Gemeentelijke regelgeving

Afwijkingenbeleid 2016 gemeente Geertruidenberg

Gemeente Geertruidenberg · geldt sinds 11 november 2016

Aanhef

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave. 3

1Inleiding. 5

1.1 Aanleiding. 5

1.2 Wettelijk kader. 5

1.2.1 Bevoegdheid.. 6

1.2.2 Toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure. 6

1.2.3 Zorgvuldigheidsbeginsel 6

1.2.4 Belangenafweging. 6

1.3 Provinciale verordening. 6

1.4 Financiële aspecten.. 7

1.4.1 Planschadeovereenkomst. 7

1.4.2 Exploitatiebijdrage of Anterieure overeenkomst. 7

1.5 Binnen de bebouwde kom... 8

1.6 Leeswijzer. 8

2Begrippen en wijze van meten. 9

2.1 Begrippen.. 9

2.2 Wijze van meten.. 11

3Basis regels. 12

3.1 Flankerend beleid.. 12

3.2 Privaatrechtelijke aspecten.. 12

3.2.1. Burenrecht. 12

3.2.2 Bezonning van tuinen en toetreding van daglicht. 12

4Beleidsregels gemeente Geertruidenberg. 14

Artikel 1 Bijbehorende bouwwerken. 14

Artikel 2 Gebouwen voor een infrastructurele of openbare voorziening. 18

Artikel 3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde. 19

Artikel 4 Dakkapellen en Dakopbouwen. 23

Artikel 5 Antenne-installatie. 26

Artikel 6 Installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling. 27

Artikel 7 Een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd. 28

Artikel 8 Het gebruik van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied. 29

Artikel 9 Wijzigen gebruik bouwwerken. 30

Artikel 10 Permanente bewoning recreatiewoning. 33

Artikel 11 Ander gebruik van gronden of bouwwerken. 34

Artikel 12 Inwerkingtreding. 35

Artikel 13 Titel 35

Hoofdstuk 5 36

5.1 Hardheidsclausule. 36

5.2 Vaststelling van dit beleid. 37

4. Beleidsregels gemeente Geertruidenberg

Artikel 1 Bijbehorende bouwwerken

Wettelijk kader

De wetgever heeft bepaald dat het bestuursorgaan een omgevingsvergunning kan verlenen indien het een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan betreft, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 5 m., tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b.de oppervlakte niet meer dan 150m2.

Gemeentelijk Beleidsregel

1.1 Algemene Uitgangspunten

Voor zowel binnen- als buiten de bebouwde kom gelden de algemene uitgangspunten te weten:

1er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de bezonning, privacy en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

2er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de verkeers- en sociale veiligheid;

3voldoende parkeergelegenheid aanwezig is waarbij aansluiting wordt gezocht bij de normen van het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Wateren Wegenbouw en de Verkeerstechniek) dan wel het parkeerbeleid van de gemeente Geertruidenberg;

4de leefbaarheid en omgevingskwaliteit mogen niet verslechteren;

5de uitbreiding of het bijbehorend bouwwerk mag geen onevenredige negatieve (milieu)effecten in de omgeving veroorzaken;

6dat voldaan moet worden aan het gemeentelijk archeologiebeleid waarbij een archeologisch onderzoek tot de verplichting kan behoren;

7indien het college dit noodzakelijk acht, wordt een stedenbouwkundig advies gevraagd op basis waarvan wordt beoordeeld of de afwijking wordt toegestaan;

8er wordt een welstandsadvies gevraagd;

9voor buiten de bebouwde kom geldt nog dat bestaande doorzichten genoemd in visies behouden dienen te blijven.

1.2 Bijbehorende bouwwerken bij woningen binnen de bebouwde kom

1het bouwperceel binnen de bebouwde kom mag tot maximaal 60% worden bebouwd met een maximum totaal van 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken;

2de maximale nokhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen de bebouwde kom is maximaal 5 m. tenzij is aangetoond dat een andere nokhoogte stedenbouwkundig verantwoord is;

3bijbehorende bouwwerken dienen minimaal op de oorspronkelijke voorgevellijn van de woning te worden gesitueerd;

4indien sprake is van een hoeksituatie of een aanvraag voor een uitbreiding in het voorerfgebied wordt elk geval apart beoordeeld;

5daarnaast moet voldaan worden aan de algemene uitgangspunten genoemd in artikel 1.1.

1.3 Bijbehorende bouwwerken bij niet –woningen binnen de bebouwde kom

Het is op grond van artikel 4 bijlage II Bor mogelijk om bij ‘andere hoofdgebouwen’ in de bebouwde kom een bijbehorend bouwwerk te plaatsen. Onder andere hoofdgebouwen kan worden verstaan: maatschappelijke gebouwen, winkels, hotels, kantoren, agrarische bebouwing en bedrijfsgebouwen.

Vanwege de diversiteit aan functies die voor een planologische afwijking in aanmerking komen en vanwege de verspreide ligging van deze ‘andere gebouwen’ binnen de gemeente, is het niet mogelijk voor dergelijke uitbreidingen een algemeen toetsingskader op te stellen. Per concreet geval zal bepaald worden of een uitbreiding wel of niet past binnen het stedenbouwkundig beeld ter plaatse en het vastgestelde beleid van de gemeente Geertruidenberg.

