1. Inleiding
1.1 Aanleiding
In februari 2014 is de module Kaders van het Groenbeleidsplan 2014-2024 door de raad vastgesteld. Hiermee is een begin gemaakt met een nieuw plan voor de hele gemeente. De module Kaders vormt de basis voor de overige modules van het Groenbeleidsplan.
1.2 Opbouw groenbeleidsplan
Het groenbeleidsplan is opgebouwd uit verschillende modules. Het is een leidraad voor het ontwerpen, aanleggen, beheren en onderhouden van de groene openbare ruimte. Elke module behandelt een specifiek onderwerp.
In de module Kaders zijn de doelen en uitgangspunten gesteld waarbinnen de inrichting en het beheer van het (openbaar) groen in de gemeente Geldrop-Mierlo verder ontwikkeld worden. De voorliggende module Bomenbeheer omschrijft de wijze waarop we met onze zorgplicht als boomeigenaar omgaan. Daarnaast wordt beschreven hoe en wanneer we onderhoudsmaatregelen zoals bijvoorbeeld snoeien uitvoeren.
De modulaire opbouw van het groenbeleidsplan maakt het gemakkelijk om modules in de toekomst afzonderlijk aan te passen en vast te stellen. Daarnaast kan het groenbeleidsplan ook eenvoudig worden aangevuld met nieuwe modules.
1.3 Doelstelling
Met het groenbeleid willen we een aantrekkelijke en duurzame groene woon- en leefomgeving realiseren en behouden. Hiervoor is het nodig groen en bomen te onderhouden. In de module Bomenbeheer is vastgelegd met welke wijze van beheren we dit willen bereiken.
Naast de doelen duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid, cultuurhistorie en recreatie is ook een aantal uitgangspunten uit de module Kaders hierbij van toepassing. Hieronder staan ze beschreven.
Aantallen loslaten
Hiermee wordt bedoeld dat de kwaliteit van ons bomenbestand van belang is en niet de kwantiteit. Liever minder bomen met een geschikte groeiplaats in een straat, dan meer bomen met nauwelijks groeiruimte. Dit betekent niet dat er makkelijk wordt omgegaan met het kappen van bomen. Behoud van (gezonde) bomen blijft het uitgangspunt. Als toch gekapt moet worden, wordt altijd bekeken of herplant mogelijk is.
Biodiversiteit
Groenvlakken en bomenstructuren vormen verbindingen voor allerlei dieren, groot en klein. Variatie in soorten binnen bomenrijen zorgt voor grotere biodiversiteit. Door bij het onderhoud rekening te houden met bloei en vruchtdracht (niet snoeien vlak voor of tijdens de bloei) wordt een positieve bijdrage geleverd aan de biodiversiteit.
Klimaat
Groen kan onderdeel zijn van oplossingen voor problemen die samenhangen met het klimaat en de veranderingen die hierin worden verwacht. Bij beslissingen die de hoeveelheid groen (binnen een gebied) raken, moet de invloed van groen op (de gevolgen van) het klimaat altijd als afweging worden meegenomen. Dit geldt voor nieuwe ontwikkelingen maar ook voor inrichting en beheer van groen en afhandeling van overlastmeldingen.
Bomen met slechte conditie kappen en nieuw planten
Bij bomen met een slechte conditie niet eerst jaren tijd en geld verspillen met het snoeien van dergelijke bomen om deze uiteindelijk toch te moeten kappen, maar direct actie ondernemen. Verjongen door (indien mogelijk) meteen een nieuwe boom te planten, die ook weer bijdraagt aan een evenwichtig opgebouwd bomenbestand.
1.4 Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft hoe wordt omgegaan met de zorgplicht voor de bomen. In hoofdstuk 3 is te lezen hoe op planmatige wijze de onderhoudswerkzaamheden worden opgepakt. Hoofdstuk 4 laat zien naar welke eindbeelden gewerkt wordt met het onderhoud. In hoofdstuk 5 wordt de wijze van snoeien toegelicht. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 beschreven wanneer bomen gekapt worden. In hoofdstuk 7 en 8 wordt dieper ingegaan op ziekten en plagen en wortelopdruk. Tot slot wordt in hoofdstuk 9 de communicatie rondom dit onderwerp omschreven.
