Aanhef
De raad van de gemeente Goirle;
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 februari 2024;
Gelet op de Gemeentewet;
Gelet op de artikelen 2.1.3, [artikel 2.1.4 eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid en artikel 2.1.4a eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid], 2.1.4b tweede lid, [2.1.5 eerste lid,] 2.1.6, [2.1.7,] [2.3.6 vierde lid] en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
Overwegende dat:
•het noodzakelijk is om cliënten te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden;
•het noodzakelijk is om cliënten met psychische of psychosociale problemen en cliënten die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn;
•het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning.
b e s l u i t :
Vast te stellen de VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING gemeente Goirle 2024.
Hoofdstuk 1: Begrippen
Artikel 1. Begripsbepalingen
1In deze verordening wordt verstaan onder:
a.algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die:
•niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
•daadwerkelijk beschikbaar is;
•een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en;
•financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.
b.andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet;
c.beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning;
d.besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Goirle
e.hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft;
f.hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet;
g.ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Goirle;
h.leefeenheid: personen die met elkaar een gezamenlijke huishouding voeren en zorg dragen voor elkaar;
i.melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet;
j.pgb: persoonsgebonden budget;
k.sociaal netwerk: personen in de huiselijke kring of daarbuiten waarmee de cliënt een sociale relatie onderhoudt;
l.uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
m.wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
2Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek
Artikel 2. Melding
1Een hulpvraag kan door of namens de cliënt bij het college worden gemeld.
2Als uit het (voor)onderzoek blijkt dat er reden is om nader onderzoek te doen naar een maatwerkvoorziening, wordt de hulpvraag gemeld bij het college.
3Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en maakt indien nodig zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.
4Het college onderzoekt de noodzaak van de inzet van een maatwerkvoorziening.
5In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in artikel 5.
Artikel 3. Cliëntondersteuning
1Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze cliëntondersteuning.
2Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
Artikel 4. Informatie en identificatie
De cliënt geeft het college alle informatie die voor het onderzoek nodig is en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Artikel 5. Onderzoek
1Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen.
2De volgende factoren maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek:
a.De behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b.De mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoeften aan beschermd wonen of opvang;
c.De mogelijkheid om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d.De behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt:
e.De mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f.De mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g.Welke bijdrage in de kosten de cliënt met toepassing van artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn.
3Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn.
4Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 6 in te dienen.
5Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college de cliënt, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige.
6Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen.
7Het college geeft de cliënt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een verslag van het gesprek.
8De cliënt ondertekent het verslag voor gezien of akkoord en stuurt een ondertekend exemplaar naar het college. Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij ook aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is.
Hoofdstuk 3: Aanvraag maatwerkvoorziening
Artikel 6. Aanvraag
1Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een cliënt schriftelijk ingediend bij het college.
2Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden ingediend nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.
3Een aanvraag kan worden ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.
4Een ondertekend verslag van het gesprek wordt ook gezien als aanvraagformulier.
5De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening, verstrekt het college op verzoek direct een geldig identiteitsbewijs.
Artikel 7. Algemene criteria
1Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de cliënt de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
a.eigen kracht en/of;
b.gebruikelijke hulp en/of;
c.mantelzorg en/of;
d.hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
e.algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
f.algemene voorzieningen en/of;
g.andere voorzieningen.
2Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de cliënt de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
a.eigen kracht en/of;
b.gebruikelijke hulp en/of;
c.mantelzorg en/of;
d.hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
e.algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
f.algemene voorzieningen en/of;
g.andere voorzieningen.
3Het college kan nadere regels stellen over de maatwerkvoorzieningen die op grond van lid 1 en lid 2 beschikbaar zijn.
Artikel 8. Voorwaarden en weigeringsgronden
1Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening.