Echter zal wel voldaan moeten worden aan de in artikel 1.1 beschreven algemene uitgangspunten.

1.4 Bijbehorende bouwwerken bij woningen, buiten de bebouwde kom

Voor bijbehorende bouwwerken buiten de bebouwde kom gelden andere regels dan voor bijbehorende bouwwerken binnen de bebouwde kom. Aan dit onderdeel wordt daarom apart aandacht aan besteed. Medewerking kan worden verleend mits:

1een maximale vloeroppervlakte van het bouwwerk van 150 m2.

2advies is ingewonnen bij de natuur- en/of landschapsdeskundige, waaruit blijkt dat het bouwen niet leidt tot een onevenredige c.q. onherstelbare aantasting van de ter plekke aanwezige landschappelijke en/of natuurwaarden;

3de bijbehorende bouwwerken op een afstand van minder dan 20 m. van de woning worden gebouwd en hiermee een ruimtelijke eenheid vormen;

4de maximale nokhoogte van bijbehorende bouwwerken is 5 m;

5indien sprake is van een hoeksituatie of een aanvraag voor een uitbreiding in het voorerfgebied wordt elk geval apart beoordeeld;

6voldaan wordt aan de in artikel 1.1 beschreven algemene uitgangspunten.

1.5 Beleidsregels voor bijbehorende bouwwerken bij niet –woningen buiten de bebouwde kom

Een afwijking van het bestemmingsplan is niet mogelijk voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij andere gebouwen buiten de bebouwde kom, tenzij sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, mits:

1een maximale vloeroppervlakte van het bouwwerk van 150 m2;

2advies is ingewonnen bij een agrarisch deskundige waaruit blijkt dat de bouwwerken noodzakelijk en doelmatig zijn voor de bedrijfsvoering en de continuïteit van het bedrijf op de lange termijn;

3de maximale nokhoogte van bijbehorende bouwwerken is 5 m. tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf;

4advies is ingewonnen bij de natuur- en/of landschapsdeskundige, waaruit blijkt dat het bouwen niet leidt tot een onevenredige c.q. onherstelbare aantasting van de ter plekke aanwezige landschappelijke en/of natuurwaarden;

5de bijbehorende bouwwerken op een afstand van minder dan 20 m. van het hoofdgebouw worden gebouwd en hiermee een ruimtelijke eenheid vormen;

6daarnaast moet voldaan worden aan de in artikel 1.1 beschreven uitgangspunten.

1.6 Bijbehorende bouwwerken bij monumentale panden voor zowel binnen als buiten de bebouwde kom geldt: (geldt niet voor rijksmonumenten en beschermd dorpsgezicht)

Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten tot een afwijking van het bestemmingsplan voor een met het bestemmingsplan strijdige activiteit in, aan, op of bij bebouwing met de status van gemeentelijke monument of van beeldbepalende zaak indien:

1de activiteiten volgens de voorwaarden voor vergunningsvrij bouwen, in het geval het pand geen status van gemeentelijke monument of beeldbepalende zaak zou hebben, vergunningsvrij zouden zijn.

2De monumentencommissie een positief advies heeft uitgebracht over de aanvaardbaarheid vanuit monumentenzorg.

1.7 Mantelzorgwoningen

Het realiseren van een mantelzorgwoning is in de meeste gevallen vergunningsvrij. Echter kunnen zich situaties voordoen waarbij niet voldaan kan worden aan het vergunningsvrij bouwen maar het wel gewenst is een mantelzorgwoning op een locatie te realiseren. Voor deze gevallen biedt dit artikel uitkomst.

Indien de afwijkingsmogelijkheid voor bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor het realiseren van een voorziening ten behoeve van mantelzorg of aangepast wonen, gelden de volgende voorwaarden:

1de hierboven opgenomen bepalingen in de artikelen 1.1 tot en met 1.6 ten aanzien van de plaatsing en afmetingen van bijbehorende bouwwerken gelden onverkort;

2Tenminste één van de bewoners van de mantelzorgwoning verleent of ontvangt mantelzorg van een bewoner van de hoofdwoning. De nieuw te realiseren woonruimte kan zowel de woonruimte zijn voor degene die mantelzorg verleent als de woonruimte voor degene die mantelzorg ontvangt. In de mantelzorgwoning wonen maximaal twee mensen.

3de noodzaak van mantelzorg wordt aangetoond met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medische adviseur, de behoefte dient de gebruikelijke hulp van huisgenoten te overstijgen;

4mantelzorg of aangepast wonen ten behoeve van de bewoner mag, behalve in de vorm van inwoning, ook plaatsvinden binnen een (on)zelfstandige woonruimte (zoals een unit, schuur), zijnde een bijbehorend bouwwerk;

5de mantelzorg/Wmo-voorziening dient in de nabijheid van het hoofdgebouw te zijn gelegen;

6er worden geen extra uitritten toegestaan;

7parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden;

8gas-, water-, elektriciteitsleiding en rioolafvoer worden gekoppeld aan de leidingen van de bestaande woning;

9na beëindiging van de mantelzorgsituatie dienen de aangebrachte woonvoorzieningen te worden verwijderd, dan wel dient de unit verwijderd te worden.

