Aanhef
De gemeenteraad heeft op 6 oktober 2022 de Nota bodembeheer gemeente Goes geactualiseerde versie 2022 vastgesteld. In deze nota staat beschreven welke mogelijkheden er zijn voor het toepassen en hergebruiken van grond en baggerspecie op de landbodem. Het betreft een actualisatie van de Nota bodembeheer gemeente Goes uit 2014. In de geactualiseerde nota is verduidelijkt waar de lokale maximale waarden voor het bedrijvenpark Deltaweg fase 1, die al eerder zijn vastgesteld, van kracht zijn geworden door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn actualisaties in de functiekaart opgenomen en is de nota geactualiseerd op beleid en wetgeving voor grondverzet sinds 2014. Er is geen sprake van beleidswijzigingen. De nota is digitaal te raadplegen bij deze bekendmaking.
De nota is van kracht vanaf de eerste dag na publicatie. Tegen dit besluit is geen bezwaar en/of beroep mogelijk.
SAMENVATTING
Voor u ligt de Nota bodembeheer van de gemeente Goes. Deze Nota bodembeheer beschrijft de regels voor het toepassen van grond en bagger op de landbodem in de gemeente Goes en de lokale uitwerking van de landelijke regelgeving uit het Besluit bodemkwaliteit.
Voorliggende nota bodembeheer is een actualisatie van de nota bodembeheer die in 2014 is vastgesteld. Voor het Havengebied van Goes geldt een afzonderlijke nota bodembeheer, die in 2021 is geactualiseerd.
Het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit bevatten landelijke generieke regels voor het toepassen van grond en bagger.
De generieke normen voor het hergebruik van grond op de landbodem zijn afhankelijk van zowel het gebruik (de bodemfunctie) als de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem. Daarbij is de strengste hiervan maatgevend.
Het gebruik van de bodem van een gemeente wordt in een bodemfunctiekaart ingedeeld in de volgende bodemfunctieklassen:
–bodemfunctie overig (ook aangeduid als ‘natuur / landbouw’);
–bodemfunctie wonen;
–bodemfunctie industrie.
De milieuhygiënische kwaliteit is in de bodemkwaliteitskaart van de gemeente ingedeeld in de volgende bodemkwaliteitsklassen:
–Achtergrondwaarde;
–klasse wonen;
–klasse industrie.
Het Besluit bodemkwaliteit bevat de mogelijkheid om op grond van de lokale situatie gebiedsspecifiek beleid vast te stellen. Gebiedsspecifiek beleid wordt vastgesteld door de gemeenteraad.
Gedeeltelijk hanteert de gemeente Goes voor het toepassen van grond en bagger het generieke beleid. Daarnaast geldt een aantal beleidskeuzes uit voorliggende Nota als gebiedsspecifiek beleid:
–voor een aantal gebieden zijn verhoogde Lokale Maximale Waarden (LMW) vastgesteld;
–voor minerale olie wordt voor de toetsing aan de Achtergrondwaarde geen bodemtypecorrectie toegepast bij humuspercentages lager dan 10%;
–er geldt afhankelijk van de functie van de bodem een maximaal percentage bodemvreemde bijmengingen van 5% dan wel 10% (in plaats van het generieke percentage van 20%);
–de voorwaarden voor het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel (milieuhygiënische verklaring) voor de kwaliteit van vrijkomende grond zijn nader omschreven (aantoonbare controle op uitzonderingslocaties);
–andere bodemkwaliteitskaarten die bij de vaststelling van voorliggende Nota bodembeheer geldig zijn binnen Zeeland worden erkend als bewijsmiddel. Het College van Burgemeester en Wethouders kan in de toekomst nieuwe bodemkwaliteitskaarten erkennen.
De verhoogde LMW gelden alleen voor grond en bagger afkomstig uit de gemeente Goes. Op gebiedsniveau leiden de verhoogde LMW binnen de gemeentegrenzen van Goes niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit (stand still op gebiedsniveau).
Deze nota bodembeheer bevat tevens de toepassingsnormen voor PFAS, zoals eerder vastgelegd in 2020 in een afzonderlijk rapport.
Op grond van de landelijke regelgeving moet het elders toepassen dan wel tijdelijk opslaan van grond of bagger in veel gevallen minimaal vijf werkdagen tevoren worden gemeld.
5 REGELS VOOR HET TOEPASSEN VAN GROND EN BAGGER
5.2 Uitzonderingslocaties
5.2.1 Hergebruik van grond afkomstig van een verdachte locatie
Alvorens hergebruik van grond op basis van deze bodemkwaliteitskaart mogelijk is, moet eerst worden nagegaan of de grond niet vrijkomt op een historisch verdachte locatie. Om dit na te gaan, dienen historisch kaartmateriaal en de gegevens uit het gemeentelijk bodeminformatiesysteem te worden geraadpleegd. Verder zijn bij de gemeente overzichten beschikbaar van voormalige bedrijven op basis van Hinderwet-inventarisaties.
De volgende locaties gelden als verdachte locaties (niet limitatief):
–dammen en kavelpaden
–verdachte locaties op basis van bij de gemeente beschikbare inventarisaties (vm. Hinderwet- vergunningen etc.)
–huidige bedrijfslocaties
–(voormalige) stortlocaties
–elektriciteitsmasten
–wegen
–wegbermen
–(voormalige) tram- en treinbanen
–huiskavels van boerderijen (boerenerf)
Bij het toepassen van grond kan alleen gebruik worden gemaakt van een milieuhygiënische verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart, indien bij de melding de historische gegevens van de herkomstlocatie worden gevoegd.
De milieuhygiënische verklaring is niet verplicht in geval van de op de in paragraaf 5.1 genoemde vrijstellingen voor particulieren, agrarische bedrijven en tijdelijke uitname. Bij deze vrijstellingen hoeft dus ook geen historische toets te worden aangeleverd. Overigens geldt dan nog wel een algemene zorgplicht.
NB. Wanneer iemand ermee bekend is, dat sprake is van een verdachte locatie dient hij daarnaar te handelen. Zo dient men bij grondverzet binnen een agrarisch bedrijf in bepaalde situaties wel onderzoek naar de kwaliteit van de vrijkomende grond te doen indien de grond vrijkomt uit een voormalige boomgaard.
In overige situaties (waaronder het niet meldingsplichtige hergebruik van minder dan 50 m3 schone grond) is het uitvoeren van de historische toets wel verplicht.
Grond die op verdachte locaties vrijkomt, dient eerst te worden onderzocht conform NEN5740 of AP04. Er behoeven alleen analyses van grondmonsters te worden uitgevoerd voor de bodemlagen waaruit de grond vrijkomt. Afhankelijk van de toepassingslocatie moet grond afkomstig van voormalige boomgaarden tevens worden onderzocht op bestrijdingsmiddelen.
De grond kan alsnog vrij worden toegepast als de grond na onderzoek blijkt te voldoen aan de toepassingseis zoals die voor de betreffende toepassingslocatie geldt (zie bijlage 6 en 8). Voor de Achtergrondwaarde geldt een toetsingsregel, waarbij voor een beperkt aantal stoffen een geringe overschrijding van de Achtergrondwaarde wordt toegestaan (zie paragraaf 2.2). Voor de toetsing van de hergebruiksgrond aan MaxWONEN of MaxINDUSTRIE mag een dergelijke toetsingsregel niet worden toegepast.
Indien de locatie asbestverdacht is, dient tevens een onderzoek conform de NEN5707 te worden uitgevoerd. Asbesthoudende grond mag niet worden toegepast.
5.2.2 Toepassing van grond op (mogelijk) ernstig verontreinigde locaties
Het aanbrengen van hergebruiksgrond op een ernstig verontreinigde locatie geldt als een saneringsmaatregel. In dit geval zijn de regels uit de Wet bodembescherming van toepassing (opstellen van een door het bevoegd gezag goed te keuren saneringsplan danwel BUS-melding).
Voor saneringen, die op basis van een BUS-melding worden uitgevoerd gelden als terugsaneerwaarde en kwaliteitseis voor de leeflaag / aanvulgrond de volgende waarden (artikel 3.1.6 en 3.1.7 Regeling uniforme saneringen):
Situatie
Terugsaneerwaarde Besluit uniforme saneringen (BUS)
Generiek beleid,bodemfunctieklasse ‘overig’
Achtergrondwaarde
Generiek beleid,bodemfunctieklasse Wonen
Maximale waarden voor wonen (MaxWONEN)
Generiek beleid,bodemfunctieklasse Industrie
Maximale waarden voor industrie (MaxINDUSTRIE)
Gebiedsspecifiek beleid
Lokale Maximale Waarden (LMW) zoals vastgesteld door gemeenteraad
5.2.3 Zintuiglijk afwijkende grond
Tijdens de uitvoering van het grondverzet dient de vrijkomende grond zintuiglijk te worden beoordeeld. Indien hierbij afwijkende geuren danwel bodemvreemde bijmengingen zoals puin, koolas of asbest worden waargenomen, mag de partij grond niet zondermeer worden toegepast. De partij grond moet in depot worden gezet. Door middel van monstername en analyses (partijkeuring conform Besluit bodemkwaliteit) dient de kwaliteit van de betreffende partij te worden vastgesteld.
De grond kan alsnog vrij worden toegepast als de grond na onderzoek blijkt te voldoen aan de toepassingseis zoals die voor de betreffende zone geldt. Voor de Achtergrondwaarde geldt een toetsingsregel, waarbij voor een beperkt aantal stoffen een geringe overschrijding van de Achtergrondwaarde wordt toegestaan. Voor de toetsing van de hergebruiksgrond aan MaxWONEN of MaxINDUSTRIE mag een dergelijke toetsingsregel niet worden toegepast.
5.3 Overige situaties
5.3.1 Hergebruik van grond afkomstig van grotere diepte dan 2,0 m-mv
De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de dieptetrajecten 0-0,5 m-mv en 0,5-2,0 m-mv. De algemene ervaring uit bodemkwaliteitskaarten is, dat de diepere ondergrond een vergelijkbare of betere kwaliteit heeft dan de bovenste 2 meter, tenzij op basis van historische gegevens wordt verwacht dat dit mogelijk niet het geval is.
Verwacht wordt, dat in alle zones in de gemeente Goes de diepere ondergrond een vergelijkbare of betere kwaliteit heeft dan het dieptetraject 0,5-2,0 m-mv.
Als toepassingseis voor grond die op een grotere diepte dan 2,0 m-mv wordt toegepast geldt standaard de Achtergrondwaarde.
