Aanhef
Samenvatting
Dit beleidsplan bevat de uitgangspunten die leidend zijn voor de uitvoering van de gladheidsbestrijding in de gemeente Geldrop-Mierlo. Het plan is geldig vanaf de winter 2025/2026 tot en met de winter van 2029/2030. Het doel van het beleidsplan is om inzicht te verschaffen in de wijze waarop de gladheid wordt bestreden. Deze werkwijze wijkt niet af van de huidige praktijk zoals beschreven in het voorgaande “Gladheidsbestrijdingsplan 2021-2025”.
De gladheidsbestrijding heeft een wettelijke grondslag in de Wegenwet en moet gezien worden als een inspanningsverplichting. De gemeente heeft de vrijheid om de keuze te maken op welke wegen en/of fietspaden de gladheid bestreden wordt. Met het vastgestelde beleidsplan kan de gemeente aantonen dat zij haar taak serieus neemt en binnen het redelijke al het mogelijke doet om aan de inspanningsverplichting te voldoen. Hiernaast moet de gemeente ook een duidelijke communicatie naar de inwoners voeren.
De gladheidsbestrijding wordt grotendeels door de eigen dienst verzorgd. Door de strooiroutes zo efficiënt mogelijk in te richten, en door het gebruik van speciaal wegenzout wordt de schadelijke invloed op het milieu beperkt. Mede om die reden is ook het aantal wegen waarop zout gestrooid wordt beperkt.
Het is voor de gemeente in praktische zin onuitvoerbaar om op elke weg gladheidsbestrijding uit te voeren. Zij vindt daarom plaats op een beperkt aantal wegen. De routes voor gladheidsbestrijding worden zodanig ontworpen dat elke woning in principe op maximaal 300 meter afstand (hemelsbreed) ligt van een route waar gladheid wordt bestreden. Indien dit vanuit doelmatigheidsoverwegingen noodzakelijk is, kan het college besluiten hiervan af te wijken, mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de bereikbaarheid en veiligheid van weggebruikers
Binnen de kaders die in het beleidsplan zijn vastgesteld stelt het college van B&W jaarlijks de wegen vast waar gladheid wordt bestreden. Dit gebeurt in de vorm van een kaart of een lijst waarop deze wegen zijn aangegeven.
Voor de gladheidsbestrijding is jaarlijks een budget van ± € 33.000,- beschikbaar. Het budget is echter niet bepalend voor de inzet, die wordt bepaald door de weersomstandigheden. Eventuele overschrijding van het budget wordt gerapporteerd via de jaarrekening.
2. Kaders voor het beleid
2.2. Wettelijke kaders
2.2.1. Aansprakelijkheid
De wegbeheerder is, op grond van artikel 15 en volgende van de Wegenwet, verantwoordelijk voor het onderhoud van de wegen. Hieronder valt ook het begaanbaar houden van wegen tijdens perioden van gladheid door bevriezing en sneeuwval. In deze tijd wordt het soms als vanzelfsprekend geacht dat ook onder winterse omstandigheden de verkeersveiligheid voor de weggebruiker, de bereikbaarheid van het reisdoel en de doorstroming van het verkeer op het gewenste niveau blijft. Maar dit is ten onrechte. De winterse omstandigheden zijn een natuurlijk fenomeen waartegenover de wegbeheerder slechts beperkte middelen en mogelijkheden kan inzetten.
De gemeente is wegbeheerder van lokale wegen en daarmee verantwoordelijk voor de bestrijding van gladheid op deze wegen. De gemeente heeft de vrijheid om de keuze te maken op welke wegen en/of fietspaden de gladheid bestreden wordt. Wanneer de gemeente niet voldoet aan haar zorgplicht en de weggebruiker als gevolg hiervan schade ondervindt, kan de gemeente aansprakelijk worden gesteld. Bij gladheid betreft het echter een inspanningsverplichting en geen resultaatverplichting. Dit betekent dat er van de gemeente verwacht mag worden dat zij alle mogelijke inspanningen verricht om gladheid te bestrijden, maar niet dat zij dit altijd kan voorkomen. Wanneer de gemeente aansprakelijk wordt gesteld voor schade ten gevolge van gladheid op de lokale weg, moet zij kunnen aantonen dat zij zorgvuldig gehandeld heeft. Daarnaast zal moeten worden bekeken of de weggebruiker zijn rijgedrag heeft aangepast aan de omstandigheden. De weggebruiker moet aantonen dat de wegbeheerder nalatig is geweest.