2Voor algemeen gebruikelijke voorzieningen geldt dat deze in algemene zin financieel gedragen kunnen worden met een inkomen inclusief vakantietoeslag op het niveau van de bijstandsnormen volgens artikel 20 tot en met 23 Participatiewet.
a.Een voorziening is financieel draagbaar als deze binnen 36 maanden terugbetaald kan worden met een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
b.Het college kan nadere regels stellen.
3De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.
4Een adequate maatwerkvoorziening kan bestaan uit een maatwerkvoorziening voor de meerkosten ten opzichte van een algemeen gebruikelijke voorziening.
5Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
a.als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
b.als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;
c.als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;
d.als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt;
e.als deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht;
f.als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan;
g.als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is.
6Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als:
a.deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding;
b.de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Goirle.
7Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
a.als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;
b.als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;
c.in afwijking van lid 6 onderdeel b van dit artikel en artikel 2.3.5. lid 6 van de wet kan voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen één woning bezoekbaar gemaakt worden;
d.ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;
e.als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;
f.als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;
g.als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;
h.als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden;
8Het college verstrekt de voorzieningen opvang en beschermd wonen volgens het daartoe vastgestelde beleid van de centrumgemeente Tilburg, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze centrumgemeente.
Artikel 9. De reikwijdte van maatwerkvoorzieningen
1Onder begeleiding bij zelfredzaamheid en participatie wordt verstaan:
a.Begeleiding, individueel en groepsgewijs, gericht op het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen van 18 jaar en ouder met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen;
b.Dagopvang gericht op stabiliteit en/of mantelzorgontlasting, voor personen waar de mogelijkheid tot activering niet meer aanwezig is;
c.Vervoer naar dagopvang;
d.Persoonlijke verzorging, wanneer de behoefte hieraan samenhangt met de behoefte aan begeleiding en niet valt onder de Zorgverzekeringswet;
e.Kortdurend verblijf voor respijtzorg ter ontlasting van de mantelzorger, die niet valt onder de Zorgverzekeringswet;
f.Ontwikkelgerichte arbeidsmatige dagbesteding voor zover deze niet valt onder artikel 10 van de Participatiewet;
2Onder het wonen in een geschikt huis wordt verstaan:
a.Het normale gebruik van de woning waarover men beschikt, wat betekent het kunnen verrichten van de basis woonfuncties slapen, eten, persoonlijke verzorging, het doen van de belangrijkste huishoudelijke werkzaamheden. Dit geldt voor de woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimten en de doorgangsruimten tussen de genoemde vertrekken en toegang tot berging, tuin of balkon waarbij wordt uitgegaan van het niveau van de sociale woningbouw;
b.Als een verhuizing naar een geschikte woning de goedkoopst adequate oplossing is voor het bevorderen van de zelfredzaamheid op het gebied van wonen, wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt die duurder is dan een voorziening voor een verhuizing in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten;
c.Van verhuizen kan, onverminderd de bepalingen in het vorige lid, worden afgezien, als de noodzakelijke aanpassingskosten lager zijn dan de kosten van een verhuisvoorziening;
d.Bij de beoordeling of verhuizen kan leiden tot het bevorderen van de zelfredzaamheid op het gebied van wonen wordt in ieder geval rekening gehouden met de individuele omstandigheden, zoals:
•de aanwezigheid van essentiële mantelzorg in de buurt, voor zover die mantelzorg niet geleverd kan worden op grotere afstand;
•winkels en andere voorzieningen in de buurt die de zelfredzaamheid bevorderen;
•verhuizing moet binnen een medisch aanvaardbare termijn kunnen plaatsvinden;
•redelijkerwijs voorzienbare ontwikkelingen in de toekomst die van invloed kunnen zijn op de woonsituatie.
e.Een cliënt die kan verhuizen en in aanmerking komt voor een verhuisvoorziening, maar besluit niet te verhuizen en in eigen beheer zijn woning adequaat aanpast, kan voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komen die gelijk is aan de in lid 2 onder b genoemde verhuisvoorziening.
f.Onverminderd artikel 2.3.7 van de wet wordt een woningaanpassing niet uitgevoerd voordat de eigenaar van de woning de gelegenheid heeft gehad gehoord te worden over de voorgenomen aanpassing.
g.Voor een persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een instelling kan één woning in de gemeente Goirle bezoekbaar gemaakt worden.
