De begripsbepalingen van de VOI zijn van toepassing.
5. AANSPRAKELIJKHEID, SCHADE, VERZEKERINGEN EN VEILIGHEID
5.2. Schade
5.2.1. Vergoeding van herstelkosten
1Indien vooraf tussen het college en de grondroerder de afspraak is gemaakt dat het college zelf zorg draagt voor de herstelwerkzaamheden van verharding of groenvoorzieningen brengt het college de marktconforme kosten in rekening bij de grondroerder. Hierin is begrepen inboet, degeneratie, toezicht en onderhoud door het college.
2Indien het college conform hoofdstuk 6 van dit Handboek handhavend optreedt, worden alle kosten die daaruit voortvloeien in rekening gebracht bij de grondroerder.
3De grondroerder draagt de kosten voor herstel- en/of degeneratie- en beheerskosten die berekend worden conform de vigerende hersteltarieven. Nadat de toezichthouder de hoeveelheid hersteld straatwerk of te herstellen asfalt heeft vastgelegd, ontvangt de netbeheerder een factuur voor de vastgestelde kosten. Het hersteltarievenblad wordt jaarlijks geïndexeerd.
4Alle (extra) kosten
1Onder andere kosten van: specifiek herstel van bijzondere (sier)bestrating; extra werkzaamheden t.b.v. het herstel van straatwerk jonger dan 5 jaar; de uitvoering van het Bouwprocesbesluit Arbeidsomstandigheden; verwijderen van verlaten kabels op verzoek van de gemeente; verwijderen van graffiti, posters etc. van bovengrondse voorzieningen; het aanbrengen van anti graffitivoorzieningen op bovengrondse voorzieningen; extra aan te planten groen nabij bovengrondse voorzieningen t.b.v. inpassing in de omgeving; noodzakelijke werkzaamheden aan groenvoorzieningen en bomen; vervanging en herplanten van groenvoorzieningen en bomen; het afvoeren, tijdelijke opslag en terugplaatsen van bouwstoffen; inboet en het leveren van extra bouwstoffen; afvoeren incl. de stortingskosten van (vervuilde) grond, puin, vrijgekomen asfaltmaterialen; definitief herstel asfaltverhardingen; leveren, aanbrengen en opruimen van tijdelijke (verkeers-)voorzieningen en verkeersmaatregelen en bronbemaling; herstel van verborgen gebreken; het opnieuw aanbrengen c.q. aanwijzen van peilen en hoofdafmetingen; het nemen van maatregelen t.a.v. de bereikbaarheid van andere kabels of leidingen of percelen; het tijdelijk verwijderen en terugplaatsen van bovengrondse obstakels (lichtmasten, verkeersborden); gevolgen voortvloeiend uit het breekverbod; verzekeringen; enzovoort.
die door de grondroerder of het college gemaakt moeten worden vanwege werkzaamheden m.b.t. kabels of leidingen, calamiteiten of een gevolg zijn van de voorwaarden en eisen die zijn opgenomen in de VOI 2019, de nadere regels, het instemmingsbesluit of in de vergunning komen altijd voor rekening van de grondroerder c.q. de netbeheerder.
5.4. Veiligheid en Calamiteiten
5.4.1. Bodemkwaliteit
1Bij werkzaamheden in de grond en water is de Omgevingswet (Ow), het daarbij behorende Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) en het gemeentelijke Omgevingsplan onverkort van toepassing. Het CROW heeft hiervoor de richtlijn “Werken in of met verontreinigde grond en/of verontreinigd (grond)water” (publicatie 400). Om aan de vigerende wet- en regelgeving te voldoen werken dienen initiatiefnemer en grondroerder in elk geval altijd volgens de meest actuele versie van deze regels en richtlijnen te werken.
2Afhankelijk van de lokale bodemkwaliteit neemt de grondroerder passende maatregelen om negatieve gevolgen voor de medewerkers en de omgeving (passanten, omwonenden enzovoort) te voorkomen. Dit kan alleen als van te voren voldoende bekendheid is over de lokale bodemkwaliteit, hetgeen wordt bereikt door middel van een voorafgaand bodemonderzoek, zoals bedoeld op paragraaf 5.2.2 van het Besluit Activieten Leefomgeving (BAL). De grondroerder legt de risico’s ten aanzien van de veiligheid en gezondheid van de medewerkers en de omgeving en de wijze waarmee daarmee wordt omgegaan vast in het VG&M plan (zie ook artikel 5.4. tweede lid van het Handboek).
