Gemeentelijke regelgeving

Welstandsnota Goes 2016

Gemeente Goes · geldt sinds 16 januari 2024

5. OBJECTGERICHTE CRITERIA

5.1. SPECIFIEKE BOUWWERKEN

5.1.1. Monumenten

Objectbeschrijving

Een monument is een gebouw of terrein dat van algemeen belang is door schoonheid of geschiedenis, belangrijk is voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde heeft. Het kan symbool staan voor een bepaalde periode of gezien worden als eerste of meest belangrijke verbeelding van een kunststroming. De gemeente Goes kent 222 Rijksmonumenten en 5 gemeentelijke monumenten.

De monumenten zijn divers van karakter en hebben elk bepaalde bijzonderheden in cultuurhistorische, architectonische en/of stedenbouwkundige zin.

Welstandsniveau (beschermd)

De monumenten vallen onder het hoogste welstandsniveau. De welstandsbeoordeling is altijd gericht op het handhaven, herstellen en versterken van de cultuurhistorische karakteristieken en de samenhang van het gebouw met zijn omgeving. De algemene, de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria zijn van toepassing, maar worden aangevuld met onderstaande specifieke criteria.

Deze criteria worden altijd bezien in relatie tot (redengevende) beschrijvingen van monumenten.

Bij de beoordeling van vergunningaanvragen bij, op en aan monumenten zijn 'Technische criteria voor planbeoordeling monumenten' (2006) van toepassing. Voor de welstandsbeoordeling worden naast onderstaande criteria ook de ’10 uitgangspunten voor het omgaan met monumenten’ (Federatie Welstand, 2008) gehanteerd.

Welstandscriteria

Plaatsing

•De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.

Massa en vorm

•Bij verbouwingen moeten de contouren en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.

•Dakkapellen bij voorkeur op het achterdakvlak.

Gevelkarakteristiek

•Detaillering in harmonie met gebouw en omgeving, gevarieerd en zorgvuldig. Een hedendaagse interpretatie op de historische kenmerken is in ondergeschikte uitvoering mogelijk is.

•De oorspronkelijke hoofdvorm, gevelgeleding, karakteristieke en beeldbepalende elementen behouden. Bij monumenten ook de oorspronkelijke gevelindeling behouden.

•Dakkapellen, kroonlijsten, erkers en dergelijke moeten worden vormgegeven als zelfstandige elementen.

•Dakramen, zonnepanelen en -collectoren bij voorkeur in/op het achterdakvlak.

•Zeer terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders aan of op de achtergevel en -dakvlak geplaatst.

Kleur en materiaal

•Materiaalgebruik gelijk aan of vergelijkbaar met het oorspronkelijke/bestaande gebouw.

•Geen kunststoftoepassingen.

•Kleurgebruik aansluiten bij de aard en het (historische) karakter van het gebouw.

•Geen felle contrasterende kleuren.

5.1.2. Zeeuwse schuurboerderijen en ‘spulletjes’

Objectbeschrijving

In Goes komen verschillende boerderijtypen voor, maar de hoofdvorm kan terug geleid worden op één basistype: de Zeeuwse Boerderij. Dit type wordt gekenmerkt door de bouw van het woonhuis aan de oostzijde en daartegenaan de schuur. Het woonhuis en de schuur hebben een steil dak en de noklijnen liggen in de lengterichting, waarbij die van de schuur hoger is dan die van het huis.

Woonhuis

De afmetingen van de woonhuizen variëren.. Ze bestaan doorgaans uit één bouwlaag in een gele of rode baksteen en een zadeldak bedekt met rode gebakken pannen. De kopgevel kan daarbij verschillend uitgevoerd zijn. De entree van het huis ligt meestal aan de zuidzijde, centraal in de woning. Aan beide zijden van de entree zijn twee vensters met een verticale geleding. De vensters zijn voorzien van luiken. Boven de voordeur is in veel gevallen sprake van een bovenlicht. In de gevels is sprake van een uiteenlopende detaillering. Het kleurgebruik voor het houtwerk is meestal wit, donkergroen en ‘meekrap’ rood. Dakkapellen zijn klein van formaat en plat afgedekt.

Rond 1900 is men begonnen met het vervangen van de bestaande woonhuizen door vrijstaande woonhuizen op enige afstand vóór de schuur. Deze huizen staan vrijwel altijd dwars op de schuur.

Schuur

De schuur bestaat uit één bouwlaag van zwartgeteerde gepotdekselde houten planken, meestal op een lage gemetselde plint. Rondom alle openingen in de gevel is ter accentuering een brede witte band geschilderd. De schuur is doorgaans 10 tot 11 meter breed, waardoor deze aan minimaal één zijde uitsteekt ten opzichte van het woonhuis. De lengte van de schuur is 20 tot 25 meter.

Tot 1860 werd het dak uitgevoerd in riet. Aangezien de muren toen nog vrij laag waren werd de kap ter hoogte van de mendeuren opgetild. Na 1860 werd het dak meestal uitgevoerd in dezelfde pannen als het woonhuis. De mendeuren zitten, onafhankelijk van de bouwperiode, meestal centraal in de lange zijde, en reiken tot aan de goot. In de mendeuren zitten doorgaans nog één of twee raampjes en een kleinere deur (het klinket).

'Spulletje'

Een kleinere variant van de grote schuurboerderij is het zogenaamde ‘spulletje’. In tegenstelling tot de grote Zeeuwse schuurboerderij wordt een 'spulletje' juist gekenmerkt door de kleine, eenvoudige opzet. Het kleine woonhuis heeft veel weg van een klein arbeidershuisje. Het woonhuisje is doorgaans opgebouwd uit één bouwlaag in een gele of rode baksteen met een zadeldak van rode gebakken pannen. De detaillering is meestal beperkt tot het hoogst noodzakelijke. Het gepotdekselde, zwartgeteerde schuurtje is aangebouwd achter de woning en ruim twee keer zo lang als de woning. Ook hier zijn de gevelopeningen afgebiesd met een brede witte band.

Erfinrichting

Naast de bebouwing is ook de erfinrichting een belangrijk element bij de Zeeuwse Boerderijen. Aan de weg staat doorgaans een hek, in hout of ijzer. Op de hekpalen kan meestal de naam van de boerderij worden teruggevonden. Naast het hek zijn meestal één of twee kastanjebomen terug te vinden.

Het erf zelf is doorgaans omringd met iepen, populieren, wilgen en meidoornhagen, om de wind buiten en de dieren binnen te houden. Op het erf is meestal een kleine fruitboomgaard en een zogenaamde boerentuin te vinden.

Welstandsniveau (bijzonder)

Zeeuwse Boerderijen en spulletjes behoren tot de cultuurhistorisch waardevolle streekeigen bebouwing van Zeeland. De karakteristieke vorm maakt dat dit type bebouwing zeer herkenbaar is en is daarmee een belangrijke verwijzing naar het agrarische verleden van de streek. De erfinrichting en beplanting heeft een belangrijke rol bij het totaalbeeld van een boerenerf.

De in de gemeente aanwezige Zeeuwse Boerderijen en 'spulletjes' zijn van wisselende kwaliteit. Enerzijds zijn er perfect geconditioneerde exemplaren aan te wijzen, anderzijds zijn er ook aangetaste exemplaren.

