Aanhef
Intitulé
Beleidsregels ventilatie- en luchtbehandelingsinstallaties in gemeente Geertruidenberg
Het college van B&W van de gemeente Geertruidenberg, in zijn vergadering van 25 januari 2022:
gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wabo, artikel 2.1 lid 1 onder f en artikel 2.15 van de Wabo voor rijksmonumenten en artikel 2.2 lid 1 onder b en artikel 2.18 van de Wabo voor gemeentelijke monumenten en beeldbepalende zaken, en de Erfgoedverordening Geertruidenberg 2017,
BESLUIT
vast te stellen de:
Beleidsregels ventilatie- en luchtbehandelingsinstallaties in gemeente Geertruidenberg
3. Tekst van de regeling
Algemene deel van de beleidsregels
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a.woongebouw: gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend woonfuncties of nevenfuncties daarvan, waarin meer dan een woonfunctie ligt die is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute;
b.openbare ruimte: openbaar toegankelijk gebied, weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
c.zijerf: gedeelte van het erf tussen een zijgevellijn en de aan die zijde van het gebouw gelegen erfgrens. In relatie met deze begripsbepaling wordt ervan uitgegaan dat een gebouw slechts één voorgevel heeft. In gevallen waar discussie kan ontstaan, wordt voor het bepalen welke gevel de voorgevel is, primair afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn, zoals die in het bestemmingsplan of in de bouwverordening is aangegeven. Als ook dan nog twijfel bestaat zal de feitelijke situatie doorslaggevend zijn. Aanknopingspunten hiervoor zijn: de plaats waar zich het huisnummer bevindt, de zijde van het gebouw waar zich de voordeur of hoofdingang bevindt, de plaats waar de brievenbus is aangebracht en de plaats waar zich de hoofdontsluiting van het perceel bevindt.
Artikel 2 Toepasselijkheid; onderscheid in de beleidsregels
Dit beleid geldt voor ventilatie-, luchtbehandelings- en airconditioningsinstallaties in heel de gemeente Geertruidenberg. Hieronder vallen ook installaties voor warmte- of koudeopwekking.
Naast het algemene deel van de beleidsregels hiervoor gelden:
deel A van de beleidsregels (artikelen 6 en 7) voor:
1aangewezen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en beeldbepalende zaken in heel de gemeente, binnen en buiten het beschermd stadsgezicht van Geertruidenberg;
2gebouwen in het deel van het beschermd stadsgezicht, dat is aangeduid op de kaart in de bijlagen bij dit beleid;
en deel B van de beleidsregels (artikel 8 en 9) voor:
de overige gebouwen in de gemeente Geertruidenberg.
Artikel 3 De status van de beleidsregels, en het inwinnen van advies
Het betreft door ons op grond van art. 4:81 Awb vastgestelde beleidsregels met betrekking tot onze bevoegdheden voor de beoordeling, wat betreft welstand en erfgoedwaarden, van vergunningaanvragen voor de in artikel 2 genoemde installaties. De beleidsregels gelden aanvullend op het gemeentelijke welstandsbeleid. In het kader van dit beleid wordt over dergelijke aanvragen advies ingewonnen bij de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Er vindt geen toets aan deze beleidsregels plaats als het bouwwerk volgens het welstandsbeleid wordt gesitueerd in welstandsvrij gebied, mits het bouwwerk niet in het voorerfgebied is gesitueerd.
Artikel 4 Overgangsrecht
Deze beleidsregels zijn nog niet van toepassing op vergunde bestaande situaties die op het moment van inwerkingtreding van dit beleid in strijd zijn met de hierin opgenomen regels. Voor de realisatie van nieuwe installaties en voor de vervanging van installaties door nieuwe installaties in bestaande situaties, na de datum van inwerkingtreding van dit beleid geldt het onderhavige beleid. Voor bestaande situaties, die vooraf aan de inwerkingtreding van dit beleid omgevingsvergunningsplichtig waren en waarvoor niet zo’n vergunning is verleend, geldt eveneens dit beleid en geen overgangsrecht.
Artikel 5 Inwerkingtreding
1Deze beleidsregels treden in werking op de dag na publicatie van het besluit tot vaststelling van de beleidsregels, in februari 2022.