5.3.2 Toepassing van grond buiten het bodembeheergebied van deze bodemkwaliteitskaart
De bodemkwaliteitskaart van de landbodem van de gemeente Goes kan door een andere gemeente (buiten het bodembeheergebied van de gemeente Goes) worden geaccepteerd als bewijsmiddel voor de kwaliteit van grond afkomstig uit één van de zones van deze bodemkwaliteitskaart. In dat geval dient de andere gemeente eerst in een bestuurlijk besluit de bodemkwaliteitskaart in algemene zin te erkennen.
5.3.3 Grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied van deze bodemkwaliteitskaart
De in het gebiedsspecifieke beleid vastgestelde hogere LMW dan de generieke normen gelden alleen voorzover de grond afkomstig is uit het eigen bodembeheergebied.
Grond of bagger afkomstig van buiten het bodembeheergebied kan binnen het bodembeheergebied worden hergebruikt, voor zover de gemiddelde kwaliteit van de hergebruiksgrond voldoet aan de generieke toepassingseis van de zone waar de grond of bagger wordt toegepast. Strengere regels dan de generieke normen gelden voor zowel grond afkomstig uit het eigen bodembeheergebied als voor grond afkomstig van buiten de gemeente Goes (bijvoorbeeld het maximum percentage bodemvreemde bijmengingen van 5% c.q. 10% zoals beschreven in paragraaf 4.8).
Op basis van de generieke regels en de keuzes uit deze Nota gelden voor het toepassen van grond en bagger afkomstig van buiten de gemeente Goes de volgende toepassingsnormen:
Bodemfunctie
Zone
Toepassingseis stoffen uit NEN5740-pakket
Toepassingseis bestrijdingsmiddelen bodemkwaliteitskaart
Overig
Alle zones
Achtergrondwaarde
Achtergrondwaarde
Wonen
Zone 1 (bovengrond)
geen voormalige boomgaard
Achtergrondwaarde
Achtergrondwaarde
Wonen
Zone 1 (bovengrond) voormalige boomgaard
Achtergrondwaarde
MaxWONEN
Wonen
Zone 1 (ondergrond)
Zone 2 (ondergrond)
wel of geenvoormalige boomgaard
Achtergrondwaarde
Achtergrondwaarde
Wonen
Zone 2 (bovengrond)
Zone 4 t/m 6 (boven- en ondergrond) wel of geen voormalige boomgaard
MaxWONEN
MaxWONEN
Industrie
Zone 1 (bovengrond)
geen voormalige boomgaard
Achtergrondwaarde
Achtergrondwaarde
Industrie
Zone 1 (bovengrond) voormalige boomgaard
Achtergrondwaarde
LMW
Industrie
Zone 1 (ondergrond)
Zone 2 (ondergrond)
wel of geenvoormalige boomgaard
Achtergrondwaarde
Achtergrondwaarde
Industrie
Zone 2 (bovengrond)
Zone 3 (boven- en ondergrond) Zone 4 (bovengrond)
Zone 5 (boven- en ondergrond) Zone 6 (boven- en ondergrond)
geen voormalige boomgaard
MaxWONEN
MaxWONEN
Industrie
Zone 2 (bovengrond)
Zone3 (boven- en ondergrond) Zone 4 (boven- en ondergrond) Zone 5 (boven- en ondergrond) Zone 6 (boven- en ondergrond)
voormalige boomgaard
MaxWONEN
LMW
LMW = Lokale Maximale Waarden zoals deze ook gelden voor grond afkomstig van binnen het bodembeheergebied.
Voor niet in de bodemkwaliteitskaart opgenomen stoffen geldt als toepassingseis de Achtergrondwaarde.
Voor PFAS gelden voor grond en bagger afkomstig van buiten de regio Bevelanden en Tholen (gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal en Tholen) altijd de volgende toepassingseisen:
–PFOA (som): 1,9 μg/kgds
–PFOS (som): 1,4 μg/kgds
–Overige individuele PFAS: 1,4 μg/kgds
Het voldoen aan voornoemde eisen dient te blijken uit een milieuhygiënische verklaring (partijkeuring, bodemonderzoek of een conform paragraaf 4.10 erkende bodemkwaliteitskaart), die is opgesteld conform paragraaf 4.3 van de Regeling bodemkwaliteit.
Na bestuurlijke erkenning door de gemeente Goes kunnen bodemkwaliteitskaarten uit andere gemeentes in Zeeland dienen als milieuhygiënische verklaring, mits geen sprake is van een uitzonderingslocatie. Men dient historische gegevens bij te voegen op basis waarvan blijkt, dat geen sprake is van een uitzonderingslocatie.
5.3.4 Grootschalige bodemtoepassingen
In een grootschalige bodemtoepassing op de landbodem mag grond worden toegepast tot MaxINDUSTRIE ongeacht de kwaliteit en functie van de ontvangende bodem. Voor bagger geldt bij minerale olie: 2000 mg/kgds in plaats van MaxINDUSTRIE. Boven bepaalde concentraties gelden aanvullende eisen over de maximale uitloging. Onder deze concentraties wordt de uitloging verwaarloosbaar geacht.
Een grootschalige bodemtoepassing moet voldoen aan:
–Minimaal volume: 5000 m3
–Minimale dikte 2 meter (onder wegen 0,5 meter)
–Afgedekt door leeflaag (0,5 meter) danwel verhardingslaag
–Voor de leeflaag gelden de toepassingseisen zoals weergegeven in bijlage 6 en 8 van deze Nota
–Bij provinciale wegen en rijkswegen horen ook bermen en taluds bij de grootschalige toepassing
De bodemkwaliteitskaart geldt niet als bewijsmiddel voor het toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing, wanneer de grond afkomstig is uit de bovengrond van de zone ´5: vooroorlogse wijken en kernen’ dan wel de zone ‘6: binnenstad Goes en vooroorlogse wijken’ (boven- en ondergrond). De rekenkundig gemiddeldes uit deze zones voldoen weliswaar aan de emissietoetswaarden, maar de 75- percentiel-waarden voor lood zijn bij deze zones hoger dan de emissietoetswaarde. Tevens voldoen de 90-percentielwaarden van zink bij deze zones niet aan de emissietoetswaarde.
Er is onvoldoende zekerheid dat wordt voldaan aan de eisen voor maximale uitloging. Bij deze zones kan de bodemkwaliteitskaart alleen als bewijsmiddel worden gebruikt, indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat de hergebruiksgrond voldoet aan de maximale emissiewaarden. Hierbij volstaat onderzoek op de stoffen lood en zink.
Voor de overige zones die in klasse ‘industrie’ vallen kan de bodemkwaliteitskaart wel dienen als bewijsmiddel voor het toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing.
PFAS
Voor PFAS gelden in de regio Bevelanden en Tholen voor grootschalige bodemtoepassingen op de landbodem (GBT) de volgende toepassingsnormen (lit. 4):
Gedeelte van de GBT
Toepassingsnormen
Afdeklaag
toepassingsnormen zoals in paragraaf 4.6
vastgelegd voor het dieptetraject 0-1,0 m-mv
Kern van de GBT,boven grondwaterspiegel
PFOA: 7,0 µg/kgds
PFOS en overige individuele PFAS: 3,0 µg/kgds
Kern van de GBT,onder grondwaterspiegel
toepassingsnormen zoals in paragraaf 4.6
vastgelegd voor het dieptetraject 1,0-2,0 m-mv
5.3.5 Toepassing van zout zeezand
In de Regeling bodemkwaliteit is opgenomen dat voor het toepassen van zeezand het chloridegehalte maximaal 200 mg/kg ds mag zijn. Er wordt dan gesproken over ontzilt zeezand. Bij het toepassen van zeezand op plaatsen waar een direct contact is of mogelijk is met brak oppervlaktewater of zeewater met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5000 mg/l, geldt voor chloride geen maximale waarde.
Het grondwater in Zeeland is van nature op veel plekken brak tot zout. Dit betekent dat het aanbrengen van zout zand in dit geval geen verslechtering oplevert van de chemische toestand van het grond- of oppervlaktewater. In opdracht van de provincie Zeeland is in 2005 een rapport opgesteld (lit. 23) met daarin de geohydrologische aspecten van het toepassen van zout zeezand. In het rapport wordt beschreven met welke factoren rekening dient te worden gehouden.
Zout zeezand mag niet worden toegepast in de zoetwatervoorkomens, grondwater- beschermingsgebieden en kwetsbare gebieden voor natuur en landbouw (circa 37% van het totale landoppervlak van Zeeland). Deze gebieden staan weergegeven in onderstaande figuur. De rode gebieden zijn de zoetwatervoorkomens, waar zout zeezand niet mag worden toegepast. In de oranje gebieden, de natuurgebieden en de bufferzones, is een nadere analyse nodig van de plaatselijke situatie.
Zoet watervoorkomens, natuurgebieden en bufferzones uit lit. 23:
5.3.6 Regels voor tijdelijke opslag van grond en bagger
Voor de tijdelijke opslag van grond en bagger gelden verschillende eisen, afhankelijk van de tijdsduur van de opslag:
Soort tijdelijke opslag
Maximale tijdsduur
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
Tijdelijke uitname
Looptijd van de werkzaamheden
geen
(wel zorgplicht)
Nee
Kortdurende opslag
6maanden
geen
(wel zorgplicht)
Ja
Weilanddepot (bagger)
3jaar
Normen voor verspreiding op aangrenzend perceel
Ja, inclusief voorziene tijdsduur en eindbestemming
Tijdelijke opslag op landbodem
3jaar
Kwaliteitsklasse ontvangende bodem
Ja, inclusief voorziene tijdsduur en eindbestemming
5.3.7 Transport van grond en bagger
Het Besluit bodemkwaliteit bevat geen regels voor het transport van grond en bagger. Wel is bij het transport van grond en bagger andere regelgeving van belang, waaronder de regelgeving voor het transporteren van afvalstoffen.
De Stichting Vervoeradres heeft een overzicht uitgegeven van de regelgeving voor het transporteren, registreren en melden van afvalstoffen (lit. 24). Hierin is over het transport van grond en baggerspecie onder het kopje “begeleidingsbrief” het volgende opgenomen:
Omdat grond en baggerspecie in veel gevallen bij transport over de openbare weg als afvalstof wordt gezien, dient het transport vergezeld te gaan van een begeleidingsbrief. Dit geldt ook voor een transport van een partij herbruikbare grond of baggerspecie naar een toepassing of tijdelijke opslaglocatie onder het Besluit bodemkwaliteit. In deze gevallen en ook bij afvoer naar een niet-meldingsplichtige inrichting is, in het kader van het Besluit melden, geen afvalstroomnummer nodig. Alleen schoon primair zand (zand uit een zandwinning) kan in zijn algemeenheid niet als afvalstof aangemerkt worden. Een begeleidingsbrief is dan niet nodig.
