Gemeentelijke regelgeving

Nadere regels behorende bij de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Gooise Meren 2023

Gemeente Gooise Meren · geldt sinds 1 januari 2023

Aanhef

Burgemeester en wethouders van gemeente Gooise Meren;

gelet op artikel 11, 12 en 15 van de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Gooise Meren 2023 besluiten:

De Nadere regels behorende bij de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Gooise Meren 2023 vast te stellen.

3 Toelichting per artikel

Bij Artikel 1. Definities

Geen toelichting.

Bij Artikel 1b. Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning

Geen toelichting.

Bij Artikel 2. Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning

Geen toelichting.

Bij Artikel 3. Clientondersteuning

Geen toelichting.

Bij Artikel 4. Het onderzoek

Geen toelichting.

Bij Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

Geen toelichting.

Bij Artikel 6. Onderzoeksverslag

Geen toelichting.

Bij Artikel 7. Aanvraag

Geen toelichting.

Bij Artikel 8 Criteria voor een maatwerkvoorziening

Lid 8 Beschikbare Maatwerkvoorzieningen

1Maatwerkvoorzieningen Vervoer en Mobiliteit

Toelichting over de Wmo-taxi:

De maximale reisafstand is 25 kilometer per rit. Boven de 25 kilometer kan een inwoner met Valys reizen. Deze grens zorgt er dus niet voor dat bepaalde reizen niet meer mogelijk zijn.

Toelichting over mobiliteitshulpmiddelen:

Voor de categorieën zie Handboek Hulpmiddelen van Inkoop en Contractbeheer Gooi en Vechtstreek (dossier BS017/kenmerk 22.0001658), versie 2022-001.

Auto-aanpassing

Er wordt geen auto-aanpassing verstrekt als deze algemeen gebruikelijk is. Een aantal voorbeelden van algemeen gebruikelijke auto-aanpassingen zijn:

•Standkachel;

•automatische transmissie;

•elektrisch bedienbare ramen;

•kosten van een APK-keuring;

•een derde of vijfde deur en warmtewerend glas;

•cruise control.

Incidenteel rolstoelgebruik

Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans wordt deze gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke.

Uitzondering transportrolstoel

Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan een zogeheten transportrolstoel worden verleend. Dat is het geval indien een cliënt zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de korte vervoersafstanden. Dat wil zeggen dat er sprake is van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de loopafstand zeer beperkt is. De cliënt is aangewezen op een transportrolstoel om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. In dat geval zijn de bovengenoemde mogelijkheden (rolstoelpool, uitleen) niet van toepassing. Deze rolstoel kan worden meegenomen in het collectief vervoer of in de eigen auto. In de praktijk zal dit echter niet vaak voorkomen.

Stalling vervoersvoorzieningen

Het stallen van vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel dient op een adequate wijze te geschieden. Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte. Dit behoort tot de eigen verantwoordelijkheid. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de vervoersmiddel, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college. De minimale eis hierbij is dat de elektrische vervoersvoorziening tegen weersomstandigheden beschermd is.

Zie voor de collectieve regeling in Gooise Meren: ‘Regeling collectieve WMO aanvraag voor een eenmalige bijdrage in de kosten voor het creëren van toegankelijke scootmobielstallingen bij bestaande wooncomplexen voor ouderen en woonzorgcomplexen 2022-2029’.

2Maatwerkvoorzieningen Wonen

Toelichting bij Wonen

Gebruiksruimtes

Noodzakelijke gebruiksruimten zijn de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor:

–het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken);

–het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden;

–horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning waaronder ook de toegang tot de woning.

Onder niet-noodzakelijke gebruiksruimten worden in principe verstaan: kelder, berging, zolder, garage, logeerkamer en hobbyruimte, voor zover er in deze ruimtes geen elementaire woonfuncties worden verricht.

Uitraaskamer

a.Productbeschrijving

Ruimte waarin een persoon met beperkingen die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. De volgende woonruimteaanpassingen zijn mogelijk: het verwijderen van gevaarlijke onderdelen uit de slaapkamer van de persoon met beperkingen zoals het omhoog brengen van een radiator en het aanbrengen van veiligheidsglas maar ook het omheinen van de tuin en het afsluitbaar maken van andere (slaap)kamers zodat deze niet ongewenst betreden kunnen worden. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling de woning te veranderen in een privékliniek.

b.Voorwaarden voor verstrekking In het algemeen komen woonruimteaanpassingen alleen voor vergoeding in aanmerking als er sprake is van het wegnemen of aanzienlijk doen verminderen van aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning. Voor een beperkte groep kinderen geldt hierop een uitzondering. Het gaat om kinderen met onbeheersbaar en oncontroleerbaar gedrag waarbij normale oppas- en zorgmaatregelen die je van ouders mag verwachten niet voldoende bescherming bieden. Therapeutische behandeling biedt daarbij geen soelaas. Het is dan noodzakelijk een aantal aanpassingen te verrichten in de sfeer van veiligheid die de bruikbaarheid van de woning vergroten. Zonder aanpassingen is het onmogelijk deze kinderen (langer) thuis te laten wonen.