2. Zorgplicht
2.1 Niveaus zorgplicht
Er worden 3 niveaus onderscheiden met betrekking tot de zorgplicht.
5. Snoeien van bomen
5.1 Algemeen
Het snoeien van bomen of het verwijderen van takken van een boom is de meest voorkomende beheermaatregel bij bomen. Gedurende de levensloop van een boom wordt meerdere malen een snoeibeurt uitgevoerd.
Vanuit de boom gezien is het in principe nooit nodig om te snoeien. In een natuurlijke situatie bepaalt de boom zelf welke tak hij laat afsterven. Dit wordt voornamelijk gestuurd door het rendement dat de boom kan halen uit het blad aan de betreffende tak tijdens de fotosynthese (het proces waarbij lichtenergie wordt gebruikt om koolstofdioxide om te zetten in koolhydraten, zoals glucose).
Veiligheid en het bereiken van het eindbeeld zijn de belangrijkste aanleidingen om een boom te snoeien. Takken die te laag hangen, die gevaar opleveren of in de toekomst gaan opleveren, dienen verwijderd te worden.
Naast de in hoofdstuk 2 omschreven zorgplicht speelt het gebruik van de grond rondom de boom sterk mee in de wijze van snoeien. Een boom langs een hoofdontsluitingsweg wordt hoger opgekroond dan een boom in een park. Over de hoofdontsluitingsweg rijden vrachtwagens met 80 kilometer per uur, terwijl in dat park alleen wandelaars en een maaimachine bij de boom komen. Wanneer in een boom langs een doorgaande weg een dode tak zit, wordt de tak verwijderd. Bij een boom die in een weiland staat, kan deze tak langer blijven zitten of hoeft zelfs helemaal niet verwijderd te worden.
Er wordt op sommige plaatsen ook met incidenteel gebruik rekening gehouden. Bijvoorbeeld een zandpad dat normaal door wandelaars gebruikt wordt, kan tevens als toegangsweg voor onderhoudsvoertuigen of bijvoorbeeld brandweer dienen.
Met elke levende tak die gesnoeid wordt, ontstaat een snoeiwond. Deze snoeiwond wordt door de boom afgesloten en overgroeid. Hoe groter de snoeiwond, hoe meer energie het de boom kost om dit af te sluiten en te overgroeien. Zolang de wond niet afgesloten en overgroeid is, blijft dit een invalsweg voor aantastingen. Boomtechnisch, maar ook qua kosten, is het sterk aan te bevelen om op tijd te snoeien in plaats van grote achterstanden te laten ontstaan.
Snoeien van de boom gebeurt niet met een vaste frequentie, maar op basis van noodzaak of op het moment dat er probleemtakken aanwezig zijn of zich vormen. Na uitvoering van een snoeibeurt dient de boom snoeitechnisch gezien op orde zijn. Dit betekent dat de boom na een snoeibeurt aan de volgende voorwaarden voldoet:
•Geen afgestorven takken en probleemtakken (gebroken takken, takken in de takvrije zone en takken die onder de gegeven omstandigheden een onveilige toestand creëren, schade, of mechanische onbalans kunnen veroorzaken) in de kroon.
•Geen takken waarvan de takdikte gemeten in centimeters meer is dan de ondergrens van de betreffende boomhoogteklasse gemeten in meters (geldt alleen voor bomen in de begeleidingssnoeifase).
5.2 Overlast van bomen
Voor de afweging wanneer wel of niet wordt ingegrepen bij overlast, wordt verwezen naar de module Overlast behorende bij dit groenbeleidsplan.
5.3 Curatieve snoei van bomen
Er kunnen aanleidingen zijn om met spoed een boom te snoeien. Hierbij moet gedacht worden aan stormschades of aanrijdingen bij bomen. Dit zal in de praktijk door de brandweer of de piketdienst worden uitgevoerd. Hun doel is het wegnemen van gevaar. Nadien dient door de beheerder de afweging gemaakt te worden of het nodig is de boom alsnog een uitgebreide snoeibeurt te geven, of wellicht over te gaan tot het kappen van de boom.