De nadruk van het welstandsbeleid ligt op het behouden van de herkenbaarheid van de karakteristieke Zeeuwse schuurvorm en de verwijzing ervan naar de oorspronkelijke agrarische functie, zonder dat ontwikkelingen die horen bij agrarische bedrijfsvoering of functieverandering in de weg worden gestaan. Daarom zijn alle bestaande Zeeuwse schuurboerderijen en 'spulletjes' aangemerkt als bijzondere welstandsobjecten.

Welstandscriteria

Plaatsing

•Vervanging van het woonhuis altijd in het verlengde van de schuur te geschieden.

•De voorgevel met voordeur is gericht naar de belangrijkste weg.

•Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en nieuwe bedrijfsgebouwen achter het hoofdgebouw.

•Bestaande historische bijgebouwen zo mogelijk handhaven.

Massa en vorm

•De eenvoudige en langgerekte hoofdvorm van de boerderij (woonhuis + schuur) behouden.

•De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.

•Het silhouet van de schuur mag niet worden onderbroken door wijzigingen of toevoegingen aan de kap.

•De nokhoogte van het woonhuis mag die van de schuur niet overschrijden.

•De hellingshoek van de kap moet minimaal 45° bedragen.

Gevelkarakteristiek

•Bij renovatie of verbouwing dient de oorspronkelijke bouwstijl en detaillering gerespecteerd te worden of worden teruggebracht.

•Toevoegingen of veranderingen aan de gevel moeten passen binnen de bestaande verticale gevelgeleding en het stramien van gevelopeningen.

•Schuren moeten worden gebouwd op een gemetselde plint in gepotdekselde planken of vergelijkbaar.

•Grote, onvermijdelijke ingrepen aan de gevel dienen zo veel mogelijk op één punt te worden geconcentreerd.

Kleur en materiaal

•Bij renovatie of verbouwing dient de oorspronkelijke materialisering en kleurgebruik gerespecteerd te worden of worden teruggebracht.

•Het dakvlak van zowel schuur als woonhuis moet worden uitgevoerd in pannen, of worden vervangen door riet.

•Schuren en schuurdeuren uitgevoerd in een zwarte kleur.

•De gevelopeningen in schuren accentueren door een witte rand.

•Vensters in het woonhuis uitgevoerd middels drie ruiten in T-indeling of een zes-, negen-, of meerruits indeling.

•Geen opvallende en/of felle contrasterende kleuren.

•Materiaal- en kleurgebruik van bijgebouwen en aanbouwen afgestemd op het hoofdgebouw.

•Zonnepanelen en -collectoren bij voorkeur alleen in het achterdakvlak.

5.1.3. Agrarische bedrijfsbebouwing

Objectbeschrijving

Agrarische erven hebben van oudsher een indeling waarbij het woonhuis voor op de kavel staat, met daarachter de schuren, loodsen en silo’s in een rechthoekig patroon.

De laatste decennia vindt er een ingrijpende schaalvergroting plaats in de agrarische sector, waardoor de behoefte aan meer en grotere bedrijfsruimten is ontstaan. De oudere, meestal houten schuren maken daarbij plaats voor grotere loodsen. Sporadisch komen er ook los van bestaande bebouwingsclusters loodsen in het landschap te staan, daar waar ze vanuit bedrijfstechnisch oogpunt het meest wenselijk zijn. Hierdoor ontstaan volume- en vormcontrasten met het omliggende landschap en de oorspronkelijke bebouwing.

In de meeste gevallen worden damwandprofielen en daken van plaatmateriaal toegepast. In enkele gevallen is er sprake van een gemetselde wand en/of een dak van pannen. De dakhelling van deze schuren is niet meer dan het minimaal benodigde: 25° tot 30°. De toegepaste kleurstellingen variëren tussen geel, groen, bruin en zwart voor de damwandprofielen en rood, oranje, groen en zwart voor de daken.

Doordat deze nieuwe materialen niet of nauwelijks verweren blijft de oorspronkelijke kleur zeer lang behouden. Dit kan in bepaalde gevallen, zeker waar er geen afschermende begroeiing aanwezig is, een contrast opleveren met het omliggende landschap.

Welstandsniveau (bijzonder)

Het landschap en de aanwezige diversiteit aan landschapstypen zijn beeldbepalend voor het buitengebied. De bebouwing moet daarbij een visueel ondergeschikte rol spelen. Tegelijkertijd is de bebouwing in het buitengebied van groot belang voor de agrarische activiteiten in het gebied. Bij de welstandstoetsing dient zorgvuldig met dit gegeven te worden omgegaan.

Bij het situeren van de agrarische bedrijfsbebouwing zijn aspecten als kavelafmeting, rangschikking en bedrijfsvoering bepalend. Bebouwing moet geen incident in het landschap zijn, maar moet zich naar het aanwezige ruimtelijke patroon voegen.

De nieuwe volumes zouden een vanzelfsprekende plaats moeten verkrijgen in het landschap. Van belang daarbij is vanuit welke locaties het complex kan worden waargenomen.

Bestaande oriëntatiemogelijkheden en zichtassen dienen zo veel mogelijk gerespecteerd te worden.

De nadruk van het welstandsbeleid ligt op een zorgvuldige inpassing in het landschap en de relatie met het boerenerf, zonder dat ontwikkelingen die horen bij agrarische bedrijfsvoering of functieverandering in de weg worden gestaan. Daarom is agrarische bedrijfsbebouwing aangemerkt als bijzondere welstandsobjecten.

Welstandscriteria

Plaatsing

•Bij (vervangende) nieuwbouw respecteren van de karakteristieke erfindeling met een woonhuis (met eventueel een geschakelde schuur) voor op het erf aan de weg. Daarachter een mogelijke clustering van bedrijfsbebouwing.

•De bebouwing compact houden op een agrarisch bedrijfsperceel om te grote uitwaaiering te voorkomen. Hierbij is de aanbouw van nieuwe bedrijfsgebouwen aan de woonbebouwing niet toegestaan.

•Bedrijfsgebouwen zodanig situeren dat er sprake is van een woon- en een bedrijfszone (bij voorkeur erachter).

Massa en vorm

•Vormgeving van bedrijfsbebouwing bestaat uit een onderbouw op een herkenbare en in verhouding uitgevoerde gemetselde plint, die wordt afgedekt met een zadeldak zonder wolfseinden.

•Lengte en nokrichting van bedrijfsbebouwing haaks op de weg oriënteren.

•Dakvlakken minimaal een helling van 20° of meer.

Gevelkarakteristiek

•Bij renovatie of verbouwing dient de oorspronkelijke bouwstijl en detaillering gerespecteerd te worden.

•(Vervangende) nieuwbouw dient in relatie tot het omliggende landschap of uitstraling van bebouwingscluster te worden vormgegeven.

•Bedrijfsbebouwing uitgevoerd met een onderbouw op een herkenbare en in verhouding uitgevoerde (gemetselde) plint.

•Bedrijfsbebouwing eenvoudig en zorgvuldig gedetailleerd.

•Geen grootschalige gesloten gevelwanden. Bij voorkeur een wand met enige regelmaat onderbroken door duidelijk herkenbare gevelopeningen.

Kleur en materiaal

•Ingetogen kleur- en materiaalgebruik en afgestemd op het landschappelijke/natuurlijke karakter van de omgeving.

•Gevels van bedrijfsbebouwing bestaan uit grote vlakken met materialen met een structuur zoals bijvoorbeeld baksteen, houten betimmering, geprofileerde staalplaat.

•Het kleurgebruik van bedrijfsbebouwing is donker en terughoudend en vormt geen storend element voor de omgeving:

o gevels in roodbruine baksteen of in donkere kleur groen, blauw of grijs (antraciet);

o dakvlakken in afwijkende kleur of kleurtoon dan gevel, donkergrijs of donkerrood en mat uitgevoerd. In ieder geval geen lichtgekleurde dakvlakken.