De uitraasruimte is niet bedoeld om overlast voor huisgenoten en omwonenden te beperken.

Verhuizen

Bij het bieden van een maatwerkvoorziening bij een probleem bij het normale gebruik van de woning, wordt onder meer gekeken naar de mogelijkheid om te verhuizen naar een meer geschikte of een goedkope geschikt te maken woning. Wanneer er veel kosten zijn gemoeid met het aanpassen van een woning, kan verhuizen de goedkoopst passende oplossing zijn. Het is daarbij van belang dat er een reële inschatting wordt gemaakt van de kosten van de aanpassing. Het bieden van een maatwerkvoorziening in de vorm van verhuiskostenvergoeding is een ingrijpend besluit. Hoewel niemand gedwongen kan worden tot verhuizen, kan een woningaanpassing worden geweigerd omdat verhuizing ook een passende en goedkopere oplossing is. Hierbij is een uiterst zorgvuldige afweging en motivatie van groot belang.

Verhuiskosten

Een verhuiskostenvergoeding kan worden toegekend indien de cliënt vanwege problemen met het normale gebruik van de woning gaat verhuizen naar een adequate woning; of een woonvoorziening aanvraagt, maar na onderzoek blijkt dat verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is voor het woonprobleem. Uitgegaan wordt van “de goedkoopst-adequate voorziening”. Om laatstgenoemde vast te kunnen stellen, wordt de Nibud Prijzengids gehanteerd.

De verhuiskostenvergoeding wordt uitbetaald na inlevering van nota’s. Alleen kosten die direct betrekking hebben op de verhuizing komen in aanmerking voor vergoeding. Dit zijn:

–kosten van huur voor een verhuisauto;

–verf, behang, vloerbedekking en raambekleding;

–eventuele kleine woonaanpassingen;

–oversluitkosten voor telefoon en nutsvoorzieningen.

Kosten voor aanschaf van inrichtingselementen, zoals meubels, komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing is bedoeld als goedkoopst-adequaat alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie. Voorspelbare verhuizingen van senioren (levensloop) zijn in beginsel algemeen gebruikelijk. Voor verhuizingen naar Wlz-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen tegemoetkoming verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning.

Een verhuiskostenvergoeding kan worden verstrekt wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning die door middel van een verhuizing op de goedkoopst-adequate wijze kunnen worden opgelost. Als het gaat om een verhuizing vanuit een aangepaste woning dan wordt er geen verhuisvergoeding toegekend. Als het vrijmaken van een aangepaste woning op verzoek van het college of na overleg met het college gebeurt, is er wel aanspraak op een tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten.

Het college verstrekt in beginsel geen tegemoetkoming in de kosten voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor afwijzing.

Zwaarwegende redenen uitzondering verhuisprimaat

Er kunnen zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden daarvan zijn:

•Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een (dementerende) cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving.

•Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoek-tijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie.

•De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is bijvoorbeeld het geval als de mantelzorg zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend.

Het toepassing van het verhuisprimaat treft vanzelfsprekend ook de aanwezige huisgenoten. Het college weegt hun belangen mee bij de beoordeling of het primaat van verhuizen onverkort kan worden toegepast.

•De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner.

•Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd (zie verder hierna).

Woonlastenconsequenties woning

Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs niet aanvaardbaar zijn. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers iedereen behoort de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen. Wel is het zo dat het primaat van verhuizen niet is toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Of daarvan sprake is beoordeelt het college in het individuele geval.

Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit

Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend:

–Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten);

–Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom;

–Opstalverzekering.

3Maatwerkvoorzieningen Huishoudelijke taken

Zie bijlage 1.