5.3.8 Geen vrijstelling voor bodemonderzoek bij aanvraag omgevingsvergunning voor bouwactiviteit
Gemeentes dienen volgens de Woningwet in hun bouwverordening regels op te nemen om bouwen op verontreinigde grond tegen te gaan. De bouwverordening van de gemeente Goes bevat voor bepaalde bouwwerken het voorschrift, dat bodemonderzoek moet worden uitgevoerd ten behoeve van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.
Op grond van artikel 11, eerste lid van de Woningwet bestaat de mogelijkheid om af te wijken van de onderzoeksplicht. Volgens het derde lid van artikel 2.1.5 van de Modelbouwverordening bestaat de mogelijkheid om geheel of gedeeltelijk af te wijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Mor, indien reeds bruikbare of recente onderzoeksgegevens beschikbaar zijn. Onder recente onderzoeksgegevens wordt ook een bodemkwaliteitskaart verstaan.
De gemeente verleent geen ontheffing van het doen van een bodemonderzoek bij een aanvraag voor de omgevingsvergunning van een bouwactiviteit op grond van de bodemkwaliteitskaart. De reden hiervoor is, dat de bodemkwaliteitskaart een gemiddelde kwaliteit weergeeft op gebiedsniveau en niets zegt over de kwaliteit op perceelsniveau.
Voor verdere informatie wordt verwezen naar de Handreiking Bouwen en Bodemkwaliteit van het Zeeuws Platform Bodembeheer (lit. 25).
Toelichting
LITERATUUR
1Besluit bodemkwaliteit; Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 2007, nr. 469.
2Regeling bodemkwaliteit; Staatscourant, 20 december 2007.
3Bodemkwaliteitskaart gemeente Goes; Marmos Bodemmanagement, 21 januari 2014.
4Bodemkwaliteitskaart PFAS Bevelanden en Tholen; Marmos Bodemmanagement, 11 augustus 2020.
5Evaluatie bodemkwaliteitskaart gemeente Goes 2019; Marmos Bodemmanagement, 8 oktober 2019.
6Bodemkwaliteitskaart gemeente Kapelle en buitengebied gemeentes Goes, Reimerswaal en Noord- Beveland; Marmos Bodemmanagement; herziene versie gemeente Goes 22 mei 2008.
7Bodemkwaliteitskaart stedelijk gebied gemeente Goes; Marmos Bodemmanagement, 22 mei 2008.
8Bodembeheerplan buitengebied en stedelijk gebied gemeente Goes in het kader van de Vrijstellingsregeling grondverzet; Marmos Bodemmanagement, 22 mei 2008.
9Bodembeheernota Goese Schans; Witteveen+Bos, 12 februari 2009.
10Bodemfunctiekaart gemeente Goes; Marmos Bodemmanagement, 24 augustus 2009.
11Nota bodembeheer inclusief bodemkwaliteitskaart voor wegbermen in de provincie Zeeland - Actualisatie 2020; Marmos Bodemmanagement, 26 november 2020.
12Nota bodembeheer Havengebied Goes, Actualisatie 2015; Marmos Bodemmanagement, 19 november 2015.
13Nota bodembeheer Havengebied Goes, Actualisatie 2021; Marmos Bodemmanagement, 2 juni 2021.
14Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (versie december 2021), bijlage bij Kamerbrief van 13 december 2021 (IENW/BSK-2021/335279)
15Achtergrondwaarden perfluoralkylstoffen (PFAS) in de Nederlandse landbodem; A. Wintersen et al., RIVM-briefrapport 2020-0100, 2020.
16Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (geactualiseerde versie van 2 juli 2020), Kamerstukken II, 2019/20, 35334 nr. 116, bijlage bij Kamerbrief van 3 juli 2020.
17NEN5740, Bodem – Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond; NEN, januari 2009.
18Richtlijn bodemkwaliteitskaarten; Ministerie van VROM en Ministerie van Verkeer en Waterstaat; gepubliceerd via website NEN, 7 september 2007.
19Nota bodembeheer voor de landbodem van de gemeente Borsele; Marmos Bodemmanagement, 6 oktober 2009.
20Nota bodembeheer voor de landbodem van de gemeente Kapelle; Marmos Bodemmanagement, 1 december 2011.
21Nota bodembeheer voor de landbodem van de gemeente Reimerswaal; Marmos Bodem- management, 21 december 2012.
22Overzicht van risicogrenzen voor PFOS, PFOA en GenX ten behoeve van een tijdelijk handelings- kader voor het toepassen van grond en baggerspecie op of in de landbodem; RIVM, 4 maart 2019.
23Toepassing zout zeezand, geohydrologische aspecten; Royal Haskoning, 21 september 2005, projectnummer 9P5675.
24Transport van afval – Het transporteren, registreren en melden van afvalstoffen; Stichting vervoeradres.
25Handreiking Bouwen en Bodemkwaliteit; Zeeuws Platform Bodembeheer, 29 mei 2012.
26Ken uw (water)bodemkwaliteit, de risico’s inzichtelijk; Grontmij 1 september 2007.
27NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. NOBO-2008-029. Grontmij Nederland BV, 12 september 2008.
Bijlage 1: Normering Regeling bodemkwaliteit (inclusief wijzigingen per 1 januari 2014) en Gebiedsspecifieke normen Goes
Normering Regeling bodemkwaliteit (inclusief wijzigingen per 1 januari 2014) en gebiedsspecifieke normen Goes
Normen per stof voor standaardbodem (25% lutum en 10% organische stof), in mg/kgds
stofnaam
Achtergrond- waarde
Bovengrens toetsingsregel
maximale waarde wonen
Bovengrens toetsingsregel
LMW (Lokale Maximale Waarde)
maximale waarde industrie
Interventie- waarde
Arseen
20
27
27
47
76
76
Cadmium
0,6
1,2
1,2
1,8
4,3
13
Chroom
55
62
62
117
180
180/ 78
Koper
40
54
54
94
190
190
Kwik
0,15
0,3
0,83
0,98
4,8
36/ 4
Lood
50
100
210
260
530
530
Nikkel
35
70
39
74
100
100
Zink
140
200
200
340
720
720
Barium
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Kobalt
15
30
35
50
190
190
Molybdeen
1,5
3
88
89,5
190
190
PAK (10)
1,5
3
6,8
8,3
40
40
som PCB's
0,02
0,04
0,04
0,06
0,5
1
minerale olie
190
190
190
380
500
5000
DDD
0,02
0,04
0,84
0,86
0,84
34
34
DDE
0,1
0,13
0,13
0,23
0,75
1,3
2,3
DDT
0,2
0,2
0,2
0,4
0,65
1
1,7
drins (som)
0,015
0,03
0,04
0,055
0,064
0,14
4
A
B
C
15
0,4
0,4
0,4
0,007
0,021
50
2
0
15
0,6
0,6
0,2
0,0034
0,0017
50
1
1
10
1
0
50
3
1,5
30
5
0
2
0,28
0
n.v.t. (geen bodemtypecorrectie)
Formule bodemtypecorrectie metalen:
Gehalte(standaardbodem) = Gehalte(y) / { {A + B x %lutum(y) + C x %humus(y)} / {A + 25 x B + 10 xC} }
Formule bodemtypecorrectie organische verbindingen:
Gehalte(standaardbodem) = Gehalte(y) x { 10 / %humus(y) }
Bij PAK(10) (generiek) en minerale olie (gebiedsspecifiek) wordt bij een percentage organische stof lager dan 10% geen bodemtypecorrectie toegepast Bij een percentage lutum of organische stof lager dan 2% wordt een minimumpercentage van 2% gehanteerd.
Voor organische verbindingen wordt bij een percentage organische stof hoger dan 30% een maximumpercentage van 30% gehanteerd
Interventiewaarden uit Circulaire bodemsanering 2013
Voor chroom gelden aparte interventiewaarden voor chroom III en chroom IV
Voor kwik gelden aparte interventiewaarden voor anorganisch en organisch kwik
Toetsingsregel achtergrondwaarde (bij 7 t/m15 parameters)
Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan AW, mits niet hoger dan 2 x AW en niet hoger dan maximale waarde voor bodemfunctie wonen (nikkel: afwijkende toetsingsrege
Toetsingsregel maximale waarde wonen (bij 7 t/m 15 parameters)
Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan maximale waarde wonen, mits niet hoger dan maximale waarde wonen + AW en niet hoger dan maximale waarde voor bodemfunctie industrie
Bijlage 2: Grondstromenmatrix (voor grond afkomstig uit de gemeente goes)
Legenda:
AW
Achtergrondwaarde
WONEN
Maximale waardenvoor wonen
INDUSTRIE
Maximale waardenvoor industrie
LMW
Lokale maximale waarden voor bestrijdingsmiddelen(standaardbodem): DDD0,84 mg/kgds ; DDE 0,75mg/kgds ; DDT 0,65mg/kgds ; somdrins 0,064 mg/kgds
Toelichting:
De grondstromenmatrix geldt alleen voor grondverzet tussen onverdachte locaties. Controleer altijd eerst door middel van historisch onderzoek of er geen sprake is van een uitzonderingslocatie.
Indien er geen sprake is van een uitzonderingslocatie, zoek dan de kwaliteitsklasse op van de zone waar de grond wordt ontgraven: zie bijlage 5 voor de NEN5740-parameters en bijlage 7 voor de bestrijdingsmiddelen DDD, DDE, DDT en drins
NB. Indien uit historisch onderzoek blijkt, dat de grond vrijkomt in een voormalige boomgaard die niet is weergegeven in bijlage 8, dan is de informatie uit het historisch onderzoek bepalend (dus veelal analyses op bestrijdingsmiddelen uitvoeren).
Zoek in bijlage 6 op welke toepassingseis geldt voor de NEN5740-parameters op de locatie waar de grond wordt toegepast. Bijlage 8 toont de toepassingseis voor de bestrijdingsmiddelen (DDD, DDE, DDT EN drins) en bijlage 9 toont de toepassingseis voor PFAS. De toepassingseis uit bijlage 6 en bijlage 8 geldt alleen voor het dieptetraject 0-2,0 m-mv. Dieper dan 2,0 m-mv mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de achtergrondwaarde.
Wanneer analyses op OCB's (organochloorbestrijdingsmiddelen) zijn voorgeschreven, dient men tenminste te analyseren op DDD, DDE, DDT en drins
Bijlage 3a: Toepassingsnormen, geldend voor grond afkomstig uit de gemeente goes
Bovengrond (0-0,5 m-v, tenzij anders vermeld)
Ondergrond (0,5-2,0 m-v, tenzij anders vermeld)
* Bovenstaande toepassingsnormen 0,007 / 0,003 / 0,003 gelden alleen voor het dieptetraject 0-1,0 m-mv
Te hanteren normen voor de beoordeling van toe te passen grond, afhankelijk van de bodemfunctieklasse en de zone waar de grond wordt toegepast.
Bovenstaande waarden zijn in mg/kgds
De getallen gelden voor standaardbodem (lutum=25%, humus=10%).