•Geen opvallende en/of felle contrasterende kleuren.

•Materiaal- en kleurgebruik van bijgebouwen en aanbouwen afgestemd op het hoofdgebouw.

5.2. KLEINE BOUWWERKEN

5.2.1. Bijbehorende bouwwerk op het erf

Objectbeschrijving

Met een ‘bijbehorend bouwwerk’ wordt bedoeld een functioneel met een op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak. Hieronder vallen aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken met een dak. Zonder hoofdgebouw kan er op het perceel geen sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk. In de welstandscriteria is onderscheidt gemaakt in:

Aangebouwd bouwwerk

Een toevoeging aan de begane grondgevel van een gebouw, zoals een aan- of uitbouw, serre, erker, garage e.d.

Losstaand bouwwerk

Een bouwwerk met (af)dak die los van het hoofdgebouw op het erf staat zoals een schuur, tuinhuis, carport, dierenverblijf, planten- of groentenkas, e.d.

Welstandscriteria

Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan en de beleidsregels voor afwijking van het bestemmingsplan treden in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen.

Als het bouwplan niet voldoet aan deze criteria of als er sprake is van een specifiek object dan kan het ambtelijk kwaliteitsteam het bouwplan beoordelen aan de hand van de algemene, de gebiedsgerichte en/of de objectgerichte welstandscriteria. Plannen in, aan, op of bij een beschermd monument en plannen gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht worden voorgelegd aan de monumentencommissie.

Welstandscriteria voor aangebouwde bouwwerken

Algemeen

•Bouwwerk is ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

•Geen secundaire aan- of uitbouw (bijvoorbeeld aan een bestaande aan-, uitbouw of bijgebouw).

Plaatsing en maatvoering

•In voorerfgebied afstand vanaf openbaar toegankelijk gebied minimaal 2.00 m.

•Aan de voorgevel (erker):

o niet hoger dan het bestaande raamkozijn plus de dakconstructie. In ieder geval niet hoger dan 3.00 m.;

o niet breder dan het bestaande raamkozijn plus de zijwanden van de erker. In andere gevallen niet breder dan 3,50 m.;

o diepte maximaal 1,50 m.;

•Aan de zij- en achtergevel:

o afstand tot voorgevellijn hoofdgebouw minimaal 1.00 m.;

o goothoogte maximaal 3.50 m. en niet ho-ger dan het hoofdgebouw;

o nokhoogte maximaal 6.00 m. In ieder geval minimaal 1,00 m. onder de noklijn van het hoofdgebouw;

o diepte maximaal 4.00 m.

Vormgeving

•Detaillering overeenkomstig het hoofdgebouw.

•Aan de voorgevel (erker):

o rechthoekig, eventueel met afgeschuinde hoeken;

o plat dak;

o dak mogelijk doorgetrokken over voordeur;

o vormgegeven als een erker, geen serre;

o in lijn met geleding/indeling voorgevel.

•Aan de zij- en achtergevel:

o plat dak of desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm en -helling.

•Een overkapping (carport):

o aan minimaal twee zijden open (carport);

o plat dak, eventueel met licht gebogen dakvorm.

•Een serre:

o een flauw hellend transparant dak;

o tussen twee gebouwen op de erfgrens beeindigd met een gemetselde gevel die dak en achtergevel volledig opsluit.

Kleur en materiaal

•Overeenkomstig het hoofdgebouw, of aan de zij- en achtergevel met een lichte gevelbekleding (hout of plaatmateriaal) en met veel glasoppervlak.

•Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

aangebouwd bouwwerk: erker voorgevel

aangebouwd bouwwerk: uitbouw achtergevel

Welstandscriteria voor losstaande bouwwerken

Algemeen

•Bouwwerk is ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Plaatsing en maatvoering

•Afstand tot hoofdgebouw en andere bouwwerken minimaal 1.00 m.

•Afstand tot erfgrens minimaal 1,00 m (achter erfafscheiding) tenzij bouwwerk wat betreft materialisering is geïntegreerd in erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk).

•Achter de voorgevellijn g van het hoofdgebouw geplaatst op minimaal 1.00 m. afstand tot voorgevellijn;

•Goothoogte maximaal 3.50 m. en niet hoger dan het hoofdgebouw;

•Nokhoogte in achtererfgebied maximaal 6.00 m. In ieder geval minimaal 1.00 m. onder de noklijn van het hoofdgebouw;

•Oppervlakte maximaal 30 m2.

Vormgeving

•Detaillering overeenkomstig het hoofdgebouw.

•op het zij- en achtererf plat dak of in geval van achtererfgebied desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, -helling en nokrichting.

•een overkapping (carport):

o aan minimaal twee zijden open;

o plat dak, eventueel met licht gebogen dakvorm.

Kleur en materiaal

•Overeenkomstig het hoofdgebouw, of met een andere gevelbekleding (hout of plaat-materiaal) en met veel glasoppervlak.

•Bij plaatsing in erfgrens gemetseld of geintegreerd in erfafscheiding.

•Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

losstaand bouwwerk: bijgebouw hoekwoning

5.2.2. Dakkapel

Objectbeschrijving

Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap van een gebouw, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar oppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn in het algemeen een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak. Desondanks zijn dakkapellen, als ze zichtbaar zijn, voor het straatbeeld zeer bepalend.

Welstandscriteria

Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan en de beleidsregels voor afwijking van het bestemmingsplan treden in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen.

Als het bouwplan niet voldoet aan deze criteria of als er sprake is van een specifiek object dan kan het ambtelijk kwaliteitsteam het bouwplan beoordelen aan de hand van de algemene, de gebiedsgerichte en/of de objectgerichte welstandscriteria. Plannen in, aan, op of bij een beschermd monument en plannen gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht worden voorgelegd aan de monumentencommissie.

dakkapel voordakvlak

dakkapel zijdakvlak gekeerd naar openbaartoegankelijkgebied

Algemeen

•Op een bouwblok herhaling van gelijke dakkapellen qua plaatsing, maatvoering, vormgeving, materiaal- en kleur.

•Op het voordakvlak:

o niet meer dan één dakkapel;

o geen dakkapel bij een dakhelling flauwer dan 30°.

Plaatsing en maatvoering

•Bij meerdere dakkapellen op het dakvlak regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar.

•Op een mansardedak alleen in het onderste deel van het dakvlak, met de bovenkant gelijnd aan de knik in het dakvlak.

•Onderzijde meer dan 0.50 m. en minder dan 1.00 m. boven de dakvoet.

•Bovenzijde meer dan 0.50 m. onder de daknok. Uitzondering mogelijk voor plaatsing in het achterdakvlak.

•Tenzij er sprake is van één gekoppelde dakkapel zijkanten meer dan 0.50 m. uit zijkant dakvlak. Bij hoekkepers gemeten vanaf het hoogste punt.

•Op het zijdakvlak afstand vanaf voorgevel minimaal 1.00 m.

•Op achterdakvlak of zijdakvlak niet gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied hoogte maximaal 1.75 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeibord of daktrim.

•In beschermde en bijzondere welstandsgebieden op voordakvlak of zijdakvlak gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied:

o breedte maximaal 30 % van breedte dakvlak, met een maximum van 3.00 m.;

o hoogte maximaal 1.50 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeibord of daktrim.

