 2009.
33
vervallen waarnemingen 2019
106
totaal aantal waarnemingen na analyse 2019
1047
Tabel 2. Waarnemingen in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden.
7Peildatum: 29 november 2019.
.
Uit tabel 2 blijkt dat binnen het grondgebied van de huidige gemeenten Gorinchem en Molenlanden in 2009 957 waarnemingen bekend waren. Dat is inclusief de destijds nog niet in ARCHIS opgenomen 71 aanvullende waarnemingen afkomstig van amateurarcheologen. In november 2019 waren binnen beide gemeenten 1153 waarnemingen bekend (1120 in ARCHIS geregistreerde waarnemingen plus 33 niet in ARCHIS geregistreerde warnemingen afkomstig uit de inventarisatie uit 2009). In tien jaar tijd zijn er derhalve 196 nieuwe waarnemingen bijgekomen. Dit is, gezien de sterke stijging van het aantal onderzoeken in deze periode (zie paragraaf 2.4.3), een relatief laag aantal.
Niet alle 1153 waarnemingen zijn betrouwbaar. Een aantal is door derden vaak vele jaren na de vondst in het ARCHIS bestand geplaatst. Aangezien de exacte locatie van de vondst niet meer was te achterhalen zijn dergelijke waarnemingen administratief geplaatst op afgeronde coördinaten. Derhalve zijn alle waarnemingen met coördinaten afgerond op 1000 m uit de database gefilterd. Ook komt het voor dat ergens onderzoek is gedaan zonder dat er vondstmateriaal is aangetroffen, terwijl hieraan wel een waarnemingsnummer is gekoppeld. Ook dergelijke waarnemingen zijn uit de database gefilterd. Daarnaast is een aantal waarnemingen aangetroffen waaraan geen datering is gegeven. Ook deze waarnemingen zijn uit de database gefilterd. Voor de goede orde zijn de betreffende waarnemingen wel op de bronnenkaart weergegeven en genummerd. Op kaart zijn deze vondsten voorzien van een kruis zodat duidelijk is dat het geen bruikbare waarnemingen betreft. Voor de gemeenten Gorinchem en Molenlanden zijn op deze wijze 106 waarnemingen als onbruikbaar bestempeld. Er zijn derhalve 1047 betrouwbare waarnemingen aanwezig. In de catalogus (bijlage 3) wordt per waarneming een overzicht gegeven van de aard van de waarneming, inclusief ARCHIS-waarnemingsnummer en archeologische hoofdperiode(n).
In tabel 3 zijn de vindplaatsen per archeologische periode weergegeven. Hierbij valt op dat het totaal aantal vindplaatsen (1473) niet overeenkomt met het totaal van 1047 vindplaatslocaties. Dit is het gevolg van het feit dat voor veel waarnemingen geldt dat de betreffende vondst niet specifiek aan één periode kan worden toegekend. Dit houdt impliciet in dat dezelfde vondst in meerdere perioden mee geteld wordt.
periode
aantal waarnemingen totaal (N=1473)
%
laat-Paleolithicum
0
0,0
mesolithicum
12
0,8
neolithicum
55
3,7
bronstijd
44
3,0
ijzertijd
24
1,6
Romeinse tijd
98
6,7
middeleeuwen
733
49,8
nieuwe tijd
507
34,4
Tabel 3. Waarnemingen verdeeld naar archeologische periode.
Een vergelijking van de waarnemingen per periode levert een goed beeld op van de bewoningslocaties door de tijd heen. Binnen de grenzen van het plangebied komen volgens de gegevens uit ARCHIS waarnemingen uit alle archeologische perioden voor. Na analyse blijkt echter dat alle waarnemingen uit het paleolithicum (47) onbetrouwbare waarnemingen betreffen. Er moet hierbij gedacht worden aan de waarneming van een stukje houtskool dat gedateerd wordt op ‘paleolithicum-nieuwe tijd’. In dit geval komt het echter opvallend vaak voor dat op een locatie onderzoek is gedaan waar in potentie paleolithische vondsten aanwezig kunnen zijn (donken), zonder dat hier ook daadwerkelijk vondstmateriaal is aangetroffen. Zoals hierboven al uiteen is gezet, zijn dergelijke waarnemingen uit de database gefilterd. Vandaar dat tot op heden nog geen ‘harde’ archeologische indicatoren bekend zijn binnen het plangebied die kunnen duiden op paleolithische vindplaatsen.
De verdeling van de waarnemingen over de verschillende perioden is dus niet gelijkmatig. Het blijkt dat de steentijden duidelijk ondervertegenwoordigd zijn met slechts 4,5% van de vindplaatsen. Zoals hierboven al uiteen is gezet zijn tot op heden nog geen vindplaatsen uit het paleolithicum bekend. Ook het mesolithicum is met 0,8% slechts in zeer geringe mate vertegenwoordigd. Alleen het neolithicum is met 3,7% redelijk vertegenwoordigd. Voor wat de metaaltijden betreft, is het niet veel beter gesteld. Zo ligt het percentage voor de bronstijd op 3,0% en voor de ijzertijd zelfs maar op 1,6%. Daarbij dient voor de bronstijd te worden opgemerkt dat het aantal waarnemingen waarschijnlijk is overschat, aangezien een deel van de waarnemingen bewerkt vuursteen betreft dat waarschijnlijk ouder is.
De Romeinse tijd is, vergeleken met de steen- en metaaltijden, relatief goed vertegenwoordigd met 6,7%. Het is uit de cijfers echter duidelijk dat de middeleeuwen zeer goed zijn vertegenwoordigd met bijna de helft van alle waarnemingen (49,8%). Ook de nieuwe tijd is goed vertegenwoordigd met 34,4%. Gezien de grote rol van de historische kernen van de verschillende dorpen en natuurlijk de historische binnenstad van Gorinchem gedurende de middeleeuwen en de nieuwe tijd, is een oververtegenwoordiging van waarnemingen uit deze perioden niet verwonderlijk. Dit is echter niet de enige reden voor het hoge percentage aan vondstmateriaal uit deze perioden. De goede vertegenwoordiging van de middeleeuwen en nieuwe tijd kan verklaard worden middels het feit dat het vondstmateriaal uit deze perioden overal binnen de gemeenten vanaf het maaiveld dan wel op geringe diepte kan worden aangetroffen en daarmee relatief makkelijk vindbaar is. De oudere vindplaatsen bevinden zich op oude stroomruggen of donken. Deze zijn afgedekt met een (dik) pakket jongere afzettingen. Daarmee is de kans op het aantreffen van vondstmateriaal uit deze perioden veel kleiner.