2Deze beleidsregels worden aangehaald als: beleidsregels ventilatie- en luchtbehandelingsinstallaties in gemeente Geertruidenberg
Deel A van de beleidsregels
Artikel 6 Over vergunningsplicht (voor de in deel A bedoelde gebouwen)
Of voor een installatie een omgevingsvergunning nodig is (activiteit bouwen of wijzigen monument), wordt bepaald door de landelijke en lokale regelgeving.
Een buitenunit van een airco, van een warmtepomp of van een andere installatie waarvoor dit beleid geldt, wordt in elk geval vergunningsplichtig geacht, indien deze aan een gevel of op een dak wordt aangebracht van de hier bedoelde gebouwen.
Er kan ook een vergunningsplicht zijn vanwege het bestemmingsplan.
Artikel 7 Algemene uitgangspunten bij vergunningsplicht (deel A)
De volgende algemene uitgangspunten gelden voor ventilatie- en luchtbehandelingsinstallaties voor monumenten en beeldbepalende panden in de gemeente Geertruidenberg en voor alle gebouwen in het desbetreffende deel van het beschermd stadsgezicht van Geertruidenberg, tenzij anders aangegeven.
1De bedoelde installaties mogen geen onevenredige afbreuk doen aan monumentale en beeldbepalende waarden en waarden van beschermd stadsgezicht. Wat betreft het aspect zichtbaarheid hierbij, geldt dit uitgangspunt zowel voor het zicht vanaf de openbare ruimte als voor het zicht door buren en omwonenden vanuit hun bebouwing en tuin.
2Buiten-units van airco’s en soortgelijke installaties zijn als uitgangspunt ongewenst aan de voorgevel, in het voorerfgebied, op schuine daken en op een dakkapel.
3Wat betreft buiten-units van airco’s en soortgelijke installaties aan de zijgevel en aan de achtergevel:
a.er moet naar het oordeel van B&W in voldoende mate zijn aangetoond, dat er geen goed alternatief mogelijk is, waarbij niet of zo min mogelijk sprake is van zichtbaarheid vanaf de openbare ruimte;
b.er mag niet onevenredig afbreuk worden gedaan aan de gewenste beeldkwaliteit en de erfgoedwaarden.
De Commissie ruimtelijke kwaliteit geeft aan B&W advies over a. en b. Zij gebruikt daarbij als richtlijn: dit beleid, waaronder naar analogie de in artikel 8 genoemde afstandsmaten, en het overige gemeentelijke welstandsbeleid, waaronder de gebiedscriteria en algemene welstandscriteria ervan. De commissie betrekt, indien van toepassing, in haar advies de mogelijkheid tot planaanpassing ter verbetering, waaronder een andere situering, het visueel wegwerken en een ander kleur.
4Waar in dit beleid wordt gesproken over zichtbaarheid vanaf de openbare ruimte geldt: deze zichtbaarheid wordt op de tegenoverliggende gevel gemeten op een hoogte van 1,80 meter of tot 75 meter vanaf het desbetreffende pand.
5Installaties op platte daken moeten zo goed mogelijk uit het zicht van de openbare ruimte en omwonenden worden geplaatst. Bij grotere installaties moeten ook de gevolgen voor de draagconstructie van het pand beoordeeld worden.
6Afzuiginstallaties en de pijpen voor de horeca moeten zoveel mogelijk uit het zicht van de openbare ruimte en omwonenden worden aangebracht. De installaties moeten zoveel mogelijk in het pand zelf worden weggewerkt. Nieuwe technieken zoals koolstoffilters maken hoge pijpen steeds vaker overbodig. Wanneer toch een afvoerpijp buiten het pand aangebracht moet worden, moet deze worden gemoffeld in een donkere, onopvallende kleur, passend bij de bestaande kleuren van de omliggende bebouwing. De pijpen mogen geen waardevolle historische constructieonderdelen verstoren.
7Bij na-isolatie en restauratie van een monument moet voor de gehele woning, een plan worden gemaakt voor de toe- en afvoer van ventilatielucht. Gebalanceerde ventilatie is niet altijd toegestaan in monumentale panden.