•In overige welstandsgebieden op voordakvlak of zijdakvlak gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied:

o breedte maximaal 50 % van breedte dakvlak, met een maximum van 3.50 m.;

o hoogte maximaal 1.75 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeibord of daktrim.

Vormgeving

•Plat dak. Bij een dakhelling groter dan 45° desgewenst een aangekapte dakkapel op het achter- of zijdakvlak.

•Op het voordakvlak in lijn met geleding/indeling voorgevel.

•Bij gekoppelde dakkapel gelijke detaillering en kozijnen.

•Detaillering overeenkomstig het hoofdgebouw.

Kleur en materiaal

•Overeenkomstig het hoofdgebouw.

•Zijwanden ondoorzichtig en in een donkere kleur of gelijk aan de kleur van het dakvlak.

•Geen opvallend en/of contrasterend kleur-gebruik.

5.2.3. Kozijn- of gevelwijziging

Objectbeschrijving

Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het toevoegen, vergroten of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Dit kan zowel plaatsvinden bij een hoofdgebouw als bij een bijbehorend bouwwerk. Het vervangen van bestaande kozijnen door hetzelfde type kozijnen (met gelijkwaardige indeling, aard en uitstraling) valt onder het normale onderhoud en is daarmee vergunningvrij. Dat geldt ook indien houten kozijnen worden vervangen door kunststof kozijnen met een gelijkwaardige (houtachtige) uitstraling.

Welstandscriteria

Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is.

Als het bouwplan niet voldoet aan deze criteria of als er sprake is van een specifiek object dan kan het ambtelijke kwaliteitsteam het bouwplan beoordelen aan de hand van de algemene, de gebiedsgerichte en/of de objectgerichte welstandscriteria. Plannen op of aan aangewezen beschermde monumenten en plannen gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht worden voorgelegd aan de monumentencommissie.

Algemeen

•Samenhang en ritmiek van het hoofdgebouw en/of de straatwand worden niet verstoord.

Plaatsing en maatvoering

•Een nieuwe of het vergroten van een bestaande gevelopening in lijn met de bestaande geleding en indeling van de gehele gevel.

•Plaatsing binnen gevelvlak. Geen uitstekende onderdelen.

•In voorgevel binnen bestaande gevelopeningen indien er (nog) samenhang en ritmiek aanwezig is in het straatbeeld.

•In zij- en achtergevel zijn nieuwe gevelopeningen mogelijk.

Vormgeving

•Detaillering overeenkomstig het hoofdgebouw.

•Diepte van negge en profielafmetingen afgestemd op overige kozijnen en/of raamhout van het hoofdgebouw.

Kleur en materiaal

•Overeenkomstig het hoofdgebouw.

•Terughoudend met het gebruik van kunststof, alleen toepasbaar indien dimensioneringen en aansluitingen zijn afgestemd op de gevel.

•Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

•Gevelopeningen niet blinderen met panelen of schilderwerk.

5.2.4. Erf- of perceelafscheiding

Objectbeschrijving

Een erf- en perceelsafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf/perceel af te bakenen van een ander perceel, een buurerf of openbaar toegankelijk gebied. Erf- en perceelsafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Erf-afscheidingen moeten daarom op een zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst en worden gemaakt van duurzame materialen. De gemeente geeft de voorkeur aan volledig aangeplante en begroeide erf- en perceelafscheidingen.

Welstandscriteria

Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan en de beleidsregels voor afwijking van het bestemmingsplan treden in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen.

Als het bouwplan niet voldoet aan deze criteria of als er sprake is van een specifiek object dan kan het ambtelijke kwaliteitsteam het bouwplan beoordelen aan de hand van de algemene, de gebiedsgerichte en/of de objectgerichte welstandscriteria. Plannen in, aan, op of bij een beschermd monument en plannen gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht worden voorgelegd aan de monumentencommissie.

Plaatsing en maatvoering

•Samenhang wordt niet verstoord.

•Hoogte maximaal 1.00 m.

•Hoogte maximaal 2.00 m. achter de voorgevelrooilijn op het erf of perceel waar het hoofdgebouw staat.

Vormgeving

•Extra zorg voor erfafscheidingen direct gelegen aan openbaar toegankelijk gebied. Met name bij de beschermde gezichten en de bijzondere welstandsgebieden.

Kleur en materiaal

•Aansluitend op erfafscheiding van naburig perceel of karakter omgeving.

•Afgestemd op het hoofdgebouw, of uitgevoerd in metselwerk of hout of ander niet snel verwerend materiaal.

•Metselwerk met eventueel tussen gemetselde penanten:

o metalen stijlen in donkere kleur;

o schotten van houten planken;

o volledig begroeide rasterwerken;

o bestendig houtwerk om en om aangebracht.

•Het gebruik van betonnen elementen beperken tot betonnen palen met daartussen hout- of rasterwerk en eventueel betonnen onderplaten.

•Geen toepassing van kunststof, staal, golf-plaat, damwandprofielen, rietmatten of vlechtschermen.

•Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

5.2.5. Reclame-uitingen

Objectbeschrijving

Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclames vormen een belangrijk en beeldbepalend onderdeel van de openbare ruimte. Reclame is geslaagd als het past bij het gebouw en de omgeving.

Voor het voeren van handelsreclame is een vergunning nodig. Het juridische kader wordt gevormd door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente (APV). Voor vergunningverlening zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:

•De reclame moet rechtstreeks verband hebben met de activiteiten die in het pand of op het perceel plaatsvinden.

•De reclame mag (fysiek of visueel) geen overlast of hinder veroorzaken voor derden en de verkeersveiligheid niet in het geding brengen.

•De reclame dient een verrijking te zijn van de gevel of openbare ruimte, of tenminste qua plaatsing, kleurstelling, materiaalgebruik en/of detaillering niet ontsierend te zijn voor het gevelbeeld en geen afbreuk doen aan de kwaliteit van de openbare ruimte (redelijke eisen van welstand).

Welstandscriteria

De welstandscriteria hebben betrekking op het uiterlijk van reclame-uitingen. De volgende criteria zijn van toepassing voor alle gebieden met uitzondering van de welstandsvrije gebieden.

•Bij bestaande bebouwing de reclame voegen in de samenhang en ritmiek van de gevel en straatwand, waarbij de samenhang en structuur van de gevel behouden blijft (bijvoorbeeld geen scheiding winkelpui en verdieping).

•Als de architectuur van bestaande bebouwing reeds voorziet in specifieke mogelijkheden, zoals koofboorden of velden tussen raamkozijnen en –bogen, zijn dat de aangewezen plaatsen voor reclame.

•Reclames aan, voor en/of op korte afstand van monumenten mogen de monumentale en architectonische waarde van het pand en de directe omgeving niet aantasten.

•Mechanisch bewegende delen, lichtcouran-ten of lichtreclame met veranderlijk of intermitterend licht is niet toegestaan.

•Het gebruik van daglichtreflecterende en/of fluorescerende kleuren is niet toegestaan.

Binnenstad Goes

In 2003 is het Kwaliteitshandboek Binnenstad Goes vastgesteld. Hierin zijn ook richtlijnen opgenomen ten aanzien van reclame en uitstallingen. Voor de welstandsbeoordeling volstaan deze richtlijnen.

Perifere winkelgebieden

Aan de rand van de stad en langs de hoofdroutes bevinden zich vaak gebieden waar grootschalige detailhandel is gevestigd met bijvoorbeeld grotere winkelcentra, meubelzaken en doe-het-zelf-winkels. In Goes zijn dat onder meer de Marconistraat, Piet Heinstraat, Wulfaartstraat en Middelburgsestraat en de winkelcentra De Bussel en De Spinne.

