6.1 Bijlage 1. Activiteiten en tijdnormering Hulp bij Huishouden
Naast de indeling in uren en activiteiten is er ook een tijdnormering Hulp bij Huishouden. De tijdnormering is indicatief. Er moet altijd een individuele afweging gemaakt worden. Als er reden is om af te wijken van de normering, kan dat, mits onderbouwd, altijd.
(*) boodschappen en warme maaltijd vallen beide onder voorliggende voorzieningen. Met gemotiveerde redenen kan hiervan afgeweken worden.
Hulp bij Huishouden alleenstaande (seniorenwoning)
Hulp bij Huishouden alleenstaande (eengezinswoning)
Hulp bij Huishouden twee- meerpersoonshuishouden
‘evt. +’houdt in, dat extra tijd geïndiceerd kan worden bij grotere leefeenheden, aanwezigheid kleine kinderen, extra bewassing etc.
(*) boodschappen en warme maaltijd vallen beide onder voorliggende voorzieningen. Met gemotiveerde redenen kan hiervan afgeweken worden.
Opvang/verzorging van kinderen (anderen helpen met zelfzorg)
(Richtlijn Hulp bij Huishouden MO zaak, januari 2011)
Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is om de ouderrol op zich te nemen.
Wassen en aankleden, hulp bij eten en drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen en opvoedingsactiviteiten.
In en uit bed halen 10 minuten per kind
Wassen en aankleden 30 minuten per kind
Eten en/of drinken geven voor broodmaaltijd 20 minuten per kind. Warme maaltijd 30 minuten per kind.
Babyvoeding: 20 minuten per kind.
Luier verschonen 10 minuten per kind.
Naar school brengen 15 minuten per gezin.
Als opvang noodzakelijk is, afhankelijk van de zorgmomenten, situatie d.w.z. leeftijd van de kinderen, gezondheidssituatie, het functioneren en aanwezige gedragsproblematiek maximaal 40 uur per week.
6.2 Bijlage 2. Normering begeleiding individueel, groep en kortdurend verblijf
Eenheden en treden
De hoeveelheid begeleiding wordt uitgedrukt in eenheden.
Er bestaan drie treden:
Trede licht: 0 tot en met 4 eenheden
Trede midden: 5 tot en met 10 eenheden
Trede zwaar: 11 eenheden of meer
Voor het bepalen van een trede wordt een afweging gemaakt tussen de benodigde intensiteit/hoeveelheid van de begeleiding en de zwaarte van de problematiek van de inwoner. Er wordt gekeken naar het gemiddelde; de intensiteit van de begeleiding kan binnen de trede per week fluctueren. Daarnaast kan een en ander afhankelijk zijn van de noodzaak om alle problemen (bijna) tegelijk op te lossen of de mogelijkheid om een prioritering aan te brengen, waardoor ze achter elkaar aan de orde kunnen komen. Een en ander kan in overleg met de zorgaanbieder worden bepaald.
Normeringen Treden
Trede Licht
De inwoners die vallen in trede licht wonen veelal zelfstandig en redden zich, maar kunnen daarbij wel een steuntje in de rug gebruiken. Enig toezicht op en het stimuleren van het zelf uitvoeren van taken en activiteiten is nodig. Het gaat daarbij vooral om ondersteuning in de zin van: “Doe je dit?”, “Heb je daaraan gedacht?”, “Hoe is het met…?”, “Is het gisteren nog gelukt met je afspraak?”. De ondersteuning kan gericht zijn op het oefenen van vaardigheden en/of handelingen. De ondersteuning is vaak enkelvoudig (gericht op structuur/regievoering of praktische vaardigheden) en de contactmomenten in de week zijn beperkt. Gedurende de begeleiding wordt gericht gewerkt aan ontwikkeling dan wel stabilisatie van de situatie van de inwoner.
Ook inwoners met zwaardere problematiek, maar met voldoende steun vanuit bijvoorbeeld het sociaal netwerk, kunnen onder deze trede vallen. De ondersteuning kan dan ook als doel hebben het steunsysteem van de inwoner te ontlasten en het netwerk van de inwoner te vergroten. Doordat het netwerk van de inwoner door de inzet van begeleiding wordt ontlast, worden gezinsleden, huisgenoten of mantelzorgers langer in staat gesteld om de ondersteuning vol te houden.
Indien de inwoner aangewezen is op 24 uurs toezicht in de nabijheid kan kortdurend verblijf worden toegekend. Binnen trede licht komt de inwoner in aanmerking voor maximaal 1 etmaal per week.