4Maatwerkvoorzieningen Maatschappelijke ondersteuning : Begeleiding

Algemeen Dagelijks Leven (ADL)

Zelfredzaamheid met betrekking tot Activiteiten van het Dagelijks Leven (ADL) gaat over de mate waarin de persoon alledaagse activiteiten uitvoert of de uitvoering heeft georganiseerd. Het gaat hierbij om basale taken om voor zichzelf te zorgen (eten, wassen, aankleden, naar toilet gaan) tot meer complexe taken zoals het organiseren van het huishouden en het zorgen voor anderen (kinderen of anderen waar de persoon voor verantwoordelijk gesteld is). Bij de beoordeling op dit domein worden zelfzorg-taken onderscheiden van meer complexe ADL-taken.

Begeleiding individueel of in groepsverband (dagbesteding)

Dagbesteding is voorliggend op individuele begeleiding. Het doel van begeleiding kan wel toeleiding naar dagbesteding zijn. Multidisciplinaire behandeling (ZvW) is voorliggend op dagbesteding op grond vd Wmo

Begeleiding stelt de gemeente vast in uren, zolang er geen mogelijkheid is te werken met een brandbreedte. Zodra dit wel mogelijk is, hanteert de gemeente de verdeling die aansluit bij de voormalige indeling in klassen zoals deze door het Ciz werden gehanteerd. De gemeente bereikt hiermee dat de aanbieder binnen een kalendermaand zelf in uren kan schuiven (in de gemeente Gooise Meren is dat binnen 4 weken mogelijk) en kan aansluiten waar de belanghebbende op dat moment nodig heeft. De omvang van de begeleiding individueel is minimaal 1 uur en maximaal 8 uur per week. Meer uren per week zijn indien nodig en gemotiveerd, mogelijk. Is er meer ondersteuning nodig, dan onderzoekt de gemeente of andere oplossingen meer passend zijn zoals de Wlz.

Tijdens het onderzoek worden de levensdomeinen van de Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) uitgevraagd. Voor het vaststellen van het aantal uren BG vormt de FAQT-2018, opgesteld door Factum, het uitgangspunt. Op grond hiervan komt de gemeente tot een toekenning van een gemiddeld aantal uren per week en wordt dit ingepast in de Normtijden zoals ze zijn opgesteld door het CIZ. Zie schema in tabel onder:

Tabel: gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten

Overzicht van de te adviseren activiteiten als onderdeel van de functie begeleiding

Frequentie

Gemiddelde duur

per keer

(maximale) omvang per week

in uren

(4) Oefenen

1-3 uur

1Oefenen gaat samen met activiteiten 1 en 2. De van toepassing zijnde tijd, wordt bij deze activiteiten opgeteld. De combinatie van deze tijden leidt tot de te indiceren klasse.

1Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur c.q. het voeren van regie en/of

2Het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid

1xper week

60-180 min.

1-3 uur

2xper week

60-180 min.

2-6 uur

3xper week

30-90 min.

1,5- 4,5 uur

4xper week

30-90 min.

2-6 uur

5xper week

15-90 min.

1,25- 7,5 uur

6xper week

15-90 min.

1,5- 9 uur

1xper dag

15-90 min.

1,75- 9,9 uur

2xper dag

15-45 min.

3,5- 9,9 uur

3xper dag

15-30 min.

5,25- 9,9 uur

4xper dag

15-20 min.

7- 9,33 uur

1en/of 2. + oefen

12,9 uur

3het bieden van toezicht

3,9 uur

Noot : Oefenen gaat samen met activiteiten 1 en 2. De van toepassing zijnde tijd, wordt bij deze activiteiten opgeteld. De combinatie van deze tijden leidt tot de te indiceren klasse.

2, 3 Door samenvallende activiteiten wordt de maximale omvang naar beneden afgerond.

3kan ook in vorm van respijtzorg (Kortdurend verblijf) of dagbesteding.

Toelichting:

Het oefenen, ofwel aanleren van nieuwe vaardigheden, heeft per definitie een tijdelijk karakter. Hierbij wordt rekening gehouden met de persoonkenmerken van de inwoner.

Bij het vaststellen van het aantal uren voor individuele begeleiding wordt een aantal uren en/of minuten toegekend dat nodig is om de geformuleerde doelen te bereiken. De omvang van de individuele begeleiding hangt onder andere af van de fase van begeleiding:

1“Op orde brengen of oefenen van nieuwe vaardigheden”. Wanneer een inwoner voor het eerst start met begeleiding kan er sprake zijn van een uitgebreide hulpvraag. Er zal soms veel tijd nodig zijn om de administratie op orde te krijgen of eerste levensbehoeften te organiseren. Ook zal er meer tijd nodig zijn om nieuwe vaardigheden aan te leren. In deze fase zal doorgaans meerdere keren per week ondersteuning nodig zijn en de maximale omvang aan uren per keer ingezet worden;

2“Op orde houden”. Wanneer de situatie gestabiliseerd is en in kaart gebracht kan de hulpvraag op eenzelfde functiegebied als bijvoorbeeld de administratie veel minder tijd vragen. In deze fase zal de frequentie van de ondersteuning per week en de gemiddelde duur per keer doorgaans lager zijn.