Uitgangspunt is dat reclame bij winkels op de begane grond worden geplaatst. De architectonische samenhang van het gebouw dient niet aangetast te worden.

Aantal reclame-uitingen

•Per individueel bedrijf / individuele winkel zijn in totaal maximaal 3 zichtbare reclame-uitingen toegestaan.

•Aan de voorgevel zijn maximaal 2 zichtbare reclame-uitingen toegestaan.

•Aan de zij- of achtergevel is maximaal 1 zichtbare reclame-uiting toegestaan.

Reclamebord of -object en plat op de gevel

•Boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de gevel-/winkelpui.

•Bij meerdere verdiepingen onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping en bij geen kozijnen maximaal 1 meter boven verdiepingsvloer.

•Bij plaatsing tegen de voorkant van een luifel, binnen de contouren van het boeiboord.

•Maximaal 1.20 m. hoog en maximaal 50% breed t.o.v. de totale gevel-/luifelbreedte met een maximum van 5.00 m. breed.

•Maximaal 0,20 m. vanuit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie.

•Boven de vloer van de eerste verdieping uitsluitend uitgevoerd met losse letters.

•Onder de vloer van de eerste verdieping uitgevoerd met losse letters, passend vormgegeven reclamebord of lichtbak.

Reclamebord of -object loodrecht op de gevel

•Passend in de structuur van de gevel-/winkelpui.

•Bij meerdere verdiepingen onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping.

•Maximaal 0.80 m. hoog, 0.80 m. breed en 0.20 m. dik.

•Maximaal 0.90 m. uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie.

Raamplakkaten of plakfolie

•Tot maximaal 50% van de ramen is bedekt.

•Geplaatst aan de binnenkant van de ramen.

Reclamedoek

•Op blinde gevels, aangepast aan de architectuur.

•Oppervlakte maximaal 30% van het dichte gevelvlak met een maximum van 4 m2 inclusief bevestigingsconstructie.

Vlag, vaandel of wimpel

•Vlaggenstok bevestigd onder de vloer van de eerste verdieping.

Vlaggenmasten

•Maximaal 4 per winkelgebied.

•Bij de hoofdentree van het winkelcentrum.

Permanente reclamezuil

•Maximaal 1 per winkelgebied.

•Geplaatst als gezamenlijke presentatie bij de hoofdentree van het winkelgebied.

•Bij de hoofdentree van het winkelgebied, maximaal 2.00 m. breed en 0.30 m. dik.

Bedrijventerreinen

De bedrijventerreinen laten zich kenmerken door grootschalige gebouwen en een functionele uitstraling. Gezien de grote schaal van de bebouwing en het utilitaire karakter is een ruimere hoeveelheid reclame mogelijk. Uitgangspunt blijft dat de reclame op een logische plaats tegen het gebouw of op eigen terrein geplaatst dient te worden, maar niet op een dak.

Een groot deel van de bedrijventerreinen zijn welstandsvrij. Welstandsbeoordeling van reclameuitingen is dan niet van toepassing. Onderstaande criteria zijn alleen van toepassing voor de representatieve bedrijventerreinen zoals aangegeven op de welstandskaart.

Aantal reclame-uitingen

•Per gebouw met bedrijf/winkel of bedrijfsverzamelgebouw (per perceel) zijn in totaal maximaal 3 zichtbare reclame-uitingen toegestaan.

•Aan de voorgevel zijn maximaal 2 zichtbare reclame-uitingen toegestaan.

•Aan de zij- of achtergevel is maximaal 1 zichtbare reclame-uiting toegestaan.

•Aanvullend is op eigen terrein 1 permanente reclamezuil toegestaan.

Reclamebord of -object en plat op de gevel

•Boven de entree of passend in de structuur van de gevel/winkelpui.

•Bij plaatsing tegen de voorkant van een luifel, binnen de contouren van het boeiboord.

•Boven de vloer van de eerste verdieping uitsluitend uitgevoerd met losse letters.

•Onder de vloer van de eerste verdieping uitgevoerd met losse letters, passen vormgegeven reclamebord of lichtbak.

•Maximaal 2.00 m. hoog en een breedte van maximaal 50% van de gevelbreedte, met een maximum van 5.00 m. breed.

•Maximaal 0.20 m. vanuit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie.

Reclamebord of -object loodrecht op de gevel

•Passend in de structuur van de ge-vel/winkelpui.

•Maximaal 1.00 m. hoog, 1.00 m. breed en 0.20 m. dik.

•Maximaal 1.10 m. uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie.

Raamplakkaten of plakfolie

•Tot maximaal 50% van de ramen is bedekt.

•Geplaatst aan de binnenkant van de ramen.

Reclamedoek in frame

•Maximaal 1 per pand.

•Geplaatst op blinde gevels, aangepast aan de architectuur.

•Oppervlakte maximaal 30% van het dichte gevelvlak met een maximum van 10 m2 inclusief bevestigingsconstructie.

Vlag, vaandel of wimpel

•Vlaggenstok bevestigd onder de vloer van de eerste verdieping.

Permanente reclamezuil

•Maximaal 1 per pand.

•Geplaatst voor de hoofdentree van het bedrijf.

•Geplaatst als gezamenlijke presentatie bij de hoofdentree van het bedrijventerrein.

•Bij een gebouw maximaal 1.00 m. breed en 0.30 m. dik.

•Bij de hoofdentree van het bedrijventer-rein maximaal 2.00 m. breed en 0.30 m. dik.

Vlaggenmasten

•Maximaal 3 per perceel.

•Bij de hoofdentree van het terrein.

•Bij bedrijfsverzamelgebouw maximaal 1 per bedrijf.

Woongebieden: kleinere praktijkruimten aan huis

Het uitgangspunt is dat bij woningen geen reclameuitingen passen. Een uitzondering hierop zijn de kleinere praktijkruimten. Voor deze gevallen is een bescheiden aanduiding aan de gevel of in de tuin aanvaardbaar. In de welstands-vrije woongebieden zijn onderstaande criteria niet van toepassing.

Aantal reclame-uitingen

•Per woning is maximaal 1 zichtbare reclameuiting aan de voorgevel of in de voortuin toegestaan.

•Aan de zij- of achtergevel zijn geen reclameuitingen toegestaan.

Reclamebordje op de gevel

•Naast de voordeur of entree van de praktijkruimte; in ieder geval onder de vloer van de eerste verdieping.

•Maximaal 0.50 m2 aan oppervlakte inclusief bevestigingsconstructie.

•Maximaal 0.10 m. vanuit de gevel, inclusief bevestigingsconstructie.

•Uitgevoerd met losse letters of een passend vormgegeven naambord bestaande uit een naam- en/of beroepsaanduiding van de aanwezige praktijk en één beeldmerk of logo.

Reclamezuil of -constructie

•Geplaatst in de voortuin op minimaal 1 m. afstand van de perceelsgrens.

•Maximaal 0.60 m. breed en 0.20 m. dik.

•Bestaande uit een naam- en/of beroepsaanduiding van de aanwezige praktijk en één beeldmerk of logo van maximaal 0.20 m. hoog en 0.20 m. breed.

Niet toegestane reclame

•Lichtgevende of aangelichte reclame.

•Dubbelzijdige reclamebord of object loodrecht op de gevel.

•Raamplakkaten of plakfolie.

•Reclamedoek.

•Vlag, vaandel, wimpel of banier.

