Gemeentelijke regelgeving

Nadere regels jeugdhulp gemeente Emmen 2020

Gemeente Emmen · geldt sinds 11 november 2020

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen;

Gelet op de hoofdstukken 1.2.3 lid 6, 2.2 lid 2, 2.3 lid 3, 2.4, 3.2 lid 4, 4.3, lid 1, 5.1 lid 2 en 9.2, van de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen 2020;

Besluit,

Vast te stellen nadere regels jeugdhulp gemeente Emmen 2020:

Hoofdstuk 2. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

2.1 Melding calamiteit en geweld bij de gemeente door anderen, niet zijnde jeugdhulpaanbieders.

1Als er sprake is van één of meer van de volgende criteria, dan moet de calamiteit conform het Draaiboek calamiteiten jeugdhulp Emmen direct bij de gemeente worden gemeld:

a.er is een vermoeden dat er een onnatuurlijke dood heeft plaatsgevonden;

b.er is sprake van overlijden van een ander als gevolg van het handelen

2van een jeugdige;

a.er is sprake van ernstige mishandeling of zwaar (blijvend) letsel van een jeugdige in de gezinssituatie waardoor acuut ingrijpen van buitenaf nodig is, of bedreiging met ernstige mishandeling of zwaar (blijvend) letsel van een jeugdige in de gezinssituatie waardoor acuut ingrijpen van buitenaf nodig is;

b.er is sprake van ernstige mishandeling of zwaar (blijvend) letsel van een jeugdige in een instelling door een medewerker van de instelling of door een andere jeugdige, of bedreiging daarmee;

c.er is sprake van ernstig geweld (zwaar letsel) tegen medewerkers van een instelling, die met jeugdigen en hun ouders/verzorgers werken, door de jeugdige of ouder/verzorger, of bedreiging daarmee.

3Een calamiteit kan door uiteenlopende organisaties dan wel personen bij de gemeente worden gemeld (politie, hulpverleningsorganisatie, instelling, forensisch arts (GGD Drenthe, Spoed4Jeugd, De Toegang e.a.). De melding kan op diverse plekken binnenkomen bij de gemeente (KCC, Zorgloket, of rechtstreeks bij een ambtenaar).

4Degene die de melding heeft ontvangen, geeft dit direct door aan de ambtenaar openbare orde en veiligheid (ambtenaar OOV) op telefoonnummer 088 – 0230494.

5De ambtenaar OOV zorgt in afstemming met de teamleider Account Beleid bedrijfsvoering Sociaal Domein (ABS) van de gemeente en de gemeentelijke communicatieadviseur voor weging van de zwaarte en mogelijke impact van de melding en bepaalt de noodzakelijke vervolgstappen. In ieder geval worden de inspecties op de hoogte gesteld.

6Waar mogelijk zal de gemeente het onderzoek van de inspecties afwachten alvorens zelf informatie te verzamelen of in debat te gaan over de calamiteit.

7Na melding treedt het Draaiboek calamiteiten jeugdhulp Emmen in werking.

2.2 Melding calamiteit en geweld bij de gemeente door de jeugdhulpaanbieder

1Als de jeugdhulpaanbieder bij de inspecties een calamiteit meldt, verplicht of anders, informeert hij of zij daarna zo spoedig mogelijk de toezichthouder van de gemeente over de aard en omvang van de calamiteit zonder daarbij tot individuele personen herleidbare gegevens te gebruiken.

2De gemeentelijke toezichthouder houdt contact met de jeugdhulpaanbieder die de melding heeft gedaan en registreert en beoordeelt de melding en bewaakt (en bepaalt) de vervolgstappen.

3De gemeentelijke toezichthouder doet onderzoek naar de naleving van de relevante wet- en regelgeving en adviseert de gemeente.

4De toezichthouder van de gemeente voert zijn of haar werk zodanig uit dat de werkzaamheden van hulpverleningsdiensten en andere diensten niet worden verstoord.

5Gedurende het onderzoek door de inspecties houdt de jeugdhulpaanbieder de gemeente op de hoogte van de voortgang van het onderzoek.

6Indien de inspecties besluiten tot (tijdelijke) sluiting van een (locatie) van de jeugdhulpaanbieder, verleent de jeugdhulpaanbieder volledige medewerking aan een goede en vlotte overgang van de jeugdigen naar de door de gemeente daartoe aangewezen jeugdhulpaanbieder en bevordert ononderbroken voortzetting, aldaar, van de jeugdhulp.