2.4.2 Archeologische monumentenkaart
De archeologische monumentenkaart (AMK) is een product van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in samenwerking met de provincie Zuid-Holland. Op de kaart staan terreinen weergegeven waarvan de archeologische waarde is vastgesteld (zie ook de catalogus in bijlage 2).
De AMK-terreinen zijn onder te verdelen in twee groepen:
•Terreinen met de status van Rijksmonument. Deze terreinen zijn beschermd op basis van de Erfgoedwet.
•Terreinen van archeologische waarde. Deze terreinen hebben geen wettelijke bescherming. Deze terreinen zijn onder te verdelen in terreinen van archeologische waarde, terreinen van hoge archeologische waarde en terreinen van zeer hoge archeologische waarde.
Van enkele terreinen in de categorie ‘archeologische waarde’ is de waarde nog niet vastgesteld. Deze terreinen zijn zonder toetsing opgewaardeerd vanuit de voormalige categorie ‘archeologische betekenis’.
Voor de bronnenkaart zijn de contouren van de AMK-terreinen als GIS-bestand verkregen van de RCE. Binnen de gemeenten Gorinchem en Molenlanden zijn 67 AMK-terreinen aanwezig. Hiervan bevinden zich er twee binnen de gemeente Gorinchem. De overige 65 bevinden zich binnen de grenzen van de gemeente Molenlanden.
Van deze AMK-terreinen zijn er 21 door de RCE aangewezen als beschermde rijksmonumenten. Eén hiervan bevindt zich binnen de gemeente Gorinchem, de overige liggen binnen de grenzen van de gemeente Molenlanden.
Binnen het grondgebied van de gemeenten Gorinchem en Molenlanden zijn negenentwintig terreinen van zeer hoge archeologische waarde aanwezig. Eén hiervan bevindt zich binnen de gemeente Gorinchem. De overige 17 AMK-terreinen betreffen allemaal terreinen van hoge archeologische waarde. Deze bevinden zich allemaal binnen de gemeente Molenlanden.
Naast de 67 AMK-terreinen die de gemeenten tezamen rijk zijn, hebben de gemeenten zelf ook 3 (potentiële) gemeentelijke monumenten aangewezen. Eén hiervan valt binnen de gemeente Gorinchem (een gedeelte van de Blauwe Toren, maar deze locatie wordt afgedekt door een zone waar een vrijstelling van 0 m2 geldt) , twee binnen de gemeente Molenlanden.
De actualisatie van de verwachtingskaart heeft niet geresulteerd in een verandering van het aantal AMK-terreinen binnen het grondgebied van beide gemeenten. De verdeling zoals hierboven beschreven, is sinds 2009 niet veranderd. Er heeft echter wel een opvallend verschijnsel plaatsgevonden. De contouren van enkele van de beschermde rijksmonumenten zijn ten opzichte van 2009 veranderd. Het betreft zeer kleine aanpassingen, die pas opvallen wanneer sterk op het betreffende terrein wordt ‘ingezoomd’. Dit is het gevolg van het feit dat de RCE heeft besloten om de beschermde rijksmonumenten los te koppelen van de overige AMK-terreinen. De RCE hield in het rijksmonumentenregister een andere GIS-bestand met begrenzingen aan dan het bestand met AMK-terreinen. Op de kaart uit 2009 stonden de grenzen van de archeologische rijksmonumenten zoals die op de AMK staan weergegeven, terwijl voor huidige actualisatie het GIS-bestand van het rijksmonumentenregister is aangehouden.
Veranderingen aan de overige AMK-terrein worden sinds 2013 niet meer door de RCE bijgehouden. Het kan derhalve in theorie voorkomen dat een AMK-terrein nog wel in ARCHIS als zodanig staat weergegeven, maar in de praktijk is weggegraven
8Dit moet dan na 2013 gebeurd zijn.
. De beschermde rijksmonumenten worden nog wel actief door de RCE gemonitord. Het lijkt er op dat men bij het opnieuw inladen van de contouren van de beschermde rijksmonumenten in Archis in sommige gevallen (kleine) aanpassingen heeft doorgevoerd.
2.4.3 Archeologische onderzoeken
Een belangrijke bron van informatie vormen de resultaten van archeologische onderzoeken die in het gebied hebben plaatsgevonden. In ARCHIS staan de locaties van dergelijke onderzoeken geregistreerd. Op de bronnenkaart (kaartbijlage 1) zijn de contouren van deze onderzoeken uit ARCHIS gebruikt. In 2009 waren binnen de begrenzing van beide gemeenten 315 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Op de peildatum van 29 november 2019 zijn binnen beide gemeenten 710 bekend. In de tussenliggende tien jaar zijn derhalve 395 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Hiervan bevinden zich er 73 binnen de gemeente Gorinchem en 322 in de gemeente Molenlanden. Het reeds uitgevoerde archeologische onderzoek is van belang bij het vervaardigen van de beleidskaart, aangezien reeds (al dan niet tot een bepaalde diepte) vrijgegeven gebied niet nogmaals onderzocht hoeft te worden als de geplande ingrepen niet dieper reiken dan de diepte tot waar het eerdere onderzoek is uitgevoerd. Voor de gemeente Gorinchem zijn alle gemeentelijke besluiten met betrekking tot het archeologisch onderzoek bekend. Men kan derhalve snel achterhalen of op een dergelijke locatie nog onderzoek nodig is. Voor de gemeente Molenlanden is gebleken dat het voor lang niet alle uitgevoerde onderzoeken bekend is wat het besluit van het bevoegd gezag is geweest. Voor zover bekend is dat op de beleidskaart verwerkt. Indien het niet bekend is, is het onderzoek wel degelijk op de kaart weergegeven, maar zal de betreffende ambtenaar binnen de gemeente archieven na moeten gaan wat het selectiebesluit destijds is geweest.
