Gemeentelijke regelgeving

Beleidsnotitie Archeologie Gemeente Gemert-Bakel 2026

Gemeente Gemert-Bakel · geldt sinds 1 juli 2026

Aanhef

[Een deel van de tekst van deze bekendmaking is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar: Bijlage 1 Toelichting actualisatie archeologische verwachtingen- en waardenkaart en Bijlage 2 Overzicht van archeologische waarden, vindplaatsen en onderzoeken in de gemeente Gemert-Bakel.]

De raad van de gemeente Gemert-Bakel,

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 juni 2026;

gelet op de Gemeentewet en Omgevingswet;

Besluit

1De Beleidsnotitie Archeologie Gemert-Bakel en de geactualiseerde Archeologische verwachtingen- en waardenkaart vast te stellen;

2Het oude archeologiebeleid en bijbehorende kaart (2016) in te trekken.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering 4 juni 2026.

de raad van de gemeente Gemert-Bakel,

de griffier,

M.C.P. Laurenssen

de voorzitter,

ing. M.S. van Veen

Losse bijlagen:

Archeologische verwachtingen- en waardenkaart gemeente Gemert-Bakel

Rapport “Actualisatie archeologische verwachtingen- en waardenkaart gemeente Gemert-Bakel” incl. bijlage 1 Verwachtingsmodel regio Zuidoost-Brabant.

Bijlage 2 Overzicht van archeologische waarden, vindplaatsen en onderzoeken in de gemeente Gemert-Bakel

Bijlage 3 Overzicht van aangemelde mogelijk verstoorde percelen gemeente Gemert-Bakel

Bijlage 4 Handleiding archeologische beleidskaart gemeente Gemert-Bakel

Kaartbijlage 5 Fysisch landschap gemeente Gemert-Bakel

Kaartbijlage 6 Archeologisch landschap gemeente Gemert-Bakel

Kaartbijlage 7 Verstoringsbronnenkaart gemeente Gemert-Bakel

1 Waarom Archeologiebeleid

1.2 Afwegingskader

1.2.1 Vrijstellingsgrenzen

Om een afweging in het archeologisch belang te kunnen maken, moet de gemeente weten of er sprake is van archeologie, of die belangrijk is en wat de bedreigingen zijn. De geactualiseerde archeologische verwachtingen- en waardenkaart van Gemert-Bakel maakt dit inzichtelijk en maakt onderscheid in verschillende soorten verwachtingen- en waardengebieden, gebaseerd op onze kennis van bekende of te verwachten archeologie. De verdeling volgt een hiërarchisch systeem, waarbij de hoogste verwachtingswaarde het zwaarste regime kent.

3Artikel 5.130 lid 4 Bkl houdt een vrijstellingsgrens aan van 100 m2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.

Het uitganspunt is om bodemingrepen zo veel mogelijk te beperken of te vermijden. Daar waar dit niet mogelijk is en de aan deze verwachtingswaarde gekoppelde grenzen in oppervlak en diepte overschreden zullen worden tijdens ontwikkelingen, is in het kader van de omgevingsvergunning archeologisch onderzoek nodig. De vrijstellingsgrenzen zijn bepaald op basis van een afweging tussen de archeologische verwachtingswaarde in relatie tot duurzaam behoud, de maatschappelijke haalbaarheid en de uitvoerbaarheid.

1.2.2 Archeologische expertise

Het is voor de gemeente Gemert-Bakel cruciaal om te kunnen beschikken over structurele en voldoende archeologisch-inhoudelijke deskundigheid. Hoe groter de bekendheid met de archeologie in de regio, de specifieke archeologie van het grondgebied van de gemeente én de specifieke werkwijze van de gemeente bij ruimtelijke planvorming en vergunningverlening, hoe beter een archeoloog de gemeente kan adviseren. Om een professionele kwaliteit van de uitvoering van kernactiviteiten op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving te borgen, zijn kwaliteitscriteria ontwikkeld (VTH).

4Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving | Informatiepunt Leefomgeving

Deze kwaliteitscriteria schrijven voor waaraan ambtenaren moeten voldoen voor het uitvoeren van hun taken. Voor ambtenaren verantwoordelijk voor het toetsen van archeologisch onderzoek, rapporten en Programma’s van Eisen zijn derhalve ook criteria opgesteld. Zij hebben volgens de VTH een academische opleiding in de archeologie succesvol afgerond.