•Vlaggenmasten.

Woongebieden: bedrijven, winkels en horeca

Voor grotere panden met een positieve bedrijfs-, winkel- of horecabestemming in een woonomgeving is het uitgangspunt dat reclame-uitingen beperkt moeten zijn tot wat minimaal nodig wordt geacht.

Aantal reclame-uitingen

•Per individueel gebouw met een bedrijf, winkel of horecagelegenheid is maximaal 1 zichtbare reclame-uiting toegestaan. Aanvullend is bij een bedrijfsverzamelgebouw 1 collectieve reclamezuil toegestaan.

Reclamebord of -object en plat op de gevel

•Boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de pui.

•Bij meerdere verdiepingen onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping;

•Niet boven een luifel, zonwering of markies.

•Bij plaatsing op een luifel binnen de contouren van het boeiboord.

•Maximaal 0.40 m. hoog, 2.00 m. breed en maximaal 0.10 m. vanuit de gevel, inclusief bevestigingsconstructie.

Raamplakkaten of plakfolie

•Geplaatst op de ramen op de begane grond.

•Tot maximaal 30% van de ramen is bedekt.

•Uitgevoerd met losse plakbelettering van maximaal 0.15 m. hoog of plakfolie met het beeldmerk of logo van het bedrijf.

Reclamezuil of -constructie

•Beperkt tot 1 per pand/winkel.

•Uitsluitend geplaatst op eigen terrein.

•Maximaal 1.00 m. hoog, 0.60 m. breed en 0.20 m. dik.

•Bestaande uit een naam- en/of beroepsaanduiding van de aanwezige praktijk en een beeldmerk of logo van maximaal 0.20 m. hoog en 0.20 m. breed.

Collectieve reclamezuil (bedrijfsverzamelgebouw)

•Geplaatst als gezamenlijke presentatie bij de hoofdentree van het pand of perceel.

•Maximaal 1.00 m. breed en 0.30 m. dik.

Niet toegestane reclame

•Lichtgevende of aangelichte reclame.

•Dubbelzijdig reclamebord of -object loodrecht op de gevel.

•Reclamedoek.

•Vlag, vaandel, wimpel of banier.

•Vlaggenmasten.

Recreatieterreinen

De recreatiegebieden zijn verspreid in en rondom de stad gesitueerd. Reclame-uitingen dienen beperkt te blijven tot enkele objecten aan de gevel.

Aantal reclame-uitingen

•Per gebouw (geen ondergeschikte bijgebou-wen) is maximaal 1 zichtbare reclame-uiting toegestaan.

•Daarnaast mogen op het terrein ook nog een beperkt aantal reclame-uitingen worden geplaatst.

Reclamebord of -object en plat op de gevel

•Uitsluitend bij het hoofdgebouw van het terrein.

•Boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de gevel/winkelpui.

•Bij meerdere verdiepingen onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping.

•Niet boven een luifel, zonwering of markies.

•Bij plaatsing tegen de voorkant van een luifel, binnen de contouren van het boeiboord.

•Enkelzijdig en plat op de gevel, maximaal 0.60 m. hoog, 2.00 m. breed en maximaal 0.20 m. vanuit de gevel, inclusief bevestigingsconstructie.

Reclamebord of -object loodrecht op de gevel

•Passend in de structuur van de gevel/winkelpui.

•Minimaal 0.50 m. van zijmuur, naburige pand of perceelsgrens geplaatst.

•Dubbelzijdig en loodrecht op de gevel maximaal 0.60 m. hoog, 0.60 m. breed en 0.20 m. dik en maximaal 0.70 m. vanuit de gevel, inclusief bevestigingsconstructie.

•Uitgevoerd met losse letters, een passend vormgegeven reclamebord/-object of lichtbak.

Raamplakkaten of plakfolie

•Tot maximaal 30% van de ramen is bedekt.

Reclamedoek

•Uitsluitend bij grote sportcomplexen geplaatst in een daarvoor bestemde vaste frameconstructie op blinde gevels, aangepast aan de architectuur.

•Oppervlakte maximaal 30% van het dichte gevelvlak met een maximum van 10 m2 inclusief bevestigingsconstructie.

Vlag, vaandel, wimpel of banier

•Maximaal 1 per 4 m. gevelbreedte.

•Vlaggenstok bevestigd onder de vloer van de eerste verdieping.

•Banier plat of loodrecht bevestigd onder de bovendorpel van de kozijn op de eerste verdieping.

•Minimaal 0.50 m. van zijmuur, naburige pand of perceelsgrens geplaatst.

•Banier maximaal 1.20 m. hoog, 0.40 m. breed en bij loodrechte plaatsing maximaal 0.60 m. uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie.

Reclame op terrasafscheidingen/-schotten

•Geplaatst op het niet-transparante gedeelte van het terrasschot.

•Maximaal 0,50 m. hoog.

Reclame op parasols

•Geplaatst op de volant en op de parasol zelf.

•Uitgevoerd in éénkleurige letteropdruk van maximaal 0.15 m. hoog.

Reclamezuil of -constructie

•Maximaal 1 per recreatieterrein.

•Geplaatst voor de hoofdentree van een groter sportcomplex.

•Geplaatst bij de hoofdentree van het terrein.

•Bij een gebouw maximaal 1.00 m. breed en 0.30 m. dik.

•Bij de hoofdentree van het terrein maximaal 2.00 m. breed en 0.30 m. dik.

Vlaggenmasten

•Maximaal 4 per recreatieterrein.

•Geplaatst bij de hoofdentree van het terrein of langs de hoofdweg naar het terrein toe.

Buitengebied

Het buitengebied heeft een open en landelijk karakter. Reclame-uitingen worden dan ook snel als storend ervaren. Uitgangspunt is een zeer terughoudend beleid waarbij de reclame-uitingen tot het minimum (hoeveelheid en afmetingen) wordt beperkt. Voor omgevingsvergunningvrije reclame-uitingen is de Provinciale landschapsverordening van toepassing.

Aantal reclame-uitingen

•Per gebouw / perceel zijn maximaal 2 zichtbare reclame-uitingen toegestaan.

Reclamebord of -object op de gevel

•Uitsluitend bij het hoofdgebouw van het perceel.

•Boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de gevel.

•Bij meerdere verdiepingen onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping.

•Niet boven een luifel, zonwering of markies.

•Bij plaatsing tegen de voorkant van een luifel, binnen de contouren van het boeiboord.

•Enkelzijdig en plat op de gevel, maximaal 0.60 m. hoog, 2.00 m. breed en maximaal 0.10 m. vanuit de gevel, inclusief bevestigingsconstructie.

•Uitgevoerd met losse letters of een passend vormgegeven reclamebord/-object.

Reclamezuil of -constructie

•Maximaal 1 per terrein.

•Geplaatst voor de hoofdentree het gebouw of perceel.

•Bij een gebouw maximaal 1.00 m. breed en 0.30 m. dik.

•Ingetogen kleurgebruik met donkere ondergrond en lichte opdruk.

Niet toegestane reclame

•Lichtgevende of aangelichte reclame zijn niet toegestaan.

•Dubbelzijdig reclamebord of lichtbak loodrecht op de gevel.

•Raamplakkaten of plakfolie.

•Reclamedoek.

•Vlag, vaandel, wimpel of banier.

•Vlaggenmasten.

Openbare ruimte

De openbare ruimte, zoals de belangrijke routes, parkeerterreinen en pleinen in de stad, biedt ruimte voor reclame.