Naast het gegeven dat voor een goed beleid bekend dient te zijn of een terrein reeds is onderzocht en zo ja, of het (tot een bepaalde diepte) is vrijgegeven of niet, kan reeds uitgevoerd onderzoek ook een hulpmiddel zijn om de verwachtingskaart aan te passen. Vandaar dat bij deze update reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek is geanalyseerd op afwijkingen met de verwachtingskaart. Hierbij moet gedacht worden aan onderzoeken uitgevoerd in gebieden met een (middel)hoge verwachting, maar waarbij geen vervolgonderzoek is aanbevolen. Ook onderzoek in gebieden met een lage verwachting waarbij wel vervolgonderzoek is geadviseerd is van belang. Zoals in hoofdstuk 4 nader zal worden besproken, is de verwachting deels gebaseerd op analyses van de bekende waarnemingen binnen de gemeenten in relatie tot de landschappelijke ligging van deze waarnemingen. De archeolandschappelijke eenhedenkaart speelt derhalve een belangrijke rol in de totstandkoming van de verwachtingskaart. Het vervaardigen van de archeolandschappelijke eenhedenkaart is echter gebaseerd op een uitgebreide bureaustudie. Het kan toch voorkomen dat de daadwerkelijk bodemopbouw afwijkt van de archeolandschappelijke eenhedenkaart. Dat kan dan op zijn beurt weer gevolgen hebben voor de verwachting (en het beleid). Omdat de uitkomsten van kleine ‘postzegelonderzoeken’ niet goed verwerkt kunnen worden in de vlakdekkende archeolandschappelijke eenhedenkaart, is er voor gekozen om de analyse van de reeds uitgevoerde onderzoeken te beperken tot gebieden van 1 ha en groter
9De grens van 1 hectare levert in deze situatie een flink aantal onderzoeken op (ruim 26 % van totaal). Als de grens bij een groter oppervlak (bijvoorbeeld 1,5 of 2 hectare) gelegd zou worden, zouden aanzienlijk minder onderzoeken in de analyse worden meegenomen. Dat is niet wenselijk. Uit vergelijkbare analyses die voor andere gemeenten zijn uitgevoerd, is gebleken dat onderzoeken kleiner dan 1 hectare veelal geen tot weinig aanvullende informatie opleveren voor het kaartbeeld.
. Dit komt neer op 188 onderzoeken. De rapporten van deze onderzoeken zijn bekeken. Hierbij is het van belang dat in deze rapporten bruikbaar kaartmateriaal aanwezig is. Kaarten met hierop de landschappelijke opbouw van het onderzoeksgebied kunnen namelijk verwerkt worden op de ‘ge-update’ nieuwe archeolandschappelijke eenhedenkaart. Na analyse van de onderzoeken is gebleken dat 21 onderzoeken bruikbaar waren voor verbetering van de kaarten. In vijf gevallen betrof het onderzoek in gebieden met een oppervlakte van 1 tot 3 ha.
10Het betrof de onderzoeken met de zaakidentificatienummers 2252004100, 4004180100, 4579996100, 4624382100 en 4642697100.
In zeven gevallen betrof het onderzoek in gebieden met een oppervlakte van 3 tot 10 ha.
11Het betrof de onderzoeken met de zaakidentificatienummers 2277650100, 2283547100, 2308413100, 2442866100, 3301473100, 4557111100 en 4626189100.
Binnen de onderzoeken met een oppervlakte van 10 tot 100 ha bevonden zich 6 bruikbare onderzoeken.
12Het betrof de onderzoeken met de zaakidentificatienummers 2189863100, 2229658100, 2330591100, 2332446100, 2349870100 en 3976415100.
Tot slot betrof het in drie gevallen onderzoek in gebieden met een oppervlakte groter dan 100 ha.
13Het betrof de onderzoeken met de zaakidentificatienummers 2256866100, 2380844100 en 3291673100.
In bijlage 4 is een catalogus opgenomen met al het binnen beide gemeenten uitgevoerde onderzoek.
2.4.4 Archeologische vindplaatsen uit historische bronnen
Historische kaarten vormen een belangrijke bron bij de vervaardiging en actualisatie van archeologische verwachtingskaarten. Zo zijn veel gegevens van de eerste kadastrale kaarten uit de periode 1817-1832 gebruikt. Deze kaarten zijn voor het gehele gebied gegeorefereerd en vervolgens zijn diverse elementen als puntobject dan wel als lijn- of vlakelement gedigitaliseerd. Dit is bij het maken van de kaart in 2009 reeds gebeurd. Voor de update van deze kaart is dit werk niet nogmaals gedaan. Wel is getracht om met behulp van een aantal bronnen na te gaan of de reeds bestaande historische punten en lijnen aangevuld konden worden.
Eén van deze bronnen betreft de zogenaamde Hanca-kaart. Met behulp van de heer J.W. Verhagen
14Dhr. J.W. Verhagen is verbonden aan de Natuur- en Vogelwacht ‘De Alblasserwaard’ en heeft digitale data van de Hanca-kaart op 20 februari 2020 beschikbaar gesteld.
is de digitale versie van de kaart verkregen. Na analyse van deze kaart is echter gebleken dat hier geen aanvullende informatie op aanwezig is.
Ook is kaartmateriaal jonger dan de eerste kadastrale kaarten uitgebreid bekeken. Hierbij is gebleken dat met name het kaartmateriaal van de Bonnekaarten van rond de vorige eeuwwisseling goed georefereerbaar zijn. Dit kaartmateriaal is uitgebreid bestudeerd. Er is echter besloten om niet alle bebouwing die op deze kaart staat weergegeven over te nemen op het kaartmateriaal voor onderhavig project. De reden hiervoor is dat bebouwing met een mogelijke oudere voorganger al middels de eerste kadastrale kaarten in kaart is gebracht. Wel zijn met behulp van de Bonnekaarten nog enkele molens in kaart gebracht. Ook via de Molendatabase, een website waarop locaties van verdwenen molens staan weergegeven, zijn verscheidene verdwenen molens getraceerd. In totaal zijn middels deze bronnen 47 aanvullende punten toegevoegd aan de reed bestaande database.