Voor PFAS gelden de toepassingsnormen uit deze tabel voor grond en bagger afkomstig uit de regio Bevelanden en Tholen (gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal en Tholen)
Bijlage 3b: Toepassingsnormen, geldend voor grond afkomstig van buiten de gemeente goes
Bovengrond (0-0,5 m-v, tenzij anders vermeld)
Ondergrond (0,5-2,0 m-v, tenzij anders vermeld)
Te hanteren normen voor de beoordeling van toe te passen grond, afhankelijk van de bodemfunctieklasse en de zone waar de grond wordt toegepast.
Bovenstaande waarden zijn in mg/kgds
De getallen gelden voor standaardbodem (lutum=25%, humus=10%).
Voor PFAS gelden de toepassingsnormen uit deze tabel voor grond en bagger afkomstig van buiten de regio Bevelanden en Tholen (gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal en Tholen)
Bijlage 10: Risicotoolbox
10.1 Gebiedsspecifiek beleid en de risicotoolbox
In hoofdstuk4 vandeze Notabodembeheer is gebiedsspecifiek beleid opgenomen,waarbij voor een aantal gebieden Lokale Maximale Waarden (LMW) zijn vastgelegd.
Een voorwaarde voor het vaststellen van LMW is, dat de gevolgen van deze waarden worden beoordeeld met behulp van de risicotoolbox (www.risicotoolbox.nl). Dit instrument is ontwikkeld om te bepalen welke risico’s de LMW met zich mee brengen bij een bepaald terreingebruik. Deze bijlage bevat de uitkomsten van de toepassing van de risicotoolbox. De berekeningen zijn uitgevoerd met versie 1.1.0.0 van de risicotoolbox.
In hoofdstuk 4 zijn voor de volgende situaties hogere LMW vastgelegd dan de generieke toepassingseisen:
Gebied
LMW
Ter plaatse van voormalige boomgaarden
DDD: 0,84 mg/kgds (= MaxWONEN) DDE: 0,75 mg/kgds
DDT: 0,65 mg/kgds
Drins (som): 0,04mg/kgds (= MaxWONEN)
Gebieden waar voor de NEN5740-paremeters als generieke toepassingseis MaxWONEN of MaxINDUSTRIE geldt
DDD: 0,84 mg/kgds (= MaxWONEN) DDE: 0,75 mg/kgds
DDT:0,65mg/kgds
drins (som): 0,04mg/kgds (= MaxWONEN)
Te ontwikkelen delen van bedrijfsterreinen De Poel 2 en Deltaweg
NEN5740-parameters: MaxWONEN DDD: 0,84 mg/kgds (= MaxWONEN) DDE: 0,75 mg/kgds
DDT: 0,65 mg/kgds
drins (som): 0,04mg/kgds (= MaxWONEN)
Algemeen
Geen bodemtypecorrectie bij minerale olie voor de toetsing aan de Achtergrondwaarde bij humuspercentages lager dan 10%
De parameter minerale olie komt niet voor in de risicotoolbox en is derhalvein deze bijlage verder buiten beschouwing gelaten.
Er is volgens de risicotoolbox sprake van een duurzaamgeschikte bodem indien de risico-index lager is dan 1. Bij een hogere risico-index geldt de bodem weliswaar niet als “duurzaam geschikt”, maar daarmee is de bodem nog niet ongeschikt voor het betreffende gebruik.
Of de bodem al of niet (mogelijk) ongeschikt is voor het betreffende gebruik wordt beoordeeld met een ander risicomodel:Sanscrit. In geval van een ernstigebodemverontreiniging dient men met behulp van Sanscrit te bepalen of er sprake is van onaanvaardbare risico’s waardoor spoedige sanering van de verontreiniging noodzakelijk is. Hiervan is mogelijk sprake, wanneer de risico-index volgens Sanscrit hoger is dan 1.
In een aantal gevallen zijn de LMW niet hoger dan de maximale waarden die bij de betreffende functie van de bodem behoren. In dat geval is de uitkomst van de risicotoolbox, dat de bodem duurzaam geschikt is voor het betreffende gebruik.
De LMW voor de bestrijdingsmiddelen zijn in een deel van de gemeente hoger zijn dan de maximale waarden die bij de betreffende functie van de bodem behoren.
De volgende paragrafen behandelen de uitkomsten van de risicotoolbox, met onderscheid in ecologische risico’s en humane risico’s.
10.2 Ecologische risico’s volgens de risicotoolbox
Voor de ecologische risico’s rekent de risicotoolbox met 3 verschillende beschermingsniveaus, afhankelijk van de functie van de bodem. Afhankelijk van het beschermingsniveau toetst de risicotoolbox voor de ecologische risico’s van de somparameter van PAK en de metalen uit NEN5740 aan de Achtergrondwaarde, MaxWONEN of MaxINDUSTRIE
13lood: enigszins afwijkende waarden (540 in plaats van 530 mg/kgds en 214 in plaats van 210 mg.kgds)
:
Bodemfunctie
Ecologisch beschermingsniveau
Risicogrenswaarde
Natuur
Hoog
Achtergrondwaarde
Wonen met tuin
Gemiddeld
MaxWONEN *
Moestuinen/volkstuinen
Gemiddeld
MaxWONEN *
Landbouw zonder boerderij/erf
Gemiddeld
MaxWONEN
Groen met natuurwaarden
Gemiddeld
MaxWONEN
Plaatsenwaar kinderen spelen
Gemiddeld of
Matig
MaxWONEN * of
MaxINDUSTRIE
Andergroen, bebouwing en industrie
Matig
MaxINDUSTRIE
* Voor cadmium en kwik hogere risicogrenswaarden dan MaxWONEN
De risico-index wordt in de risicotoolbox als volgt bepaald:
Risico-index = LMW / risicogrenswaarde
Verder berekent de risicotoolbox de toxische druk op ecosystemen van(mengsels van) stoffen, uitgedrukt in msPAF. De afkorting PAF staat hierbij voor ‘Potentieel Aangetaste Fractie’, en het voorvoegsel ms duidt aan, dat de risico’s een optelsom van het effect van meerdere stoffen zijn. De msPAF geeft een percentage van het aantal organismen waarop de hogere concentraties een merkbaar/meetbaar effect hebben. De ecologische mengselrisico’s zijn buiten beschouwing gelaten. Deze zijn een optelsom van risico’s voor verschillende stoffen, maar in de praktijk zal de toe te passen grond voor een deel van de stoffen schoner zijn dan de Lokale Maximale Waarden, waardoor de berekening van ecologische mengselrisico’s met alle stoffen tezamen te hoog uit zouden vallen.
10.3 Humane risico’s volgens de risicotoolbox
10.3.1 Algemeen
Voor de humane risico’s is in het model CSOIL een maximale blootstellingsdosis vastgelegd, waarbij mensen nog niet ziek worden: het MTR-humaan (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau voor de mens). De mens mag niet meer dan deze dosis in mg per kg lichaamsgewicht per dag ‘binnen krijgen’ van een bepaalde verontreinigende stof (lit. 26).
De risico-index is gedefinieerd als:
Blootstelling (LMW) / MTR-humaan
Bij de humane risico’s is voor het bodemgebruik ‘moestuinen / volkstuinen’ uitgegaan van een gemiddelde gewasconsumptie uit eigen tuin. Dit komt overeen met de consumptie van 50% bladgewassen en 25% knolgewassen uit eigen tuin. In de praktijk is hiervoor een moestuin met een minimale oppervlakte van 100 m2 benodigd (lit. 27). Bij de bodemfunctie ‘wonen met tuin’ rekent hetrisicomodel met een gewasconsumptie van 10% uit eigen tuin (lit. 27).
De uitkomsten voor de bodemfuncties ‘wonen met tuin’ en ‘landbouw (zonder boerderij/erf)’ zijn voor de humane risico’s identiek.
De uitkomsten voor de bodemfuncties ‘natuur’, ‘groen met natuurwaarden’ en ‘overig groen, bebouwing, industrie’ zijn voor de humane risico’s eveneens identiek.
10.3.2 Humane risico’s bestrijdingsmiddelen
De tabellen op de volgende pagina’s bevatten de uitkomsten van de berekening van de humane risico’s voor de bestrijdingsmiddelen voor de verschillende LMW en verschillende bodemfuncties. A|s referentie is ook de blootstelling bij de Achtergrondwaarde bepaald.
Voor de humane risico’s is er voor DDD, DDE, DDT en drins een lineair verband tussen de concentratie in de bodem en de blootstelling: een 2 x zo hoge LMW levert bij eenzelfde bodemfunctie een 2 x zo hoog blootstellingsrisico op.
Voor de drins worden de humane risico’s in de risicotoolbox afzonderlijk bepaald voor dieldrin, aldrin en endrin. Aldrin is daarbij de gevoeligste parameter. De Achtergrondwaarde, MaxWONEN en MaxINDUSTRIE hebben betrekking op de som van deze stoffen.
DDD (Blootstelling inmg/kglg/dag voor LMW bij standaardbodem, organischestof= 10%):
Bodemfunctie
LMW=
0,02 mg/kgds (achtergrondw.)
LMW=
0,86 mg/kgds (MaxWONEN)
Moestuin/volkstuin
(gemidd. gewasconcumptie)
6,49 x 10-7
[index 0,00]
2,79 x 10-5
[index 0,07]
Wonen met tuin
Landbouw
2,44 x 10-7
[index 0,00]
1,05 x 10-5
[index 0,03]
Plaatsen waar kinderen spelen
2,74 x 10-8
[index 0,00]
1,18 x 10-6
[index 0,00]
Natuur
Groen met natuurwaarden Overig groen,bebouwing, industrie
7,05 x 10-9
[index 0,00]
3,03 x 10-7
[index 0,00]
Tussen vierkante haken is de risico-index weergegeven.
DDE (Blootstellingin mg/kg lg/dag voor LMW bij standaardbodem, organische stof = 10%):
Bodemfunctie
LMW =
0,1 mg/kgds (achtergrondw.)
LMW =
0,75 mg/kgds
Moestuin/volkstuin
(gemidd. gewasconcumptie)
8,02 x 10-6
[index 0,02]
6,01 x 10-5
[index 0,15]
Wonen met tuin
Landbouw
2,96 x 10-6
[index 0,01]
2,22 x 10-5
[index 0,06]
Plaatsen waar kinderen spelen
1,37 x 10-7
[index 0,00]
1,02 x 10-6
[index 0,00]
Natuur
Groen met natuurwaarden Overig groen,bebouwing, industrie
3,45 x 10-8
[index 0,00]
2,59 x 10-7
[index 0,00]
Tussen vierkante haken is de risico-index weergegeven.