6. Rooien van bomen
6.1 Projecten in de openbare ruimte
Andere beheerdisciplines zoals wegbeheer of rioolbeheer voeren grootschalig onderhoud uit in de openbare ruimte. Meestal gaat het om vervanging van de bestaande situatie, maar vaak ook om herinrichtingen op basis van voortschrijdend inzicht of nieuwe inzichten. Als gevolg hiervan blijkt het vaak noodzakelijk om bomen te vervangen (voor de afwegingskaders zie de module Bescherming). Dit biedt echter ook de kans om aan te sluiten om werk-met-werk te kunnen maken.
6.2 Veiligheid
Om diverse redenen kunnen bomen onveilig worden. Hiermee wordt bedoeld dat er een (sterk) verhoogd risico op stam- of takbreuk ontstaan is of dat er stabiliteitsproblemen met de wortelkluit zijn. Dit kan zowel voor nog levende als voor dode bomen gelden. Dergelijke gebreken komen vaak aan het licht tijdens de reguliere of jaarlijkse controles, tijdens het uitvoeren van een nader technisch onderzoek of op basis van meldingen van derden. De zorgplicht met bijbehorende cycli en methoden is uitgangspunt bij de keuze of, en zo ja welke maatregelen genomen worden. Waarbij bijvoorbeeld angst voor omvallende bomen door extreme weersomstandigheden zonder dat dit boomtechnisch is onderbouwd, geen aanleiding is een boom te kappen.
6.3 Dunnen
Dunnen is vooral een beheermaatregel voor het onderhoud van oppervlakten zoals bosplantsoen. Maar afhankelijk van de locatie en te behalen eindbeeld kan dunnen ook in het bomenbeheer als maatregel uitgevoerd worden. De uitvoering van een dunning is altijd ten behoeve van de overblijvende beplanting. Een dunning kan in het bomenbeheer een meerwaarde hebben. Zonder dunning kan er door lichtconcurrentie meer dood hout ontstaan of kunnen de bomen niet tot volle wasdom komen. Door de juiste bomen te kappen, kan met een dunning ook overlast in de vorm van overhangende takken verminderd worden.
6.4 Bereiken geplande omlooptijd
Zoals omschreven in hoofdstuk 4 worden bomen aangeplant om een bepaald eindbeeld te bereiken, dit hangt samen met de omlooptijd. De omschreven omlooptijden moeten worden gezien als richtlijn en geven daarmee randvoorwaarden voor de inrichting van de (ondergrondse) groeiruimte in samenhang met de soortkeuze (zie module Inrichting).
Het behalen van de geplande omlooptijd is geen opzichzelfstaand afwegingskader om tot het kappen van de betreffende bomen over te gaan. Hiertoe wordt pas besloten wanneer er onevenredige beheerproblemen bestaan of aansluiting gevonden kan worden bij grootschalig onderhoud van de weg en/of riolering.
6.5 Vervanging van lanen
Voor behoud van het beeld van de straat of laan (boomstructuren) is het in sommige gevallen beter om complete straten of delen van straten of lanen te vervangen.
Straat- en laanbomen zijn aangeplant om het beeld van een laan te creëren. Hierbij is de structuur leidend in tegenstelling tot de individuele boom. Indien er om welke reden dan ook bomen uit de laan verdwijnen, dan kan daarmee dat beeld aangetast worden. Omdat het beeld van de straat- of laanbeplanting (de structuur) bepalend is, dient de afweging gemaakt te worden of tussentijds herplanten zinvol is.
Daarom is hieronder een beslisschema opgenomen waaruit blijkt wanneer men wel of niet kiest voor herplant en wanneer men over gaat tot het compleet renoveren van een straat- en laanbeplanting.
7. Ziekten en plagen
7.1 Essentaksterfte
Essentaksterfte is een schimmelziekte. Door de wind verspreiden de schimmelsporen zich door de lucht naar andere essen. Hierdoor raken heel veel essen besmet. De ziekte is (nog) niet te bestrijden of te voorkomen. Essentaksterfte is niet schadelijk voor mensen, dieren en andere boomsoorten.
Zodra ergens essentaksterfte wordt geconstateerd, wordt bepaald op welke wijze de veiligheid gewaarborgd blijft. Dit kan met snoei, maar meestal leidt dit tot het kappen van de boom of bomen.