7. RICHTLIJNEN TEN BEHOEVE VAN DE (TRACÉ)ENGINEERING
7.2. Tracé bepaling t.b.v. de aanleg van kabels of leidingen
7.2.1. Horizontale ligging
1Het kabel- en leidingentracé wordt in het algemeen en bij voorkeur in het trottoir gesitueerd.
2In het overig deel van de openbare weg wordt de riolering en transportleidingen gesitueerd.
3De minimale afstand tussen het kabel- en leidingentracé en perceelgrens is situatie afhankelijk. De algemene profielen staan in hoofdstuk 10, bijlage 10.1 van het handboek.
4Bij de plaatsbepaling van kabels of leidingen in de nabijheid van bomen wordt de afstand tussen het kabel- en leidingentracé en de stam van de boom bepaald door onderstaande minimale afstanden. Zie ook Bomenposter hoofdstuk 10, bijlage 10.4. van het handboek. De leidraad staat in onderstaande tabel:
5Binnen het kabel- en leidingentracé worden de kabels of leidingen qua horizontale maatvoering volgens een vaste volgorde ten opzichte van elkaar ingedeeld. De horizontale indeling is weergegeven in de algemene profielen, zie bijlage 10.1.
6In bermen langs wegen dient de afstand van ligging van de kabels of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk te zijn aan de diepteligging ervan, tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder.
7Het bovengenoemde basisprincipe wordt zoveel mogelijk nagestreefd. In bijzondere gevallen kan het college een andere indeling toestaan c.q. voorschrijven.
8Handholes c.q. distributiepunten mogen niet aangebracht worden in kabel- en leidingtracés, rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- of uitritten van percelen en binnen een afstand van 5,00 m vanaf bomen en niet binnen de kroonprojectie. De handholes c.q. distributiepunten worden bij voorkeur geplaatst in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen. In overleg met de toezichthouder kunnen andere afspraken worden gemaakt over deze voorschriften.
9De grondroerder vraagt vooraf aan het college toestemming om (mede)gebruik te maken van voorzieningen die eigendom zijn van de gemeente. Bijvoorbeeld voor het gebruik van mantelbuizen, kabelgoten of holle ruimten die onder een weg of in een kunstwerk (b.v. bruggen, tunnels, viaducten en dergelijke) van de gemeente aanwezig zijn.
7.2.2. Aanvullende eisen horizontale ligging
1Werkzaamheden aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen worden zoveel mogelijk vermeden. Hiermee wordt bij de engineering terdege rekening gehouden en waar mogelijk worden bij voorkeur alternatieve routes gekozen. Is het werken aan- of bij bomen of andere groenvoorzieningen toch onvermijdelijk dan wordt er eerst overleg met de toezichthouder gevoerd.
2Voorafgaand aan de engineering wordt door de grondroerder bij het college de (digitale) bomenkaart opgevraagd. Indien er zich in het tracé te handhaven (monumentale) bomen bevinden worden die, inclusief kroonprojectie) op de instemmings- of vergunningstekening weergegeven.
3Wegkruisingen die d.m.v. een persing of gestuurde boring worden gerealiseerd worden op minimaal 5,00 m vanaf de stam van een boom gesitueerd.
4Bij wegkruisingen bij gescheiden rijbanen of fietspaden met tussenliggende groenstroken bestaat de mantelbuis (indien mogelijk) uit één lengte. De mantelbuizen worden alleen aangebracht buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten van wegen, niet in de kruisingsvlakken van wegen.
5Als het onvermijdelijk is dat er in de nabijheid van bomen of andere groenvoorzieningen moet worden gewerkt, dan worden er een aantal voorzorgsmaatregelen getroffen (Hoofdstuk 9) dat schade aan de betreffende boom, groenvoorziening en aan de te leggen kabel of leiding voorkomt. Indien de afstand tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.2.1 vierde lid worden er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast of er worden (gestuurde) boringen gemaakt.