8In de gevel zijn ventilatieroosters of suskasten in de meeste gevallen niet toegestaan. Indien het vervangen van de ramen is toegestaan mag een verholen ventilatievoorziening worden aangebracht.
9Het plaatsen van roosters en suskasten in glasvlakken is niet toegestaan. Het gebruik van gleufroosters in raamhout in gevels is wel toegestaan, mits de roosters geschilderd worden in de kleur van het raamhout.
10Muurventilatieroosters of muursuskasten zijn in principe niet toegestaan.
11Onverminderd het bepaalde onder 3.: indien er geen monumentale waarden in het geding zijn, kunnen ventilatievoorzieningen in de achtergevel aangebracht worden. De ventilatie dient bij voorkeur via voorzieningen op het dak te worden geregeld.
12De installaties moeten zodanig zijn geplaatst dat geen schade wordt toegebracht aan historisch waardevolle interieurs of constructieve elementen en de visuele gaafheid van het interieur niet wordt aangetast.
Deel B van de beleidsregels
Artikel 8 Over vergunningsplicht (voor de in deel B bedoelde gebouwen)
1Of voor een installatie een omgevingsvergunning nodig is (activiteit bouwen of afwijken van bestemmingsplan), wordt als uitgangspunt bepaald door de landelijke en lokale regelgeving, behoudens het bepaalde in lid 2 dat alleen betrekking heeft op airco’s bij woningen (buiten beschermd stadsgezicht en niet zijnde monument of beeldbepalend pand).
2In geval van woningen (woongebouwen uitgesloten) is voor het plaatsen van een buitenunit voor een airco geen omgevingsvergunning nodig voor wat betreft de activiteit bouwen, indien sprake is van een van de volgende gevallen a t/m d. Er kan in deze gevallen nog wel sprake zijn van een vergunningsplicht vanwege het bestemmingsplan. Alle bouwwerken, ook omgevingsvergunningsvrije airco’s in de navolgende zin, dienen te voldoen aan de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften, de Algemene Plaatselijke Verordening en de milieuregelgeving.
a.Aan de achtergevel van het hoofdgebouw van de woning, mits:
1de oppervlakte van de grootste aanzichtzijde van de buiten-unit, maximaal 0,5 m2 bedraagt,
2er in totaal maximaal 1 buiten-unit aan de gevels aanwezig zal zijn,
3de unit maximaal 0,4 meter uitsteekt voor de gevel,
4de afstand van de buiten-unit tot de perceelsgrens ten minste 1 m bedraagt,
5de buiten-unit niet zichtbaar is vanaf de openbare ruimte.
b.Op een plat dak van het hoofdgebouw van de woning, mits:
1de oppervlakte van de grootste aanzichtzijde van de buiten-unit, maximaal 0,5 m2 bedraagt,
2er in totaal maximaal 1 buiten-unit op het dak aanwezig zal zijn,
3de afstand van de buiten-unit tot de perceelsgrens ten minste 1 m bedraagt,
4de afstand van de buiten-unit tot de dakrand ten minste 1 m bedraagt,
5de buiten-unit niet zichtbaar is vanaf de openbare ruimte,
6de buiten-unit niet wordt geplaatst op een dakkapel.
c.Op het zijerf van de woning, mits:
1niet sprake is van een buiten-unit aan de zijgevel van het hoofdgebouw van de woning,
2het gebouw niet ligt in een gebied met het bebouwingstype H1 of H2 volgens de welstandsnota 2012,
3de oppervlakte van de grootste aanzichtzijde van de buiten-unit maximaal 0,5 m2 bedraagt,
4de buiten-unit tenminste 3 meter is gesitueerd achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw van de woning (bij voorkeur zoveel mogelijk van de voorgevel af),
5de afstand van de buiten-unit tot de perceelsgrens bedraagt ten minste 2 meter, indien het zijerf niet zijwaarts grenst aan de openbare ruimte;
6de afstand van de buiten-unit tot de perceelsgrens en de openbare ruimte bedraagt ten minste 2,60 meter, indien het zijerf wel zijwaarts grenst aan de openbare ruimte,
7de buiten-unit niet zichtbaar is vanaf de openbare ruimte, en daartoe zo nodig visueel is weggewerkt. Het ‘wegwerken’ dient bij voorkeur plaats te vinden door beplanting,
8de buiten-unit niet wordt geplaatst op een schuin dak of op een dakkapel.