Toelichting

De gemeente Geertruidenberg vindt het belangrijk dat afwijkingen die worden toegestaan passend zijn binnen de omgeving en dat openheid wordt gegarandeerd. Hierbij wordt de noodzaak van een stedenbouwkundig advies in sommige gevallen van belang geacht. Of een stedenbouwkundig advies wordt opgevraagd is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en kunnen te maken hebben met bijvoorbeeld de complexiteit van de aanvraag, de ligging en/ of omgevingsfactoren.

Opgemerkt moet worden dat op diverse locaties veel gebouwen aanwezig zijn waarbij op de begane grond een winkel dan wel een bedrijfsruimte aanwezig is en op de verdieping wordt gewoond. De begane grond wordt daarbij gebruikt voor een veelheid aan functies, zoals detailhandel, horeca en dienstverlening. Omdat deze bouwwerken veelal onderdeel zijn van bouwblokken waarop de beleidsregels voor woningen van toepassing is, is het wenselijk de regeling voor bijbehorende bouwwerken bij woningen voor deze panden te laten gelden. Voorwaarde is dat wonen op grond van het bestemmingsplan is toegelaten en hier ook feitelijk sprake van is.

Artikel 2 Gebouwen voor een infrastructurele of openbare voorziening

Wettelijk kader

De wetgever heeft bepaald dat het bestuursorgaan een omgevingsvergunning kan verlenen voor een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a van de wet, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 5 m, en

b.de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

Gemeentelijke Beleidsregel

2Gebouwen voor infrastructurele of openbare voorzieningen

Indien het college van burgemeester en wethouders dit nodig achten, wordt aan een afwijkingsprocedure ten behoeve van de realisering van infrastructurele voorzieningen of een nutsvoorziening medewerking verleend indien wordt onderbouwd waarom deze voorziening noodzakelijk is. Per concreet geval zal worden beoordeeld of de plaatsing van het bouwwerk vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en of deze niet leidt tot verkeersonveilige situaties.

Voor deze categorie worden geen verdere beleidsregels opgesteld.

Toelichting

De gemeente kiest ervoor om maatwerk te leveren en rekening te houden met de feiten en omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling of deze afwijking mogelijk is, dient goed te worden gemotiveerd waarom voor deze afwijking wordt gekozen. De nut en noodzaak dient hierbij te worden aangetoond.

Artikel 3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Wettelijk kader

De wetgever heeft bepaald dat het bestuursorgaan een omgevingsvergunning kan verlenen voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 10 m, en

b.de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

Gemeentelijke Beleidsregel

3.1 Bouwwerken geen gebouwen zijnde bij woningen binnen de bebouwde kom

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, geldt dat de bouwhoogte bij woningen niet meer mag bedragen dan in onderstaande tabel is aangegeven;

Bouwwerken geen gebouw zijnde

Maximale maten

1Pergola's

-plaatsing achter de voorgevellijn met een maximale hoogte van 3 m.

Overkapping

-indien voor de voorgevellijn: niet hoger dan 3 m. en er wordt een advies van Welstand/ Monumentencommissie gevraagd.

Aanlegsteigers

-aangrenzend aan een perceel;

-minimaal 1 m. afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen;

-niet hoger dan 0,5 m. boven het gemiddelde waterpeil en niet hoger dan het aansluitende perceel;

-niet meer dan 1 m. vanaf het aansluitend perceel mogen palen dan wel soortgelijke constructiedelen die deel uitmaken van de steiger worden geplaatst;

-de doorvaarbaarheid van het water dient gewaarborgd te blijven;

-toestemming is ontvangen van de waterbeheerder.

Erf-terreinafscheidingen

-voor de voorgevellijn ten hoogste 1 m. hoog;

-achter de voorgevellijn ten hoogste 2 m. hoog;

-voor een erfafscheiding die achter de voorgevel van de eigen woning op de zijdelingse perceelgrens wordt geplaatst en die, met uitzondering van de afstand van minimaal 3 m. achter de voorzijde van de eigen voorgevel van de hoekwoning, voldoen aan de regels uit het bestemmingsplan kan medewerking worden verleend voor het gedeelte van de erfafscheiding dat op een afstand van minder dan 3 m. van de voorgevel van de eigen woning is gelegen;

-indien de erfafscheiding grenst aan een openbare weg of het openbaar groen en ligt voor de voorgevel van de op de hoek gelegen woningen, wordt enkel een afwijking toegestaan voor een erfafscheiding op de perceelgrens met een hoogte van 2 m. als er sprake is van een begroeide en groenblijvende erfafscheiding bestaande uit wapenings-/ betonmatten of een gaashekwerk begroeid met klimop of daarmee vergelijkbare begroeide en of groenblijvende beplanting.

-een toegangspoort, die onderdeel uitmaakt van de totale erf- of perceelafscheiding of die geplaatst wordt tussen groenvoorzieningen, mag niet hoger zijn dan 2 m;

-de verkeersveiligheid mag niet in het geding komen;

-er wordt een advies van de welstand/monumentencommissie gevraagd over het plan.

3.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde bij niet- woningen binnen de bebouwde kom.

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, geldt dat de bouwhoogte bij niet- woningen niet meer mag bedragen dan in onderstaande tabel is aangegeven;

Bouwwerken geen gebouw zijnde

Maximale maten

Pergola's

-achter voorgevellijn met een maximale hoogte van 3 m.