Het aantonen van de inspanningsverplichting kan door:
•Een vaststellen van een beleidsplan voor de gladheidsbestrijding. Hierin staat aangegeven welke prioriteiten de gemeente hanteert bij het bepalen van de strooiroutes, binnen welke tijd de gemeente op deze strooiroutes de gladheid bestrijdt en volgens welk strooischema. Maar hierin is ook aandacht voor bijzondere risico’s bij de keuze van de strooiroutes;
•Het actief uitdragen van dit plan zodat bewoners weten wat zij van de gemeente kunnen verwachten;
•Het deelnemen aan het regionale gladheidsmeldingssysteem waarmee opkomende gladheid kan worden verwacht, kan helpen bij het aantonen van het juiste handelen van de gemeente;
•Het bijhouden van een administratie van de gereden strooiroutes en -tijden zodat de gemeente kan aantonen dat zij tijdig en naar vermogen heeft gestrooid en dat zij dus zorgvuldig heeft gehandeld;
•Het voorhanden hebben van voldoende materieel;
•Consistentie in beleid en uitvoering;
•Een goed klacht- en meldingssysteem.
2.2.2. Algemeen Plaatselijke Verordening
Het sneeuw- en ijsvrij houden van trottoirs wordt niet als gemeentelijke verantwoordelijkheid beschouwd. Het is aan de eigenaar of (ver)huurder van een perceel om de toegang tot zijn/haar perceel zo veilig en toegankelijk mogelijk te houden. In de APV van Geldrop-Mierlo zijn geen bepalingen opgenomen over het sneeuw- en ijsvrij houden van trottoirs.
2.2.3. Arbo en veiligheid
Gladheidsbestrijding vindt vrijwel altijd plaats onder moeilijke omstandigheden voor het uitvoerend personeel. De kaders voor de inzet en de arbeidsomstandigheden van het personeel zijn bepaald in de Arbeidstijdenwet en de Arbowet. Voor het gemeentepersoneel geldt daarnaast de CAO Gemeenten. De werkgever kan de ambtenaar verplichten om zich buiten de voor zijn betrekking vastgestelde werktijden beschikbaar te houden voor gladheidsbestrijding als de werkgever dit uit dienstbelang noodzakelijk vindt.
De veiligheidsaspecten bij gladheidsbestrijding hebben betrekking op het gebruik van materiaal en materieel en op de uitvoering. Voor de start van het strooiseizoen wordt met alle betrokkenen de procedure doorlopen. De belangrijkste zaken die worden doorlopen zijn:
Het gladheidsbestrijdingsmaterieel moet conform de Arbowetgeving zijn voorzien van CE-markering en een bijbehorende EG-verklaring.
3. Huidige situatie
3.5. Inzet van middelen
3.5.1. Alarmering
De gladheidbestrijding wordt geleid door een geconsigneerde coördinator gladheidsbestrijding, zowel binnen als buiten reguliere werktijden. De coördinator gladheidsbestrijding bepaalt of er wel of niet gestrooid wordt.
De gemeenten in onze regio werken samen in een signaleringssysteem (zie paragraaf 3.3), met de gemeente Eindhoven als coördinator. Vanuit de meldkamer van de gemeente Eindhoven, wordt een gladheidsmelding verstuurd naar de deelnemende gemeenten. De melding omvat niet meer de mededeling dát de gemeente Eindhoven gaat strooien en met welke zoutdosering (zie paragraaf 4.2.1.). Na ontvangst van de melding gaan in alle aangesloten gemeenten de strooiwagens de weg op, zodat er overal in de regio gelijktijdig wordt gestrooid. Afgesproken is dat de acties binnen één uur worden gestart en dat de preventieve gladheidbestrijdingsactie circa twee à twee en een half uur duurt. Bij correctieve gladheidbestrijding is dit afhankelijk van de weersomstandigheden, maar gestreefd wordt om dit binnen drie uur te voltooien. Bij aanhoudende sneeuwval of ijzel (of bij andere extreme omstandigheden) zijn deze normen niet van toepassing.