Lichtbakreclame aan lichtmasten

•Uitsluitend aan lichtmasten langs door het college aangewezen, respectievelijk aan te wijzen, hoofdroutes.

•Per lichtmast niet meer dan één reclameobject.

•Een vast formaat van maximaal 0.70 m. breed, 0.70 m. hoog en maximaal 0.20 m. dik.

A0-signs aan lichtmasten

•Uitsluitend aan lichtmasten langs door het college aangewezen, respectievelijk aan te wijzen, hoofdroutes.

•Per lichtmast niet meer dan één reclameobject.

•Zowel 2- als 3-zijdige constructies voorzien van een frame.

•De borden maximaal 0.83 x 1.18 m. (A0).

•Uniform uiterlijk van alle A0-signs (een-vormig en eenkleurig). In beginsel met een frame van antraciet grijs.

Reclame op rotondes

•Per oprit maximaal 1 reclame-uiting

•De borden maximaal 0,5 m².

BIJLAGE 1: BEGRIPPEN

A

Aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Ook wel 'bijbehorend bouwwerk' genoemd (Besluit omgevingsrecht).

Achtererfgebied erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw. (Definitie Besluit omgevingsrecht)

Afdak dak dat is aangebracht tegen een muur of gebouw om tegen neerslag te beschermen.

Antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

B

Band horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen of baksteen.

Bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Bedrijfsbebouwing gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter.

Bedrijfsverzamelgebouw een gebouw dat dient om verschillende bedrijven in te huisvesten.

Beschermd monument Rijks-, gemeentelijk of provinciaal monument, aangewezen en beschermd op grond van resp. de Monumentenwet 1988, gemeentelijke Erfgoedverordening of de Provinciale monumentenverordening.

Bestemmingsplan bestemmingsplan, provinciaal inpassingsplan of rijksinpassingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening dat van toepassing is op de plaats waar de activiteit wordt of zal worden verricht en de krachtens dat plan gestelde nadere eisen.

Bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

Bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak (definitie besluit omgevingsrecht)

Bijgebouw een op zichzelf staand gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en door ligging, constructie en/of afmetingen daaraan ondergeschikt is. Ook wel 'bijbehorend bouwwerk' genoemd (Besluit omge-vingsrecht).

Blinde muur of gevel gevel of muur zonder raam, deur of andere opening.

Boeiboord opstaande kant van een dakgoot of dak- rand, meestal uitgevoerd in hout of plaat-materiaal.

Boerderij gebouw of gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis waaronder de stolp, kop-halsromp en andere typen.

Bouwblok een aan alle zijden door straten en wegen begrensde groep gebouwen, die een steden-bouwkundige eenheid vormt.

Bouwen plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten.

Bouwlaag verdieping van een gebouw. Een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balken is begrensd.

Bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Buitengebied buiten de bebouwde kom gelegen gebied, ook wel landelijk gebied genoemd.

Bungalow meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.

C

Carport een bouwwerk, al dan niet aangebouwd aan een gebouw of ander bouwwerk, bestaande uit een slechts van boven afgesloten c.q. afgedekte ruimte van (gedeeltelijk) open constructie, bedoeld voor de stalling van motorvoertuigen.

D

Dak afdekking van een gebouw, vlak of hellend, waarop dakbedekking is aangebracht.

Dakhelling de hoek van het dak ten opzichte van een horizontale vlak.

Dakkapel uitbouw op een hellend dakvlak.

Daknok hoogste punt van een schuin dak.

Dakopbouw een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.

Dakraam raam in een hellend dak.

Dakvoet laagste punt van een schuin dak.

De-tail ontmoeting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.

E

Ensemble architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel van meerdere panden.

Erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

Voorerf gedeelte van het erf tussen de voorgevellijn en de aan de voorkant van die lijn gelegen perceelsgrens.

Achtererf gedeelte van het erf tussen de achtergevellijn en de aan de achterkant van die lijn gelegen perceelsgrens.

Zijerf gedeelte van het erf tussen een zijgevellijn en de aan de zijkant van de lijn gelegen perceelsgrens.

Erker een al dan niet tot de vloer uitgebouwde toevoeging aan de gevel van een gebouw.

F

Flat groot kantoor- of woongebouw met meerdere verdiepingen.

G

Galerij gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.

Gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Geleding verticale of horizontale indeling van de gevel door middel van inspringingen.

Gepotdekseld gedeeltelijk over elkaar gespijkerde planken om inwatering tegen te gaan.

Gevel buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de plaats de voor-, zij- of achtergevel).

H

Hoekkeper de snijlijn van twee aangrenzende dakschilden die elkaar onder een uitspringende hoek snijden, hetgeen onder andere het geval is bij bv. schilddaken en stolpdaken.

Hoofdgebouw een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Hoogbouw gebouwen van meer dan vier lagen.

I

Individueel gebouw zelfstandig, op zichzelf staand gebouw.

Industriebebouwing gebouwen met een industriele bestemming.

Industriegebied gebied bestemd voor de vestiging van industrie.

K

Kavel grondstuk, kadastrale eenheid.

Karakteristiek pand pand dat van waarde is op grond van de uitwendige hoofdvorm, bepaald door dakvorm, goothoogte, nokhoogte, nokrichting, dakhelling, gevelindeling en karakteristieke elementen.

Karakteristieke elementen elementen aan een pand zoals windveren, makelaars, raamluiken, pannenspiegel (stolpboerderij), schoorsteen, dakkapel, kroonlijst, dakgoot, typerende detaillering van hout- en metselwerk.

Kern centrum van een dorp of stad.

Klossen uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten.

Kop in het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw.

L

Laag zie bouwlaag.

Laagbouw gebouwen van één tot drie lagen.

Landelijk gebied zie buitengebied.

Latei draagbalk boven gevelopening.

Lessenaarsdak dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.

Lichtkoepel raamconstructie in een plat dak, in de vorm van een koepel.

Lijst een al dan niet versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel.

Lint langgerekte weg met daarlangs bebouwing. Luifel een plat uitgebouwd afdak, vaak boven een deur.

M

Maaiveld bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht

Mansardekap dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel waardoor een geknikte vorm ontstaat.

Massa volume van een gebouw of bouwdeel.

Metselverband het patroon van metselwerk.

N

Nok horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.

O

Omgevingsvergunning vergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Onderbouw het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een gebouw.

Ondergeschikt voert niet de boventoon.

Ontsluiting toegang tot een terrein of een gebouw.

Oorspronkelijk gebouw het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd. Als aan de hand van een originele vergunning niet meer is vast te stellen wat als oorspronkelijk hoofdgebouw kan worden aangemerkt, zal in de praktijk veelal aan de hand van de historische kenmerken van het hoofdgebouw (bijvoorbeeld steenkleur, voegwerk of andere detailleringen) bepaald kunnen worden wat de oorspronkelijke omvang was van het gebouw en welke gevels ‘oorspronkelijk’ zijn. Als dat ook verder geen uitkomst biedt zal het gehele hoofd-gebouw (met uitzondering van de bouwkundig en functioneel ondergeschikte aangebouwde onderdelen) aangemerkt moeten worden als oorspronkelijk hoofdgebouw.

Openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitslui-tend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

Oriëntatie de richting van een gebouw.

Overkapping een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet of slechts gedeeltelijk met wanden is omgeven.

Overstek bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.

P

Paneel rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting Plaatmateriaal bouwmateriaal dat in plaatvorm. geleverd wordt, zoals hout (triplex en multiplex), kunststof (onder andere trespa) of staal (vlak of met profiel).