3 Inventarisatie conflictarcheologie
3.1 Oorlogserfgoed
3.1.1 Vestingsteden, Oude en Nieuwe Hollandse Waterlinie
Gorinchem en Nieuwpoort worden reeds in de middeleeuwen tot vestingstad uitgebouwd, en daarbij dus voorzien van defensieve structuren zoals vestingwallen. Ook worden er in het gebied tussen de Merwede en de Lek in de late middeleeuwen diverse kastelen en schansen aangebracht, zoals het Huis te Langerak, Kasteel Liesveld en Kasteel Giessenburg. Tevens bevindt er zich een schans in de directe omgeving van (het huidige) Kinderdijk, Schans te Elshout.
19Van der Kuijl 2018, 14 en MvC 2005.
Gorinchem en haar directe omgeving maakte later als vestingstad deel uit van zowel de Oude als de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Vanwege haar tactische positie kon, tezamen met de vestingstad Woudrichem, van hier uit de rivier de Waal en de toenaderingsroutes hiernaartoe gecontroleerd worden. In het rampjaar 1672 werd de stad hals over kop in de Oude Hollandse Waterlinie ingebouwd, om zodoende Franse troepen te blokkeren. Vanaf dat moment ontwikkelde de stad een sterk militair karakter, en werd de Hollandse Waterlinie tot een permanente staat van verdediging gebracht. In Gorinchem werd een garnizoen gelegerd, waardoor er veel primaire en secundaire militaire infrastructuur en ondersteunende gebouwen en kazernes moesten worden aangelegd. Hierbij werden onder andere schietbanen, munitieopslagplaatsen, artillerieloodsen en verdedigingswerken aangebracht. Tevens werden er batterijopstellingen, forten en andere verdedigingswerken in de nabije omgeving van de stad aangebracht. Hieronder vielen ook inundatiewerken die bedoeld waren voor het inunderen van het gebied ten noorden van Gorinchem. Niet alleen Gorinchem werd uitgebouwd tot vestingstad, ook Nieuwpoort kreeg een belangrijke functie in het verdedigingssysteem. Zo was er te Nieuwpoort een belangrijke inundatiesluis gevestigd, en kon de stad in samenhang met Schoonhoven de toegang over de Lek ontzeggen.
20Will 2008, forten.info.
Door Hamaland Advies is tevens een kroonwerk waargenomen op LiDAR-data.
21Van der Kuijl 2018, 14 en AHN 3.
Ook dit kroonwerk is opgenomen op de verwachtingskaart.
Vanaf 1815 werd er onder koning Willem I begonnen met het herbewapenen en uitbouwen van de Hollandse Waterlinie. Deze uitbreiding zou later de Nieuwe Hollandse Waterlinie gaan heten, en omvatte nu ook de stad Utrecht. Ook in het nieuwe systeem zouden inundaties een centrale rol innemen. Het doel hiervan was om het gebied tussen verdedigingswerken onder water te laten lopen, om zodoende aanvallende eenheden te vertragen en de toegang tot bepaalde delen van het gebied te ontzeggen. Richtlijn hiervoor was het onderhouden van een waterstand tussen 30 en 60 centimeter boven het reguliere maaiveld, waardoor het te diep was voor infanterie en te ondiep voor vaartuigen. Het te inunderen gebied was hiervoor onderverdeeld in verschillende deelgebieden, voorzien van sluizen, dijken en andere structuren ten behoeve van een gereguleerde waterhuishouding. In totaal zijn er drie inundaties uitgevoerd binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie, te weten tijdens de Frans-Duitse Oorlog, de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog. Op locaties waar het niet mogelijk was voldoende te inunderen, bij sluizen en bij toenaderingswegen en diepere wateren, werden forten aangelegd. Deze moesten zorgen voor een totale afsluiting van het achterland.
22Van der Kuijl 2018, 14 en AHN 3.
De hoofdinlaten en afwateringssluizen van de inundatievelden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn opgenomen op de verwachtingskaart.
Na de herbewapening van de Hollandse Waterlinie werden de werken diverse malen gemoderniseerd en aangepast aan technologische ontwikkelingen in de krijgsmacht. Zo werden er aanpassingen gedaan aan borstweringen en defensieve structuren, onder andere naar aanleiding van de uitvinding van de brisantgranaat en de toenemende draagwijdte van geschut. De laatste aanpassingen aan de linie werden gedaan tijdens de algehele mobilisatie van de Nederlandse krijgsmacht in 1939 en 1940. In deze fase werden er betonkazematten en groepsschuilplaatsen aangelegd in het kader van de toenemende dreiging vanuit Duitsland.
23Van der Kuijl 2018, 14 en AHN 3.
3.1.2 Veldslagen en belegeringen
Zowel Gorinchem als Nieuwpoort kregen door hun functie als vestingstad en tactische posities langs doorgaande waterwegen regelmatig te maken met krijgshandelingen. Op diverse momenten vonden er belegeringen plaats van beide steden, en werd er in de omgeving gevochten. Tijdens deze belegeringen en veldslagen werden er in de omgeving offensieve en defensieve structuren aangebracht, zowel door de aanvallende als verdedigende partijen. In 1402 werden bijvoorbeeld Nieuwpoort en Gorinchem reeds belegerd door de troepen van respectievelijk de Graaf van Holland en Jan van Arkel. Voorafgaand aan deze periode vonden er over en weer plunderingen plaats, waarbij ook lokaal gevochten werd. Deze belegeringen, die de eerste echte wapenfeiten vormden tussen Arkel en Holland, mondden uiteindelijk uit in de Arkelse Oorlogen, die uitgevochten werden tussen 1401 en 1412. Tijdens deze oorlogen werd een conflict over complexe geopolitieke twisten uitgevochten tussen de Heren van Arkel en het Hertogdom Gelre, en het Graafschap Holland en Gorinchem. Op 21 november 1417 werd Gorinchem ingenomen door de Kabeljauwen onder Willem van Arkel. Enkele dagen later, op 23/24 november, begon een nieuw beleg van Gorinchem. Op 1 december 1417 werd Gorinchem ingenomen door Walraven I van Brederode, waarbij de stad definitief bij Holland werd ingelijfd.