Natuurlijk kan ook zonder een melding vanuit de regio worden besloten om een (lokale) strooiactie in gang te zetten. Bijvoorbeeld na melding door de politie gladheid of door eigen waarneming door de dienstdoende coördinator gladheidsbestrijding. Via de verschillende communicatiekanalen van de gemeente kunnen ook meldingen van bewoners binnenkomen. Op basis van deze meldingen kan besloten worden om een (lokale) strooiactie op te starten.
3.5.2. Strooizout
Hét middel om gladheid te bestrijden is wegenzout. Dit zout zorgt voor een verlaging van het smeltpunt van water met 4 à 5 graden. Dit betekent dat het zinloos is om zout te strooien als het (langdurige) kouder is dan 5 graden onder nul, omdat het zout niet zorgt voor het smelten van het ijs. Strooien in straten waarin bijna alleen maar bewoners van die straat rijden is niet effectief omdat daar te weinig auto’s rijden. Het inrijden van het zout door auto’s zorgt voor het beste effect. Daarom wordt in de meeste woonstraten niet gestrooid. Bij het bestrijden van gladheid door het strooien van zout kan onderscheidt worden gemaakt in preventief strooien en curatief strooien.
3.5.3. Strooizout en gladheid
De gemeente voert indien mogelijk preventieve strooiacties uit. Hierbij wordt de strooiactie uitgevoerd voordat de feitelijke gladheid ontstaat. Indien preventieve strooiacties niet mogelijk zijn, als gevolg van onvoorziene of (aanhoudende) extreme omstandigheden, dan vinden curatieve strooiacties plaats. Bij curatief strooien wordt begonnen met strooien op het moment dat de gladheid inzet. Hierbij wordt de al opgetreden gladheid bestreden.
3.5.4. Strooizout bij sneeuw
Indien meer dan 2 á 3 centimeter sneeuw valt is het enkel strooien van zout niet meer effectief. Sterker nog: door het zout kan de wegdektemperatuur verder dalen, waardoor de kans op gladheid toeneemt. Bij te verwachten sneeuwval is het van belang dat de route eerst preventief met natzout wordt gestrooid, alvorens de sneeuw met schuivers wordt verwijderd. Door de preventieve strooiactie wordt voorkomen dat het sneeuw aan het wegdek gaat hechten. Bij aanhoudende sneeuwval dienen de strooiacties in combinatie met sneeuwschuiven curatief herhaald te worden. Door de sneeuw met zout te doen dooien, daalt de wegdektemperatuur. Het is daarom bij grote hoeveelheden sneeuw niet raadzaam de sneeuw door dooien te verwijderen.
3.5.5. Bijmenging
Veelal wordt gekozen voor een natzoutstrooimethode. Hierbij wordt het droge wegenzout, vlak voordat het op de weg wordt gestrooid, bevochtigd met een Calciumchlorideoplossing. Door deze methode te gebruiken treedt er minder verwaaiing van zout op zodat er ook preventief gestrooid kan worden. Bijkomend voordeel van de natzoutstrooimethode is dat de doseringen kleiner zijn en ongeveer 20% minder zout nodig is.
4. Beleidskeuzes
4.2. Uitvoering gladheidsbestrijding
4.2.1. Zouthoeveelheid
Voorafgaand aan een strooiactie maakt de coördinator gladheidsbestrijding een inschatting van de benodigde strooihoeveelheid. Bij strooiacties zijn de aanbevolen hoeveelheden wegenzout als volgt:
Type gladheid
Preventief
Curatief
Opmerkingen
Opvriezen natte weg gedeelten
7gr/m2
7gr/m2
Meest voorkomende en herkenbare type gladheid in Nederland. Vochtig wegdek waarbij wegdek- temperatuur onder het vriespunt daalt. (meestal tussen 04:30 en 07:00)
Condensatie en/of aanvriezende mist
7gr/m2
7gr/m2
Temperatuur van het wegdek is al onder het vriespunt. Vocht in de lucht gaat dan condenseren op de weg en slaat neer in de vorm van ijskristallen.