Overkapping

-indien voor de voorgevellijn met een maximale hoogte van 3 m. en er wordt een advies van Welstand/ Monumentencommissie gevraagd.

Aanlegsteigers

-aangrenzend aan een perceel;

-minimaal 1 m. afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen;

-niet hoger dan 0,5 m. boven het gemiddelde waterpeil en niet hoger dan het aansluitende perceel;

-niet meer dan 1 m. vanaf het aansluitend perceel mogen palen dan wel soortgelijke constructiedelen die deel uitmaken van de steiger worden geplaatst;

-de doorvaarbaarheid van het water dient gewaarborgd te blijven;

-toestemming is ontvangen van de waterbeheerder.

Erf- terreinafscheidingen

-voor de voorgevellijn: maximale hoogte van 2 m;

-achter de voorgevellijn: maximale hoogte van 2 m;

-indien de erfafscheiding grenst aan een openbare weg of het openbaar groen en ligt voor de voorgevel dan wel voor de voorgevel van andere hoofdgebouwen, wordt enkel een afwijking toegestaan voor een erfafscheiding op de perceelgrens met een hoogte van 2 m. als er sprake is van een erfafscheiding bestaande uit een open raster/ dan wel bekleed met groen;

-een toegangspoort, die onderdeel uitmaakt van de totale erf- of perceelafscheiding of die geplaatst wordt tussen groenvoorzieningen, mag niet hoger zijn dan 2 m.

-de verkeersveiligheid mag niet in het geding komen;

-er wordt een positief advies van de Welstand/monumentencommissie gevraagd.

3.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde bij niet- woningen buiten de bebouwde kom

Met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden voor het bouwen van erfafscheidingen buiten de bebouwde kom bij niet woningen de volgende voorwaarden:

Bouwwerken geen gebouw zijnde

Maximale bouwhoogte

Pergola's

-achter voorgevellijn met een maximale hoogte van 3 m.

Overkapping

-indien voor de voorgevellijn met een maximale hoogte van 3 m. en er wordt een positief advies van de Welstand/ Monumentencommissie gevraagd.

Aanlegsteigers

-aangrenzend aan een perceel;

-minimaal 1 m. afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen;

-niet hoger dan 0,5 m. boven het gemiddelde waterpeil en niet hoger dan het aansluitende perceel;

-niet meer dan 1 m. vanaf het aansluitend perceel mogen palen dan wel soortgelijke constructiedelen die deel uitmaken van de steiger worden geplaatst;

-de doorvaarbaarheid van het water dient gewaarborgd te blijven;

-toestemming is ontvangen van de waterbeheerder.

Erf- terreinafscheidingen

-voor de voorgevellijn: maximale hoogte van 2 m;

-achter de voorgevellijn: maximale hoogte van 2 m;

-indien de erfafscheiding grenst aan een openbare weg of het openbaar groen en ligt voor de voorgevel dan wel voor de voorgevel van andere hoofdgebouwen, wordt enkel een afwijking toegestaan voor een erfafscheiding op de perceelgrens met een hoogte van 2 m. als er sprake is van een erfafscheiding bestaande uit een open raster/ dan wel bekleed met groen;

-een toegangspoort voor de voorgevelrooilijn, die onderdeel uitmaakt van de totale erf- of perceel afscheiding of die geplaatst wordt tussen groenvoorzieningen, mag niet hoger zijn dan 2 m.

3.5 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het oprichten van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals geluidsschermen, lichtmasten, kunstobjecten, speeltoestellen, voorzieningen voor langzaam verkeer en andere naar hun aard daarmee vergelijkbare bouwwerken binnen dan wel buiten de bebouwde kom worden geen beleidsregels opgesteld en zullen per geval beoordeeld worden. Het betreffende bouwwerk moet wel qua functie passen binnen de bestemming die in het bestemmingsplan aan de desbetreffende gronden is gegeven.

Toelichting

Voor erfafscheidingen geldt dat de beleidsregels enkel zien op uitzonderingsgevallen, de meeste erfafscheidingen zijn immers vergunningsvrij te bouwen. Om te voorkomen dat in het zicht, dus grenzend aan de openbare weg of het openbaar groen, erfafscheidingen van bedenkelijke kwaliteit worden gerealiseerd zijn er regels aan verbonden.

Bij woningen mag in beginsel nooit een hogere erf- of perceel afscheiding worden gebouwd dan 1 m, als deze in een voorerfgebied of een achtererfgebied, dat naar een openbaartoegankelijk gebied is gekeerd, wordt gebouwd. Er is echter veel behoefte aan hogere afscheidingen in deze gebieden bij met name grotere percelen. Ook het politiekeurmerk veilig wonen wordt al geruime tijd toegepast bij voornamelijk nieuwe woonwijken. De eisen die daaruit volgen stroken vaak niet met de vergunningsvrije bouwvoorschriften. Bij woningen in het buitengebied, bedrijven dan wel agrarische bedrijven is het, met name uit veiligheidsoverwegingen, gewenst de toegang van het perceel aan de straatzijde af te kunnen sluiten. Hiervoor is het noodzakelijk een afsluitbare toegangspoort te realiseren.