3Onder een schoon en leefbaar huis wordt verstaan: het schoonhouden van de woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimten, en doorgangsruimten daartussen volgens een algemeen aanvaardbaar niveau, het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften, het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en huishoudtextiel.
4Onder voorzieningen voor het zich verplaatsen binnen de leefomgeving wordt verstaan: het in redelijke mate mensen kunnen ontmoeten, contacten kunnen onderhouden, boodschappen kunnen doen en aan maatschappelijke activiteiten kunnen deelnemen, per collectief vervoer of, als het gebruik van het collectief vervoer niet mogelijk is, per individueel vervoermiddel.
5Het collectief vervoer gaat voor op de verstrekking van een individueel vervoermiddel, als en zolang dit naar het oordeel van het college passend is.
6Het gebruik van de scootmobiel- en hulpmiddelenpool gaat voor op verstrekking van een individueel vervoermiddel, als en zolang dit naar het oordeel van het college passend is.
7Bij een te verstrekken vervoersvoorziening of combinatie van vervoersvoorzieningen wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving tot 1.500 kilometer op jaarbasis. Onder de leefomgeving wordt een afstand van 15 tot 20 kilometer rond de woning verstaan.
8Het college kan nadere regels stellen.
Artikel 10. Toegang en besluit
1Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking.
2Bij zowel Beschermd Wonen als Begeleiding (zorg in natura) wordt geen separate beschikking afgegeven. Het ondertekende plan van aanpak (opgesteld door de samenwerkingspartner) vormt de beschikking.
3De cliënt moet zich, indien van toepassing, binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening, de financiële tegemoetkoming of het pgb binnen 3 maanden gebruiken voor het resultaat waarvoor het is verstrekt.
Artikel 11. Inhoud beschikking
1In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat of deze voorziening in natura, als financiële tegemoetkoming of als pgb wordt verstrekt.
2Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:
a.welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;
b.de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
c.indien van toepassing de termijn van 3 maanden waarbinnen de cliënt zich bij de aanbieder moet hebben gemeld als bedoeld in artikel 7 lid 2;
d.of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
3Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming of pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:
a.aan welk doel de financiële tegemoetkoming of het pgb moet worden besteed;
b.welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
c.wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald;
d.de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
e.de termijn van 3 maanden waarbinnen de cliënt het pgb moet besteden als bedoeld in artikel 8 lid 3;
f.hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden en;
g.of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
4Het college kan nadere regels stellen.
Artikel 12. Regels voor een pgb
1Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet opgenomen voorwaarden. De cliënt dient daarvoor een budgetplan in. In het budgetplan is in elk geval opgenomen:
a.hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;
b.wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;
c.welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder;
d.op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;
e.de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.
2Het college verstrekt geen pgb gericht op zelfredzaamheid en participatie:
a.voor hulp door een persoon uit het netwerk van de cliënt voor zover de soort hulp die wordt verleend, de frequentie van de hulp, de duur van de hulp en de mate van verplichting beperkt zijn in zwaarte en omvang;
b.voor hulp door een persoon uit het netwerk van de cliënt die deze hulp eerder om niet heeft geboden, zonder dat daarvoor een naar het oordeel van het college een goede reden is;
c.voor hulp door een persoon uit het netwerk die overbelast is of dreigt te geraken en zelf met het pgb de maatschappelijke ondersteuning wil gaan of blijven verlenen;
d.als de cliënt onvoldoende aannemelijk kan maken dat met het pgb in kwalitatief goede ondersteuning kan worden voorzien;
e.is de cliënt onvoldoende aannemelijk kan maken dat hij in staat is regie te voeren over het pgb en/of de daartoe behorende beheersmatige verplichtingen;
f.als de cliënt niet of onvoldoende meewerkt aan het budgetgesprek en/of het opstellen van een budgetplan;
g.als de cliënt eerder niet heeft voldaan aan een aan het pgb verbonden verplichting.