24Gorkumsmuseum.nl, geschiedenisvanzuidholland.nl (geraadpleegd 18 maart 2020).
Tijdens de Napoleontische Oorlogen ziet Gorinchem opnieuw strijd. Na de inval van geallieerde troepen (Britten, Pruissen en Russen) in Nederland tijdens de Zesde Coalitieoorlog, brengen Napoleontische troepen een deel van de Nederlandse vestingsteden in staat van paraatheid, waaronder Gorinchem. De stad lag op een strategisch en relatief goed te verdedigen punt langs de weg van Amsterdam naar Parijs. Op 18 november 1813 werd de stad in staat van beleg verklaard, en de geallieerden begonnen op 22 januari 1814 met het beschieten van de stadskern. Na enkele hevige gevechtsacties en zware beschietingen gaven de Napoleontische troepen zich op 5 februari over, waarna op 20 februari de stad officieel aan de geallieerden werd overgedragen.
25Gorkumsmuseum.nl, geschiedenisvanzuidholland.nl (geraadpleegd 18 maart 2020).
Door de complexe en diverse aard van de gevechtshandelingen rond de vestingplaatsen zijn deze op de kaart als buffer van 1.500 meter rond de vestingen ingetekend. Waar bekend zijn specifieke locaties van offensieve en defensieve structuren en slagen opgenomen.
3.1.3 Tweede Wereldoorlog algemeen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben zich binnen de huidige gemeente Molenlanden en Gorinchem beperkte oorlogshandelingen voorgedaan. Het gaat hierbij om het vuurbereid maken van Nederlandse artilleriestellingen die onderdeel uitmaakte van de Groep Merwede in het Oostfront van de Vesting Holland. Deze eenheden hebben zich echter teruggetrokken voordat Duitse troepen het gebied konden bereiken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vinden er diverse vliegtuigcrashes plaats in het gebied, waarbij een deel een mogelijke archeologische weerslag heeft. In 1944 en 1945 zijn er door de Duitse bezetter voorbereide stellingen aangelegd langs de Merwede en de Linge. Deze stellingen waren ingericht als opvangstellingen ten behoeve van het afslaan van doorgebroken geallieerde eenheden, en bestonden hoofdzakelijk uit aarden veldstellingen. Al deze fasen hebben hun sporen nagelaten in het landschap en het bodemarchief.
3.1.4 Mobilisatie en de eerste oorlogsdagen in 1940
Mobilisatie
Enkele dagen voor de Duitse inval in Polen wordt het evident dat Duitsland zich ook opmaakt voor een militair ingrijpen in West-Europa. Nederland kan op dat moment niet meer om het oorlogsgevaar heen en kondigt op 24 augustus 1939 de voormobilisatie aan, waarbij 50.000 man onder de wapenen geroepen worden. Enkele dagen later, op 28 augustus, volgt de algehele mobilisatie. Binnen enkele dagen zijn er 280.000 man in actieve dienst. Omdat Nederland het neutraliteitsprincipe hanteert vinden er in de eerste maanden nauwelijks schietoefeningen plaats. In plaats daarvan wordt er begonnen met de aanleg en uitbreiding van verdedigingsstellingen die een dreiging vanuit het oosten moeten tegengaan. De verdediging wordt ingericht in een aantal successieve linies, waaronder de Maaslinie, de Peel-Raamstelling, de IJssellinie en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deze laatste wordt in de mobilisatieperiode uitgebreid en herbewapend. In de directe omgeving van het grondgebied van de huidige gemeenten Molenlanden en Gorinchem worden verdedigingsstellingen aangelegd onder de zogenaamde Groep Merwede van het Oostfront van Vesting Holland. Deze verdedigingssystemen bevinden zich ten oosten van Gorinchem. Ten noorden en westen van de stad worden artilleriestellingen en opvanglinies aangelegd. Voorts vindt er inkwartiering plaats in de militaire gebouwen in de stad.
26NIMH, toeg.nr. 409, inv.nr. 492014 t/m 538003.
Figuur 3. Vuurplan van de Groep Merwede, waarop ook vuurstellingen van 1-13 R.A. te zien zijn ten noorden van Gorinchem. Bron kaartmateriaal: NIMH, inv.nr. 409, toeg,nr 493027.
Meidagen 1940
De Tweede Wereldoorlog begint voor Nederland in de vroege ochtend van 10 mei 1940. Tijdens het zorgvuldig voorbereide Fall Gelb overschrijden Duitse troepen de landsgrens en landen parachutisten rond diverse high profile doelen, waaronder vliegveld Waalhaven bij Rotterdam en bij de Moerdijk. Op diverse plekken in het land houden de zwaar onderbewapende en vaak slecht getrainde Nederlandse troepen tijdelijk stand. Als de Duitse opmars bij Rotterdam lijkt te stagneren, besluit de Duitse legerleiding om de stad te bombarderen. Uit vrees voor meer bombardementen gaat de Nederlandse opperbevelhebber, Henri Winkelman, op 15 mei over tot capitulatie.
27NIMH, toeg.nr. 418, inv.nr. 28 t/m 115.
Het gebied tussen de Linge en de Biesbosch was reeds eerder geïnundeerd om een vijandelijke toegang tot het gebied ten westen hiervan te ontzeggen.
28NIMH, inv.nr. 409, toeg.nr. 493026.