1.2.3 Archeologisch onderzoeksproces

Het selectiebesluit met betrekking tot de selectie van vindplaatsen, is gebaseerd op inhoudelijke argumenten en overwegingen. De argumenten voor deze besluiten moeten blijken uit het uitgevoerde (voor)onderzoek. Zonder (voor-)onderzoek kan geen selectiebesluit worden genomen over de omgang met archeologie. Voordat het tot een opgraving komt, zal eerst moeten worden bepaald of er sprake is van een archeologische vindplaats en of deze behoudenswaardig is.

Om dit mogelijk te maken is er in Nederland een getrapt onderzoeksysteem ingericht: de archeologische monumentenzorg (AMZ)-cyclus. Hierbij zijn toetsbare criteria als kwaliteit, zeldzaamheid en informatiewaarde van de archeologische resten alsmede de gevolgen van een ontwikkeling voor deze resten leidend. De AMZ-cyclus doorloopt drie fasen: de inventariserende fase, een selectiebesluit en daaruit volgende maatregelen. In de inventariserende fase kunnen diverse elkaar opvolgende onderzoeken uitgevoerd worden, die moeten leiden tot het vaststellen of er sprake is van archeologische waarden in een gebied, én een waardestelling die moet aangeven of de aangetroffen archeologie behoudenswaardig is, of niet. Die waardestelling is essentieel en vormt de basis voor het selectieadvies (door een gecertificeerd archeologisch adviesbureau, namens de initiatiefnemer) aan de overheid.

In Nederland wordt archeologisch onderzoek uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA stelt eisen aan het door een archeologische uitvoerder te doorlopen proces. Dat proces kan drie grote stappen beslaan, ieder met een aantal deelstappen: inventariseren, selecteren en maatregelen treffen. Zie het schema hieronder. Bij de deelstappen is tussen haakjes gezet welk soort archeologisch onderzoek daar bij kan horen.

A. Inventariseren

1Verwachting opstellen (bureauonderzoek)

2Verwachting toetsen – verkennen (boringen)

3Verwachting toetsen – karteren (boringen, proefsleuven)

4Verwachting toetsen – waarderen (proefsleuven)

B. Selecteren

1Selectiebesluit opstellen

C. Maatregelen treffen

1Vrijgeven

2Behoud ex situ (opgraven, archeologische begeleiding)

3Behoud in situ

Niet bij elk onderzoeksproces zijn alle deelstappen nodig. Het kan zijn dat de bodem van een plangebied dermate verstoord blijkt te zijn, dat meteen vrijgave kan worden verleend. Het is echter ook mogelijk dat in een plangebied de bodem intact blijkt, dat daar archeologische resten in worden aangetroffen en dat er een gedeeltelijke opgraving uitgevoerd moet worden terwijl een ander deel middels planaanpassing in de bodem behouden kan blijven.

De archeologisch-inhoudelijke deskundige van de gemeente kan al in het beginstadium aangeven hoe archeologie en het duurzame behoud hiervan geborgd moet worden in de planvorming. Hij/zij kan op basis van zijn regionale kennis, ook aangeven wanneer en welk soort archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden en welke niet. Dit verschilt per plangebied op basis van de archeologische verwachting en de beoogde geplande ontwikkeling. Hiermee kan tijd en geld worden bespaard en het voorkomt vertragingen en onvoorziene kosten ten tijde van het traject van de omgevingsvergunning. Het kan ook voorkomen dat door nieuwe inzichten een ander beeld is ontstaan ten aanzien van de archeologie in het betreffende gebied. In dat geval kan de gemeente het besluit nemen om geen archeologisch onderzoek te eisen.

Op basis van het uitgebrachte selectieadvies kan de gemeente een selectiebesluit nemen. Met het selectiebesluit geeft de gemeente aan hoe er met de aanwezige archeologie omgegaan dient te worden. Dit kan betekenen dat er geen verder onderzoek meer nodig is, of dat er na planaanpassingen verder gegaan kan worden met de ontwikkeling. Als behoud op de plek zelf niet kan, dan kan er ook gekozen worden alle archeologische resten op te graven. Dit alles maakt van elk project maatwerk.