DDT (Blootstelling in mg/kg lg/dag voor LMW bij standaardbodem, organische stof =10%):
Bodemfunctie
LMW=
0,2 mg/kgds (achtergrondw.)
LMW=
0,65 mg/kgds
Moestuin/volkstuin
(gemidd. gewasconcumptie)
8,9 x 10-6
[index 0,02]
2,89 x 10-5
[index 0,07]
Wonen met tuin
Landbouw
3,33 x 10-6
[index 0,01]
1,08 x 10-5
[index 0,03]
Plaatsen waar kinderen
spelen
2,71 x 10-7
[index 0,00]
8,81 x 10-7
[index 0,00]
Natuur
Groen met natuurwaarden Overig groen,bebouwing, industrie
6,72 x 10-8
[index 0,00]
2,18 x 10-7
[index 0,00]
Tussen vierkante haken is de risico-index weergegeven.
Dieldrin (Blootstelling in mg/kglg/dagvoor LMW bijstandaardbodem, organische stof = 10%):
Bodemfunctie
LMW=
0,015 mg/kgds (achtergrondw.)
LMW=
0,04 mg/kgds (MaxWONEN)
Moestuin/volkstuin
(gemidd. gewasconcumptie)
5,69 x 10-7
[index 0,01]
1,52 x 10-6
[index 0,03]
Wonen met tuin
Landbouw
1,67 x 10-7
[index 0,00]
4,45 x 10-7
[index 0,01]
Plaatsen waar kinderen spelen
2,28 x 10-8
[index 0,00]
6,09 x 10-8
[index 0,00]
Natuur
Groen met natuurwaarden Overig groen,bebouwing, industrie
7,59 x 10-9
[index 0,00]
2,01 x 10-8
[index 0,00]
Tussen vierkante haken is de risico-index weergegeven.
Aldrin (Blootstelling in mg/kg lg/dag voor LMW bijstandaardbodem, organische stof = 10%):
Bodemfunctie
LMW=
0,015 mg/kgds (achtergrondw.)
LMW=
0,04 mg/kgds (MaxWONEN)
Moestuin/volkstuin
(gemidd. gewasconcumptie)
1,28 x 10-5
[index 0,21]
3,41 x 10-5
[index 0,57]
Wonen met tuin
Landbouw
4,7 x 10-6
[index 0,08]
1,25 x 10-5
[index 0,21]
Plaatsen waar kinderen spelen
4,63 x 10-8
[index 0,00]
1,24 x 10-7
[index 0,00]
Natuur
Groen met natuurwaarden Overig groen, bebouwing,
industrie
8,92 x 10-9
[index 0,00]
2,38 x 10-8
[index 0,00]
Tussen vierkante haken is de risico-index weergegeven.
Endrin (Blootstelling in mg/kg lg/dag voor LMW bijstandaardbodem, organische stof = 10%):
Bodemfunctie
LMW=
0,015 mg/kgds (achtergrondw.)
LMW=
0,04 mg/kgds (MaxWONEN)
Moestuin/volkstuin
(gemidd. gewasconcumptie)
6,8 x 10-7
[index 0,00]
1,81 x 10-6
[index 0,01]
Wonen met tuin
Landbouw
1,88 x 10-7
[index 0,00]
5,01 x 10-7
[index 0,00]
Plaatsen waar kinderen spelen
2,31 x 10-8
[index 0,00]
6,16 x 10-8
[index 0,00]
Natuur
Groen met natuurwaarden Overig groen,bebouwing, industrie
7,8 x 10-9
[index 0,00]
2,08 x 10-8
[index 0,00]
Tussen vierkante haken is de risico-index weergegeven.
10.3.3 Humane risico’s NEN-5740-parameters
Metalen
In onderstaande tabel zijn de blootstelling en de bijbehorende risico-index opgenomen [tussen vierkante haken] voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE voor de bodemfunctie ‘Ander groen, bebouwing en industrie’.
Er is uitgegaan van een standaardbodem (lutum=25%, humus=10%)
14Voor de humane risico’s van de metalen zijn de uitkomsten in het algemeen niet afhankelijk van de ingevoerde waarden voor lutum en humus
. Dit is een worst case benadering, aangezien in alle zones in de gemeente Goes de gemiddelde percentages voor lutum en organische stof lager zijn. De werkelijke waarden voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE zijn dus lager dan bij een standaardbodem. De blootstelling aan de verschillende stoffen is bij de werkelijke waarden voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE lager dan de in deze bijlage berekende blootstelling.
Voor de pH van de bodem zijn geen meetgegevens beschikbaar. Als aanname is een pH-waarde van 6 gehanteerd. Voor de meeste stoffen is de pH niet van invloed op de resultaten.
Bodemfunctie:
-Ander groen, bebouwing en industrie
MaxWONEN
(mg/kgds)
Blootstelling (mg/kg lg/dag)
MaxINDUSTRIE
(mg/kgds)
Blootstelling (mg/kg lg/dag)
Arseen
27
7,20 x 10-6
[index 0,01]
76
2,03 x 10-5
[index 0,03]
Cadmium
1,2
3,05 x 10-7
[index 0,00]
4,3
1,09 x 10-6
[index 0,00]
Chroom (III)
62
1,53 x 10-5
[index 0,00]
180
4,45 x 10-5
[index 0,01]
Koper
54
1,99 x 10-4
[index 0,00]
190
6,99 x 10-4
[index 0,01]
Kwik
0,83
4,49 x 10-7
[index 0,00]
4,8
2,6 x 10-6
[index 0,00]
Lood
210
2,10x10-4
[index 0,12]
530
5,31 x 10-4
[index 0,30]
Nikkel
39
0,00113
[index 0,02]
100
0,0029
[index 0,06]
Zink
200
5,09 x 10-5
[index 0,00]
720
1,83 x 10-4
[index 0,00]
Kobalt
35
1,10 x 10-5
[index 0,01]
190
5,96 x 10-5
[index 0,05]
Molybdeen
88
2,29 x 10-5
[index 0,00]
190
4,95 x 10-5
[index 0,01]
PAK
De normering uit de Regeling bodemkwaliteit gaat uit van de som van 10 PAK’s. De risicotoolbox berekent voor PAK per individuele PAK een blootstelling en een bijbehorende risico-index. Vervolgens worden deze afzonderlijke risico-indexen gesommeerd tot een totale risico-index voor som-PAK. Benzo(a)pyreen weegthet zwaarstin debepaling van de risico-index, gevolgd door indeno(123cd)pyreen.
De dataset uit het gemeentelijk bodeminformatiesysteem bevat voor 1610 grondmonsters de 539 monsters een som-PAK hoger dan de Achtergrondwaarde (1,5 mg/kgds), waarvan 254 monsters een som-PAK hoger dan MaxWONEN (6,8 mg/kgds) hebben. Voor deze monsters is bekeken, welk aandeel benzo(a)pyreen en indeno(123cd)pyreen hebben in de totale som van PAK. In 95% van de monsters boven de Achtergrondwaarde bestaat de som-PAK uitmaximaal 15% benzo(a)pyreen. Verder bestaat in 96% van de monsters boven de Achtergrondwaarde de som-PAK uit maximaal 15% indeno(123cd)pyreen.
Ook in andere gemeentesbestaat de som-PAK meestal voorminder dan 15% uit benzo(a)pyreen en voor minder dan 15% uit indeno(123cd)pyreen (zie bijv. lit. 21).
Voor de toepassing van de risicotoolbox is uitgegaan van een aandeel van 15% benzo(a)pyreen en 15% indeno(123cd)pyreen in de totale som-PAK. De resterende 70% is verdeeld over de overige acht PAK’s.
Onderstaande tabel bevat de risico-index voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE van som-PAK. Risico-index som-PAK bij standaardbodem (organische stof = 10%):
Bodemfunctie
MaxWONEN
(mg/kgds)
Risico-index
MaxINDUSTRIE
(mg/kgds)
Risico-index
Overig groen, bebouwing, industrie
6,8
0,08
40
0,49
10.4 Zones met 95-percentielwaarde hoger dan interventiewaarde
De indeling van de zones uit de bodemkwaliteitskaart in verschillende bodemkwaliteitsklasses is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van de verschillende stoffen. De concentraties van de verschillende stoffen hebben een zekere spreiding en een deel van de waarnemingen in een zone voldoet niet aan de bodemkwaliteitsklasse waarin de zone is ingedeeld.
Gemiddeld leidt dit niet tot een verslechtering van de bodemkwaliteit. Het grondverzet levert geen ‘nieuwe’ verontreiniging op, maar betreft een verplaatsing van al in het milieu aanwezige verontreiniging. Het grondverzetmag erechter niet toe leiden datop detoepassingslocatie dusdanige milieuhygiënischerisico’s ontstaan, dat volgens de Wet bodembescherming een spoedige sanering noodzakelijk zou zijn.
Om dekans op dit laatste te minimaliseren is in artikel 4.3.5, lid 3cvan deRegeling bodemkwaliteit een toetsing opgenomen van de 95-percentielwaarde van de bodemkwaliteitszone van de plaats van herkomst van de grond. Op basis van de 95-percentielwaarde wordt getoetst of vrij grondverzet op de toepassingslocatie volgens de Wet bodembescherming kan leiden tot een noodzaak tot spoedige sanering.
Een locatie kan in principe alleen spoedeisend zijn wanneer de interventiewaarde wordt overschreden. Voor deze risicobeoordeling is een standaardbeoordeling uitgewerkt in het computerprogramma Sanscrit.
In de volgende zones is de 95-percentielwaarde voor één van de stoffen hoger dan de interventiewaarde:
–Zone ‘4: Bedrijfsterreinen (Marconistraaten Stationspark): PAK in de ondergrond;
–Zone ‘5: Vooroorlogse wijken en kernen’: lood en zink in de bovengrond;
–Zone ‘6: Binnenstad Goes en vooroorlogse wijken’: lood in de boven- en ondergrond en zink in de bovengrond;
Dit betreft steeds zones die geclassificeerd zijn als klasse Industrie.
Grond met klasse industrie kan in de gemeente Goes alleen worden toegepast in enkele gebieden met bodemfunctieklasse industrie en in Grootschalige bodemtoepassingen. Volgens de standaardbeoordeling uit Sanscrit is bij het ongevoelige terreingebruik ‘ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’ voor een spoedeisende bodemverontreiniging vanwege humane risico’s een loodgehalte benodigd van minimaal 2825 mg/kgds. De 95-percentielwaarden zijn ruim beneden voornoemde waarde. Volgens de standaardbeoordeling uit Sanscrit is bij het terreingebruik ‘ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’ een humaan spoedeisende verontreiniging met zink niet mogelijk.
Voor zone 4 geldt altijd de vereiste, dat de kwaliteit van vrijkomende grond wordt vastgesteld middels onderzoek.