Wanneer de gemiddelde frequentie van de ondersteuning per week 1x per week bedraagt, wordt er maximaal 3 uur per week ondersteuning ingezet. Is er meer dan 3 uur per week ondersteuning nodig, dan wordt van de aanbieder verwacht dat deze uren over meerdere momenten per week verdeeld worden.

Begeleiding in onderwijs/studie: als de begeleiding zich ook richt op het dagelijks leven van de cliënt, waar de studie een onderdeel van is, dat is de gemeente aan zet. Tijdens het ‘keukentafelgesprek’ moet goed gekeken/onderzocht worden waar de gevraagde begeleiding primair op gericht is. Als de ondersteuning primair gericht is op het doorlopen van het onderwijs/studie-programma dan is de gemeente niet aan zet.

5Maatwerkvoorzieningen Opvang voor dak- en thuislozen of na huiselijk geweld (24 uursopvang)

Geen toelichting.

6Maatwerkvoorzieningen Beschermd wonen

Geen toelichting.

Bij Artikel 9. Weigeringsgronden

Voor weigeringsgronden pgb zie artikel 15.

Bij Artikel 10 Inhoud beschikking

Geen toelichting.

Bij Artikel 11 Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb)

Sociale Verzekeringsbank (SVB)

De gemeente toetst de gegevens in de zorgovereenkomst van de SVB aan het zorgplan Pgb.

Bevoorschotting vindt plaats per kalenderjaar conform de richtlijnen van de SVB, zie:

https://vng.nl/files/vng/20141106-handleiding-pgb-betalen.pdf

Persoonsgebonden budget hulpmiddelen

Er zijn aparte contractafspraken over de prijzen van hulpmiddelen, zie Handboek Hulpmiddelen Inkoop- en contractbeheer Regio Gooi en Vechtstreek (versie 1 april 2022; kenmerk 22.000 1658).

Persoonsgebonden budget Wmo taxivervoer

Uitgaande van het sociaal-recreatieve doel van het taxivervoer, wordt in eerste instantie een pgb verstrekt met een tegenwaarde van 1.500 kilometer per jaar inclusief instaptarief. Indien dit niet toereikend blijkt, kan het pgb tussentijds worden verhoogd.

Persoonsgebonden budget Bezoekbaar maken woning

Een pgb voor het bezoekbaar maken van een woning is bovenwettelijk beleid. Het college besluit hier een maximaal bedrag van € 5.000,- voor ter beschikking te stellen.

Persoonsgebonden budget wooninitiatief

De gemeente merkt de woning van een cliënt aan als wooninitiatief als de woning aan de onderstaande regels voldoet. Als de woning voldoet dan komt de cliënt in aanmerking voor het pgb beschermd wonen:

1Er wonen minimaal 3 en maximaal 30 bewoners die een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen;

2De bewoners krijgen persoonlijke verzorging en/of individuele begeleiding;

3De bewoners kopen samen zorg in van de pgb's;

4De bewoners staan bij de gemeente ingeschreven op één adres. Of ze staan ingeschreven op adressen die dicht bij elkaar liggen (maximaal 100 meter uit elkaar);

5De bewoners hebben een gemeenschappelijke ruimte voor gezamenlijke activiteiten;

6De woonomgeving is een veilige woon- en leefomgeving met 24-uurs oproepbaar toezicht in de nabijheid en een samenhangend aanbod van zorg en ondersteuning, gericht op sociale redzaamheid en zelfregie;

7De woning is qua bouw en inrichting afgestemd op de beperkingen en behoeften van de cliënt en biedt fysieke en sociale bescherming;

8De woning ondersteunt de cliënt bij het zo zelfstandig mogelijk richting en organisatie geven aan zijn leven en/of structureert bij zijn regie- en/of uitvoeringsproblematiek;

9De woning is toegankelijk voor zijn bewoners;

10De woning voldoet aan de bouwkundige eisen zoals brandveiligheid uit het vigerende Bouwbesluit.