Tot slot is het niet mogelijk om beleidsregels voor elk denkbaar bouwwerk, geen gebouw zijnde te formuleren. Het kan bij deze afwijking ook gaan om speeltoestellen, vlaggenmasten, lichtmasten etc. Voor veel voorkomende bouwwerken zijn wel beleidsregels opgenomen. Voor overige aanvragen wordt naar redelijkheid en billijkheid, rekening houdend met de feiten en omstandigheden van het geval geoordeeld of deze afwijking van het bestemmingsplan mogelijk is. Bij elke aanvraag dient goed te worden gemotiveerd waarom een afwijking nodig is.

Artikel 4 Dakkapellen en dak opbouwen of gelijksoortige uitbreiding van een bouwdeel dan wel een voorziening t.b.v. isolatie

Wettelijk kader

De wetgever heeft bepaald dat het bestuursorgaan een omgevingsvergunning kan verlenen voor een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw.

Gemeentelijke Beleidsregel

4.1 Dakkapel op een woning dan wel op een aangebouwd bijgebouw

Een dakkapel bij een woning is mogelijk op het hoofdgebouw dan wel aangebouwd bijgebouw.

Daarnaast gelden de volgende voorwaarden:

1indien het college dit noodzakelijk acht, wordt een stedenbouwkundig advies gevraagd op basis waarvan wordt beoordeeld of de afwijking wordt toegestaan;

2er is een welstandsadvies vereist.

4.2 Dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding op een woning.

Een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding is mogelijk op het hoofdgebouw als de aanvraag voldoet aan de volgende voorwaarden:

1mogelijk bij woningen waarbij de noklijn evenwijdig aan de straat loopt;

2woningen met een kap waarbij de noklijn niet evenwijdig aan de straat loopt, zullen per geval beoordeeld worden;

3bij gevels die niet evenwijdig aan de straat lopen is er een welstandsadvies vereist;

4alleen toegestaan op een niet naar een openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel. Indien er sprake is van een situatie waarbij zowel de voor- als achtergevel van de woning naar het openbaar toegankelijk gebied is gekeerd is er een welstandsadvies vereist;

5dakopbouwen of gelijksoortige uitbreidingen worden eenzijdig naar achteren en bij voorkeur over de volle breedte van de woning geplaatst;

6de gevraagde afwijking van het bestemmingsplan wordt beoordeeld aan de hand van de welstandsnota en het oordeel van de Welstands- en/of Monumentencommissie;

7indien het college dit noodzakelijk acht, wordt een stedenbouwkundig advies gevraagd op basis waarvan wordt beoordeeld of de afwijking wordt toegestaan.

4.3 Een dakopbouw op een aangebouwd bijgebouw o.a. garage/ berging bij een woning.

Een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding is mogelijk op de aangebouwde garage/berging als de aanvraag voldoet aan de volgende voorwaarden:

1de garage/ berging ligt achter (het verlengde van) de voorgevellijn;

2de dakhelling van de opbouw is gelijk aan de dakhelling van het hoofdgebouw en dient ondergeschikt te blijven aan het hoofdgebouw;

3er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

4eventuele ramen aan de voorzijde worden in het dakvlak geplaatst;

5indien het college dit noodzakelijk acht, wordt een stedenbouwkundig advies gevraagd op basis waarvan wordt beoordeeld of de afwijking wordt toegestaan;

4.4 Dakkapel bij niet- woningen

Een dakkapel is mogelijk op het hoofdgebouw dan wel een aangebouwd bijgebouw. Aanvragen worden per geval beoordeeld. Indien het college dit noodzakelijk acht, wordt een stedenbouwkundig advies opgevraagd.

4.5 Dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding bij niet- woningen

1een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding is uitsluitend mogelijk op het hoofdgebouw;

2een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding mag nooit uit meer dan één bouwlaag bestaan;

3alleen toegestaan op een plat dak of op een zadel kap;

4dakopbouwen of gelijksoortige uitbreidingen worden eenzijdig naar achteren en over de volle breedte geplaatst;

5de gevraagde afwijking van het bestemmingsplan wordt beoordeeld aan de hand van de welstandsnota en het oordeel van de Welstands- en/of Monumentencommissie;

6indien het college dit noodzakelijk acht, wordt een stedenbouwkundig advies gevraagd.

4.6 Uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard bij woningen en niet- woningen.

Het uitbreiden van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard zoals: liftopbouwen, schoorstenen, ventilatiekanalen, airco-units, luchtbehandelingsinstallaties, glazenwassers-installaties, brandtrappen of bouwwerken die samenhangen met installaties binnen een gebouw en andere naar hun aard daarmee vergelijkbare bouwwerken worden geen beleidsregels opgesteld en zullen per geval beoordeeld worden. Het betreffende bouwwerk moet wel qua functie passen binnen de bestemming die in het bestemmingsplan aan de desbetreffende grond is gegeven. Voor zover deze bouwwerken niet vergunningsvrij zijn op grond van artikel 3 lid 8 bijlage 2 Bor.