10.5 Conclusie risicotoolbox
Voor een aantal situaties zijn in hoofdstuk 4 van deze Nota als toepassingseis voor grond en bagger hogere Lokale Maximale Waarden (LMW) opgenomen dan de toepassingseisen volgens het generieke beleid. In dat geval schrijft het Besluit bodemkwaliteit voor, dat de gevolgen van deze LMW worden beoordeeld met behulp van een landelijk voorgeschreven risicomodel, de risicotoolbox.
Conclusie voor de bestrijdingsmiddelen
In de volgende situatie zijn de LMW hoger dan de maximale waarden die bij de betreffende functie van de bodem behoren:
–LMW bestrijdingsmiddelen bij bodemfunctie Overig en bodemfunctie Wonen.
De LMW voor de bestrijdingsmiddelen kunnen volgens de risicotoolbox ecologische risico’s opleveren in gebieden met een gemiddeld of hoog ecologisch beschermingsniveau. In het buitengebied gelden deze LMW alleen ter plaatse van voormalige boomgaarden. Hierdoor vormen de gekozen LMW in het buitengebied geen verslechtering van de huidige bodemkwaliteit en daarmee geen toename van de ecologische risico’s ten opzichte van de huidige situatie.
In een aantal gebieden met de bodemfuncties Wonen en Industrie wordt met de LMW voor de bestrijdingsmiddelen plaatselijkeen verslechteringvan debodemkwaliteit toegestaan. Ook hier levertdit in de praktijk geen toename van ecologische risico’s op. Bij gebiedsontwikkeling vindt deels grondverzet over korte afstand plaats, waarbij de bestaande verontreiniging over korte afstand wordt verplaatst en er netto geen nieuwe verontreiniging of risico’s ontstaan. Verder wordt bij het grondverzet eerder grond met verhoogde gehaltes bestrijdingsmiddelen verplaatst van een ontgravingslocatie met een hoger ecologisch beschermingsniveau naar een toepassingslocatie met een lager ecologisch beschermingsniveau (bijvoorbeeld wanneer grond uit het buitengebied wordt toegepast op een bouwlocatie) dan omgekeerd.
De LMWvoor debestrijdingsmiddelen leiden niet tot noemenswaardige humane risico’s. Uit oogpunt van de humane risico’s blijft de bodem duurzaam geschikt voor het betreffende gebruik.
Conclusie voor de NEN5740-parameters
De LMW voor de NEN5740-parameters zijn niet hoger dan de maximale waarden die bijde betreffende functie van de bodem behoren. In dat geval is de bodem in beginsel duurzaam geschikt voor het betreffende gebruik.
Disclaimer bij de risicotoolbox
Onderstaand kader bevat de disclaimer zoals ook opgenomen op de website www.risicotoolbox.nl
Status van de berekeningen van de risicotoolbox
De risicotoolbox berekent de risico's van een ingevoerde chemische bodemkwaliteit voor ecosysteem, mens en landbouwproductie. De risicotoolbox maakt hiervoor gebruik van wetenschappelijke modellen uit de normstellingspraktijk. Modellen kunnen slechts een voorspelling geven van te verwachten risico's. De kwaliteit van deze voorspellingen wordt bepaald door debetrouwbaarheid van de modellen. Demodellen achter de risicotoolbox hebben uiteenlopende betrouwbaarheden. Bij het weergeven van de resultaten wordt een kwalitatieve indruk gegeven van de betrouwbaarheid van een resultaat. De verantwoordelijkheid voor de interpretatie van de resultaten ligt bij de gebruiker van het instrument.
Het bovenstaande betekent dat voorspellingen van risico's die zowel boven als onder de - voor de gekozen bodemgebruiksvorm relevante - risicogrenswaarde liggen slechts indicatief zijn. Juist bij resultaten die dicht bij risicogrenswaarden liggen is het belangrijk om hierbij in de interpretatiefase stil te staan.
Bijlage 11: Checklist alleen voor grondverzet door particulieren en agrarische bedrijven
Checklist alleen voor grondverzet door particulieren en agrarische bedrijven:
Te gebruiken t.b.v. eigenonderzoek en eventueel overleg bevoegd gezag.
Gegevens percelen en kwaliteit grond:
Adresen eigenaar perceel waar de grondvrij komt:
......................................................
Adresen eigenaar waarde grond wordt toegepast:
......................................................
Zone bodemkwaliteit waar de grondvrijkomt:
☐ 1 Buitengebied en naoorlogse bebouwing
☐ 2 Naoorlogse bebouwing
☐ 3 Bedrijfsterreinen (De Poel)
☐ 4 Bedrijfsterreinen (Marconistraat en Stationspark)
☐ 5 vooroorlogse wijken en kernen
☐ 6 Binnenstad en vooroorlogse wijken
☐ Goese Schans zone 2: oost
Zonebodemkwaliteit waar de grond wordt toegepast:
☐ 1 Buitengebied en naoorlogse bebouwing
☐ 2 Naoorlogse bebouwing
☐ 3 Bedrijfsterreinen (De Poel)
☐ 4 Bedrijfsterreinen (Marconistraat en Stationspark)
☐ 5 vooroorlogse wijken en kernen
☐ 6 Binnenstad en vooroorlogse wijken
☐ Goese Schans zone 2: oost
Hoeveelheid grond (m3):
opmerkingen
Zijn er gegevens van het herkomstperceel bekend waaruit blijktdat het perceel of delen van het perceel verontreinigd (zou kunnen) zijn: (eventueel navragen bij gemeente)
☐ ja
☐ nee
☐ onbekend
................................
Zitten er in de grond meer dan 5% of 10% bodemvreemde bijmengingen (bijv.puin, glas, hout, plastics of oogstrestanten) of is de toe te passen grond (mogelijk) verontreinigd: (eventueel navragen bij gemeente)
☐ ja
☐ nee
☐ onbekend
................................
Agrarisch bedrijf: is de grond afkomstig van een perceel van datzelfde landbouwbedrijf en is sprake van vergelijkbaar gewas:
☐ ja
☐ nee
☐ onbekend
................................
Is de plaatswaar de grondwordt toegepast (mogelijk) verontreinigd: (eventueel navragen bij gemeente)
☐ ja
☐ nee
☐ onbekend
................................
Vinden er op het perceel waar de grond vrij- komt activiteiten plaats, of hebben die plaats gevonden, waardoor de bodem verontreinigd zou kunnenworden:
☐ ja
☐ nee
☐ onbekend
................................
Vinden er naast het perceel waar de grond vrijkomt activiteiten plaats, of hebben die plaats gevonden, waardoor de bodem verontreinigd zou kunnen worden:
☐ ja
☐ nee
☐ onbekend
................................
Datum: ................................
Ingevuld door (naam en adres): ................................
Bijlage 12: Afkortingen- en begrippenlijst
Achtergrondwaarde
Landelijke norm op basis waarvan wordt bepaald of de bodem als “schoon” wordt beschouwd. In de Nota van Toelichting van het Besluit bodemkwaliteit omschreven als:
Landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit die de grens vormenaan wat in het dagelijks gebruik
<<schone grond en bagger>> wordt genoemd.
De Achtergrondwaarden zijn opgenomen in Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit.
Asbest
Verzamelnaam voor een aantal in de natuur voorkomende mineralen (silicaten), die zijn opgebouwd uitfijne, microscopisch kleine vezels. In het verleden is asbest in verschillende producten (waaronder bouwmaterialen) toegepast vanwege de isolerende, brandwerende en slijtvaste eigenschappen.
In gebonden toestand levert asbestgeen direct gevaarvoor de volksgezondheid op. Het inademen van losse asbestvezels vormt echter een ernstig gezondheidsrisico.
Sinds 1993 is het gebruik van asbest in Nederland volledig verboden. Asbest kan bijvoorbeeld in de bodemvoorkomen via bouw-en sloopafval en via wegfunderingsmateriaal.
AW2000
Afkorting van het project Achtergrondwaarden 2000. In dit project zijn verspreid overNederland 100 locaties in natuur- en landbouw- gebieden onderzocht, waarin naarverwachting een nietmeer dan normale diffuse achtergrondbelasting uit antropogene en natuurlijke bronnenwordt verwacht.
Op basis van het AW2000-project is de hoogte van de Achtergrond- waarden voorde verschillende stoffen bepaald.
Bermgrond
Definitie zoals gehanteerd in de bodemkwaliteitskaart vande wegbermen in Zeeland:
Bermgrond is de grondvanaf de randvan de wegverharding van de weg tot aan de insteek van de slootof tot aande voet vande dijk/grondwal of totaan de kruinvan de dijk(bij een dijk)tot 50 cm onder maaiveld. Indien er geen sloot aanwezig is, wordt hiervoor een arbitraire afstand van 10 meter aangehouden (6 meter voor gemeentelijke wegbermen) vanaf de rand van de wegverharding van de weg. Indien een fietspad langs de weg aanwezig is, is de wegberm hetgedeelte vanaf de rand van het asfalt van de weg tot aan de rand van het asfalt van het fietspad en het gedeelte vanaf de rand van het asfalt tot aande insteek van de sloot.
Besluit bodemkwaliteit
Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB) op basis van onder andere de Wet bodembescherming. Vormt sinds2008 het algehele kader van de regelgeving voor het toepassen van bouwstoffen (buiten gebouwen), grond en baggerspecie.
Betrouwbaarheidsinterval van het gemiddelde
Bandbreedte waarbinnen het rekenkundig gemiddelde van een dataset naar verwachting ligt.
Een betrouwbaarheidsinterval van het gemiddelde van 80% wil zeggen, dat er 80% kans is dat het werkelijke gemiddelde van de zone (de populatie) binnen het desbetreffende interval ligt.
Zie verdere uitleg in bijlage 18 van de bodemkwaliteitskaart.
Bodembeheergebied
Gebied waarop de regelgeving uit een Nota bodembeheer betrekking heeft.
Bij verhoogde LokaleMaximale Waarden (LMW):het herkomstgebied van grond waarvoor de LMW van toepassing is.
In voorliggende Nota is het bodembeheergebied de gemeente Goes.
Bodembeheerplan
Termin het verleden gehanteerd in de Vrijstellingsregeling grondverzet. De tegenwoordige terminologie uit het Besluit bodemkwaliteit is ‘Notabodembeheer’
Beleidsdocument waarin op basis van een bodemkwaliteitskaart op lokaal niveauwordt beschreven welkeregels er voorgrondverzet gelden (waarmag –afgezien van uitzonderingssituaties- vrijkomende grond op basis vande bodemkwaliteitskaart zonderaanvullende keuringen worden hergebruikt).
Bodemfunctiekaart
Kaart waarin het grondgebied van een gemeente is ingedeeld in de bodemfunctieklassen ‘wonen’ en ‘industrie’ en overig (landbouw/natuur).