3Het pgb mag niet worden besteed aan:
a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;
b.kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
c.kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
4Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.
5Een pgb wordt niet verstrekt voor de wooncomponent van beschermd wonen.
6Een pgb wordt niet met terugwerkende kracht verstrekt.
7Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.
8Als een pgb voor begeleiding wordt gevraagd, kan het college expert-advies inwinnen over de noodzaak en de omvang van de ondersteuning.
9Als het pgb voor een materiële maatwerkvoorziening wordt gevraagd, heeft het budgetplan de vorm van een offerte van de leverancier of uitvoerder waar de voorziening wordt aangeschaft.
10Het college kan nadere regels stellen voor de proceskeuzen met betrekking tot het pgb.
Artikel 13. Onderscheid formele en informele hulp
1Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
2Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de cliënt:
a.personen die werkzaam zijn bij een instelling die voor de met het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), die geregistreerd staat op Registerplein.nl en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de betreffende taken, of;
b.personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze voor de met het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007), geregistreerd staan op Registerplein.nl en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de betreffende taken.
3Informele hulp is:
a.hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2 en niet tot het sociaal netwerk van de cliënt behoren;
b.hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2 en wel tot het sociaal netwerk van de cliënt behoren;
4Het college kan nadere regels stellen.
Artikel 14. Hoogte pgb
1De hoogte van het pgb voor een zaak wordt maximaal vastgesteld op:
a.het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of;
b.het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten.
2Als de verstrekking een tweedehands voorziening is, dan wordt het pgb gebaseerd op een lagere kostprijs voor de resterende economische afschrijvingsduur.
3De hoogte van het pgb voor vervoer bedraagt de netto kilometerprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer vermenigvuldigd met het aantal benodigde kilometers, waarbij het uitgangspunt geldt dat tot 1500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd.
4De hoogte van het pgb voor formele hulp die voldoet aan de eisen genoemd in artikel 13, 2e lid onder a en b, is gelijk aan 85% van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
5De hoogte van het persoonsgebonden budget voor informele hulpverleners is gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30 voor begeleiding en FWG 5 voor huishoudelijke ondersteuning) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg – en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.
6Als het op basis van lid 1 tot en met lid 5 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.
7Jaarlijks per 1 januari vindt indexering plaats van de tarieven.
Artikel 15. Financiële tegemoetkoming
Een cliënt komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming als dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie en het om één van de volgende voorzieningen gaat:
1De kosten voor verhuizen en herinrichting. De hoogte is gebaseerd op marktonderzoek naar de kosten voor verhuizing en de Nibud-normen voor stoffering.
2De kosten voor vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is en cliënt geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. De hoogte is gebaseerd op de kilometerprijs van het Nibud en het uitgangspunt dat de cliënt tot 1500 km per jaar binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen reizen.
3De kosten van aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening die noodzakelijk is voor het participeren door middel van aangepast sporten, maximaal een keer per drie jaar.
4Het college legt de hoogte van de financiële tegemoetkomingen vast in het besluit.
Hoofdstuk 4: Bijdrage in de kosten
Artikel 16. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen
1Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.
2Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:
a.de onderhoudsplichtige ouders en;
b.degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige cliënt.
3Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van de volgende algemene voorzieningen:
a.De algemene was-service;
b.ANWB AutoMaatje.