Trede Midden
De inwoners die in deze trede vallen kunnen een stevig steuntje in de rug gebruiken om zelfstandig te kunnen wonen. Veel toezicht en aansturing is noodzakelijk. Het helpen bij het (zelf) uitvoeren van taken en activiteiten is nodig. Ze hebben hun leven iets minder goed op de rails en zijn minder zelfstandig. Vaak is er sprake van een complexe situatie met niet alleen de behoefte aan ondersteuning en coaching maar ook aan het (tijdelijk) overnemen van bepaalde taken en verantwoordelijkheden. De inwoners die intensieve begeleiding nodig hebben om (sociale) vaardigheden onder de knie te krijgen en ruimte hebben om zich zelf daarbij te ontwikkelen, worden in deze trede ook ondersteund. Ondersteuning is vaak enkelvoudig (gericht op structuur/regievoering óf praktische vaardigheden) en er zijn meerdere contactmomenten per week met eventueel een wisselende intensiteit.
Voor de inwoners waarbij sprake is van een psychogeriatrische of somatische aandoening ligt het accent niet op het steuntje in de rug voor de inwoner maar op het controlemoment van de inwoner en de mantelzorgondersteuning voor zijn mantelzorger.
Indien dagbesteding onderdeel uitmaakt van de ondersteuning dan is er veelal sprake van matige tot ernstige beperkingen die het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag (werk/school of vrijetijdsbesteding) belemmeren. Inwoners hebben veelal behoefte aan een omgeving waarin volgens vaste afspraken wordt gewerkt aan ontwikkeling of aan stabilisatie van de problematiek.
Indien de inwoner aangewezen is op 24 uurs toezicht in de nabijheid kan kortdurend verblijf worden toegekend. Binnen trede midden komt de inwoner in aanmerking voor maximaal 3 etmalen per week.
Trede Zwaar
Trede zwaar is aan de orde als wekelijkse ondersteuning niet meer passend is en er bijna dagelijkse ondersteuning nodig is. Voor de inwoners die zowel op het gebied van structuur/regievoering als op het gebied van praktische vaardigheden/ handelingen intensieve ondersteuning nodig hebben, is begeleiding vanuit trede zwaar passend. Het (deels en/of tijdelijk) overnemen van taken en/ of continu bieden van ondersteuning en/ of toezicht houden kan aan de orde zijn. Dit omdat de inwoner bijvoorbeeld geen of onvoldoende regievermogen heeft. De begeleiding kan er tevens op gericht zijn de inwoner te activeren en te prikkelen. Indien de inwoner leerbaar is dan is de ondersteuning gericht op het toezien dat de inwoner het voornemen heeft om de juiste acties uit te voeren en dat de inwoner ze daadwerkelijk uitvoert. Bij deze trede zal er veelal sprake zijn van één op één begeleiding.
Voor de toekenning van dagbesteding in trede zwaar dient er sprake te zijn van matige tot ernstige beperkingen die het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag (werk/school of vrije tijdsbesteding) belemmeren. Het doel kan zijn om structuur en veiligheid te bieden waardoor ontregeling van de situatie van de inwoner wordt voorkomen. Voor anderen kan het de opstap zijn naar doorontwikkeling van arbeidsmatige vaardigheden door middel van een intensief traject.
Indien de inwoner aangewezen is op 24 uurs toezicht in de nabijheid kan kortdurend verblijf worden toegekend. Trede zwaar kan worden gebruikt voor mantelzorgondersteuning als onderdeel van de totale begeleiding.
Het is ook mogelijk om tijdelijk een hogere trede af te geven, bijvoorbeeld als de mantelzorger op vakantie gaat. In dat geval wordt de mantelzorg tijdelijk overgenomen door de instelling die het kortdurend verblijf regelt.
Beschikken en zorginzet
In de beschikking worden de te bereiken (sub) resultaten, doelen en de betreffende trede begeleiding genoemd. Dit is ook de informatie die naar de zorgaanbieder wordt doorgezet. Het is vervolgens aan de inwoner en de zorgaanbieder om te komen tot zorgaanbod dat past binnen de trede. Welke soort hulp gekozen wordt (begeleiding individueel, begeleiding groep of kortdurend verblijf) is aan de inwoner en de zorgaanbieder.
Afwijkende omstandigheden
Indien de zorgaanbieder van mening is dat de gewenste begeleiding niet geboden kan worden in de geïndiceerde trede, dan is het de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder om dit aan te geven en te onderbouwen in een ondersteuningsplan. In dit ondersteuningsplan is een onderbouwing opgenomen die gebaseerd is op de intensiteit van de benodigde begeleiding en waarin deze afwijkt van de mogelijkheid om het binnen de geïndiceerde trede te bieden aan de inwoner.
Voor gangbare begeleiding wordt uitgegaan van de inzet van deskundige medewerkers (meestal hbo-niveau) die verloond worden conform de CAO Gehandicaptenzorg of CAO Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (fwg 45). Als gemiddelde groepsgrootte voor begeleiding groep wordt 5 of meer als gangbaar gezien.
Bij afwijkend kan gedacht worden aan het begeleiden in zeer kleine groepen of de inzet van hoger gekwalificeerd personeel (met een andere cao of in een hoge schaal) waardoor de kosten voor de levering van die begeleiding hoger zijn dan de middelen die aan de categorieën zijn gekoppeld. De onderbouwing dient gegeven te worden door de zorgaanbieder en wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan dat samen met de inwoner is opgesteld.