7De gemeente en de jeugdhulpaanbieder maken in het geval van calamiteiten en/of onverwachte gebeurtenissen afspraken over het informeren van direct betrokkenen, van andere overheidsdiensten en/of andere professionals, en over informatieverstrekking aan media en aan bestuurlijk verantwoordelijken.

8De jeugdhulpaanbieder informeert de gemeente zo spoedig mogelijk over de conclusies in de rapportage van de inspecties.

9De jeugdhulpaanbieder stelt de gemeente zo spoedig mogelijk op de hoogte van:

a.dreigende financiële problemen;

b.Inspectierapporten die door een met toezicht belaste ambtenaar zijn uitgebracht.

10De jeugdhulpaanbieder stuurt het in hoofdstuk 2.3.9.b bedoelde inspectierapport aan de gemeente.

1. De gemeente evalueert ten minste 1 keer per jaar de resultaten van de ingezette zorg.

Hoofdstuk 7 Nader te benoemen niet vrij toegankelijke voorziening

7.1 Diagnostiek en behandeling van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED)

1Toeleiding naar diagnostiek en behandeling voor Ernstige Enkelvoudige Dyslexie geschiedt altijd via het onderwijs, dit geldt voor zowel ZIN als PGB. De toeleiding geschiedt conform de meest recente versie van ‘Dyslexie Diagnostiek & Behandeling;’

1Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie. ‘Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 2.0,’ 1 mei 2013. Geraadpleegd 20 oktober 2020 via https://www.nkd.nl/professionals/protocol-dyslexie-diagnose-en-behandeling/.

2Er wordt alleen een PGB afgegeven wanneer de EED is vastgesteld op de basisschool en uiterlijk voor het 13e jaar;

3Een verklaring van EED moet zijn afgegeven door een dyslexiebehandelaar aangesloten bij het Nederlands Kwaliteit Instituut. Daarnaast is de hoofdbehandelaar in het bezit van een BIG-registratie.

Hoofdstuk 8 Kwaliteit

8.1 Kwaliteitseisen

1De jeugdhulp die wordt ingekocht, is kwalitatief verantwoord en de jeugdhulpaanbieders voldoen ten minste aan de volgende eisen:

a.Medewerkers in dienst zijn in bezit zijn van een Verklaring Omtrent Gedrag;

b.Medewerkers in dienst beschikken over een SKJ- of BIG-registratie (dit geldt niet voor Mbo’ers. Zij dienen wel in het bezit te zijn van relevante diploma’s) bij sommige vormen van jeugdhulp;

c.Beschikken over een passende aansprakelijkheidsverzekering;

d.Verlenen veilige, doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte hulp;

e.Werken volgens de norm van verantwoorde werktoedeling;

f.Moeten werken volgens de richtlijn van één gezin, één plan, één regisseur;

g.Dienen een kwaliteitssysteem te hebben;

h.Maken gebruik van de Regionale (Drentse) Verwijsindex risicojongeren (DVi) via Multisignaal, conform artikel 7 van het samenwerkingsconvenant DVi;

2De gemeenten in de provincie Drenthe. ‘Samenwerkingsconvenant Drentse Verwijsindex,’ 11 september 2018. Geraadpleegd 3 februari 2020 via https://drentseverwijsindex.nl/wordpress/wp-content/uploads/2018/10/ondertekend-provinciaal-samenwerkingsconvenant-20180912.pdf.

i.Hebben en meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling;

j.Hebben een meldplicht bij een calamiteit;

k.Hebben een meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp;

l.Hebben de beschikking over een klachtencommissie;

m.Hebben de beschikking over een cliëntenraad;

n.Vragen toestemming voor verlening jeugdhulp;

o.Hebben de verplichting een vertrouwenspersoon in de gelegenheid te stellen zijn taak uit te oefenen.

2Bij Zelfstandige Zonder Personeel, ingekocht via een PGB zijn de kwaliteitseisen bij lid 1 sub a, b, c, d, e, g, h, i, j en n van toepassing.

3Bij sociaal netwerk, uitbetaald via een PGB, zijn de volgende kwaliteitseisen bij 5.1 lid 1 sub a (dit geldt niet voor familie in de 1e lijn) en sub d van toepassing.

4De gemeente kan (laten) toetsen of een zorgaanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen. Hierbij kan ook de Inspectie voor de Jeugd worden ingeschakeld.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

9.1. Afwijkingsbevoegdheid

1De gemeente kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) afwijken van deze nadere regels indien toepassing van deze regels gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de nadere regels te dienen doelen.

9.2 Overgangsbepaling

1Op de aanvragen die tot en met de datum van vaststelling zijn ingediend zijn de Nadere regels jeugdhulp gemeente Emmen 2018 van toepassing.