Neerslag, sneeuw of ijzel
15gr/m2
20gr/m2
Preventief strooien. Bij aanhoudende sneeuwval of ijzel blijven herhalen, zo nodig in combinatie met het verwijderen (ploegen of borstelen) van sneeuw. (afhankelijk van de wegdektemperatuur)
4.2.2. Inzet materieel
De gemeente Geldrop-Mierlo heeft het volgende materieel in eigendom:
object
aantal
bijzonderheden
Opzetstrooier 4 m3
2
t.b.v. vrachtwagen
Tractor
3
Inzet op binnenwegen en fietspaden
aanhangerstrooier
3
loader
1
t.b.v. vullen aanhangers
Sneeuwploeg 2.4m
2
t.b.v. vrachtwagen
Sneeuwploeg 2.0 m
1
reserve
Sneeuwploeg 1.2 m
3
speciaal voor fietspaden
Rolbezem
3
speciaal voor fietspaden
Daarnaast wordt het volgende materieel ingehuurd bij een externe partij
object
aantal
bijzonderheden
Vrachtwagen
2
inclusief chauffeur
Loader
1
zout laden
De vrachtwagens worden ingezet bij de gladheidbestrijding op de hoofdontsluitingswegen en doorgaande wegen in de wijken. De gladheidbestrijding op de fietspaden en de kleinere wegen in de wijken worden door 3 kleinere strooiers (trekker met aanhangerstrooier) uitgevoerd die lichter en wendbaarder zijn.
4.2.3. Inzet personeel
Om de gladheidbestrijding op een doeltreffende manier uit te voeren is het nodig dat de coördinator snel en flexibel kan beschikken over medewerkers. Om die redenen wordt de gladheidbestrijding grotendeels in eigen beheer uitgevoerd, waar nodig wordt de strooiploeg aangevuld met personeel van derden.
De gemeente Geldrop-Mierlo heeft elk seizoen 4 strooiploegen van elk 5 medewerkers beschikbaar. De strooiploegen worden aangestuurd door vijf afwisselende coördinatoren. De coördinator gladheidsbestrijding heeft de volgende taken en bevoegdheden:
•Het bepalen van het tijdstip van strooien en het oproepen van de strooiploeg(en);
•Het tijdens de strooiactie aansturen van medewerkers en aannemers;
•De strooiploeg(en) informeren over de heersende en de te verwachten weersomstandigheden;
•Het beheren en bijhouden van het strooilog;
•Het controleren van de gereden routes, de gestrooide hoeveelheid zout en het gebruik van veiligheidsmiddelen.
Voor en na de gladheidbestrijdingsperiode vinden overleggen plaats met alle medewerkers van de strooiploeg. Voorafgaand aan de gladheidbestrijdingsperiode wordt het actieplan besproken, de procedures doorlopen, de vloot geschouwd en de routes ingereden. Na het strooiseizoen vindt een evaluatie plaats. Op basis van de evaluatie kan het gladheidbestrijdingsplan worden aangepast.
4.2.4. Tijdelijke verkeersmaatregelen
Op veel fietspaden staan zogenaamde afsluitpalen om te voorkomen dat gemotoriseerd verkeer, i.c. auto’s, gebruik kan maken van fietspaden. Omdat deze palen het strooien door auto’s met strooimachine onmogelijk maken worden deze aan het begin van de gladheidsbestrijdingsperiode verwijderd. Doorgaans is dit pas op het moment dat de eerste gladheidperiode wordt verwacht. Na de gladheidsbestrijdingsperiode worden de palen teruggeplaatst.
Een nadeel van het verwijderen van de palen is dat gemotoriseerd verkeer oneigenlijk gebruik kan maken van deze fietspaden. Om deze reden worden op een aantal locaties de palen niet verwijderd. Dit betekent dat de palen tijdens de strooironde dienen te worden verwijderd en teruggeplaatst.