In het Besluit bodemkwaliteit zijn de normen voor het toepassen van grond en baggerop de landbodem afhankelijk gesteld van zowel de bodemkwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem. Verder is de bodemfunctiekaart van belang voor de bepaling van terugsaneerwaarden bij saneringen op basis van een BUS-melding.
Gemeentes zijnvolgens het Besluitbodemkwaliteit verplicht om een bodemfunctiekaart bestuurlijk vast te stellen.
Bodemkwaliteitskaart
Kaart waarin eenbodembeheergebied (bijvoorbeeld een gemeente) is ingedeeld in één of meer zonesmet een vergelijkbare algemene (gemiddelde) bodemkwaliteit.
Een bodemkwaliteitskaart is één van de bewijsmiddelen (milieuhygiënische verklaringen) uit de Regeling bodemkwaliteit, waarmee men de kwaliteit van een partijvrijkomende grond kan aantonen (mits er geen sprakeis van eenuitzonderingslocatie).
Bodemkwaliteitsklasse
De kwaliteit vande bodem of een partijgrond wordt volgens het Besluit bodemkwaliteit ingedeeld in één van de volgende bodemkwaliteitsklassen:
–Achtergrondwaarde
–Klasse wonen
–Klasse industrie
–Voldoet niet aan klasse industrie
Deze toetsing geschiedt op basis van de volgende in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit opgenomen normen:
–Achtergrondwaarden
–Maximale waarden voor wonen
–Maximale waarden voor industrie
Bij de toetsing aan de Achtergrondwaarden en de toetsing aan de Maximale waarden voor wonen gelden toetsingsregels (zie onder toetsingsregel)
Bodemsanering
Geheel van maatregelen gerichtop het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van een bodemverontreiniging en de gevolgen daarvan
Bodemtypecorrectie
Normen voor gehaltes verontreinigende stoffen in de bodem zijn bij de meeste stoffen afhankelijk van het percentage lutum (kleideeltjes) en organische stof (humus)
Bodemnormen zoalsgepubliceerd in bijvoorbeeld de Regeling bodemkwaliteit gelden vooreen standaardbodem (lutum= 25% en humus = 10%). Om te toetsen aan deze normen moet een bodemtypecorrectie worden uitgevoerd op basis van de percentages lutum en humusvan de te toetsen bodemof partij grond.
Bouwstoffenbesluit
Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB) die in 2008 is vervangen door het Besluit bodemkwaliteit.
Bovengrond Bovengrondmonster
In dit rapport: het dieptetraject tussen0 en 0,5 m-mv. (= het gangbare dieptetraject van geanalyseerde bovengrondmonsters in verkennend bodemonderzoek)
In deze bodemkwaliteitskaart worden grondmonsters meegerekend bij de bovengrond indien: 0 < (bovenkant monster + onderkant monster)/2 <=0,5
BUS-melding
BUS staat voor Besluit uniforme saneringen. Voor een aantal relatief eenvoudige standaardsituaties kan voor een bodemsanering worden volstaan met het indienen van een plan van aanpakmiddels een BUS-melding bij de provincie.
De procedure voor een BUS-sanering is korter dan voor een sanering, waarbij de provincie een beschikking moetafgeven over het saneringsplan.
DDD
Afkorting voor dichloordifenyldichloorethaan. Afbraak-product van het organochloorbestrijdingsmiddel DDT.
Zie verderonder DDT
DDE
Afkorting voor dichloordifenyldichloorethyleen. Afbraak-product van het bestrijdingsmiddel DDT.
Zie verderonder DDT
DDT
Afkorting voor dichloordifenyltrichloorethaan, een organochloorbestrijdingsmiddel waarvan het gebruik in Nederland sinds 1974 verboden is.
DDT werd vooralals bestrijdingsmiddel gebruikt in boomgaarden in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw.
DDD, DDE en DDT zijn slechtafbreekbaar in hetmilieu en vormeneen risico in de voedselketen door ophoping in vetweefsel.
Diffuse verontreiniging
Verontreiniging die in een groter gebied voorkomt, zonder dat er sprake is van eenaanwijsbare puntbron of veroorzaker. Bijvoorbeeld de verontreiniging in oude binnensteden als gevolg van eeuwenoude bewoning.
Drins
Verzameling van inmiddels chloorhoudende bestrijdingsmiddelen. De somparameter drinsbestaat uit aldrin, dieldrin en endrin.
Drogere oevergebieden
Drogere oevergebieden zijn gebieden die behoren tot een oppervlaktewaterlichaam, maarslechts zelden onderwater staan. De aanwijzing van drogere oevergebieden in de rijkswateren is opgenomen in de kaarten bijde Waterregeling. Voorregionale wateren zijn zij aangewezen bij provinciale verordening.
In het kader van het Besluit bodemkwaliteit vallen drogere oevergebieden onder het bevoegd gezag van de landbodem (de gemeente).
Duurzaam geschikt
De bodem wordt blijvend geschikt oftewel duurzaam geschikt geacht als de bodemkwaliteit in overeenstemming is met het gebruik van de bodem.
Bij de bodemfunctie wonen is bodem duurzaam geschikt als de gehaltes in de bodem voldoen aan de Maximale waarden voor wonen.
Bij de bodemfunctie industrie is bodem duurzaam geschikt als de gehaltes in de bodem voldoen aan de Maximale waarden voor industrie.
In het buitengebied is de bodem duurzaam geschikt als de gehaltes in de bodemvoldoen aan de Achtergrondwaarden.
Ecologische risico's
Strikt genomen de milieuhygiënische risico’s van bodemverontreiniging voorplant en dier.
De risicomodellen Sanscrit en Risicotoolbox kijken echter alleen naar het percentage soorten organismes (dieren) die negatief effecten ondervinden van de bodem-verontreiniging.
EOX
EOX staat voor Extraheerbare Organo Halogenen. Halogenen zijn chloor, fluor, broom en jodium. De analyse van EOX bepaalt het gehalte aan halogenen dieorganisch zijn gebonden. Organisch gebonden betekent dat de halogenen zijn opgenomen in kleinere of grotere moleculen waarin koolstof een centrale rol speelt.
Tot 1 juli 2008maakte EOX deeluit van het basispakket van NEN5740 als indicatie voor de aanwezigheid van organohalogeen- verbindingen.
Ernstige bodemverontreiniging
Er is sprake van een “geval van ernstige bodem-verontreiniging” indien de gemiddelde gehaltes in meer dan 25 m3 grond danwel in het grondwater in meer dan 100 m3 bodemvolume hoger zijn dan de interventiewaarde.
Gebiedsspecifiek beleid
Lokale beleidskeuzes in afwijking vanhet generieke beleidin het kader van het Besluit bodemkwaliteit (bijvoorbeeld het vaststellen van Lokale Maximale Waarden)
Wordt vastgelegd in een door de gemeenteraad vastgestelde Nota bodembeheer.
Generiek beleid
Algemene landelijke regels / normenvoor het toepassen van grond en bagger in het kadervan het Besluit bodemkwaliteit. Gebaseerd op een klasse-indeling voor zowelde kwaliteit alsde functie van de ontvangende bodem.
Historisch onderzoek
Zie vooronderzoek
Humane risico's
Gezondheidsrisico’s voor de mens
Immobiele verontreiniging
Verontreiniging die zich door de kenmerken vande verontreinigende stof (vrijwel) niet verderverspreidt in het milieu.
Interventiewaarde
Bodemnorm opgenomen in de Circulaire bodemsanering 2009, op basis waarvan wordt bepaald of er sprakeis van eengeval van ernstige bodemverontreiniging (zie aldaar).
Landsdekkend beeld bodemkwaliteit
LDB
Inventarisatie van (mogelijk) verontreinigde locaties, uitgevoerd door de bevoegd gezagen Wet bodembescherming (alle provincies en 30 grote gemeentes) in de periodetot 2004. Met name gebaseerd op bedrijfsactiviteiten uit oude Hinderwetvergunningen.
Lognormaal gemiddelde
Gemiddelde dat is berekend nadat eerst alle waarnemingen logaritmisch zijn getransformeerd. Het gemiddelde van deze logaritmes wordtvervolgens weer teruggetransformeerd.
Lokale Maximale Waarden LMW
Gebiedsspecifieke toepassingsnormen voor het toepassen van grond en bagger (in afwijking van de generieke normen gebaseerd op toetsing aan zowel de bodemkwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem)
Verhoogde LMW gelden alleen voor grond en bagger afkomstig uit het eigen bodembeheergebied.
m-mv
Afkorting voor meter beneden maaiveld
Maximale waarde voor industrie
MaxINDUSTRIE
Norm opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit, waarmee wordt getoetst of een bepaalde bodem of partijgrond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse industrie.
In voorliggende Nota is hiervoor als notatie MaxINDUSTRIE gebruikt.
Maximale waarde voor wonen
MaxWONEN
Norm opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit, waarmee wordt getoetst of een bepaalde bodem of partijgrond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse wonen.
In voorliggende Nota is hiervoor als notatie MaxWONEN gebruikt.
mg/kg lg/dag
Afkorting voor milligram per kilogram lichaamsgewicht per dag: eenheid voor de blootstelling aan verontreinigende stoffen (hoeveel verontreiniging krijgt men per dag gemiddeld binnen). De blootstelling is afhankelijk van het lichaamsgewicht.
mg/kgds
Afkorting voor milligram per kilogram drogestof, de gangbare eenheid voor verontreinigende gehaltes bij bodemonderzoek en bodemnormen.
Milieuhygiënische verklaring
Wettig bewijsmiddel in het kadervan het Besluitbodemkwaliteit voor de milieuhygiënische kwaliteit van bouwstoffen, grond of bagger, opgesteld conformde hiervoor in de Regeling bodemkwaliteit vermelde normdocumenten.
msPAF
Afkorting voor ‘meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie’
Het percentage soorten organismes dat bij een bepaalde verontreinigingssituatie een negatief effect van deze verontreiniging ondervindt, waarbij rekening wordt gehouden met het gecombineerde effect van verschillende stoffen.
msPAF is een modelmatige maat om de toxische druk in een ecosysteem te voorspellen.
MTR-humaan
MTR is een afkorting voor Maximaal Toelaatbaar Risico.
MTR-humaan is de grenswaarde aan blootstelling aan een bepaalde milieuverontreiniging, die voor de volksgezondheid beleidsmatig nog aanvaardbaar wordtgeacht.
NEN5740
Voorgeschreven normvoor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek. Hierin is vastgelegd op welke stoffen men de bodem minimaal moet onderzoeken en welke onderzoeksinspanning men afhankelijk vande oppervlakte vande onderzoekslocatie minimaal moet leveren (aantal boringen, peilbuizen en te analyseren grond- en grondwatermonsters afhankelijk van de oppervlakte van de locatie).