Toelichting nadere regels jeugdhulp gemeente Emmen

Nadere regels zijn algemeen bindende regels, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. De regels handelen over:

•de wijze van beoordeling;

•criteria voor toekennen van individuele voorzieningen;

•geldigheidsduur besluit;

•vaststellen hoogte PGB.

De nadere regels jeugdhulp gemeente Emmen kunnen niet los worden gezien van de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen.

Met deze nadere regels geeft de gemeente uitvoering aan de opdracht om nadere regels te stellen zoals aangegeven in de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen.

Direct melden

De gemeente sluit aan bij hetgeen bij wat de inspecties verstaan onder direct, of onverwijld, melden. Onverwijld

3Rijksoverheid. ‘Melding doen van een calamiteit,’ geraadpleegd 20 november 2019 via https://www.igj.nl/onderwerpen/calamiteiten/melding-doen-van-een-calamiteit.

melden houdt in dat een calamiteit binnen 3 werkdagen gemeld moet worden bij de inspecties. Als nog niet duidelijk is of er sprake is van een calamiteit, dan heeft de zorgaanbieder 6 weken vanaf de constatering van een incident de tijd om te onderzoeken of een gebeurtenis een calamiteit is. Als gedurende dit onderzoek blijkt dat het gaat om een calamiteit, dan moet de zorgaanbieder dit binnen 3 werkdagen na vaststelling daarvan aan melden aan de inspecties. Twijfelt de zorgaanbieder na 6 weken nog of de gebeurtenis een calamiteit was, dan doet de zorgaanbieder alsnog een melding bij de inspecties.

Calamiteit

4Inspecties. ‘Leidraad Meldingen Jeugd,’ 1 oktober 2018, 9. Geraadpleegd 21 november 2019 via https://www.igj.nl/documenten/richtlijnen/2015/10/1/leidraad-meldingen-jeugd.

Calamiteit is gedefinieerd in de Jeugdwet. In de Jeugdwet en de Wmo 2015 wordt het melden van calamiteiten en geweld (bij de inspecties) verplicht gesteld voor jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en Veilig Thuis. De definitie ‘calamiteit’ lijkt sterk op de definitie van ‘calamiteit’ zoals deze werd gehanteerd vóór 1 januari 2015.

Een calamiteit moet altijd voldoen aan de onderstaande vier elementen:

1Het is een niet beoogde of onverwachte gebeurtenis.

2Het heeft plaatsgevonden bij verlening jeugdhulp of bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.

3Het heeft betrekking op de kwaliteit van de jeugdhulp.

4Het heeft geleid tot een ernstig schadelijk gevolg of de dood van een jeugdige of een ouder.

Ad 1.

Er is blijkens de wettekst pas sprake van een calamiteit (een ernstig incident) als de gebeurtenis onverwacht of niet beoogd was. De inspecties interpreteren deze voorwaarde aldus dat een calamiteit een gebeurtenis is die afwijkt van wat verwacht mag worden bij de gebruikelijke hulpverlening. Gelet op het feit dat jeugdhulp betrekking heeft op gezin gerelateerde (maatschappelijke) problemen, waarvan (gedrags)problematiek, psychische problematiek en/of opvoedingsproblematiek onderdeel uitmaken, valt immers te verwachten dat zich gedurende de jeugdhulp incidenten zullen voordoen. Een aantal van deze incidenten zal gerelateerd zijn aan de jeugdhulp die geboden wordt, zoals het vertonen van ongehoorzaam gedrag jegens een groepsleider. Zolang deze incidenten betrekking hebben op de gebruikelijke verlening van jeugdhulp en daarbinnen ook kunnen worden beheerst, worden deze geacht te passen binnen de jeugdhulpverlening en behoeven deze dus niet te worden gemeld. De jeugdhulpaanbieder of de instelling moet deze incidenten zelf registreren en periodiek analyseren. Pas op het moment dat sprake is van een gebeurtenis die niet past binnen de gebruikelijke hulpverlening, is sprake van een calamiteit als ook aan de andere drie elementen is voldaan.

Ad 2.

Een calamiteit is bovendien een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden bij de verlening van jeugdhulp of bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Vaak is de bemoeienis vanuit de jeugdhulpaanbieder of instelling snel vast te stellen. Te denken valt aan jeugdhulp in het kader van een ondertoezichtstelling, een uithuisplaatsing of een behandeling van somatische of psychische zorg. Er zijn echter ook calamiteiten denkbaar waarbij de betrokkenheid van een jeugdhulpaanbieder of instelling niet zo duidelijk is afgebakend, bijvoorbeeld omdat er meerdere aanbieders of instellingen bij het hulpverleningstraject waren betrokken. Telkens kan men zich afvragen of en, zo ja, in welke mate jeugdhulp betrokken was bij de betreffende jeugdige of ouder en wie in deze een verantwoordelijkheid had.