6.3 Bijlage 3. Gebruikelijke hulp in relatie tot Hulp bij Huishouden
Deze bijlage gaat over gebruikelijke zorg in relatie tot de resultaten: het wonen in een schone en leefbare woning, goederen voor primaire levensbehoeften en beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding.
Gebruikelijke hulp en mantelzorg
In relatie tot ondersteuning vanuit de Wmo is het van belang de term gebruikelijke hulp goed te onderscheiden van het begrip mantelzorg. Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen.
Gebruikelijke hulp is per definitie hulp waarop geen aanspraak bestaat vanuit de Wmo. Het is de normale dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die een gezamenlijk huishouden voert. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten.
Mantelzorg is zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een persoon met beperkingen. De hulp wordt geboden door personen uit diens directe omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger bereid en in staat geacht mag worden deze zorg te leveren.
Definities en algemene uitgangspunten
Gezamenlijke huishouding
De definitie van gezamenlijke huishouding is opgenomen in de Wmo artikel 1.1.2: Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Lid 5: Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld,
uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander,
zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan het huishouden krachtens een geldend samenlevingscontract,
of zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar de aard en strekking overeenkomstig met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
Maatschappelijke participatie
Iedere volwassen inwoner wordt veronderstelt naast een volledige baan of opleiding een huishouden te kunnen voeren. In geval van een meerpersoonshuishouden staat het hebben van een normale baan of het volgen van een opleiding per definitie het leveren van gebruikelijke hulp niet in de weg. Gebruikelijke hulp gaat vóór op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie.
Culturele diversiteit
Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Er is sprake van een pluriforme samenleving waarin een ieder gelijke aanspraken op ondersteuning vanuit de Wmo kan maken.
Betrekken van huisgenoten/mantelzorgers bij het indicatieonderzoek
De leefeenheid van een inwoner blijft altijd primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Als er sprake is van huisgenoten, die gebruikelijke hulp dan wel mantelzorg leveren, is het zaak dat de consulent die huisgenoten wel altijd persoonlijk hoort in het kader van het onderzoek. Op die manier kan de consulent correct inventariseren welke taken de huisgenoot/mantelzorger uitvoert en hoe hij de belasting van deze taken ervaart in relatie tot zijn maatschappelijke participatie.
Juist wanneer het gaat om min of meer gebruikelijke hulp en de inzet van de huisgenoot vereist de zorgvuldigheid dat deze wordt gehoord. Een externe mantelzorger wordt in principe alleen op verzoek van de inwoner gehoord in het onderzoek.
Huishoudelijke taken
Uitstelbaar en niet uitstelbaar
Onder huishoudelijke taken vallen zowel uitstelbare als niet uitstelbare taken. Het verzorgen van, overigens gezonde, kinderen valt ook onder de voorziening Hulp bij Huishouden.
Niet uitstelbare taken zijn: maaltijd verzorgen, kinderen verzorgen, afwassen en
opruimen.
Wel uitstelbare taken zijn: boodschappen doen, wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk
(stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen).
Bijdrage van kinderen aan het huishouden
In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit kinderen, dan gaat de consulent ervan uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.
Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het bereiken van de resultaten.
Kinderen tussen de 5 en 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.
Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.
Een 18 tot 23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een eenpersoonshuishouden zijn:
schoonhouden sanitaire ruimte;
keuken en een kamer;
de was doen;
boodschappen doen;
maaltijd verzorgen;
afwassen en opruimen.
Te normeren naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventueel jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.
Aanleren van huishoudelijke activiteiten
Redenen als ‘niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijk werk willen en/of kunnen (in de zin van niet aangeleerd) verrichten’ leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor 6 weken zorg voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden.
Hoge leeftijd en trainbaarheid
Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals bij ouderen op hoge leeftijd kan, indien nodig, hulp voor de zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke hulp zouden worden gerekend.
Richtlijnen voor de consulent bij het bepalen van gebruikelijke hulp in relatie tot de Wmo
Gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting
Een consulent kan besluiten dat een huisgenoot of partner geen gebruikelijke hulp kan leveren als deze dusdanige gezondheidsproblemen heeft dat de consulent redelijkerwijs moet concluderen dat de betreffende taken niet door hem kunnen worden uitgevoerd.
Een consulent moet altijd onderzoeken of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt.
Wanneer partner of huisgenoot gezondheidsproblemen en/of beperkingen heeft of door de combinatie van een (volledige) werkkring of opleiding en het voeren van het huishouden overbelast dreigt te raken, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door betrokkene moeten worden aangeleverd. Het college moet zich daar dan een geobjectiveerd oordeel over vormen. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor.
Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om een indicatie te geven voor Hulp bij Huishouden ter overname van de gebruikelijke hulp.