Als iemand inwoont bij ouders, wettelijke vertegenwoordigers of andere particuliere personen, dan wordt dat niet beschouwd als een wooninitiatief.

Bij Artikel 13. Controle

Geen toelichting.

Bij Artikel 14 Regels voor bijdrage in de kosten van een algemene voorziening

Geen toelichting.

Bij Artikel 15. Regels voor bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening of pgb’s

Pauze (tijdelijke vrijstelling) eigen bijdrage: zie bijlage 2 bij deze Nadere regels.

Bij Artikel 16. Nieuwe feiten en omstandigheden en heronderzoek

Geen toelichting.

Bij Artikel 17. Heronderzoek, intrekking, herziening, beëindiging en terugvordering

Geen toelichting.

Bij Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Geen toelichting.

Bij Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen door derden

Geen toelichting.

Bij Artikel 20. Monitoring

Geen toelichting.

Bij Artikel 21. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Geen toelichting.

Bij Artikel 22. Waardering mantelzorgers

Geen toelichting.

Bij Artikel 23. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Geen toelichting.

Bij Artikel 24. Betrekken van inwoners bij het beleid

Geen toelichting.

Bij Artikel 25. Melding klachten

Geen toelichting.

Bij Artikel 26. Hardheidsclausule

Geen toelichting.

Bij Artikel 27. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen

Geen toelichting.

Bij Artikel 6.2 Citeertitel

Geen toelichting.

Bijlage 1 Huishoudelijke Hulp bij Nadere regels Wmo 2022 gemeente Gooise Meren

Kader huishoudelijke hulp

Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Hieronder valt ook de huishoudelijke hulp. Met het oog op de rechtszekerheid voor de inwoner is het van belang dat bij de indicaties voor huishoudelijke hulp gebruik wordt gemaakt van een objectief normenkader.

De gemeente Gooise Meren heeft gekozen voor het normenkader van HHM/KPMG, jaargang 2019. Hierbij is rekening gehouden met de volgende factoren:

–het HHM/KPMG normenkader is gebaseerd op actueel onderzoek voor gemeentelijk Wmo-beleid inzake huishoudelijke hulp;

–het normenkader van HHM/KPMG biedt duidelijke kaders met ruimte voor maatwerk;

–het normenkader van HHM/KPMG is door de rechter getoetst en als rechtmatig beoordeeld;

–binnen de regio Gooi en Vechtstreek wordt voor huishoudelijke hulp gebruik gemaakt van dezelfde aanbieders (centrale inkoop) en wordt het normenkader van HHM/KPMG ook al toegepast (uniformiteit).

Indiceren huishoudelijke hulp

1.1 Gestructureerd huishouden

Om zelfredzaam te kunnen zijn is het van belang dat de inwoner is staat is tot het voeren van een gestructureerd huishouden. Dit houdt in:

–het schoon en op orde houden van het huishouden; en

–het kunnen beschikken over schoon beddengoed, schone kleding en boodschappen.

1.1.1 Schoon huis

Bij het schoon houden van een huis gaat het om een naar algemene maatstaven aanvaardbare hygiënestandaard voor bewoning. Het is van belang dat het huis niet vervuilt en voldoende frequent wordt schoongemaakt. De inwoner moet gebruik kunnen maken van de volgende vertrekken:

–woonkamer;

–als slaapkamer in gebruik zijnde ruimte(s);

–keuken;

–sanitaire ruimte(s); en

–gang/trap.

Buitenruimten vallen er dus niet onder. Een schoon huis betekent niet dat alle vertrekken wekelijks (volledig) schoongemaakt moeten worden (stof afnemen, ramen zemen). Wanneer er een indicatie voor huishoudelijke hulp wordt afgegeven, is het vervolgens aan de inwoner om samen met de huishoudelijke hulp afspraken te maken over wat wanneer gedaan wordt.

De maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp ziet op structurele ondersteuning bij het schoonhouden van de woning. Dit is de hoofdregel. In geval van een noodsituatie kan een uitzondering worden gemaakt op de hoofdregel. Denk bijvoorbeeld aan ontslag uit een ziekenhuis en de inwoner niet beschikt over een netwerk. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar de mate waarin de huishoudelijke hulp al dat niet uitstelbaar is. Niet-uitstelbare taken zijn het nuttigen van de maaltijd en de verzorging van kinderen. Wel uitstelbare taken zijn stofzuigen, reinigen van sanitair en keuken, alsmede het verschonen van bedden.