4.7 Dakterrassen

Voor deze categorie worden geen beleidsregels opgesteld en worden per geval beoordeeld. Echter mag er geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

4.8 Voorzieningen gericht op het isoleren van woningen en niet- woningen

Voor het wijzigingen van ‘voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw’ zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

1Ten behoeve van schilisolatie is het toegestaan om met maximaal

a.0,50 m. af te wijken van de maten in het bestemmingsplan (waaronder percentages, bouwhoogtes, oppervlaktes),

b.0,75 m af te wijken van de bouwhoogte ter plaatse van het voor- en achter dakvlak,

c.0,50 m de voorgevellijn te overschrijden,

d.0,50 m het bouwvlak te overschrijden,

e.0,50 m het bestemmingsvlak te overschrijden.

2Ten behoeve van technische ruimtes voor een energiemodule is het op gebouwen met een plat dak

toegestaan om met maximaal 3 m. af te wijken van de maximale bouwhoogte, mits de oppervlakte van de technische ruimte niet meer bedraagt dan 20 m2;

3In het zijerf gebied zijn technische ruimtes voor een energiemodule toegestaan op 1 m. achter (het verlengde van) de voorgevellijn van het hoofdgebouw, mits,

a.de maximale bouwhoogte 3 m. bedraagt;

b.de oppervlakte van de technische ruimte niet meer bedraagt dan 5 m2;

4De voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw worden niet bij monumenten aangebracht of bij gebouwen die onderdeel uitmaken van een beschermd stads- of dorpsgezicht;

5Er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

Toelichting

Bij de beoordeling van de aanvraag voor een afwijking wordt onder andere rekening gehouden met eerdere vergunde dakopbouwen (precedenten) op gebouwen in de omgeving. Voor dakkappelen op een naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak en voor trendsettende dakopbouwen zal in de praktijk altijd een stedenbouwkundig advies worden gevraagd. De noodzaak voor een stedenbouwkundig advies voor niet-trendsettende dakopbouwen wordt bepaald aan de hand van de omstandigheden van het geval en kunnen te maken hebben met bijvoorbeeld de complexiteit van de aanvraag, de ligging en/ of omgevingsfactoren.

Daarnaast biedt dit artikel uitkomst voor burgers, bedrijven etc. die hun woning, bedrijf willen isoleren. Met deze regeling wordt aangesloten bij het landelijk beleid om woningen energiezuiniger te maken.

Artikel 5 Antenne-installatie

Wettelijk kader

De wetgever heeft bepaald dat het bestuursorgaan een omgevingsvergunning kan verlenen voor een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m.

Gemeentelijke Beleidsregel

5.1 Antenne- installatie

Voor deze categorie worden geen beleidsregels opgesteld en worden per geval beoordeeld. Bij de beoordeling wordt wel rekening gehouden met de al aanwezig masten in het gebied.

Toelichting

Veel antenne installaties zijn al vergunningsvrij gelezen artikel 2 lid 15, 16 en 17 Bor. Per geval zal worden beoordeeld of medewerking mogelijk is. Hierbij zal primair moeten worden gekeken naar de mogelijkheden tot bundeling van bestaande masten ter voorkoming van wildgroei. Pas als bundeling niet mogelijk is, is de plaatsing van de mast mogelijk als voldaan wordt aan het Nationaal Antennebeleid.

Verder wordt naar redelijkheid en billijkheid, rekening houdend met de feiten en omstandigheden van het geval, geoordeeld of de afwijking van het bestemmingsplan mogelijk is. Bij elke aanvraag dient goed te worden gemotiveerd waarom een afwijking nodig is. Ook dient de afwijking zorgvuldig te worden onderbouwd en stedenbouwkundig aanvaardbaar te zijn.

Artikel 6 Installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling

Wettelijk kader

De wetgever heeft bepaald dat het bestuursorgaan een omgevingsvergunning kan verlenen voor een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitsnet 1998.

Gemeentelijke Beleidsregel

6.1 Installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling

Voor deze categorie worden geen beleidsregels opgesteld en worden per geval beoordeeld.

Toelichting

Naar redelijkheid en billijkheid, rekening houdend met de feiten en omstandigheden van het geval, moet worden beoordeeld of deze afwijking van het bestemmingsplan mogelijk is. Bij elke aanvraag dient goed te worden gemotiveerd waarom een afwijking nodig is. Ook dient de afwijking zorgvuldig te worden onderbouwd.

Artikel 7 Een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd

Wettelijk kader De wetgever heeft bepaald dat het bestuursorgaan een omgevingsvergunning kan verlenen voor een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;

Gemeentelijke Beleidsregel

7.1 Een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd

Voor deze categorie worden geen beleidsregels opgesteld en worden per geval beoordeeld.

Toelichting

Biomassavergisting, mestbe- en verwerking van eigen producten (mest) danwel waarbij ook producten van derden worden aangevoerd wordt tot 25.000 ton beschouwd als een agrarische nevenactiviteit, die middels een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan Buitengebied is opgenomen. Grootschaligere initiatieven (een omvang van meer dan 25.000 ton) worden niet binnen het bestemmingsplan toegestaan. Hiervoor zal een afzonderlijke ruimtelijke ordeningsprocedure moeten worden doorlopen, waarin alle mogelijk in het geding zijnde belangen en waarden op de voorgenomen locatie tegen elkaar afgewogen kunnen worden.

Artikel 8 Het gebruik van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied

Wettelijk kader

De wetgever heeft bepaald dat het bestuursorgaan een omgevingsvergunning kan verlenen voor het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied.