In geval de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door een combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op die onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp worden gerekend. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.
Fysieke afwezigheid
Indien de huisgenoot van een inwoner vanwege zijn/haar werk fysiek niet aanwezig is wordt hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een eenpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke hulp worden geleverd.
6.4 Bijlage 4. Gebruikelijke hulp in relatie tot Begeleiding
In het kader van de Wmo wordt onderzocht wat de partner, ouders, inwonende kinderen, inwonende ouders of andere huisgenoten van de inwoner kunnen bijdragen aan het wegnemen of verminderen van het participatie- of zelfredzaamheidsprobleem. Dit sluit aan bij wat in de samenleving gebruikelijk is, namelijk dat mensen die als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren, elkaar in voorkomend geval helpen.
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid verwacht mag worden van genoemde personen.
1Artikel 1.1.1 lid 1 van de Wmo.
Vanwege het feit dat voor gebruikelijke hulp in de regel geen ondersteuning wordt verleend, kan dit betekenen dat genoemde personen gehouden zijn de hulp te verstrekken. Het bieden van de hulp is niet vrijblijvend.
In deze bijlage wordt een aantal afwegingen gemaakt voor wat betreft de afbakening van gebruikelijke hulp. Dat laat onverlet dat in iedere individuele situatie een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de inwoner en diens huisgenoten.
Bij de beoordeling van wat tot gebruikelijke hulp behoort wordt niet sec een vergelijking gemaakt tussen een ondersteuningsbehoeftige inwoner en een vergelijkbaar persoon zonder beperking. Om te beoordelen wat tot gebruikelijke hulp behoort wordt een redelijkheidstoets gedaan en dat gaat verder dan alleen de vraag of de geboden ondersteuning als ‘normaal’ of ‘gangbaar’ betiteld kan worden.
Aard van de relatie
Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers huisgenoten hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het is gebruikelijk dat mensen die een woning delen elkaar helpen en ondersteuning bieden. Wel moet er rekening gehouden worden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de inwoner. Ook de verstandhouding tussen de huisgenoten speelt een belangrijke rol. Indien sprake is van een verstoorde relatie kan het afdwingen van gebruikelijke hulp onwenselijk en ondoelmatig zijn.
Ouders aan jongvolwassenen
In Nederland loopt het ouderlijk gezag over kinderen door tot de leeftijd van 18 jaar.
2De ouder is (financieel) onderhoudsplichtig tot het 21ste levensjaar.
Ondanks dat de jongeren na hun 18e juridisch meerderjarig zijn is hun emotionele- en hersenontwikkeling vaak nog lang niet voltooid. Een ‘harde knip’ vanaf het 18e levensjaar ten aanzien van het ouderschap is dan ook niet wenselijk. Er bestaan verschillen tussen jongeren in dezelfde leeftijdscategorie. Daar waar het ene kind vanaf het 18e levensjaar in staat is zelfstandig te wonen en financieel onafhankelijk is, wordt het andere kind tot na het 23ste levensjaar begeleid door de ouders. Bij de beoordeling van wat tot gebruikelijke hulp van ouders voor hun kinderen behoort, past een zekere marge. Ook bij jongeren zonder beperking kan de hulp die de ene jongere nodig heeft nu eenmaal meer of minder zijn dan de hulp die de andere jongere nodig heeft.
3Onder de AWBZ was pas van “boven gebruikelijke zorg” bij kinderen in chronische situaties sprake wanneer de omvang van de zorg meer dan een uur per etmaal meer is dan een kind zonder beperkingen van dezelfde leeftijd gemiddeld nodig had. Het eerste uur hulp per etmaal was geen boven gebruikelijke zorg, maar hoorde nog tot de gebruikelijke hulp. Onder de Wmo kan deze richtlijn aangehouden worden.
De aard van de begeleiding kan gericht zijn op het aanleren van vaardigheden of op de overname van taken en activiteiten. Bij de opvoeding hoort het zelfstandig maken van de jongere. Dat betekent dat taken die een ouder voor de jongere uitvoert, uiteindelijk geleerd moeten worden aan de jongere. De snelheid waarmee dit gebeurt is afhankelijk van de leerbaarheid van de jongere en van de didactische vaardigheden van de ouder. Als blijkt dat het aanleren van vaardigheden niet tot de mogelijkheden behoort dan is het blijvend overnemen van deze taken door de ouder voorliggend en wordt (voor een groot deel) aangemerkt als gebruikelijke hulp.
De verstandhouding tussen de jongere en de ouder kan tijdens de puberteit veranderen. De zoektocht naar autonomie van de jongere kan leiden tot conflicten met ouders. De rollen binnen het gezin veranderen. Indien de relatie op gespannen voet staat kan het afdwingen van gebruikelijke hulp onwenselijk en ondoelmatig zijn. Het inschakelen van professionele ondersteuning kan dan een goede mogelijkheid en alternatief zijn.