1.1.2 Taakvelden

Huishoudelijke hulp is onder te verdelen in verschillende taakvelden. De gemeente maakt onderscheid tussen :

–Uitvoerende schoonmaakwerkzaamheden (o.a. stofzuigen, dweilen, stof afnemen, ramen zemen);

–Wasverzorging;

–Boodschappen;.

–Maaltijden (voor)bereiden en/of opwarmen (indien er geen voorliggende oplossingen zijn);

–Organisatie van het huishouden (structuur aanbrengen)

–Advies en instructie over het voeren van een huishouden (aanleren van vaardigheden)

–Helpen bij en toezien op verzorging van kinderen.

Bepaalde onderdelen van huishoudelijke hulp (zoals maaltijdverzorging of organisatie van het huishouden) worden mogelijk al uitgevoerd via bijvoorbeeld de wijkzorg. Bij het indiceren wordt hier rekening mee gehouden. Ook vindt integrale indicering plaats als sprake is van persoonlijke verzorging of begeleiding.

2.1 Eigen mogelijkheden

De gemeente neemt niet automatisch taken en verantwoordelijkheden van de inwoner over. De maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp is pas aan de orde, wanneer eigen mogelijkheden van de inwoner of voorliggende voorzieningen ontbreken dan wel niet toereikend zijn. Het gaat bij eigen mogelijkheden om eigen kracht, gebruikelijke hulp, sociaal netwerk en algemeen gebruikelijke voorzieningen.

2.1.1 Eigen kracht

De inwoner verricht zelf de huishoudelijk taken binnen de mogelijkheden die hij/zij heeft. Dit kunnen ook deeltaken zijn. Tevens kan worden onderzocht of de huishoudelijke taken anders ingericht of uitgevoerd kunnen worden. Voorbeelden zijn: plaatsing van de wasmachine op een geschiktere plaats of de beschikbaarheid van een extra stofzuiger op de bovenverdieping. Hiermee wordt rekening gehouden bij het indiceren van de benodigde ondersteuning vanuit de Wmo 2015.

Als de inwoner al gewend was om voor eigen rekening een schoonmaakhulp in te huren, dan is het enkele feit dat er zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Wel moet in het onderzoek worden meegewogen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Gewijzigde omstandigheden kunnen zijn het wegvallen van financiële mogelijkheden van de inwoner of een toename van de benodigde ondersteuning van de inwoner. In het laatste geval komt alleen de extra ondersteuning in aanmerking voor compensatie op grond van de Wmo 2015.

Wanneer de inwoner feitelijk geen beperkingen heeft om huishoudelijke taken te verrichten, maar de vaardigheden mist om de huishouding te doen, bijvoorbeeld omdat zijn/haar partner dat altijd deed, dan kan de inwoner vanuit de Wmo 2015 gedurende korte tijd begeleiding en advies krijgen om de vaardigheden aan te leren. Een en ander voor zover de inwoner niet beschikt over een netwerk om hem/haar te ondersteunen.

2.1.2 Gebruikelijke hulp

In geval de inwoner huisgenoten heeft, worden zij geacht huishoudelijke taken over te nemen voor zover dit redelijkerwijs van hen kan worden verwacht. Deze verplichting geldt in de regel voor alle huisgenoten van 18 jaar en ouder. De leefeenheid is namelijk in gezamenlijkheid verantwoordelijk voor het huishoudelijk werk. In de meeste gevallen zal het om gezinsleden van de inwoner gaan. Echter, ook in geval van bijvoorbeeld kamerhuur kan van de betreffende medebewoner een bijdrage worden verlangd waar het gaat om het schoonhouden van gemeenschappelijke ruimten.

Afhankelijk van de leeftijd en belastbaarheid wordt ook van de inwonende minderjarige kinderen een bijdrage in de huishouding verwacht. Algemene uitgangspunten (ontleend aan Richtlijn Hulp bij het Huishouden 2011 van de MO Zaak, voormalig onderdeel van CIZ):

–Kinderen tot 5 jaar leveren geen (wezenlijke) bijdrage aan het huishouden;

–Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals: opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien;

–Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen naast bovengenoemde taken ten minste ook hun eigen kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen).

2.1.3 Sociaal netwerk

Familieleden, vrienden en/of buurgenoten maken deel uit van het sociaal netwerk van de inwoner. Veelal zal hi/zij op hen ook een beroep kunnen doen. Voorbeelden hiervan zijn:

–(ondersteuning bij) boodschappen doen;

–afval verwijderen;

–terbeschikkingstelling van praktische gebruiksmiddelen, zoals een robotstofzuiger.