Een tekening van het kasteel met kerk te Gemert, gemaakt in 1730 door Abraham de Haen. (coll. KUB Tilburg Brab. coll. G27/72| (6)).

2 Vertaling van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart naar beleid

2.2 Nadere beleidsafwegingen archeologie

2.2.1 Plangebied versus bodemverstorende ingreep6 Van de Water 2016.

Bij wijzigingen van het omgevingsplan dient steeds het gehele plangebied onderzocht te worden, ongeacht de -vermoedelijke- bodemroering. Dit principe wordt gehanteerd om bij het aantreffen van (behoudenswaardige) archeologische resten planaanpassing door bijvoorbeeld verplaatsen van de bodemverstorende ingrepen mogelijk te maken zonder dat bijkomend onderzoek op de nieuwe verstoringslocatie noodzakelijk is.

Bij concrete plannen (omgevingsvergunningen diverse activiteiten) dient uitgegaan te worden van de omvang van de feitelijke bodemverstoring in het plangebied. Overschrijdt deze de oppervlakte-ondergrens én de diepte-ondergrens niet, dan is er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Worden beide gestelde ondergrenzen overschreden, dan dient het gehele plangebied middels een vooronderonderzoek (doorgaans een bureau- en booronderzoek) onderzocht te worden. In het kader van eventueel vervolgonderzoek (proefsleuvenonderzoek en/of opgraving) dient het onderzoeksgebied afgestemd te worden op het verstoringsgebied (wat kleiner kan zijn dan het plangebied). Bij het berekenen van het verstoringsoppervlak, wordt boven het te bebouwen oppervlak een marge 5-10 % opgeteld om de feitelijke omvang van de bouwput, de aan te leggen kabels en leidingsleuven en dergelijke, qua verstoring mee te rekenen.

Op plangebieden, die qua bodemingreep bij concrete plannen (omgevingsvergunningen diverse activiteiten), beneden de vrijstellingsdrempel voor archeologisch onderzoek vallen, blijft de archeologische verwachtingswaarde onverminderd van kracht. Alleen indien uit (voor)onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden in het (plan)gebied meer te verwachten zijn, kan de functietoekenning Waarde-Archeologie uit het omgevingsplan verwijderd worden.

2.2.2 Bodemingrepen met een geleidelijk effect

Een aparte categorie vormen de bodemingrepen die een geleidelijk effect hebben op de dieper liggende archeologische resten. Het betreft dan met name bodemingrepen die de afvoer van grond met zich meebrengt die niet opnieuw wordt aangevuld. Hierbij kan gedacht worden aan het afplaggen van heide of het verschralen van bemeste landbouwgronden in het kader van natuurbeheer en -ontwikkeling, (laan)bomenteelt en graszodenteelt. Maar ook activiteiten die kunnen leiden tot een cumulatief aantasten van het archeologische bodemarchief. Hierbij kan gedacht worden aan: diepploegen, aspergeteelt, drainagesystemen aanleggen, enz. Deze ingrepen kunnen leiden tot een ongeziene en ongewenste verstoring van de archeologische resten. Door het afgraven van de bovengrond kunnen archeologische resten, die net onder het nieuwe oppervlak aanwezig zijn, binnen enkele jaren door natuurlijke processen worden vernietigd, omdat de bodem als beschermde deken boven deze archeologisch vindplaatsen is afgegraven.

Bij natuurbouw (terreinen met bosploeg en/of plantgaten omvormen tot bos) geldt dat de mogelijke gevolgen voor de archeologische verwachtingswaarden eerst in beeld moeten worden gebracht t.b.v. afweging van belangen. Dit geldt voor terreinen met archeologische waarden en een hoge tot middelhoge archeologische verwachting, De aanplant mag niet leiden tot onevenredige schade aan het archeologisch bodemarchief.