7.2.3. Verticale ligging
1Binnen het kabel- en leidingentracé worden de kabels of leidingen ten opzichte van het maaiveld qua verticale maatvoering volgens een vaste volgorde ingedeeld. De verticale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel, zie hoofdstuk 10, bijlage 10.1
2Uitgangspunten bij verticale ligging:
-Distributiekabels en -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen;
-Vrijverval leidingen hebben voorrang boven drukleidingen;
-Kabels of leidingen worden niet binnen het ontgravingsprofiel van de riolering aangelegd. Het ontgravingsprofiel is bekend bij de rioolbeheerder van de gemeente;
-Bij kruisingen van kabels of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m;
-Er wordt een strook tussen 0,60 m -mv en 1,0 -mv vrijgehouden i.v.m. kruisende vrijverval rioolaansluitingen.
3Het bovengenoemde basisprincipe wordt zoveel mogelijk nagestreefd, mede in verband met kruisende rioolaansluitingen. In bijzondere gevallen kan de gemeente een andere verticale ligging toestaan c.q. voorschrijven.
7.2.4. Aanvullende eisen voor verticale ligging
1Bij boringen/persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De minimale verticale afstand ten opzichte van de te kruisen kabels of leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding dient te worden gevoerd.
2Bij het kruisen van watergangen wordt een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte van de bodem van de watergang aangehouden.
3Indien de aanwezige bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte wordt een gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de aanwezige bodem aangehouden.
4Indien het onvermijdelijk is dat een kabel of leiding door een groenvoorziening wordt gelegd of er onderdoor wordt geperst dan bedraagt de gronddekking van die kabel of leiding (of mantelbuis) minimaal 1,00 m.
5Kabels of leidingen mogen alleen onder een overbouwing worden gesitueerd, indien de verticale afstand tussen de onderzijde van de overbouwing en het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil minimaal 2,50 m bedraagt. Dit in verband met de benodigde werkruimte voor mechanisch- en ander materieel.
6Kabels of leidingen worden alleen boven een onderbouwing (kelder, duiker etc.) gesitueerd, indien de verticale afstand tussen de bovenzijde van de onderbouwing en het ter plaatse vastgestelde maaiveld ten minste 1,00 m bedraagt. Dit in verband met benodigde gronddekking voor de kabels of leidingen.
7Koppelbalken t.b.v. funderingen worden alleen gekruist als de verticale afstand tussen de bovenkant van de koppelbalken en het maaiveld ten minste 1,00 m bedraagt en de te overbruggen ruimte tussen de koppelbalken is voorzien van een gewapende betonplaat waarboven de kabels of leidingen een veilige ligging verkrijgen.
10.2 Bepalingen van de gemeente Geldrop-Mierlo
De in artikel 3.2 bedoelde hoofdwegen zijn:
Bogardeind
Emopad
Gijzenrooijseweg
Eindhovenseweg
Nieuwendijk
Helze
Wielewaal
Nuenenseweg
Mierloseweg
Johan Peijnenburgweg
Dommeldalseweg
Laan der Vier Heemskinderen
Geldropseweg
Santheuvel-Oost
Santheuvel-West
Bekelaar
Industrieweg
Voor het overige zijn er geen specifieke bepalingen, die afwijken van het Handboek
10.3 Centrumgebied (artikel 8.1)
1centrum Geldrop
2centrum Mierlo
10.5 Contactgegevens
Algemene contactgegevens gemeente Geldrop-Mierlo:
Gemeente:
Geldrop-Mierlo
Team:
Realisatie
Postbus:
10101
Postcode:
5660 GA
Plaats:
Geldrop
Telefoon:
040-2893893
Website:
www.geldrop-mierlo.nl
E-mail:
gemeente@geldrop-mierlo.nl
Voor informatie omtrent het werken in of met verontreinigde grond :
Afdeling:
Team Realisatie
Contactpersoon:
Telefoon:
040-2893893
Website:
www.geldrop-mierlo.nl