Partners
Als uitgangspunt geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer; de onderhoudsplicht.
4Bij een huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn partners volgens de wet verplicht voor elkaar te zorgen.
Bij een verstoorde relatie kan het afdwingen van gebruikelijke hulp echter onwenselijk zijn.
Belastende factoren
De aanwezigheid van zogenaamde belastende factoren kan maken dat de geboden ondersteuning niet meer gebruikelijk te noemen is. Factoren die hierop van invloed zijn, zijn de aard van de ondersteuning, de totale omvang van de ondersteuning, de frequentie waarop deze ondersteuning geboden moet worden, de mogelijkheid om deze ondersteuning al dan niet te plannen, de mate van uitstelbaarheid en of sprake is van een kortdurende of langdurende ondersteuningsbehoefte. Ook de mate waarin de ondersteuningsbehoefte samenhangt met de beperking van de inwoner is van belang voor het bepalen van de gebruikelijke hulp. Bijvoorbeeld het ondersteunen bij de toiletgang van een gezinslid met een gebroken been is gebruikelijke hulp. Maar de persoonlijke verzorging van een volwassen gezinslid met blijvende zware incontinentieproblemen is niet gebruikelijk. Dit kan echter wel onder mantelzorg vallen.
Indien de ondersteuningshandeling op zich niet gebruikelijk is, maar deze vervangt een andere vorm van ondersteuning die wel gebruikelijk is binnen de leefeenheid, dan wordt dit gezien als gebruikelijke ondersteuning. Een voorbeeld is het klaarmaken van sondevoeding. Het bereiden van sondevoeding is niet gebruikelijk maar het bereiden van de maaltijd voor het de hele leefeenheid wel. Omdat de ene taak/activiteit de andere vervangt, wordt deze gezien als gebruikelijk.
De aard van de ondersteuning kan op verschillende niveaus plaatsvinden. Het niveau is van invloed op het al dan niet gebruikelijk zijn van de geboden ondersteuning. Denk hierbij aan:
Het overnemen van taken/activiteiten;
Het aanleren van vaardigheden voor het uitvoeren van taken/activiteiten;
Hulp/ondersteuning bij het uitvoeren van taken/activiteiten;
Aansturen/initiëren op het uitvoeren van taken/activiteiten;
Controleren/toezicht of de taken/activiteiten zijn uitgevoerd.
Zo zal het aanleren van vaardigheden aan een jongvolwassene eerder gezien worden als gebruikelijk, dan het aanleren van dezelfde vaardigheden aan een dementerende oudere.
In een kortdurende situatie wordt van alle huisgenoten verwacht dat zij elkaar naar vermogen hulp bieden. Deze hulp is in vrijwel alle gevallen gebruikelijk. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel van de zelfredzaamheid binnen een periode van drie maanden.
Geen gebruikelijke hulp
Voor zover een huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft of de kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de inwoner te bieden en deze vaardigheden kunnen niet worden aangeleerd, dan wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht.
Ook als de beperking van de ondersteuningsbehoeftige complex is, kan het voorkomen dat de huisgenoot niet de geschikte partij is om de ondersteuning te bieden. In die gevallen is gebruikelijke hulp niet doelmatig/gewenst en kan het inschakelen van een professional effectiever zijn.
Gebruikelijke hulp bij overbelasting
Indien degene die gebruikelijke hulp biedt fysiek of mentaal overbelast is, kan er sprake zijn van een uitzondering op grond waarvan toch taken of activiteiten moeten worden overgenomen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. Wanneer er bij de huisgenoot, eigen mogelijkheden zijn om de dreigende overbelasting op te heffen dienen deze te worden aangewend.
Gebruikelijke hulp bij mantelzorg
Binnen de leefeenheid spreken we over mantelzorg als de geboden hulp de gebruikelijke hulp overstijgt. In geval van dreigende overbelasting kan een maatwerkvoorziening worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet, als het een persoonsgebonden budget betreft, door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. Denk hierbij aan dagbesteding voor een dementerende oudere ter ontlasting van de partner of het aanbieden van respijtzorg voor een verstandelijk beperkte jongvolwassene ter ontlasting van de ouders.
Resultaat: Sociaal en persoonlijk functioneren
Het is gebruikelijk dat huisgenoten elkaar helpen bij de bevordering of het behoud van het sociaal netwerk en (tot op zekere hoogte) samen activiteiten ondernemen. Wat er aan gebruikelijke hulp verwacht mag worden is per situatie verschillend.