d.In het achtererfgebied van de woning, voor zover dat geen zijerf is, mits:
1de oppervlakte van de grootste aanzichtzijde van de buiten-unit, maximaal 0,5 m2 bedraagt,
2de afstand van de buiten-unit tot de perceelsgrens ten minste 1 m bedraagt, indien de unit op of nabij de grond aanwezig is en de bovenkant van de unit zich op een hoogte van maximaal 80 cm vanaf het aansluitende maaiveld bevindt,
3in andere gevallen dan bedoeld in de vorige bepaling dient de afstand van de buiten-unit tot de perceelsgrens ten minste 2 m te bedragen en tot de openbare ruimte ten minste 2,60 m,
4er maximaal 1 buiten-unit op of nabij de grond aanwezig zal zijn op het perceel,
5de afstand van de buiten-unit tot dakranden ook ten minste 1 m bedraagt,
6de buiten-unit niet zichtbaar is vanaf de openbare ruimte, en daartoe zo nodig visueel is weggewerkt. Het ‘wegwerken’ dient bij voorkeur plaats te vinden door beplanting,
7de buiten-unit niet wordt geplaatst op een schuin dak of op een dakkapel.
Artikel 9 Algemene uitgangspunten bij vergunningsplicht (deel B)
11.De bedoelde installaties mogen geen onevenredige afbreuk doen aan de gewenste beeldkwaliteit ter plaatse. Wat betreft het aspect zichtbaarheid hierbij geldt dit uitgangspunt voor het zicht vanaf de openbare ruimte. Installaties worden als uitgangspunt zo geplaatst, dat deze niet of zo min mogelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte.
2Waar in dit beleid wordt gesproken over zichtbaarheid vanaf de openbare ruimte geldt: deze zichtbaarheid wordt op de tegenoverliggende gevel gemeten op een hoogte van 1,80 meter of tot 75 meter vanaf het desbetreffende pand.
3Buiten-units van airco’s en soortgelijke installaties zijn als uitgangspunt ongewenst aan de voorgevel, in het voorerfgebied, op schuine daken en op een dakkapel.
4Wat betreft buiten-units van airco’s en soortgelijke installaties aan de zijgevel en aan de achtergevel:
Deze zijn als uitgangspunt niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Als deze wel zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, geldt het volgende:
a.er moet naar het oordeel van B&W in voldoende mate zijn aangetoond, dat er geen goed alternatief mogelijk is, waarbij niet of zo min mogelijk sprake is van zichtbaarheid vanaf de openbare ruimte;
b.er mag niet onevenredig afbreuk worden gedaan aan de gewenste beeldkwaliteit.
De Commissie ruimtelijke kwaliteit geeft aan B&W advies over a. en b. Zij gebruikt daarbij als richtlijn: dit beleid, waaronder naar analogie de in artikel 8 genoemde afstandsmaten, en het overige gemeentelijke welstandsbeleid, waaronder de gebiedscriteria en algemene welstandscriteria ervan. De commissie betrekt, indien van toepassing, in haar advies de mogelijkheid tot planaanpassing ter verbetering, waaronder een andere situering, het visueel wegwerken en een ander kleur.
5Installaties op platte daken moeten zo goed mogelijk uit het zicht van de openbare ruimte en omwonenden worden geplaatst. Bij grotere installaties moeten ook de gevolgen voor de draagconstructie van het pand beoordeeld worden.
Bijlage II: kaartjes van de bebouwingstypen H1 en H2 volgens de welstandsnota 2012; dit in relatie met artikel 8.
Bebouwingstypen Geertruidenberg Noord
Bebouwingstypen Geertruidenberg Zuid
Bebouwingstypen Raamsdonksveer Noord
Bebouwingstypen Raamsdonksveer Zuid
Bebouwingstypen Raamsdonk