Artikel 17. Hoogte bijdrage in de kosten
1Voor de algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen die niet genoemd worden in lid 2 tot en met lid 5 bedraagt de hoogte van de bijdrage per maand voor een of meerdere voorzieningen tezamen het maximale bedrag volgens het uitvoeringsbesluit. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen worden vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het Centraal Administratiekantoor volgens artikel 2.1.4 lid 6 van de wet.
2De hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor collectief vervoer (Regiovervoer) is per rit gelijk aan het in het de regio voor het reguliere openbaar vervoer geldende basistarief plus het kilometertarief vermenigvuldigd met het aantal gereisde kilometers.
3Voor het verstrekken van een Regiovervoerspas wordt eenmaal per vijf jaar een vergoeding op het niveau van de kosten van een OV-chipkaart in rekening gebracht door Regiovervoer Midden-Brabant.
4Voor ritten als bedoeld in artikel 2 tijdens de ochtendspits tussen 07:00 en 09:00 uur, is het tarief per rit gelijk aan het vrije reizigerstarief van het Regiovervoer.
5De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen worden vastgesteld volgens het uitvoeringsbesluit en worden geïnd door de centrumgemeente die gemandateerd is voor de uitvoering.
6De hoogte van de bijdrage voor de algemene was-service bedraagt voor de in de beleidsregels huishoudelijke ondersteuning 2022 vastgestelde doelgroep, is een gereduceerd tarief per was op het niveau van de Nibud-norm voor waskosten, waaronder begrepen het gebruik van water, stroom, wasmiddel en de kosten van afschrijving en onderhoud van de wasmachine. Voor gebruikers die niet tot de vastgestelde doelgroep behoren is de bijdrage per was gelijk aan de kostprijs die de gemeente betaalt voor de voorziening.
7De vergoeding voor het gebruik van ANWB AutoMaatje is bepaald op een vergoeding per kilometer en een opstaptarief, gelijk aan de vervoerskostenvergoeding voor vrijwilligers bij de welzijnsorganisatie.
8De in lid 2, 3, 4, 6 en 7 bedoelde tarieven worden opgenomen in het besluit.
9De hoogte van de bijdrage voor een hulpmiddel, woningaanpassing, de in lid 2, 3 en 4 genoemde maatwerkvoorziening voor vervoer of de in lid 6 en 7 genoemde algemene voorzieningen, overstijgt niet de kostprijs van de voorzieningen.
10De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt.
11De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb of financiële tegemoetkoming is gelijk aan de hoogte van het pgb of de financiële tegemoetkoming.
12De kostprijs van een algemene voorziening is nooit hoger dan de kosten die het college voor de betreffende voorziening per cliënt maakt.
13In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende voorzieningen:
a.De dienstverlening van het Dorpsteam;
b.Gebruik van de hulpmiddelenpool ‘Deelmobiel’;
c.Reisbegeleidingsproducten en -tools om zelfstandig te leren reizen met het openbaar vervoer;
d.Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding waarvoor een cliënt een verplichting is opgelegd op grond van de Participatiewet;
e.Begeleiding in het kader van ambulante vrouwenhulpverlening.
14In afwijking van de bepalingen in dit artikel kan een cliënt op grond van hoofdstuk 3 van het uitvoeringsbesluit geen bijdrage verschuldigd zijn.
15Het college kan nadere regels stellen.
Hoofdstuk 5: Bestrijding misbruik
Artikel 18. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening
1Het college informeert cliënten op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening, financiële tegemoetkoming of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
2Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, of:
a.de cliënt nog op de maatwerkvoorziening is aangewezen;
b.de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb nog toereikend is;
c.de cliënt nog voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb;
d.de verstrekte voorzieningen worden gebruikt en/of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.
3Het college kan nadere regels stellen.
Artikel 19. Verrekening
Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden.
Artikel 20. Afstemming met andere voorzieningen
Het college zorgt voor afstemming tussen voorzieningen die zich bevinden op het raakvlak van Wmo, Jeugdwet en Participatiewet door:
1Cliënten die de mogelijkheid hebben, toe te leiden en te begeleiden naar werk dat aansluit bij hun mogelijkheden en talenten, door het bieden van ontwikkelgerichte arbeidsmatige dagbesteding.