Ouders aan jongvolwassenen
Opvoedkundige taken worden gezien als gebruikelijke hulp. Het is gebruikelijk dat de ouder ook na het 18e levensjaar randvoorwaarden schept voor een veilige en normale sociaal-emotionele ontwikkeling van de jongere. Indien de jongere problemen of moeilijkheden ervaart in de omgang met leeftijdsgenoten kan de ouder de jongere advies geven en ondersteuning bieden. De ouder stelt leeftijdsadequate grenzen en toont interesse in relaties tussen de jongere en leeftijdsgenoten. Het is gebruikelijk dat ouders hun kinderen de noodzakelijke steun bieden om te kunnen functioneren in de omgeving en deelname aan maatschappelijke, gestructureerde activiteiten en organisaties stimuleren. Daarnaast is het gebruikelijk dat ouders hun kinderen vaardigheden aanleren zodat zij om kunnen gaan met onverwachte gebeurtenissen die de dagelijkse structuur onderbreken en hulp bieden bij het plannen van activiteiten. Hulp bij bezoek aan familie, vrienden en bijvoorbeeld de sportclub of vereniging wordt tot op zekere hoogte gezien als gebruikelijke hulp. Zo zal de ene jongere zich zelfstandig naar de sportclub kunnen verplaatsen terwijl de een andere jongere van dezelfde leeftijd nog wordt afgezet door zijn ouders. Ook hulp aan derden in het omgaan met de beperkingen van de jongere wordt gezien als gebruikelijk.
Uit het voorgaande blijkt dat ouders een belangrijke rol spelen in het leven van de jongvolwassene. Tegelijkertijd moet niet uit het oog verloren worden dat het gebruikelijk is dat de jongere steeds meer loskomt van zijn ouders en de relatie met hen herziet. Ook dit kan een factor zijn die van invloed is op het al dan niet gebruikelijk zijn van bepaalde ondersteuning.
Partners
Het begeleiden van een partner bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie en vrienden, valt onder gebruikelijke hulp. Het wordt normaal geacht dat partners elkaar hulp bieden bij het ondernemen van (sociale) activiteiten. Het is gebruikelijk dat zij elkaar ondersteunen in hun groei en ontwikkeling. Bij partners kan verondersteld worden dat een groot deel van het sociaal verkeer gezamenlijk plaatsvindt. Begeleiding onderling is gebruikelijk.
Resultaat: Huishoudboekje op orde
Het bijhouden van de (algemene) administratie voor de gehele leefeenheid is een taak die hoort bij het voeren een gezamenlijk huishouden. Het is gebruikelijk dat één persoon binnen de leefeenheid de gehele administratie voor zijn rekening neemt. Bij uitval van deze persoon is het gebruikelijk dat een andere huisgenoot deze taak overneemt.
Ouders aan jongvolwassenen
Vaak genereren jongeren in de leeftijd van 18 tot 23 jaar nog niet voldoende inkomsten om in hun basisbehoeften te voorzien. Ook het inzicht in de hoogte van de inkomsten in relatie tot de uitgaven ontbreekt regelmatig. Het is gebruikelijk dat de jongere ondersteuning krijgt bij het op orde houden van het eigen huishoudboekje en vaardigheden krijgt aangeleerd in het omgaan met de financiën. Denk hierbij ook aan hulp bij het aanvragen van een uitkering en het openen en behandelen van post. De begeleiding naar financiële zelfstandigheid en het aanleren van de benodigde vaardigheden wordt gezien als gebruikelijke hulp en is een onderdeel van de opvoeding.
Partners
Indien een partner niet meer in staat is tot het bijhouden van de administratie en de bijkomende taken, dan is het gebruikelijk dat de andere partner ondersteuning biedt of de gehele administratie overneemt. Het kan wenselijk zijn dat de ene partner de andere partner vaardigheden aanleert om de administratie in de toekomst zelfstandig bij te kunnen houden. Of het aanleren van deze vaardigheden mogelijk is hangt enerzijds af van de leerbaarheid van de ondersteuningsbehoeftige en anderzijds van het vermogen van de partner om informatie over te brengen.
Resultaat: Zelfzorg en gezondheid
Het is gebruikelijk, dat mensen die een gezamenlijk huishouden voeren, in zekere mate zorg dragen voor elkaar en ‘een oogje in het zeil houden’.
Ouders aan jongvolwassenen
In principe is het gebruikelijk dat een inwonende jongere zichzelf feitelijk kan verzorgen. Overname van deze persoonlijke verzorging is niet gebruikelijk. Echter, het aansporen tot en aansturing geven ten aanzien van de persoonlijke verzorging kan dit, tot op zekere hoogte, wel zijn. Denk bij aansporing aan: ‘Trek vandaag eens een schoon shirt aan’ of ‘Heb je vandaag al gedoucht?’. Ook hulp bij het uitzoeken en klaarleggen van kleding en het meegaan naar artsen en specialisten wordt gezien als gebruikelijke hulp.
Partners
De zorgplicht van partners onderling betreft de persoonlijke verzorging en ondersteunende begeleiding: persoonlijke, lichamelijke zorg inclusief assistentie bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen, aandacht en begeleiding bij ziekte en psychosociale problemen. Ook het meegaan naar ziekenhuis afspraken en het uitzoeken en klaarleggen van kleding wordt gezien als gebruikelijke hulp.