Gemeentelijke Beleidsregel

8.1 Het gebruik van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied

Per geval wordt beoordeeld of een afwijking wordt toegestaan voor het gebruik van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied. Waarbij afwijkingen worden getoetst aan de volgende uitgangspunten:

1er geen onevenredige toename van de verkeersbelasting en de parkeerdruk in de omgeving ontstaat;

2de nieuwe functie geen onevenredige negatieve (milieu)effecten veroorzaakt voor de omgeving en de omgevingskwaliteit en leefbaarheid niet laat verslechteren;

3voldaan moet worden aan het gemeentelijk archeologiebeleid waarbij een archeologisch onderzoek tot de verplichting kan behoren;

4de nieuwe functie passend is binnen de omgeving;

5de nieuwe functie past binnen het geldend beleid zoals onder andere vastgelegd in visies, plannen en nota’s.

8.2 Terrassen

Per geval wordt beoordeeld of een afwijking wordt toegestaan voor het gebruik van gronden voor een terras. Waarbij een afwijking wordt getoetst aan de volgende uitgangspunten:

1de parasols, luifels, uitvalschermen en terrasafscheidingen zijn wegneembaar, demontabel of inklapbaar en zijn niet groter dan het vergunde terras;

2de voetgangersdoorloop ten behoeve van een ongehinderde voetgangersstroom, minimaal 1.50 m. is;

3de exploitant neemt redelijkerwijs de te nemen maatregelen om te voorkomen dat de gemeente en derden schade lijden als gevolg van de exploitatie van het terras;

4de nieuwe functie geen onevenredige negatieve (milieu)effecten veroorzaakt voor de omgeving en de omgevingskwaliteit en leefbaarheid niet laat verslechteren;

5de nieuwe functie passend is binnen de omgeving;

6de nieuwe functie past binnen het geldend beleid zoals onder andere vastgelegd in visies, plannen en nota’s.

Toelichting

Deze afwijking heeft betrekking op het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied. Het kan bijvoorbeeld gaan om het toevoegen van een aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs, het aanbrengen van groenvoorzieningen of het realiseren van een terras. Een herinrichting van het openbaar gebied vindt vaak ook plaats in samenhang met het bouwen van vergunningsvrije bouwwerken, zoals vuilcontainers, sport- of speeltoestellen en straatmeubilair. Bij het beantwoorden van de vraag of er al dan niet sprake is van een ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied, zullen de te verwachten gevolgen van de herinrichting voor omwonenden en gebruikers van het desbetreffende gebied bij de afweging moeten worden betrokken.

Artikel 9 Wijzigen gebruik bouwwerken

Wettelijk kader

De wetgever heeft bepaald dat het bestuursorgaan een omgevingsvergunning kan verlenen voor het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen betreft.

Nb

Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.

Gemeentelijke Beleidsregel

9.1 Wijzigen gebruik van bouwwerken

Afwijkingen voor het wijzigen van het gebruik worden per geval beoordeeld en wordt getoetst aan de volgende uitgangspunten:

1er geen onevenredige toename van de verkeersbelasting en de parkeerdruk in de omgeving ontstaat;

2de nieuwe functie geen onevenredige negatieve (milieu)effecten veroorzaakt voor de omgeving en de omgevingskwaliteit en leefbaarheid niet laat verslechteren;

3voldaan moet worden aan het gemeentelijk archeologiebeleid waarbij een archeologisch onderzoek tot de verplichting kan behoren;

4de nieuwe functie moet passend zijn binnen de omgeving;

5de nieuwe functie moet passen binnen het geldend beleid zoals onder andere vastgelegd in visies, plannen en nota’s;

6er een planschadeovereenkomst door de aanvrager wordt ondertekend.

Voor het toevoegen van woningen binnen de bebouwde kom geldt:

Indien de aanvraag betrekking heeft op het toevoegen van woningen gelden daarnaast de volgende voorwaarden:

1het toevoegen van woningen wordt per geval beoordeeld;

2het toevoegen de woning(en) moet voldoen aan de woonvisie;

3voldaan moet worden aan de onder artikel 9.1 opgenomen voorwaarden.

Voor het toevoegen van een logiesfunctie voor werknemers in het buitengebied geldt:

1de huisvesting vindt plaats in een (bedrijfs-)woning, in een plattelandswoning, in bestaande agrarische bedrijfsgebouwen of op een agrarisch bouwvlak te plaatsen woonunits (niet zijnde (sta)caravans);

2het bouwwerk dat gebruikt wordt voor het huisvesten van werknemers moet binnen een straal van 10 m. van het hoofgebouw gelegen zijn (gemeten vanaf de voorgevel);

3op het erf dient voldoende parkeerruimte aanwezig te zijn, waarbij ervan wordt uitgegaan dat per logiesfunctie een parkeerplaats beschikbaar is;

4ingeval van toevoeging van woonunits mogen deze niet meer bedragen dan één bouwlaag en is er sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;

5de huisvesting mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de ontwikkeling van omliggende bedrijven;

6er moet voldaan worden aan de op het moment van besluitvorming geldende milieuregelgeving;

7er wordt per object, niet zijnde een agrarische bedrijfswoning, aan maximaal 6 personenwoonruimte geboden. Ingeval van huisvesting in een agrarisch bedrijfsgebouw of in woonunits op een agrarisch bedrijf, kan afwijking van deze regel worden toegestaan;

8het bouwwerk dient te voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit en aan de eisen van brandveilig gebruik.