2.1.4 Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Voor sommige taken of voorzieningen geldt dat deze niet zozeer te maken hebben met de beperkingen van de inwoner, maar min of meer van toepassing zijn op elk huishouden. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn:

–schoonmaakmiddelen;

–hulpmiddelen bij huishoudelijke taken, zoals een vaatwasser, magnetron, stofzuiger, huishoudtrap;

–boodschappendienst (voor zover feitelijk voorhanden);

–maaltijdenservicedienst (voor zover feitelijk voorhanden).

3.1 Normenkader HHM/KPMG

De gemeente Gooise Meren hanteert het normenkader van HHM/KPMG. Het gaat om een richtlijn voor het indiceren van huishoudelijke hulp. De te indiceren tijd voor huishoudelijke hulp wordt uitgedrukt in minuten per week. Afhankelijk van de benodigde ondersteuning bestaat de mogelijkheid om de huishoudelijke hulp niet wekelijks maar tweewekelijks in zetten, wanneer dit in de betreffende situatie efficiënter en/of effectiever is.

De basisnorm voor de uitvoerende schoonmaakwerkzaamheden (huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen) bedraagt 125 minuten per week. Mocht de inwoner deels zelf de werkzaamheden kunnen (laten) uitvoeren, dan wordt hier rekening mee gehouden (tijdsvermindering). Er kan meer tijd worden geïndiceerd naar gelang de situatie van de inwoner hierom vraagt. Te denken valt aan:

–een medische aandoening van de inwoner die vraagt om intensievere en/of frequentere schoonmaakwerkzaamheden;

–de samenstelling van het gezin, zoals de aanwezigheid van minderjarige kinderen;

–de aard van de woning (al leidt een grote woning niet automatisch tot een ruimere indicatie);

–de aanwezigheid van huisdieren (voor zover er sprake is van extra vervuiling en afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden van de inwoner. Gaat niet om dierverzorging).

Naast schoonmaakwerkzaamheden kan extra tijd worden geïndiceerd voor bewassing, voeding en maaltijden, alsmede organisatie van en instructie ten behoeve van het huishouden. Het normenkader biedt hiervoor richttijden. Voor een totaaloverzicht wordt verwezen naar onderstaande tabel 1. Toepassing van het normenkader levert op deze manier een indicatie op die is afgestemd op de situatie van het huishouden.

De periode van 3 maanden na de start van de huishoudelijke hulp geldt als een “proefperiode”. Weliswaar is het indicatiebesluit van het college gebaseerd op een zorgvuldig onderzoek, maar in de praktijk kan toch blijken dat de indicatie niet passend is. Waar nodig volgt, op basis van bijvoorbeeld een aanwijzing van de zorgorganisatie of inwoner, een herindicatiebesluit. Ook is het mogelijk om gedurende korte tijd extra ondersteuning in te zetten, indien er sprake is van achterstallig werk.

In het indicatiebesluit wordt de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp bepaald. Deze zal niet altijd volledig worden benut. De inwoner kan tijdelijk afwezig zijn in verband met een vakantie of een noodzakelijk verblijf elders. De tijd dat geen huishoudelijke hulp wordt verricht, wordt niet op een later moment alsnog ingehaald. In geval van zorg in natura dient de aanbieder wel te zorgen voor vervanging van de (vaste) hulpkracht, als het gaat om niet of niet langer uitstelbare ondersteuning.

Het normenkader HHM/KPMG kent geen nadere tijdsaanduiding met betrekking tot de verzorging van kinderen. Hiervoor hanteert Gooise Meren de volgende tabel met richttijden (Richtlijn Hulp bij het Huishouden 2011 van de MO Zaak):

Verzorging en/of tijdelijke opvang van kinderen

Naar bed brengen / uit bed halen 10 minuten per keer per kind

Wassen en kleden 30 minuten per dag per kind

Eten en/of drinken geven 20 minuten per broodmaaltijd

25minuten per warme maaltijd

Babyvoeding: flesje / borstvoeding 20 minuten per keer per kind

Luier verschonen 10 minuten per keer per kind

Naar school / crèche brengen / halen 15 minuten per keer per gezin

Factoren meer hulp

Indien opvang noodzakelijk is Tot 40 uur per week

Bijzonderheden

Maximale duur voor tijdelijke opvang is 3 maanden. Zorgverlof, kinderopvang etc. is voorliggend. In bijzondere situaties is verlenging mogelijk.