Nota bodembeheer
Beleidsnota in hetkader van hetBesluit bodemkwaliteit, metlokale uitwerking van regelgeving voor het toepassen van grond en bagger.
Wordt vastgesteld door de gemeenteraad met een voorbereidings- procedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
Omgevingsvergunning
Vergunning afgegeven op basis vande Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).In de Wabo zijn de vergunningsstelsels uit verschillende wettensamengebracht in één kader.
Zo vervangt de ‘omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen’ de vroegere ‘bouwvergunning’.
Onaanvaardbare risico's
Humane, ecologische, danwel verspreidingsrisico’s die dusdanig zijn dat deze volgens de Wet bodem-bescherming met spoed gesaneerd danwel beheerst.
Ondergrond Ondergrondmonster
In dit rapport: het dieptetraject tussen 0,5 en 2,0 m-mv.
(= het gangbare dieptetraject van geanalyseerde ondergrondmonsters in verkennend bodemonderzoek)
In deze bodemkwaliteitskaart worden grondmonsters meegerekend bij de ondergrond indien:
0,5 < (bovenkant monster + onderkant monster)/2 <=2,0
PAK
PAK-totaal
PAK (10 van VROM)
Voluit: Polycyclisch Aromatische Koolwaterstoffen.
In de bodemnormering worden 10 afzonderlijke PAK onderzocht, die ook wel worden aangeduid als de "10 van VROM". Deze 10 afzonderlijke PAK worden gesommeerd tot een waardevoor PAK- totaal
Dit betreft de volgende stoffen:
–antraceen
–benzo(a)antraceen
–benzo(ghi)peryleen
–benzo(a)pyreen
–benzo(k)fluorantheen
–chryseen
–fenantreen
–fluorantheen
–indeno(1,2,3cd)pyreen
–naftaleen
PCB
Afkorting voor Polychloorbyfenyl, een groep slecht in het milieu afbreekbare stoffen. Werd in het verleden onderandere gebruikt als isolatievloeistof, koelvloeistof, smeermiddel en brandvertrager.
Productie en gebruik van PCB’s zijn inmiddels verboden in Nederland.
PCB’s zijn slecht oplosbaar in water, maar goed oplosbaar in olie en vet. PCB’s hopen zichop in vetweefsel van dieren en vormen daarmee een risico in de voedselketen. PCB’s zijn in meerdere opzichten giftig.
In de bodemnormering wordt gekeken naar (de somvan) de volgende 7 PCB’s: PCB28, PCB52, PCB101, PCB118, PCB138, PCB153 en PCB180.
Percentielwaarden
Een percentielwaarde is een statistische maat hoeveel procent van de waarnemingen ondereen bepaalde waardeliggen. Zo is de 50- percentielwaarde oftewel de mediaan het getal waarbijde helft van de waarnemingen lager is en de helft van de waarnemingen hoger.
De 95-percentielwaarde voor een stof in een bepaalde zone is het getal waarbij in 95% vande representatieve monsters een lagere concentratie van diestof is gemeten. 5% van de representatieve monsters heeft in die zoneeen hogere concentratie dan de 95- percentielwaarde.
Voor het berekenen van percentielwaarden bestaan in de literatuur verschillende formules. In de Regeling bodemkwaliteit is voor de 95- percentielwaarde voorgeschreven op welke wijze deze dient te worden berekend. Deze berekeningswijze is gehanteerd voor alle percentielwaarden.
Regeling bodemkwaliteit
Ministeriële regeling bij het Besluit bodemkwaliteit, met de inhoudelijke uitwerking van de bepalingen uit het Besluit bodemkwaliteit.
Richtlijn bodemkwaliteitskaarten
Normdocument dat beschrijft hoe een bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld.
Bodemkwaliteitskaartendie dienen als milieuhygiënische verklaring in het kader vanhet Besluit bodemkwaliteit moeten worden opgesteld conform deze Richtlijn.
Opvolger van de Interimrichtlijn bodemkwaliteitskaarten die het kader vormde ten tijde van de Vrijstellingsregeling grondverzet.
Risicogrenswaarde
In de Risicotoolbox hetgehalte van eenverontreinigende stof waarboven geen sprake meer is van een duurzaam geschikte bodem. In Sanscrit hetgehalte van eenverontreinigende stof waarboven sprake is van onaanvaardbare risico’s
Risico-index
Gedefinieerd als:
Gehalte in de bodem/ risicogrenswaarde
In de Risicotoolbox is de bodem niet duurzaam geschikt indien de risico-index hoger is dan 1
In Sanscrit is sprake van een spoedeisende verontreiniging indien de risico-index hoger is dan 1
Risicotoolbox
Landelijk voorgeschreven risicomodel, op basis waarvan wordt bepaald of sprake is van een duurzaam geschikte bodem.
RUD-Zeeland
Afkorting van Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland.
Gemeenschappelijke regeling van de provincie Zeeland, het waterschap Scheldestromen en de Zeeuwse gemeenten. Met ingang van 1 januari2014 voert deze omgevingsdienst voordeze Zeeuwse overheden eenaantal taken uitop het gebiedvan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dit betreft onderandere het ketentoezicht op grond, bouwstoffen en afval.
Saneringsplan
Plan van aanpak voor het uitvoeren van een bodemsanering.
Voor een aantal relatief eenvoudige standaardsituaties kanvoor de bodemsanering wordenvolstaan met het indienen van een planvan aanpak middels een BUS-melding bij de provincie. In andere gevallen moet de provincie eersteen beschikking over het saneringsplan afgeven alvorens de bodemsanering kan worden opgestart.
Sanscrit
Landelijk voorgeschreven risicomodel, op basis waarvan wordt bepaald of een verontreiniging op een locatie spoedeisend is.
Spoedeisend
Een verontreiniging is spoedeisend, wanneer bij het huidige of voorgenomen terreingebruik sprake is van onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu.In dat gevalgeldt volgens de Wet bodembescherming een saneringsplicht en moet de verontreiniging met spoed worden gesaneerddan wel beheersmaatregelen worden getroffen.
Squit-XO
Informatiesysteem voor de registratie van vergunningen en procedures. Hierin geïntegreerd is het bodeminformatiesysteem waarin de gemeente alle bij haar beschikbare bodemonderzoeken administreert inclusief analyseresultaten van grondmonsters.
Standaardbodem
Bodem met een percentage lutum van 25% en een percentage humus van 10%. Bodemnormen zoals bijvoorbeeld opgenomen in de Regelingbodemkwaliteit gelden voor een standaardbodem. Om te toetsen aan deze bodemnormen moet een bodemtypecorrectie worden uitgevoerd.
Stiboka-kaart
Bodemkundige kaart vervaardigd door de vroegere Stichting Bodemkartering (Stiboka), tegenwoordig Alterra.
Kartering op basis van de natuurlijke bodemopbouw en bodemvormende processen in de bovenste 120 cm van de bodem.
Streefwaarde
De concentratie vaneen stof in het milieuwaarbij risico’s voor mens en ecosysteem verwaarloosbaar zijn.Ook wel aangeduid als het ‘verwaarloosbaarrisiconiveau’.
Voor grondbij het in werking tredenvan het Besluitbodemkwaliteit als toetsingsnorm vervangen door de Achtergrondwaarde. Voor grondwater nog steeds actueel.
Terugsaneerwaarde
Maximale concentratie in bodem of grondwater, die na afronding van een bodemsanering nog op eenlocatie mag achterblijven in de bodem, dan wel in het grondwater van die locatie.
Toetsingsregel
In de Regeling bodemkwaliteit zijn toetsingsregels opgenomen voor de Achtergrondwaarde en de Maximale waarden voor wonen.
De toetsingsregel voorde Achtergrondwaarde houdthet volgende in: houdt in:
Er wordt nog steeds aan de Achtergrondwaarde voldaan als voor een beperkt aantal stoffen (afhankelijk van het aantal gemeten stoffen) hogere gehaltes zijn gemeten dande Achtergrondwaarde dochniet hoger dan 2 x Achtergrondwaarde (m.u.v.nikkel) en niet hoger dan de Maximale waarde voor wonen.
Voor de bodemkwaliteitsklasse wonen geldt een vergelijkbare toetsingsregel, maar deze geldtalleen voor de toetsing van de ontvangende bodem.
Verkennend bodemonderzoek
Bodemonderzoek dat erop gericht is om met een daarvoor adequaat geachte onderzoeksinspanning (zoals vastgelegd in de norm NEN5740) vast te stellenof op een bepaalde locatie bodemverontreiniging aanwezig is, dan welde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem of een daaruit te verwijderen hoeveelheid grond te bepalen.
Volumecriterium
Minimum volumewaarbinnen de gemiddelde concentraties hoger zijn dan de interventiewaarde om te bepalenof er sprakeis van een “geval van ernstige bodemverontreiniging”
Respectievelijk 25 m3 grond danwel het grondwater in een bodemvolume van 100 m3.
Vooronderzoek
Ook wel aangeduid als ‘historisch onderzoek’
Het verzamelen van informatie over voormalig en huidig terreingebruik en eventuele andere relevante informatie over de onderzoekslocatie (bijvoorbeeld eerder uitgevoerde bodemonderzoeken), voorafgaand aan het feitelijk bodemonderzoek. Op basis van het vooronderzoek wordt een hypothese gesteld over de verwachting ten aanzien van aanwezige bodemverontreiniging (verdacht of onverdacht) en wordt de onderzoeksstrategie bepaald.
Vrijstellingsregeling grondverzet
Ministeriële regeling bij het voormalige Bouwstoffenbesluit, als wettelijke basis voor het gebruik van bodemkwaliteitskaarten bij grondverzet.
Het Besluit bodemkwaliteit bevat overgangsrecht op basis waarvan onder vigeur van de Vrijstellingsregeling grondverzet vastgestelde bodemkwaliteitskaarten en het daaropgebaseerde lokale beleid geldig blijven tot uiterlijk 2013. De gemeente Goes heeft tot 2013 gebruik gemaakt van dit overgangsrecht.
Wm-inrichting
Inrichting in het kadervan de Wet milieubeheer.
In artikel 1.1, lid 1 van de Wet milieubeheer is een ‘inrichting’ als volgt gedefinieerd:
Elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.
Zorgplicht
Een sinds 1987 in de Wet bodembescherming opgenomen algemene verplichting om de bodem te beschermen en dus nieuwe verontreiniging of aantasting van de bodemkwaliteit tegen te gaan. Concreet betekent dit, dat men geen nieuwe bodemverontreiniging mag veroorzaken en een eventueel perongeluk veroorzaakte bodemverontreiniging onverwijld ongedaan moet maken.
Voor asbestgeldt als tijdstip 1993.
In aanvulling hierop is in het Besluitbodemkwaliteit een zorgplicht opgenomen ter bescherming vanhet oppervlaktewater.