Voor het toevoegen van nieuwe functies in de Kom Geertruidenberg geldt:

Voor het centrumgebied van Geertruidenberg streeft de gemeente een levendige binnenstad na, waar ruimte is voor recreatie en verblijf. Horeca, detailhandel of een combinatie hiervan maken het centrum aantrekkelijk voor bezoekers. Voor het centrumgebied wordt nieuw vestiging van horeca en/of detailhandel ondersteund en is uitwisselbaarheid van centrumfuncties belangrijk. Uiteraard moet dit wel passen binnen de schaal van Geertruidenberg en met respect voor de bijzondere cultuurhistorische waarden van de stad en de functie van de kern van Geertruidenberg als woongebied. De gemeente staat tevens open voor eventuele horeca op de verdiepingen. Aanvragen hieromtrent worden per geval beoordeeld.

Voor de aan- en uitloopgebieden wordt een diversiteit aan kleinschalige functies die de toeristisch recreatieve kwaliteiten ondersteunen voorgestaan. Wonen afgewisseld met bijzondere detailhandel (bijv. galerie, snuisterijenwinkeltje etc.) bepaalt hier de sfeer.

Voor wat betreft het toestaan van de hierboven beschreven nieuwe functies moet tevens voldaan worden aan de onder artikel 9.1 opgenomen voorwaarden.

Begrenzing van het gebied

Het centrumgebied bestaat uit de Markt, Elfhuizen, de kop van de Venestraat en de Brandestraat. De aan-en uitloopgebieden bestaan uit de Vismarktstraat, de Koestraat tot de Doelestraat en de Venestraat tot de Meistraat.

Toelichting

Gebruikswijzigingen bieden flexibiliteit ten op zichtte van al vastgestelde bestemmingsplannen en kunnen invulling geven aan het beleid van de gemeente. De opgestelde beleidsregels bieden waarborging voor bescherming van de omgeving. We vinden het belangrijk te voorkomen dat de leefbaarheid en omgevingskwaliteit niet verslechtert.

Artikel 10 Permanente bewoning recreatiewoning

Wettelijk kader

De wetgever heeft bepaald dat het bestuursorgaan een omgevingsvergunning kan verlenen voor het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

b.de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden;

c.de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en;

d.de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was.

Gemeentelijke Beleidsregel

10. Permanente bewoning recreatiewoning

De gemeente is van oordeel dat de permanente bewoning van recreatiewoningen dient te worden tegengegaan. Wij verlenen in principe geen medewerking aan vernoemde afwijkingsmogelijkheid.

Artikel 11 Ander gebruik van gronden of bouwwerken

Wettelijk kader

De wetgever heeft bepaald dat het bestuursorgaan een omgevingsvergunning kan verlenen voor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Gemeentelijke Beleidsregel

11. Ander gebruik van gronden of bouwwerken

Afwijkingen voor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar worden per geval beoordeeld en wordt getoetst aan de volgende uitgangspunten:

1er geen onevenredige toename van de verkeersbelasting en de parkeerdruk in de omgeving ontstaat;

2de nieuwe functie geen onevenredige negatieve (milieu)effecten veroorzaakt voor de omgeving en de leefbaarheid en omgevingskwaliteit niet verslechterd;

3voldaan moet worden aan het gemeentelijk archeologiebeleid waarbij een archeologisch onderzoek tot de verplichting kan behoren;

4de nieuwe functie moet passend zijn binnen de omgeving;

5de nieuwe functie moet passen binnen het geldend beleid zoals onder andere vastgelegd in visies, plannen en nota’s.

Evenementen

Aanvragen voor evenementen die niet passen in het bestemmingsplan worden per geval beoordeeld waarbij rekening wordt gehouden met het evenementenbeleid.

Toelichting

Naar redelijkheid en billijkheid, rekening houdend met de feiten en omstandigheden van het geval, moet worden geoordeeld of deze afwijking van het bestemmingsplan mogelijk is. Bij elke aanvraag dient goed te worden gemotiveerd waarom een afwijking nodig is. Ook dient de afwijking zorgvuldig te worden onderbouwd. Bij deze onderbouwing wordt aangegeven dat minimaal wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden.

Bij het verlenen van de vergunning dient aannemelijk te zijn dat de activiteit na de in de vergunning gestelde termijn daadwerkelijk kan en zal worden beëindigd. Daarvoor is relevant dat het feitelijk mogelijk is dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. De in de vergunning gestelde termijn kan maximaal tien jaar bedragen. Indien een vergunning voor een langere tijdsduur moet worden verleend, kan (behoudens de mogelijkheden met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo), slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, vergunning worden verleend. De termijn in de vergunning kan worden verlengd, of er kan opnieuw voor dezelfde activiteit vergunning worden verleend, mits de totale tijdsduur van tien jaar niet wordt overschreden.

Artikel 12 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na de dag van bekendmaking.

Artikel 13 Titel

Dit besluit kan worden aangehaald als de ‘Afwijkingenbeleid 2016 gemeente Geertruidenberg’.

Burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg,

de secretaris, de burgemeester,

R. Nagtzaam W. van Hees

Bijlage

Bijlagen 1

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.