Ad 3.

Een calamiteit dient daarnaast betrekking te hebben op de kwaliteit van de jeugdhulp. Het kan daarbij gaan om foutief handelen, om een samenloop van omstandigheden, maar ook om situaties waarbij door een gebrekkige organisatie van de jeugdhulp calamiteiten plaats vinden. Als de inspecties vinden dat er door de inspecties een onderzoek naar de gebeurtenis moet worden ingesteld, is het onderzoek gericht op de kwaliteit van de hulpverlening en op mogelijke structurele tekortkomingen hierin. Het onderzoek zal zich onder andere richten op de vraag wat de betrokken jeugdhulpaanbieder of de instelling heeft gedaan of zal doen om deze kwaliteit te verbeteren om herhaling te voorkomen.

Ad 4.

Het laatste element van de definitie van calamiteit betreft een ernstig schadelijk gevolg of de dood van een jeugdige of een ouder. Niet elk incident behoeft gemeld te worden bij de inspecties. Jeugdhulpaanbieders en instellingen kunnen immers heel goed zelf leren van incidenten. Op het moment dat sprake is van ernstige schade of de dood van een jeugdige of ouder, moet dit echter wel worden gemeld bij de inspecties. Onder ernstig schadelijk gevolg wordt onder andere geschaard: ernstige lichamelijke of ernstige psychische schade. De inspecties verstaan onder een calamiteit ook een ernstig schadelijk gevolg of de dood van een derde door toedoen van een jeugdige.

Veilig Thuis

Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en het Steunpunt Huiselijk Geweld (SHG) heten vanaf 1 januari 2015 samen 'Veilig Thuis'. De samenvoeging van beide meldpunten is onderdeel van de transitie van de zorg voor jeugd. Tot nog toe werd als gezamenlijke naam Advies en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (AMHK) gehanteerd. Door de fusie worden de aanpak van geweld in huiselijke kring en de aanpak van kindermishandeling geïntegreerd. Burgers en beroepskrachten kunnen straks bij één punt terecht met hun zorgen en vragen over en meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling.

5NJi. ‘AMHK wordt 'Veilig Thuis',’ geraadpleegd 22 november 2019 via https://www.nji.nl/nl/2014/AMHK-wordt-Veilig-Thuis.

Op grond van artikel 4.1.1.2 van de Wmo 2015, oefent Veilig Thuis de volgende taken uit:

•het fungeren als meldpunt voor gevallen of vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling;

•het naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan, onderzoeken of daarvan daadwerkelijk sprake is;

•het beoordelen van de vraag of en zo ja tot welke stappen de melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan aanleiding geeft;

•het in kennis stellen van een instantie die passende professionele hulp kan verlenen bij huiselijk geweld of kindermishandeling, van een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan, indien het belang van de betrokkene dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft;

•het in kennis stellen van de politie of de raad voor de kinderbescherming van een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan, indien het belang van de betrokkene dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft;

•indien Veilig Thuis een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming doet, het in kennis stellen daarvan van het college, en;

•het op de hoogte stellen van degene die een melding heeft gedaan, van de stappen die naar aanleiding van de melding zijn ondernomen.

Geweld

6Inspecties. ‘Leidraad Meldingen Jeugd,’ 10–11.

De paragraaf is opgenomen ter verduidelijking. De definitie van ‘geweld’ in de Jeugdwet en de Wmo 2015 is nieuw. Deze definitie is in de wet opgenomen als verplichte melding omdat geweld van welke aard ook achterwege dient te blijven bij de verlening van jeugdhulp en bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Onder het begrip ‘geweld’ valt zowel het geweld door een jeugdhulpverlener tegen een jeugdige of ouder, als het geweld dat is gepleegd tegen een jeugdige of ouder door een andere jeugdige of ouder die gedurende het etmaal of een dagdeel bij de jeugdhulpaanbieder of in de instelling verblijft. Hiermee wordt gedoeld op geweld van een bewoner tegen een andere bewoner binnen een instelling. De reden dat dit moet worden gemeld heeft te maken met de intensiteit die kenmerkend is voor het gedurende het etmaal of een deel daarvan moeten verblijven in dezelfde ruimte, wat maakt dat een jeugdige of ouder in bijzondere mate kwetsbaar is voor (en dus afhankelijk is van) optreden tegen geweld waarmee hij wordt geconfronteerd. Van de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling mag worden verwacht dat hij dit voorkomt en zo niet, daartegen adequaat optreedt.