Tijdens de Duitse inval bevinden zich ten noorden van Gorinchem voorbereide stellingen van de Ie Afdeling van het 13e Regiment Artillerie (13 R.A.), terwijl er in Gorinchem troepen gelegerd zijn van het 23e Regiment Infanterie (23 R.I.) en diverse andere artillerie- pantserafweer- en artillerie-eenheden. Ook in Schelluinen, Streefkerk, Brandwijk, Bleskensgraaf, Molenaarsgraaf, Ottoland, Goudriaan, Hoornaar, Noordeloos, Hoogblokland, Arkel, Nieuw-Lekkerland en Oud-Alblas bevinden zich Nederlandse eenheden. Rond 4.40 op 10 mei 1940 werd er alarm geslagen en begaf de afdeling zich halsoverkop naar de vuurstellingen. Telkens kwamen er meldingen van parachutisten binnen, waarna defensieve stellingen bij de Haarbrug verdedigingsbereid werden gemaakt. Gedurende de dag werden de veldbeddingen voor het geschut van 13 R.A. in staat van gereedheid gebracht. De commandopost van de afdeling werd verplaatst naar een pand aan de Mollenburgseweg 55, boerderij Eijkelenboom. Ook de 27e Afdeling Artillerie werd hier gevestigd. Op de laagvliegende Duitse toestellen werd herhaaldelijk vuur uitgebracht door de mitrailleur van de afdeling. Hierdoor wordt op 11 mei een Duits toestel neergehaald, dat vlak bij de commandopost neerstort. In de avond van 11 mei krijgt de eenheid bericht dat het moet terugtrekken richting Sleewijk, na verbranding van enkele geheime stukken. De omgeving van Gorinchem bevindt zich op dat moment in de hoogste staat van paraatheid, aangezien er behalve grondtroepen ook landingen van Duitse watervliegtuigen verwacht worden. Deze landingen blijven echter uit, net als een verwachte stellingswissel naar Hoogblokland. In de middag van 13 mei worden de oude stellingen ten noorden van Gorinchem weer bemand. In de middag van 14 mei worden er duikbombardementen uitgevoerd op de batterijen, die met mitrailleurvuur werden beantwoord. Ook eenheden van de Luchtverdedigingsgroep Gorinchem brengen vuur uit op Duitse toestellen. Deze batterijen staan onder andere opgesteld op de sportvelden van Unitas in de stad. Later in de avond van 15 mei bereikt het bericht van de capitulatie de Nederlandse troepen rond Gorinchem.
29NIMH, inv.nr. 409, toeg.nr. 480040a, 493001, 493016, 446118(a).
Afgezien van het uitbrengen van vuur op vliegtuigen en bombardementen vinden er op het grondgebied van beide huidige gemeenten geen grondgebonden gevechtshandelingen plaats.
3.1.5 Bezetting
Schuilgelegenheden en luchtbescherming
Direct na de Duitse inval was er een sterkte toename in geallieerde luchtactiviteit boven het bezette Nederland. Zo vonden er bombardementsvluchten plaats op doelen in Duitsland, en militaire en industriële doelen in Nederland. Daarbij kwamen er met grote regelmaat bommen terecht op Nederlands grondgebied. Derhalve werden de activiteiten van de civiele Luchtbeschermingsdienst (LBD) sterk uitgebreid. In het kader daarvan werden er ook binnen de grenzen van de huidige gemeenten Molenlanden en Gorinchem schuilgelegenheden aangelegd. Zo werden er op het terrein van de fabrieken van staalconstructiebedrijf Vries-Robbé schuilbunkers ingegraven, waarin het personeel van de fabrieken kon schuilen in het geval van een luchtaanval. Voorts bevonden zich in het centrum van Gorinchem diverse grotere civiele schuilgelegenheden.
30Brievb.wordpress.com, archeologiegorinchem.com, NA, inv.nr. 409, toeg.nr. 493016.
Vliegtuigcrashes
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het luchtruim boven Nederland internsief gebruikt door overvliegende toestellen van diverse nationaliteiten. In de meidagen van 1940 vonden er diverse luchtgevechten plaats boven Nederland, werden er grote aantallen Duitse toestellen neergehaald door Nederlands afweergeschut en vonden er met grote regelmaat bombardementsvluchten plaats naar diverse doelen, zoals vliegvelden, Nederlandse verdedigingswerken en infrastructuur. Direct na de Duitse inval begonnen de Britten met het uitvoeren van luchtaanvallen op Duitse doelen in Nederland en Duitsland, waarbij de vliegroutes veelal over Nederlands grondgebied lagen. Derhalve is er onder deze vliegroutes een luchtverdedigingssysteem aangebracht ter bestrijding van deze bommenwerpervloten, met name bestaande uit FLAK-batterijen (Flieger Abwehr Kanonen, luchtdoelgeschut) en een gordel waarin Duitse jachttoestellen actief waren (zowel tijdens dag- en nachtjacht). Mede als gevolg hiervan zijn er op Nederlands grondgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog duizenden toestellen neergestort. Een deel hiervan is binnen de grenzen van de huidige gemeenten Molenlanden en Gorinchem neergekomen. Op de verwachtingskaart zijn uitsluitend vliegtuigcrashes opgenomen waarvan de locatie van neerstorten met zekerheid kon worden vastgesteld,
31Er is getracht contact op te nemen met diverse lokale locatiedeskundigen, in zoverre mogelijk is deze informatie meegenomen in de afbakening.
en waarbij verwacht kan worden dat deze crashes een duidelijke archeologische neerslag kunnen hebben. Zo zijn noodlandingen en toestellen die zijn ontploft in de lucht niet op de verwachtingskaart opgenomen. Hieronder zijn de crashes vermeld die opgenomen zijn op de kaart.
32SGLO crashdatabase, via verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl, crash40-45.nl, knoxetal.com, stichting-vliegeniesmonument-giessenlanden-wo2.nl, regionaalarchiefgorinchem.nl, tracesofwar.nl.
datum
type
eenheid
nummer
locatie
11mei 1940
Heinkel He 111
3Staffel, Kampf-geschwader 54
3356
Arkel
13mei 1940
Fokker G-1
4-II 1e Luchtvaart-regiment
315
Nieuw-Lekkerland
27/28 mei 1943
Mosquito B.IV
No. 109 Squadron
DZ432
Bleskensgraaf/Hofwegen
33De crashlocatie van dit toestel is gemarkeerd met een monument.