In dergelijke gevallen is het belangrijk in het kader van een omgevingsvergunning eerst vast te stellen wat het effect van de ingreep (op de langere termijn) kan zijn op de eventueel aanwezige archeologische ondergrond. Dit kan gebeuren door bijvoorbeeld het bestuderen van bewijsvoering om historische verstoringen vast te stellen of het vaststellen van de dikte van de bouwvoor of het beschermende akkerdek en de diepteligging van de archeologisch relevante laag met behulp van verkennende boringen en/of profielputjes. In het kader van de vergunningaanvraag of omgevingsplanwijziging dient dan ook telkens afgewogen te worden of het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek wenselijk dan wel noodzakelijk is. Het primaire doel van het archeologisch onderzoek is om eventuele archeologische waarden in kaart te brengen en te waarderen, pas daarna kan de keuze worden gemaakt om behoudenswaardige archeologische waarden op te graven, dan wel de plannen zodanig aan te passen dat archeologisch erfgoed in situ bewaard blijft.

2.2.3 Plangebied met verschillende archeologische waarden

Indien binnen een plangebied waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd volgens de archeologische beleidskaart verschillende archeologische waarden voorkomen, dan geldt de hoogste aanwezige waarde met bijbehorende vrijstellingsdrempel ter bepaling van de onderzoeksverplichting.

2.2.4 Doorschuiven van de archeologische onderzoeksplicht

Wanneer een omgevingsplan toekomstige ontwikkelingen mogelijk maakt, zal veelal een waarderend archeologisch onderzoek (bijvoorbeeld proefsleuven) plaats moeten vinden om zeker te zijn dat de toewijzing van evenwichtige functies concreet haalbaar en wenselijk is. Dit om financiële lasten voor de gebruiker zoveel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar te maken. Voordat concrete bestemmingen aan een locatie toegewezen kunnen worden zal moeten blijken of deze, ook vanuit archeologisch oogpunt, haalbaar zijn. Hierdoor worden financiële lasten bij werkzaamheden zoveel mogelijk voorzien en vermeden. Ook maakt dit het mogelijk om door middel van een vergunningenstelsel voorwaarden in het plan op te nemen die de bescherming van archeologische waarden kunnen waarborgen, wat soms een verzwaring van de ondergrens in oppervlakte en diepte betekent.

Normaliter vindt het waarderend archeologisch onderzoek plaats voor het vaststellen van (wijziging van) het omgevingsplan. In de praktijk komt het echter vaak voor dat het waarderende proefsleuvenonderzoek pas plaats vindt na vaststelling van het omgevingsplan, bijvoorbeeld omdat het plangebied nog niet toegankelijk is voor een proefsleuvenonderzoek. Het is dan nog onduidelijk of en waar precies archeologische waarden aanwezig zijn, die mogelijk bedreigd worden door de geplande nieuwbouw en of de archeologische oppervlakte- en dieptegrens aanpassing behoeven. Wel is er in het nieuwe omgevingsplan dan al een functietoekenning Waarde-Archeologie met bijbehorende ondergrens opgenomen, die gebaseerd is op algemeen archeologisch bureauonderzoek. Hierdoor is de kans groot dat er voor de aanvraag van de omgevingsvergunning geen archeologisch onderzoek meer kan worden gevraagd, omdat de bouw van een huis meestal niet boven de 250 m2 komt. Als er bij de bouw dan archeologische waarden tevoorschijn komen, is niet de vergunning vrager verantwoordelijk, maar de gemeente. Om hier op een juiste manier mee om te gaan, zal bij het doorschuiven van het waarderend archeologisch onderzoek naar de aanvraag van een omgevingsvergunning, in het vast te stellen nieuwe omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting voor archeologisch onderzoek opgenomen worden.

7Dit geldt alleen bij het vaststellen van wijzigingen op of nieuwe omgevingsplannen.

2.2.5 Toevalsvondsten8 Toevalsvondsten zijn onder de Omgevingswet ondergebracht in hoofdstuk 19: bevoegdheden in bijzondere omstandigheden.