Het wordt normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot persoonlijke verzorging. Daarnaast kunnen ouderen te maken krijgen met lichamelijk onvermogen of problemen die cognitief van aard zijn. Het is gebruikelijk dat de andere partner leert omgaan met deze beperkingen en waar nodig hulp biedt. De benodigde hulp is in deze situaties omvangrijker dan voor gezonde partners, maar is nog steeds gebruikelijk.
Kinderen voor inwonende ouders
Van volwassen kinderen kan worden verwacht dat zij indien nodig het huishouden op zich nemen en ondersteunende begeleiding bieden, maar persoonlijke verzorging van de ouder wordt niet gezien als gebruikelijke hulp.
5Uiteraard is er altijd sprake van cliëntsoevereiniteit; de wens van de zorgvrager ten aanzien van de vraag van wie hij zorg wenst te ontvangen, dient leidend te zijn.
Indien een volwassen kind besluit om een (steeds beperktere) ouder in huis te nemen is het wel gebruikelijk dat het volwassen kind bepaalde taken overneemt en waar nodig de ouder aanspoort tot zelfzorg.
Resultaat: Regie bij het voeren van een huishouden
Huisgenoten binnen een leefeenheid hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen samen verantwoordelijk voor het op orde houden en functioneren van het huishouden. Dit geldt ook voor het voeren van de regie. Het is gebruikelijk dat één persoon binnen het huishouden de regie voert ten behoeve van de gehele leefeenheid. Indien deze persoon uitvalt, dan dient een andere huisgenoot deze regie over te nemen.
Ouders aan jongvolwassenen
Afhankelijk van de sociaal-emotionele- en cognitieve ontwikkeling van de jongere is het gebruikelijk dat de ouders de jongere vaardigheden aanleren om zelfstandig te wonen en hulp bieden bij het regelen van de randvoorwaarden voor een eigen woning. Denk hierbij ook aan het afsluiten van verzekeringen en het openen en behandelen van post. De begeleiding naar het zelfstandig voeren van een huishouden en het aanleren van de benodigde vaardigheden wordt gezien als gebruikelijke hulp. Het is gebruikelijk de jongere bij deze taken te helpen (of zelfs uitvoeren) totdat deze zelfstandig gaat wonen (en soms zelfs daarna).
Partners
Indien een partner niet meer in staat is tot het voeren van de regie binnen het huishouden, dan is het gebruikelijk dat de andere partner ondersteuning biedt of de regie overneemt. Het kan wenselijk zijn dat de ene partner de andere partner instructies geeft voor het aanleren van vaardigheden om de regie zelf te kunnen voeren. Of het aanleren van deze vaardigheden mogelijk is hangt enerzijds af van de leerbaarheid van de ondersteuningsbehoeftige en anderzijds van het vermogen van de partner om informatie over te brengen
Resultaat: Hebben van een zinvolle daginvulling
Het hebben van een zinvolle daginvulling kan deels voortvloeien uit structurele activiteiten en verplichtingen (werk, zorg voor kinderen, sociale verplichtingen), maar ook uit zorg gerelateerde verplichtingen (afspraken met de medisch specialist) en routinematige activiteiten zoals het nuttigen van ontbijt, middageten en avondeten. Doorgaans heeft iedere huisgenoot zijn eigen dagindeling; de een staat vroeg op om naar school te gaan terwijl de ander pas laat thuis komt van een avonddienst. Ondanks de eigen dagindeling kan er wel sprake zijn van een zekere structuur door routinematige activiteiten. Daarnaast is het gebruikelijk dat huisgenoten ook gezamenlijk tijd doorbrengen. Zo wordt het doornemen van de dag gezien als een gebruikelijke activiteit binnen de leefeenheid.
Het hebben van een gezond dag- en nachtritme is een belangrijke voorwaarde voor het behoud van een wekelijkse structuur. Ondanks dat iedere huisgenoot een eigen dagindeling heeft is het wel gebruikelijk om rekening te houden met elkaar. Indien de inwoner een afwijkend dag-nacht ritme heeft kan het wenselijk zijn dat deze aansluiting zoekt bij de persoon binnen de leefeenheid die wel beschikt over een gezond dag-nacht ritme. Het is binnen de structuur van de leefeenheid immers mogelijk om op hetzelfde tijdstip op te staan, naar bed te gaan en gezamenlijk de maaltijden te nuttigen. Structuur in de dag kan ontstaan door het ritme van de andere personen binnen het huishouden.
Ouders aan jongvolwassenen
Indien de jongere geen opleiding volgt of werk heeft, dan is het gebruikelijk dat de ouder de jongere stimuleert en aanstuurt op een zinvolle dagbesteding of arbeidsactivering. Het wordt normaal geacht dat de ouder hierover met de jongere in gesprek gaat, helpt bij het maken van keuzes en ondersteuning biedt bij bijvoorbeeld sollicitaties of naar vermogen onderwijsbegeleiding biedt. Dat ouders en kinderen naast de daginvulling gezamenlijk tijd doorbrengen is eveneens gebruikelijk in het kader van de leefeenheid waarin personen zich bevinden.