11/12 juni 1943
Halifax Mk. II
No. 35 Squadron
JB785
Giessenburg
13/14 juli 1943
Halifax Mk. II
No. 78 Squadron
JB801
Giessenburg
28juli 1943
Boeing B 17
407Bomb Squadron
42-3116
Schelluinen
34De brokstukken van dit toestel zijn over een groot gebied verspreid. Er is gekozen om de locaties op te nemen waar aantoonbaar aanzienlijke delen zijn neergekomen, namelijk een ball turret en het staartstuk.
21/22 mei 1944
Avro Lancaster Mk III
No. 166 Squadron
ND956
Goudriaan
23augustus 1944
Messerschmitt Bf 109
9./JG 26
20442
Hoornaar
Tabel 5. Overzicht van op de kaart opgenomen vliegtuigcrashes (waarvan de locatie met zekerheid vastgesteld kon worden).
Een deel van de crashlocaties binnen de huidige gemeentegrenzen zijn voorzien van monumenten of informatiepanelen. Ook werd er in 2015 te Giessenburg een monument onthuld ter nagedachtenis aan alle tijdens de Tweede Wereldoorlog binnen de destijds geldende gemeentegrenzen van Giessenlanden omgekomen bemanningsleden. In totaal worden er middels dit monument veertien omgekomen bemanningsleden herdacht.
35Stichting-vliegeniesmonument-giessenlanden-wo2.nl (geraadpleegd januari 2021).
Luchtdoelartillerie
Tijdens de Duitse bezetting worden er rond belangrijke doelen en onder aanvliegroutes naar doelen in Duitsland en Nederland op diverse plekken maatregelen genomen tegen vliegtuigen, waaronder het aanleggen van grote hoeveelheden FLAK-stellingen. Ook in de directe omgeving van Gorinchem worden luchtdoelbatterijen opgesteld, bestaande uit luchtdoelgeschut in het kaliber 2 cm. Deze FLAK werd ingezet tegen laagvliegende toestellen en werden vaak dicht bij potentiele doelwitten geplaatst. In het geval van de luchtdoelartillerie bij Gorinchem gaat het hier zeer waarschijnlijk om de haven en de industrie rond de stad.
36NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 286.
Verdedigingswerken
Halverwege de Tweede Wereldoorlog wordt er door de Duitse bezettingsautoriteiten een verdedigingslinie aangelegd die grofweg het traject volgt van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deze linie, de Hintere Wasserstellung, dient om eventueel vijandelijke doorbraken vanuit het oosten door een successie van andere linies op te vangen. De linie wordt uitgebouwd doormiddel van aarden structuren, zoals loopgraven, posities voor machinegeweren en geschutstellingen. Wegens een gebrek aan mankracht, materieel en werktuigen is een groot gedeelte van deze linie nooit tot stand gekomen. De verdediging was sterk afhankelijk van het inunderen van gebieden, vaak volgens het inundatieschema dat voor de oorlog reeds van kracht was. Vanzelfsprekend heeft de linie geen gevechtshandelingen gekend.
37Atlantikwallplatform.eu, Van der Valk 2010.
3.1.6 Frontperiode
Verdedigingswerken langs de Merwede
Na de rampzalige terugtocht van Duitse troepen uit Frankrijk wordt er in augustus en september 1944 in allerijl begonnen met de organisatie van de verdediging van Nederland en Duits grondgebied. Halsoverkop worden er eenheden gemobiliseerd in Duitsland, die gaten in de verdediging moeten opvullen langs de grens met België. Tegelijkertijd wordt er begonnen met de aanleg van enkele ad-hoc verdedigings- en opvanglinies in Nederland, met name langs de grote waterwegen. Veel van deze verdedigingslinies kunnen gezien worden als een uitbreiding van de Westwall, langs de westgrens van Duitsland. Deze linie is gebouwd in de jaren ’30 en 1940, en was in 1944 dermate verouderd dat deze in de diepte moest worden uitgebreid en herbewapend moest worden. Deze herbewapening werd uitgevoerd door Duitse eenheden, dwangarbeiders, Reichsarbeitsdienst, OrganisationTodt en Hitler Jugend. Duitse eenheden die aan deze stellingen werkten waren vaak ingericht als Kampfgruppe, wat betekende dat ze behalve een genierol ook een gevechtsrol konden vervullen. Zo kon het voorkomen dat eenheden die stellingen aan het aanleggen waren, tegelijk ingezet werden in gevechtssituaties. Ook ten noorden van de Merwede wordt vanaf 3 september 1944 begonnen met het aanbrengen van veldstellingen en het inrichten van panden als defensieve stelling. Onder andere de dijk langs de Merwerde wordt ingebouwd in de zogenaamde Waal-Stellung, die grofweg liep tussen de Moerdijkbruggen en Nijmegen. Het doel hiervan was het ten alle kosten afweren van een vijandelijke aanvalsbeweging vanuit het zuiden. Ten zuiden van Gorinchem werd een bruggenhoofd uitgebouwd. De bouw en bemanning van deze verdedigingswerken tussen het westelijk deel van Gorinchem en Nijmegen viel onder de verantwoordelijkheid van de Führungs- und Ausbildungsstab in die Niederlanden (onder General der Infanterie Hans von Tettau) van de Wehrmachtsbefehlshaber Niederlande, terwijl het gebied ten westen hiervan onder de verantwoordelijkheid viel van Stab zur besonderen Verwendung (Stab z.b.V.) 20. Tijdens de aanleg van de linie waren de verantwoordelijke eenheden, waaronder SS-Unterführerschule Arnheim, tegelijkertijd verantwoordelijk voor het opvangen van eenheden die terugtrokken uit het zuiden, en het houden van toezicht op de uit de burgerbevolking afkomstige dwangarbeiders. Behalve de Waal-Stellung lijkt er in deze periode langs de huidige A27 ook een haakse op de hoofdverdediging liggende verdedigingslinie aangebracht te zijn, een zogenaamde Riegelstellung. In het gebied ten westen van deze Riegelstellung lijken zich enkele antitankversperringen te bevinden, zoals een korte tankgracht die met antitankwapens gedekt kon worden vanuit achterliggende schuttersputten. Ten zuidwesten van Gorinchem werden op de zuidoever Gefechtsvorposten aangebracht, die vrijwel meteen door Duitse troepen bezet werden, evenals een bruggenhoofd aan de zuidzijde van de rivier ter hoogte van Gorinchem.