In plangebieden die niet onderzoeksplichtig zijn of waar de initiatiefnemer heeft voldaan aan de onderzoeksverplichting, hetzij van alleen inventariserend onderzoek, hetzij ook van een opgraving of begeleiding, kan de gemeente vergunning verlenen voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. Desondanks kunnen bij graafwerkzaamhe¬den ‘toevalsvondsten’ worden gedaan, zoals crematie- of inhumatiegraven die door hun beperkte omvang en diepteligging meestal niet voorspelbaar zijn. In zo’n geval kan de initiatiefnemer niet gehouden worden aan het veroorzakersprincipe. Op basis van een selectiebesluit van de gemeente mocht het initiatief immers zonder (verdere) archeologische verplichtingen worden gerealiseerd. Dergelijke vondsten dienen op grond van art. 19.8 Omgevingswet bij het college van burgemeester en wethouders gemeld te worden. Het college stelt vervolgens de minister van OCW op de hoogte (in de praktijk de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed). Het niet melden is een strafbaar feit.

Soms kunnen dergelijke vondsten van groot belang zijn. De Omgevingswet regelt in dat geval dat niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bevoegd is om bodemverstorende werkzaamheden stil te leggen. Ook komt het voor dat onder druk van de publieke opinie alsnog na overleg tussen betrokkenen een onderzoek ingesteld wordt, ook al kan de gemeente niet meer terugkomen op de verleende vergunning. Bij het stilleggen van werk door de gemeente of het Rijk komen de kosten niet ten laste van de verstoorder, maar ‘in redelijkheid’ van de gemeente dan wel de Minister, waarbij van de gemeente verwacht mag worden, dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming evident is. Onder druk van de publieke opinie ontstaat meestal tussen alle betrokkenen een onderhandelingssituatie met hoge tijdsdruk, waarbij kosten voor de gemeente te verwachten zijn.

Bijlage 1 Toelichting actualisatie archeologische verwachtingen- en waardenkaart

Bijlage 1 Toelichting actualisatie archeologische verwachtingen- en waardenkaart

Bijlage 2 Overzicht van archeologische waarden, vindplaatsen en onderzoeken in de gemeente Gemert-Bakel

Bijlage 2 Overzicht van archeologische waarden, vindplaatsen en onderzoeken in de gemeente Gemert-Bakel

Bijlage 3 Handleiding archeologische beleidskaart gemeente Gemert-Bakel

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning waarbij de bodem geroerd gaat worden, zal bekeken worden óf er archeologisch onderzoek noodzakelijk is, en zo ja, welke maatregelen noodzakelijk zijn om verantwoord met de archeologische resten om te gaan. Op basis van de archeologische beleidskaart worden aan de verschillende categorieën verwachte of vastgestelde archeologische waarden passende beschermingsmaatregelen gekoppeld. Hoe hoger de archeologische verwachting, des te groter is de kans dat deze bij bodemingrepen aangetroffen worden. In gebieden met een lage verwachting bestaat er alleen bij grootschalige ingrepen een gerede kans op het aantreffen en verstoren van archeologische resten. De oppervlaktecriteria voor de plangrenzen zijn dan ook gebaseerd op de archeologische trefkans. Hoe kleiner deze is, hoe groter een onderzoeksgebied moet zijn om een redelijke kans te creëren archeologische relicten aan te treffen. Voor de verschillende gebiedscategorieën gelden verschillende randvoorwaarden die aangeven in welk geval een archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning en in welk geval er geen archeologisch onderzoek nodig is.

Op de archeologische beleidskaart worden onderstaande acht gebiedscategorieën onderscheiden. De bescherming van deze categorieën wordt geregeld met behulp van maatwerkregels in het omgevingsplan (omgevingswaarden). Met onderstaand schema kan aan de hand van de archeologische beleidskaart worden bepaald wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is:

De ondergrens van het projectgebied betreft bij een wijziging van het omgevingsplan en bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan het totale gebied waar een (nieuwe) functie wordt toebedeeld. Omdat het Verdrag van Malta van het principe bescherming in situ uitgaat is het zaak voor die delen die - vooralsnog - niet verstoord worden een beschermingsregime op te leggen. Bij een bouw-, sloop- of aanlegactiviteiten t.b.v. een omgevingsvergunning wordt voor de ondergrens uitgegaan van het oppervlak binnen het projectgebied dat daadwerkelijk verstoord gaat worden. Als voor een projectgebied twee of meer categorieën gelden, dan geldt de hoogste verwachting/waarde voor het gehele terrein.