Bijlage 1
Soorten gladheid
Gladheid is een breed begrip. Klimaat en weersinvloeden beïnvloeden het ontstaan van gladde situaties en maken elke locatie bovendien uniek. Deze paragraaf beschrijft de invloed die klimaat en wegdektemperatuur hebben op het ontstaan van gladheid. Daarnaast worden de verschillende soorten gladheid beschreven die onder invloed van weersomstandigheden en locatietypen kunnen ontstaan. De grote variaties die bestaan in soorten gladheid en (weers-)invloeden maakt van de bestrijding van gladheid een maatwerkplan.
Gladheid door bevriezing
Bij bevriezing van een natte weg is sprake van een stabiele situatie: er vindt doorgaans geen vochttoevoer naar de weg meer plaats. De weg is nat en de temperatuur van het wegoppervlak daalt. Wanneer de wegdektemperatuur onder het vriespunt komt, bevriest het aanwezige vocht en vormt op de weg een dunne laag ijs.
Gladheid door condensatie
Bij condensatie slaat vocht uit de lucht neer op het wegdek. De verhouding tussen de wegdektemperatuur en het dauwpunt is hierbij belangrijk. Wanneer de wegdektemperatuur lager is dan het dauwpunt, vindt ‘vochttransport’ vanuit de lucht naar het wegoppervlak plaats. De weg wordt langzaam vochtig en bij langdurig vochttransport nat. Wanneer de wegdektemperatuur onder het vriespunt daalt, slaat de waterdamp op het wegdek neer in de vorm van ijskristallen. Dit proces heet sublimeren. Bepaalde wegvakken, zoals bruggen, zijn extra gevoelig voor condensatiegladheid. Deze soort gladheid treedt vaak op bij en na een omslag in het weer na een koude periode.
Gladheid door neerslag
De meest voorkomende vormen van neerslag die gladheid veroorzaken zijn sneeuw en ijzel. Hagel kan eveneens gladheid doen ontstaan, maar dit is in de regel slechts van korte duur. Tenslotte kan mist worden opgevat als een vorm van neerslag die soms aanleiding geeft tot gladheid. In deze paragraaf komen deze vier soorten neerslag apart aan de orde. In verhouding tot de hoeveelheden vocht die bij condensatie op het wegdek komen, kunnen de hoeveelheden bij sneeuw of ijzel aanzienlijk groter zijn. Neerslag kan gladheid veroorzaken zonder dat de wegdektemperatuur onder nul ligt. Wanneer neerslag met een temperatuur onder het vriespunt op de weg terechtkomt, daalt de temperatuur van het wegoppervlak. Voor de bestrijding van gladheid veroorzaakt door neerslag is het essentieel te strooien voordat de neerslag valt. Dit is de reden waarom steeds meer preventief wordt gestrooid. Het dooimiddel vormt dan als het ware een anti-kleeflaag, waardoor de sneeuw of ijzel niet aan het wegoppervlak kan hechten en beter te verwijderen is.
Sneeuw
Over het algemeen kent men twee soorten sneeuw: (droge) sneeuw en natte sneeuw. Daarnaast bestaan nog een aantal varianten, zoals korrelsneeuw en stuifsneeuw. De hoeveelheid sneeuw die in Nederland valt is doorgaans niet van dien aard dat het verkeer langdurig wordt ontregeld. Meestal kan de sneeuw (nat of droog) afdoende worden behandeld met strooiacties. Echter, door de sneeuw met zout te bestrijden daalt de wegdektemperatuur. Het is daarom bij grote hoeveelheden sneeuw niet raadzaam de sneeuw met zout te bestrijden. Het is dan beter om de sneeuwploeg en/of rolbezem in te zetten.