2Te zorgen voor een goede afstemming tussen voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen of ouders op grond van de Jeugdwet.
3Bij de toegang tot maatschappelijke ondersteuning in te zetten op vroegtijdige signalering van belemmeringen op het gebied van werk en inkomen van de cliënt en helpt de cliënt waar nodig om de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen zoals algemene voorzieningen, schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen en re-integratievoorzieningen te verkrijgen.
Hoofdstuk 6: Kwaliteit en veiligheid
Artikel 21. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
1Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door:
a.voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt;
b.voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg;
c.inzet van de juiste deskundigheid;
d.ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector;
e.er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard.
2Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.
3Het college vraagt aanbieders een eigen verklaring te ondertekenen waarin de aanbieder verklaart te voldoen aan de door het college gestelde kwaliteitseisen.
4Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de gecontracteerde aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
5De kwaliteit van de met een pgb ingekochte ondersteuning voldoet minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde aanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren.
Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
1Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:
a.een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of
b.een reële prijs die geldt als ondergrens voor:
i.een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en
ii.de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.
2Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:
a.conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet, en
b.rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
3Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:
a.kosten van de beroepskracht;
b.redelijke overheadkosten;
c.kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
d.reis- en opleidingskosten;
e.indexatie van loon binnen een overeenkomst;
f.overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
4Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:
a.de marktprijs van de voorziening, en
b.de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:
i.aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;
ii.instructie over het gebruik van de voorziening;
iii.onderhoud van de voorziening, en
iv.verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.
Artikel 23. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
1Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.
2Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar.
3De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Hoofdstuk 7: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten
Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers
De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit:
a.een cadeaubon en;
b.een uitnodiging voor een activiteit op de Dag van de Mantelzorg en;
c.informatie over, en uitnodiging voor ondersteuningsactiviteiten op het gebied van mantelzorg.
Artikel 25. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
1Een tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen bestaat uit een gemeentelijke bijdrage in de premie bij deelname aan de collectieve zorgverzekering voor minima.
2Recht op deelname aan de onder lid 1 bedoelde zorgverzekering wordt door het college beoordeeld aan de hand van een inkomens- en vermogenstoets op grond van de Participatiewet, het gemeentelijk minimabeleid en de beleidsregel voor bijzondere bijstand medische kosten.
3Het college stelt jaarlijks de hoogte van de gemeentelijke bijdrage in de premie vast.
Hoofdstuk 8: Klachten en medezeggenschap
Artikel 26. Klachtregeling
1Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten.
2Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders.
Artikel 27. Medezeggenschap
1Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn.
2Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders.
Artikel 28. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
De wijze waarop ingezetenen betrokken worden bij het beleid is geregeld in de Verordening participatieraad gemeente Goirle 2017.
Hoofdstuk 9: Overgangsrecht en slotbepalingen
Artikel 29. Evaluatie
1Evaluatie van de verordening vindt continu plaats en als ontwikkelingen in wet- en regelgeving of jurisprudentie hiertoe aanleiding geven wordt deze verordening aangepast.
2Een keer per vier jaar wordt het beleid in het brede sociale domein geëvalueerd. De uitkomsten daarvan worden aan de gemeenteraad voorgelegd. Als de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze verordening aangepast.
Artikel 30. Geen bepalingen
In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 31. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onrecht wordt aangedaan.
Artikel 32. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
1De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Goirle 2023 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2024.
2Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Goirle 2023, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.
3Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Goirle 2023 en waarop op de datum van inwerkingtreding van deze verordening (2024) nog niet is beslist, worden afgehandeld volgens de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Goirle 2024.
4Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Goirle 2023 gebeurt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Goirle 2023, die daarvoor zijn geldigheid behoudt.
5Van lid 4 kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.
Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel
1Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2024.
2Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Goirle 2024.
Aldus besloten door de raad van de gemeente Goirle in zijn vergadering van 26 maart 2024.
de raadsgriffier, de voorzitter,
Frits Harteveld Mark van Stappershoef
TOELICHTING OP DE VERORDENING
Algemeen
Opdracht aan de gemeente
Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 geeft de gemeente de opdracht om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Het begrip maatschappelijke ondersteuning is uiteengezet in 3 hoofdelementen waarop van de gemeente inzet wordt verwacht:
1het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en het vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld;
2het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving;
3het bieden van beschermd wonen en opvang.
De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Het plan is erop gericht dat:
a.cliënten zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven;
b.cliënten die beschermd wonen of opvang ontvangen, een veilige woonomgeving hebben en, indien mogelijk, weer in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
De Wmo 2015 schrijft voor dat de gemeente per verordening de regels moet vaststellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het beleidsplan (artikel 2.1.3 lid 1 Wmo 2015).
In 2021 is de beleidsvisie Goirle GLANST vastgesteld, de integrale beleidsvisie op het sociaal domein gemeente Goirle voor de periode 2022 - 2026. In deze periode borduren we voort op de drie doelen vergroten van de zelfredzaamheid, versterken van de kracht van de samenleving en bevorderen van de maatschappelijke participatie. Dit doen we door middel van het hanteren van de principes van positieve gezondheid, normaliseren en preventief werken. Hierbij doen we alleen wat echt nodig is en laten we de regie bij onze inwoners.
Maatwerkvoorziening is hekkensluiter
In de Memorie van Toelichting staat dat uit de systematiek van de Wmo 2015 voortvloeit, dat een maatwerkvoorziening alleen dan wordt toegekend als iemand echt niet zelf of met behulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid en participatie, en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt. Een maatwerkvoorziening is uitdrukkelijk de hekkensluiter (zie de MvT, TK 2013-2014, 33 841, nr 3, bladzijden 34 en 148). Meerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep bevestigen dit uitgangspunt.
Een maatwerkvoorziening is bedoeld voor mensen die echt zelf niet meer in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie, ook niet met hulp vanuit hun netwerk. Het is dus van belang om dat als gemeente goed te onderzoeken. Daar heeft de Centrale Raad van Beroep eerder al eens de handvatten voor gegeven in CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.
De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 ook nog geoordeeld dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren en de cliënt kan verwijzen naar een algemene voorziening, als er zorgvuldig onderzoek is gedaan naar de passendheid van die algemene voorziening voor de cliënt (CRvB 30-1-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:288).
Bij grip op de toegang hoort ook dat goed gekeken wordt naar de kwaliteitseisen die de Wmo voorschrijft. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1815 oordeelde de raad dat een pgb mag worden geweigerd wanneer de deskundigheid voor het bieden van de benodigde zorg ontbreekt.
Belang zorgvuldige procedure
Er moet steeds een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden om:
•de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften, situatie en de gewenste resultaten helder te krijgen;
•de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te inventariseren;
•te achterhalen welk oplossingen de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, een beroep op andere wetten en algemeen gebruikelijke voorzieningen.
•te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan of dat een maatwerkvoorziening nodig is en welke voorziening dan (goedkoopst) compenserend is voor de beperkingen van de cliënt.
De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Als de procedure goed wordt uitgevoerd, moet deze steeds tot een juiste beslissing leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Mandaat college
De Wmo 2015 en deze verordening bepalen dat veel zaken door het college gedaan worden. In de praktijk worden deze zaken niet door het college zelf gedaan, maar (in mandaat) door deskundige ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Zij doen dit namens het college. Het college kan taken die in de wet en verordening aan haar worden opgedragen, mandateren aan ondergeschikten of niet-ondergeschikten op grond van de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt ten aanzien van een voorziening mandateren aan een aanbieder. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.