7.2 Iepziekte
Iepziekte is een schimmelinfectie bij voornamelijk iepen die door de grote en kleine iepenspintkever en wortelcontact verspreid wordt. Deze (zeer) besmettelijke ziekte heeft er in sommige delen van Nederland voor gezorgd dat het bestand aan iepen gedecimeerd is.
Er worden geen standaard inspectierondes gehouden om eventuele besmettingen van iepziekte te constateren. Eventuele besmettingen van iepen of zelkova’s met iepziekte worden opgemerkt door de medewerkers van de buitendienst, groenbeheerder of bewoners.
Bij constatering van de aanwezigheid van iepziekte wordt de betreffende boom zo spoedig mogelijk gerooid om te voorkomen dat de besmetting zich verspreidt (artikel 13 Bomenverordening).
7.3 Eikenprocessierups
De vlinder waar het eigenlijk om gaat, heet eikenprocessierupsvlinder. De larve daarvan is een bladvretende rups die zoals de naam al zegt voornamelijk op eiken voorkomt en dan met name in eikenlanen. De nesten bestaan uit een dicht spinsel van vervellinghuidjes, met (brand)haren en uitwerpselen. De soort is (na de derde vervelling) in het bezit van voor de mens gevaarlijke brandharen. Door de aanwezigheid in grote aantallen, worden de rupsen als een plaaginsect beschouwd.
De gemeente Geldrop-Mierlo bestrijdt de eikenprocessierups en houdt daarbij alle ontwikkelingen op dit gebied nauwlettend in de gaten. De noodzaak van de bestrijding is duidelijk, maar het is van belang dit duurzaam en ecologisch te doen, rekening houdend met de kosten die daarmee gemoeid zijn. Uit recente jurisprudentie blijkt dat de bestrijding van de eikenprocessierups onder de zorgplicht van een boomeigenaar valt.
7.4 Kastanjebloedingsziekte
De kastanjebloedingsziekte is een ziekte die al meerdere jaren aanwezig is in Geldrop-Mierlo. De veroorzaker van deze ziekte die in 2002 voor het eerst in Nederland werd geconstateerd, is niet bekend. In 2009 werd de financiële steun aan de landelijke werkgroep Aesculaap ten behoeve van onderzoek, door de overheid gestopt waardoor vervolgonderzoek niet kon plaatsvinden. Belangrijkste kenmerk is dat op de bast van de boom roestbruine vochtige plekken ontstaan die gaan bloeden met een stroperige vloeistof. Uiteindelijk kan de ziekte tot gevolg hebben dat een tak of de gehele boom afsterft en daarmee onveilig wordt.
Op verschillende locaties in Geldrop-Mierlo is de ziekte geconstateerd. Dit heeft in diverse gevallen geleid tot het kappen van de bomen als gevolg van onveilige situaties. Kastanjes waarbij deze ziekte wordt geconstateerd, worden opgenomen als attentieboom. Hiervoor geldt een verhoogde zorgplicht waardoor deze bomen (minimaal) één keer per jaar gecontroleerd worden op het verloop van de aantasting zodat tijdig maatregelen genomen kunnen worden om onveilige situaties te voorkomen.
7.5 Luizen
Bladluizen voeden zich met suikerhoudende sappen uit de bladeren. Het teveel aan suiker heeft de luis niet nodig en wordt uitgescheiden. Dit wordt honingdauw genoemd. Dit leidt tot klachten die meestal gaan over honingdauw op auto’s, trottoir of meubilair. Door de honingdauw ontstaat er een plakkerig laagje. Daarnaast groeit er op de honingdauw een roetdauwschimmel waardoor onder andere de bladeren zwart worden. In Geldrop-Mierlo wordt hiertegen geen actief beheer gepleegd.
7.6 Overige ziekten en plagen
Buiten de hierboven omschreven ziekten en plagen worden er op dit moment geen maatregelen genomen om ziekten en plagen te bestrijden of te voorkomen. Mochten er zich op dit gebied ontwikkelingen voordoen die daar wel aanleiding toe geven, dan zal daar op dat moment maatwerk voor geleverd worden.