38Kriegstagebuch LXXXVIII Armeekorps, 1a: Kriegstagebuch Anlagen September 1944, National Archives Washington, 63289/3, roll 1667, NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 214, Gerritsen 2018, Kershaw 2008.
Figuur 4. ‘Ausfertigung’ van het Generalkommando LXXXVIII A.K betreffende de bezetting van de Waal-Stellung, d.d. 3 september 1944. Bron: Kriegstagebuch LXXXVIII Armeekorps, 1a: Kriegstagebuch Anlagen September 1944, National Archives Washington, 63289/3, roll 1667..
Inslaglocaties van V-wapens
Tijdens de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog zijn er vanaf Nederland en Duitsland grote hoeveelheden V-wapens gelanceerd op stedelijke doelen in België en het Verenigd Koninkrijk. Veel van deze V-wapens haalde vanwege technische mankementen of problemen met de brandstof hun einddoel niet. Derhalve zijn er langs de routes die de wapens af moesten leggen zo’n 2.200 locaties waar V-wapens vroegtijdig neergekomen zijn, en vaak tot ontploffing zijn gekomen. Ook binnen de huidige gemeenten Molenlanden en Gorinchem stortten gedurende de laatste oorlogsmaanden drie V1’s neer.
39Vergeltungswaffen.nl.
3.1.7 Koude Oorlog
Koude Oorlog algemeen
Na de val van Nazi-Duitsland vond er een machtsverschuiving plaats binnen Europa, waardoor Rusland en de Verenigde Staten lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. Deze geopolitieke strijd woedde reeds vanaf de jaren ’20 van de 19e eeuw, maar met het wegvallen van Duitsland als geopolitieke grootmacht en een herverdeling van de invloedssfeer van de Verenigde Staten en Rusland in Europa begon een nieuwe episode. De Sovjet-Unie vergrootte het grondgebied al snel na het einde van de Tweede Wereldoorlog door de Baltische staten en delen van Finland, Polen, Duitsland, Roemenië en Tsjecho-Slowakije bezet te houden en steun te leveren aan de (veelal door hen geïnstalleerde) communistische regimes. Met deze expansie ontstond er in Oost-Europa een zeer sterke grootmacht die een nieuwe dreiging vormde voor West-Europa. De West-Europese landen kwamen veelal in de directe invloedssfeer van de Verenigde Staten te liggen. Deze landen waren nog volop bezig met de wederopbouw en waren hierdoor verdeeld, kwetsbaar en deels afhankelijk van steun van buiten. Er ontstond de noodzaak om passend op deze wederzijdse expansiedrift te reageren. Deze reactie kwam er in de vorm van verschillende (defensie)verdragen en pacten, waaronder de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). De verschillende verdragen zorgden er op hun beurt voor dat ook de verschillende communistische regimes een gelijkend pact sloten, het Warschaupact. Er was hiermee een tweedeling in Europa ontstaan die als gevolg van het fundamenteel verschil in ideologie voor een machtsstrijd en onoverkoombaar verschillen tussen beide kampen zou zorgen. De Koude Oorlog was hiermee ingeluid. Het fragiele machtsevenwicht in Europa werd met name in stand gehouden omdat er sprake was van mutual assured destruction, waarbij zowel NAVO-landen als het Warschaupact beschikte over nucleaire wapensystemen die de vijand zouden kunnen uitschakelen nadat het eigen land getroffen was door een atoomwapen (hetgeen de drempel voor het inzetten van atoomwapens aanzienlijk verhoogd). Ter bestrijding van een eventuele Russische inval werd er door het Nederlandse defensieapparaat ingezet op een grote parate troepenmacht. Het erfgoed van de Koude Oorlog in Nederland kenmerkt zich dan ook door een uitgesproken nadruk op bescherming tegen de uitwerking van atoomwapens en infrastructuur waarin het materieel, materiaal en manschappen van de parate troepenmacht ondergebracht konden worden.
40Beekmans & Schilt 1998.
Koude Oorlog Molenlanden en Gorinchem
Ook in Gorinchem en Molenlanden heeft de Koude Oorlog zijn sporen nagelaten, en vindt met name neerslag in de vestiging van diverse troepenonderkomens en logistieke infrastructuur. Zo bevindt zicht aan de noordoostelijke zijde van de stad Gorinchem een pand dat dienst heeft gedaan als legering voor, onder andere, het 105e Verbindingsverkenningsbataljon, en als interceptiepost voor het aftappen van radiozenders van het Rode Leger en het peilen van troepenbewegingen aan de andere zijde van de IJzeren Gordijn. Deze eenheid is ook actief geweest op tal van andere locaties in de stad, zoals op de zolder van de Willemskazerne.
41Forten.info, wiv2017.nl, 898vbdbat.nl.
Verder worden er aan weerszijde van de Merwede ter hoogte van het huidige Avelingen Oost betonnen pijlers met bijbehorende infrastructuur aangebracht. Daaroverheen wordt een brug aangelegd doormiddel van Baileybrugdelen. Deze brug, die ook civiel wordt gebruikt, verliest in 1961 betekenis, maar de brug blijft gehandhaafd voor gebruik in een eventuele militaire noodsituatie. Door middel van deze brug kan een gedegen verbinding tussen de noord- en zuidoever van de Merwede gegarandeerd worden, hetgeen snelle troepenverplaatsingen zou faciliteren.
42Wilhelminasluis.nl