Planmatige bebouwing groep gebouwen herkenbaar uitgevoerd volgens een vooraf opgesteld plan. Plint een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.

Portiek gemeenschappelijk trappenhuis.

Piramidedak dak bestaande uit vier gelijk hellende vlakken die elkaar bovenaan in een punt ontmoeten.

R

Rabatdelen planken met duidelijke groeven.

Renovatie vernieuwing van een gebouw.

Rijtjeshuis huis als onderdeel van een reeks aan-eengebouwde, gelijkende woningen.

Rollaag horizontale rij stenen boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.

Rooilijn lijn die de grens aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden.

S

Serre voornamelijk uit glas (gevat in ijzer, hout of kunststof) bestaande uitbouw aan een woonhuis, die via deuren in directe verbinding met de tuin staat.

Schilddak dak met vier hellende vlakken waarvan twee grote en twee kleine vlakken.

Schuur bijgebouw ten behoeve van opslag.

Situering de plaats van een bouwwerk in zijn omgeving.

Solitair gebouw zelfstandig, op zichzelf staand gebouw (kan geschakeld).

T

Textuur de voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).

U

Uitbouw een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Ook wel 'bijbehorend bouwwerk' genoemd (Besluit omgevingsrecht).

V

Voorgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk.

Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening.

Voorerfgebied erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied. (Definitie Besluit omgevings-recht)

W

Windveer plank aan weerskanten van een pannendak, bevestigd langs de buitenste rij pannen.

Woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Z

Zadeldak dak met twee tegenoverliggende dakvlakken die bij de nok samenkomen.

Zijgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk.

BIJLAGE 2: WELSTANDSKAART

De welstandskaart met overzichten van de welstandsgebieden en -niveaus op schaal 1:25.000 en een uitsnede van de kern Goes op schaal 1:10.000, behoren bij de gemeentelijke welstandsnota zoals deze door de gemeenteraad is vastgesteld.

De begrenzingen van de welstandsgebieden zijn gebaseerd op perceelsgrenzen en topografische kenmerken zoals straten, waterlopen en andere fysieke structuren. Bij twijfel over de begrenzingen zal de gemeente bepalen welk welstandsgebied van toepassing is.

BIJLAGE 3: BEELDKWALITEITPLANNEN

In deze bijlage zijn de (beeldkwaliteit)plannen opgenomen met specifieke of gedetailleerde beeldkwaliteitseisen die van toepassing zijn voor een zorgvuldige welstandsbeoordeling.

•Kwaliteitshandboek binnenstad Goes, maart 2003.

•Beeldkwaliteitplan Waterstad, november 2007.

•Welstandsplan Aria, april 2008.

•Beeldkwaliteitplan Riethoek, april 2008.

•Beeldkwaliteitplan herstructurering Goes-West, oktober 2008.

•Beeldkwaliteitplan Wolphaartsdijk-Oost, november 2008

•Beeldkwaliteitplan Proefstation Wilhelmi-nadorp, mei 2010

•Beeldkwaliteitplan De Poel II

•Beeldkwaliteitplan Stationspark

•Technische eisen voor planbeoordeling van monumenten, 2006

Indien het betreffende plan niet is opgenomen kunt u deze opvragen bij de gemeente.

BIJLAGE 4: UITWERKING ALGEMENE WELSTANDSCRITERIA

Relatie tussen bouwwerk en omgeving

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is.

Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen.

Relatie tussen vorm, gebruik en constructie

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vorm- geving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft.

Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm.

Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omge-ving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context.

Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.

Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties in het ontwerp zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat die passen in de huidige tijd en context.

Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als bepaalde vormen regelmatig voorkomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op.

Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang.

In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden.

Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te ‘begrijpen’ als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst.

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.

Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld.

Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan.

Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.

Schaal en maatverhoudingen

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.

Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken.

De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar waarom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben.

De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.

Materiaal, textuur, kleur en licht

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en passen in de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan.

Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot.

Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.

BIJLAGE 5: AFWEGINGSKADER WELSTANDSVRIJE GEBIEDEN

Voor het aanwijzen van welstandsvrije gebieden zijn concrete kaders aan te reiken die richting geven aan de afweging. Het gaat dan om een neutrale afweging waar maatschappelijke betrokkenheid en politieke afwegingen geen rol spelen.

Cultuurhistorische betekenis van een gebied

De cultuurhistorische betekenis door bouwperiode of specifieke geschiedenis kan aanleiding zijn bepaalde gebieden niet als welstandsvrij gebied aan te wijzen. Gebieden met veel monumenten of aangewezen als beschermde gezichten (zoals binnenstad Goes) dienen altijd met zorg behandeld te worden.

Ligging van een gebied

Bij de afweging van welstandsvrije gebieden is het belangrijk rekening te houden met de ligging in de stad en daarmee de betekenis van het gebied voor de beleving en imago van Goes als geheel. Prominente delen vragen om een sterker welstandstoezicht dan verscholen woon- of werkgebieden. Zo zijn de randen gebieden langs de belangrijkste hoofdroutes representatief voor de gemeente Goes.

Omvang van een gebied

De omvang is belangrijk omdat hiermee de fysieke schaal van welstandsvrijheid wordt bepaald. Een relatief groot gebied kan meer impact hebben dan een complex of straat.

Soort gebied

Het ligt voor de hand dat de functie invloed heeft op het al dan niet welstandsvrij maken. Het gaat dan vooral om de functie in samenhang met de mate aan openbaar gebruik en representativiteit van het gebied. Een winkelstraat of een woonstraat hebben een verschillende functie en gebruik. Daarnaast heeft een winkelstraat vaak ook een representatieve functie voor de gehele stad.

Opzet en structuur van een gebied

De stedenbouwkundige opzet en structuur is belangrijk voor de mate aan kwetsbaarheid van het straatbeeld. Vooral gebieden met een hoge bebouwingsdichtheid zijn kwetsbaarder dan de gebieden met een ruimere opzet.

Daarnaast kunnen bijzondere nog gaaf zijnde fysieke stedenbouwkundige of architectonische kenmerken heel bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied. Bij een grote individuele vrijheid van bewoners kan die samenhang geheel of gedeeltelijk verloren gaan.

Aanwijzing welstandsvrije gebieden in Goes

Voor Goes komen de cultuurhistorisch betekenisvolle gebieden en gebieden met een representatieve functie in ieder geval niet in aanmerking als welstandsvrij gebied.

De binnenstad, het buitengebied, de dorpskernen en linten en de randen langs hoofdroutes zijn de belangrijkste visitekaartjes en worden gezien als representatieve gebieden die in hoge mate het imago van Goes bepalen.

Ook gebieden waarvan de samenhang of bijzondere karakteristieken bepalend zijn voor de kwaliteit wil de gemeente waarborgen. Het gaat dan om woongebieden die een stedenbouwkundige en architectonische samenhang kennen en daarmee een bepaald tijdsbeeld vertegenwoordigen.

Gebieden die minder representatief en openbaar zijn en een ruimere opzet en structuur hebben zijn minder kwetsbaar. Voor Goes zijn dat vooral de bedrijventerreinen, sportterreinen en de woongebieden met een ruime opzet en grote mate aan diversiteit. Deze gebieden kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. Het bestemmingsplan biedt voor deze gebieden voldoende houvast om de aanwezige basiskwaliteit te behouden.

De meer representatieve bedrijventerreinen langs de belangrijkste hoofdroutes zijn niet welstandsvrij.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.