Invoering beleidsregels huishoudelijke hulp

Het betreffende normenkader geldt voor alle indicaties vanaf de ingangsdatum van de Nadere Regels 2023 gemeente Gooise Meren.

TABEL 1

Bijlage 2 Regeling pauze in heffen eigen bijdrage

Aanleiding:

De Uitvoeringsdienst (USD) krijgt sinds het uitbreken van Covid-19 vragen van cliënten (en zorgaanbieders) over de Eigen Bijdrage (EB) oftewel het abonnementstarief. Het gaat om gevallen dat de gemeente indicaties voor Wmo-maatwerk heeft afgegeven maar dat er vanwege diverse redenen, voor een bepaalde periode géén hulp- en ondersteuning afgenomen wordt. Sommige cliënten willen daarom voor deze periode géén EB betalen.

De USD heeft behoefte aan een interne beleidslijn over deze gevallen. Het huidige Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 voorziet daar namelijk niet in. Er is ooit eenmalig door het rijk bepaald dat cliënten vanwege corona voor de maanden april en mei in 2020 geen EB hoefden te betalen. Sindsdien zijn er cliënten die ook daarna geen EB voor niet geleverde zorg willen betalen (ook los van corona). Om duidelijkheid te geven aan deze cliënten wordt het college van Gooise Meren gevraagd in de te stemmen met de onderstaande beleidslijn. Daarmee heeft de USD een handelingsperspectief.

Vooraf:

Het abonnementstarief is een vast tarief per huishouden van € 19,- per kalendermaand, ongeacht de duur, omvang en zwaarte van de hulp- en ondersteuning vanuit geïndiceerd Wmo-maatwerk. Dit is te vergelijken met het afnemen van een abonnement voor een internetprovider, ook als je het een maand niet gebruikt, betaal je toch die maand door.

Vrijstelling:

De eigen bijdrage wordt per kalendermaand berekend. Er kan dan ook uitsluitend voor gehele kalendermaanden een vrijstelling voor het betalen van de eigen bijdrage gegeven worden. Uitsluitend wanneer iemand buiten eigen schuld of door omstandigheden een periode geen hulp/ondersteuning geboden krijgt, moet er vrijgesteld worden.

Beleidslijn vrijstelling EB, in aanvulling op het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in art. 3.8 :

1Géén EB voor geïndiceerd maatwerk Wmo wordt geheven indien :

•De cliënt uit angst voor besmetting met corona minimaal 6 weken aaneengesloten, waarvan 1 gehele kalendermaand geen hulp of ondersteuning afneemt.

•De cliënt vanwege ziekte voor de duur van minimaal 6 weken aaneengesloten, waarvan gehele kalendermaand geen hulp of ondersteuning afneemt.

•De cliënt tijdens of na ontslag uit het ziekenhuis en/of vanwege revalidatie 6 weken aaneengesloten, waarvan 1 gehele kalendermaand geen hulp of ondersteuning afneemt.

2De ingangsdatum van het niet heffen van de EB geldt voor een hele kalendermaand en gaat in op de 1e dag van de eerstvolgende kalendermaand. Wanneer voor een deel van de maand een voorziening is gebruikt, dan betaalt de cliënt die maand nog het abonnementstarief.

Voorbeeld: Als de consulent op 14 mei bepaalt dat er geen eigen bijdrage betaald hoeft te worden, omdat cliënt per 15 mei voor een periode van 2 maanden opgenomen wordt ter revalidatie, dan is de ingangsdatum van het niet heffen van de eigen bijdrage 1 juni.

3De consulenten melden pauzes in het betalen van de EB in DLP. Er wordt op het moment nog onderzocht of hiervoor een aparte functionaliteit kan worden ingebouwd.

4Het bovenstaande geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2020 (begin coronatijd). Cliënten die sinds 1 maart 2020 redenen aangaven zoals genoemd onder 1 hoeven tijdelijk geen EB te betalen.

5De pauzeperiode dat de cliënt geen EB betaalt duurt in principe niet langer dan 6 maanden . Na een stop van langer dan 6 maanden zal een nieuw onderzoek plaatsvinden naar de noodzaak van de inzet van hulp/ondersteuning.

6De USD spreekt met zorgaanbieders van maatwerk Wmo af dat indien deze zorgaanbieders met de cliënt afspreken dat zij tijdelijk geen hulp of ondersteuning leveren vanwege de redenen zoals genoemd onder 1, dat deze zorgaanbieders dat vooraf doorgeven aan de betreffende consulent van de USD. Dat geldt ook indien de hulp of ondersteuning na de pauze weer start.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.