Partners
Als uitgangspunt geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp. Een en ander hangt ook samen met de levensfase waar de partners zich in bevinden. Bij ouderen van pensioengerechtigde leeftijd dient rekening gehouden te worden met het feit dat voor deze groep geen arbeids- of leerplicht (meer) geldt. Het is gebruikelijk dat zij het leven zonder arbeidsmatige verplichting tot een prettige levensstijl maken. Zij het individueel, zij het met elkaar. Het is gebruikelijk dat partners elkaar hierin ondersteunen. Het hebben van een gezamenlijke daginvulling is voor deze ouderen meer gebruikelijk dan voor partners die beiden verplicht zijn om betaalde arbeid te verrichten.
6.5 Bijlage 6: vaststelling hoogte Pgb
Het pgb is gelijk aan de kosten die de gemeente maximaal zou moeten betalen aan de door de gemeente gecontracteerde leverancier als de voorziening in natura zou worden verstrekt (de goedkoopst compenserende voorziening wordt verstrekt). Hierbij geldt als uitgangspunt de koopprijs van de voorziening in natura en worden eventuele kortingen van de leverancier aan de gemeente ook meegenomen bij de berekening van de pgb.
Mocht een pgb worden aangevraagd voor een dusdanige voorziening, die niet in het assortiment van de gecontracteerde leverancier zit, dan wordt de hoogte van het pgb vastgesteld aan de hand van marktconforme prijzen. Eventuele meerkosten komen voor rekening van de aanvrager.
Het pgb bedoeld voor de aanschafprijs wordt in 1 keer uitgekeerd. Kosten voor reparatie/onderhoud en verzekeringskosten worden jaarlijks vooruit uitgekeerd. Er wordt rekening gehouden met een garantieperiode van 2 jaren voor de hulpmiddelen en 6 maanden voor reparaties. Eén maand na verstrekking van het pgb wordt gecontroleerd of de voorziening is aangeschaft. Na de afschrijvingsperiode wordt het pgb aan de hand van betalingsbewijzen van onderhouds-/reparatie/verzekeringskosten gecontroleerd en daarmee wordt ook meteen het totale pgb verantwoord.
Een (nieuw) pgb voor dezelfde voorziening kan pas worden verstrekt als de voorziening die eerder (in natura of via een pgb) verstrekt is, niet meer adequaat is.
Niet meer adequaat houdt in als binnen de afschrijvingstermijn het ziektebeeld is veranderd.
Als een voorziening is afgeschreven maar nog wel compenserend is, wordt geen nieuw pgb verstrekt. Of de voorziening nog compenserend is, wordt beoordeeld door een door de gemeente aan te wijzen externe deskundige. De eventuele daaraan verbonden kosten zijn voor rekening van de gemeente. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag kan opnieuw een pgb voor de jaarlijkse kosten van onderhoud, reparatie en verzekering worden verstrekt als het eerder toegekend pgb volledig is verantwoord.
Als een voorziening voor afloop van de afschrijvingstermijn aan vervanging toe is vanwege technische gebreken bij normaal gebruik, wordt een nieuwe voorziening toegekend. Onder voorwaarden dat:
de voorziening is gebruikt waarvoor deze gebruikt moest worden;
de voorziening goed onderhouden is conform afspraken ( reguliere service / onderhoudsbeurten.
Als extra reparaties als gevolg van eigen toedoen (bijvoorbeeld nalatigheid van onderhoud) noodzakelijk zijn en het toegekende pgb geen ruimte meer biedt om deze kosten te dekken, dan krijgt de aanvrager geen aanvullend pgb.
De restwaarde van de voorziening wordt bepaald en kan vervolgens teruggevorderd worden van de aanvrager indien:
een voorziening is aangeschaft die niet aan het programma van eisen voldoet;
•het pgb anders besteed is;
De restwaarde van een hulpmiddel wordt berekend aan de hand van de lineaire afschrijvingsmethode ( afschrijving is per periode gelijk ), op basis van het toegekende budget.
Het gedeelte van het pgb, dat bestemd is voor de kosten van het onderhoud, de reparaties en de verzekering wordt teruggevorderd over de nog niet verstreken afschrijvingstermijn, indien er sprake is van een situatie zoals opgesomd in punt 7 en 9.
Indien er sprake is van een budgetoverschot of restwaarde van minder dan € 150,- dan wordt afgezien van terugvordering. Echter, indien er sprake is van een nieuw vast te stellen budget/restwaarde, dan wordt het budgetoverschot/restwaarde verrekend met het nieuw pgb. Is er geen sprake van een nieuw pgb, dan wordt het budgetoverschot of de restwaarde van meer dan € 150,- teruggevorderd.
Er wordt gehandeld overeenkomstig bovenstaande beleidsregels, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.