IJzel
De term ijzel gebruikt men doorgaans als verzamelnaam voor diverse soorten neerslag die resulteren in de vorming van een ijslaagje. In de eerste plaats spreekt men over ijzel wanneer de neerslag weliswaar in vloeibare vorm (regeldruppels) valt, maar een temperatuur heeft beneden het vriespunt (onderkoelde regen). Zodra een druppel iets raakt bevriest de vloeistof. Er vormt zich een ijslaagje. De temperatuur hoeft daarvoor niet beneden het vriespunt te liggen. Een tweede neerslagvorm die als ijzel wordt aangeduid, betreft regen (temperatuur boven 0 °C) die op een wegdek van minder dan 0 °C valt. Ook dan vormt zich een ijslaag. Een derde vorm van neerslag die vaak ijzel wordt genoemd is de zogenaamde ijsregen. Dit is regen of motregen die tijdens het neervallen gedeeltelijk of geheel bevriest. IJzel kan bijzonder verraderlijk zijn, zowel voor het wegverkeer alsook voor voetgangers op het trottoir. Het ijslaagje kan zo helder zijn dat dit niet direct zichtbaar is. Daarnaast kan het gestrooide wegenzout bij voortdurende neerslag en weinig verkeer door het ijs ingekapseld raken, waardoor het glad kan blijven totdat de verkeersintensiteit toeneemt.
Hagel
Bij hagel bevinden de luchttemperatuur en de wegdektemperatuur zich meestal boven het vriespunt. De neerslag valt in de vorm van ijsbrokjes. Hagel valt altijd in buien, waardoor het een risico kan vormen voor het verkeer. Daarin zit dan ook het risico voor het verkeer. Een weggebruiker kan zich plotseling in een hagelbui bevinden of op een wegvak komen waarop net hagel is gevallen. Doordat de lucht- en de wegdektemperaturen doorgaans hoger liggen dan het vriespunt, smelt de hagel meestal weer snel. Hagelbuien kunnen het hele jaar door optreden. Wat dat betreft kan hagel niet als een specifieke vorm van wintergladheid worden beschouwd. Door het buiige en grillige karakter van deze neerslagvorm is het voor de wegbeheerder nagenoeg onmogelijk om goed op gladheid door hagel te anticiperen.
Mist
Hoewel de kans op mist het grootst is in het najaar, komt dit verschijnsel ook in andere seizoenen voor. Ook ’s winters kan zich mist vormen bij lucht- en wegdektemperaturen rond het vriespunt. En hoewel mist op zich al bijzonder gevaarlijk is voor het verkeer, is mist onder winterse omstandigheden nog gevaarlijker. Bij mist is de relatieve luchtvochtigheid maximaal (100%), waardoor het dauwpunt gelijk is aan de luchttemperatuur. Wanneer de wegdektemperatuur onder die omstandigheden lager is dan het dauwpunt ontstaat condensatiegladheid. Bij mist is de lucht zo verzadigd met vocht, dat de waterdruppels tegen elkaar kunnen botsen en grotere druppels vormen. Wanneer deze vervolgens op een wegdek met een temperatuur onder 0 °C vallen bevriezen ze ogenblikkelijk (ijzel). Het optreden van mist kan heel plaatselijk zijn. Mist kan daarnaast in een zeer korte tijd ontstaan of de weg op drijven (mistbanken). Dit alles maakt mist tot een voor het verkeer bijzonder gevaarlijk natuurverschijnsel.
Wegdektemperatuur
Bij alle soorten wintergladheid speelt de temperatuur van de weg een essentiële rol. De wegdektemperatuur is van veel factoren afhankelijk en daarom niet overal gelijk. De gemeente Eindhoven en een paar omliggende gemeenten brengen met behulp van wegdeksensoren de temperatuur van het wegoppervlak in beeld om ‘koude plekken’ te bepalen. Als gevolg van de variatie in wegdektemperatuur kent elk beheergebied een aantal kritische plaatsen. Dit zijn locaties waar doorgaans het eerst gladheid optreedt. Toch zijn dit niet per definitie de koudste plekken in het wegennet. Voor het optreden van wintergladheid moet immers ook worden voldaan aan de voorwaarde van de aanwezigheid van vocht. Een kritische plaats in het wegennet is een locatie waar (relatief) veel vocht aanwezig is én de wegdektemperatuur (relatief) laag is. Om deze reden worden meetstations van gladheidmeldsystemen juist op deze kritische locaties geplaatst.