Hieronder worden de voorschriften toegelicht, die gelden voor de verschillende categorieën archeologisch waardevolle en archeologische verwachtingsgebieden zoals deze zijn aangegeven op de archeologische beleidskaart:

1Categorie 1: Archeologisch monument. Archeologische resten die vanuit nationaal of gemeentelijk oogpunt behouden dienen te blijven en daarom als monument beschermd zijn ingevolge de Erfgoedwet 2015 (voor Rijksmonumenten) of via een functietoedeling in het gemeentelijke omgevingsplan. De wettelijke bescherming verbiedt hier de meeste bodemverstorende activiteiten, tenzij de Minister van OC&W of het College van B&W van de gemeente hiervoor vooraf vergunning verleent.

2Categorie 2: Gebied van zeer hoge archeologische waarde. In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. In deze gebieden is dus sprake van vastgestelde archeologische waarden. De archeologische resten op deze terreinen zijn geconcentreerd in deze gebieden aanwezig waardoor kleine bodemingrepen reeds grote gevolgen kunnen hebben (denk aan middeleeuwse begraafplaatsen). Bodemingrepen zijn in principe niet toegestaan. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 10 m² en dieper gaan dan 0,4 m -mv.

3Categorie 3: Gebied van (hoge) archeologische waarde. In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. In deze gebieden is dus sprake van vastgestelde archeologische waarden. De archeologische resten op deze terreinen zijn echter minder geconcentreerd dan bij de vorige categorie en bovendien is vaak niet exact bekend waar de resten zich bevinden. Bodemingrepen zijn in principe niet toegestaan. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 100 m² én dieper gaan dan 0,4 m -mv.

4Categorie 4: Gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern. Het gaat hier om de oude en de vermoedelijk nog oudere verschoven woonkernen en gehuchten, waar op basis van historische bronnen, oude kaarten en nog aanwezige bebouwing een hoge archeologische verwachting geldt. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 250 m² én dieper gaan dan 0,4 m –mv.

5Categorie 5a en b: Gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² én dieper gaan dan 0,4 m -mv.

6Categorie 6a en b: Gebied met een middelhoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw, en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting. Deze zones en gebieden waren net als de gebieden met een hoge verwachting in principe geschikt voor bewoning. De kans op het aantreffen van vondsten is hier echter kleiner, doordat de dichtheid aan vindplaatsen beduidend lager is dan in de gebieden met een hoge verwachting. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 2500 m² én dieper gaan dan 0,4 m.

7Categorie 7: Gebied met een lage archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten uiterst klein wordt geacht. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 100.000 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld.

8Categorie 8: Gebied zonder archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar het bodemprofiel als gevolg van archeologisch onderzoek, aangetoonde ontgrondingen, recente bebouwing en funderingen zodanig verstoord is, dat eventuele archeologische resten als verloren beschouwd mogen worden, of in ieder geval zodanig zijn aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Op deze terreinen rusten geen beperkingen ten aanzien van archeologie.

Het archeologische stappenplan

Het proces dat binnen de gemeente moet leiden tot de vraag of er een omgevingsvergunning binnen een aangewezen archeologische zone kan worden verleend, is onder te verdelen in een aantal stappen, het zgn. archeologische stappenplan.

In onderstaand schema wordt aangeven welke stappen doorlopen worden indien bij werkzaamheden archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Met kleuren is aangegeven welke partij bij die stap de bepalende factor is. Het uitvoeren van het onderzoek vindt plaats door een erkend archeologisch bureau en wordt bekostigd door de initiatiefnemer van de bodemverstorende werkzaamheden. In de wet wordt deze aangeduid als verstoorder. Iedere stap eindigt met de afweging of er voldoende informatie is om een verantwoorde beslissing over eventuele vervolgacties te kunnen nemen. Als er niet voldoende bekend is over de aard en kwaliteit van de archeologische resten (en dus over de gevolgen van de geplande ingreep) kan de gemeente verlangen dat de initiatiefnemer nader onderzoek laat verrichten waarmee de benodigde informatie wordt verzameld over de aard en kwaliteit van de aanwezige archeologische resten. Op basis van het onderzoeksrapport neemt de gemeente een besluit over het al dan niet verlenen van een vergunning en of daaraan nadere voorwaarden worden verbonden (zoals het verrichten van verder onderzoek, aanpassing van het plan, of een eventuele opgraving).

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.