Reikwijdte meldplicht:

Er waren veel vragen van instellingen over de meldplicht geweld. De vragen hadden met name betrekking op de reikwijdte van de meldplicht voor zover het geweld tussen cliënten onderling binnen een (semi)residentiële setting betreft. Daarom hebben de inspecties het stuk ‘Overwegingen over het melden van geweld tussen jeugdigen’ gepubliceerd. En op 15 augustus 2017 zijn in de Staatscourant nadere beleidsregels over het melden van geweld tussen cliënten gepubliceerd. Beide stukken staan op https://www.igj.nl/zorgsectoren/jeugd/meldingen/melden-voor-instellingen.

Geweld pleegouders:

Ook waren er vragen over de rol van pleegouders: zijn zij hulpverleners? moet geweld door pleegouders tegen hun pleegkind uitgeoefend als geweld gemeld worden?

De inspecties stellen dat een pleegouder niet werkzaam is bij een jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling en dat de pleegouder dus geen hulpverlener is; daar komt bij dat het huis van een pleeggezin niet kan worden aangemerkt als een instelling. Geweld uitgeoefend door een pleegouder valt daarmee niet onder de definitie van geweld.

Het is wel mogelijk om geweld van een pleegouder te scharen onder de definitie van calamiteit. Dan moet wel voldaan worden aan de vier elementen uit de wettelijke definitie van een calamiteit. Geweld van pleegouders heeft volgens de inspecties zeker een ernstig schadelijk gevolg voor een kind dat uit huis geplaatst is in het belang van zijn veilige ontwikkeling. Het is van groot belang dat een kind veilig is bij zijn pleegouders. De vragen van de inspecties richten zich bij een dergelijke melding op of de pleegzorginstantie voldoende waarborgen had ingebouwd om dergelijke gebeurtenissen te voorkomen, of de pleegouders zijn gescreend, geschoold, begeleid, of goede risico inschattingen zijn gemaakt, etc.

Geweld (nog) niet (juridisch) bewezen:

Bij meldingen geweld gaat het vaak om vermoedens en geen (juridisch bewezen) geweld.

Instellingen vragen wel of ze ook voordat het geweld bewezen heeft plaatsgevonden toch moeten melden. De inspecties stellen dat wachten tot het geweld juridisch bewezen is, niet haalbaar is voor een meldplicht. Dan kan het zijn dat een melding plaatsvindt jaren na dato, in het uiterste geval na een uitspraak van de Hoge Raad. Dat valt niet meer zinnig te onderzoeken of hieruit valt geen lering meer te trekken. Het is wel aan te raden een taxatiegesprek te voeren in geval van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Twee voorbeelden van geweld dat de inspecties aanraden te melden: meisje zegt dat zij door medecliënt gedwongen is tot seksuele handelingen. Na taxatiegesprek lijkt het instelling aannemelijk dat het verhaal van het meisje klopt. Als medecliënt het verhaal van meisje bevestigt, dan kan instelling sowieso direct melden.

Overige voorbeelden van geweld:

•Een hulpverlener in een instelling voor gesloten jeugdhulp slaat een jeugdige in zijn gezicht tijdens het fixeren van de jeugdige. Het slaan van de hulpverlener was een reactie op een schop die de hulpverlener van de jeugdige kreeg.

•De hulpverlener heeft lichamelijk geweld gebruikt tegen de jeugdige. Alle vormen van geweld (psychisch, lichamelijk of seksueel) dienen in de hulpverlening achterwege te blijven. In het onderzoek van de inspecties wordt bijvoorbeeld betrokken of de hulpverlener goed was geschoold in het op juiste wijze vastpakken en vasthouden van de jeugdige. Hierbij wordt het beleid van de instelling betrokken.

•Een hulpverlener is verliefd geworden op een jeugdige die binnen de instelling verblijft waar hij werkzaam is. Er is sprake van een relatie, die ook seksueel is, waarin geen sprake lijkt te zijn van dwang of drang.

•Toch is er sprake van seksueel geweld door een hulpverlener jegens een jeugdige. De hulpverlener had zich ervan bewust moeten zijn dat de jeugdige op hem is aangewezen en van hem afhankelijk is. Dit leidt er toe dat een relatie binnen de jeugdhulpverlening per definitie niet gelijkwaardig kan zijn. In het strafrecht is dit bovendien strafbaar gesteld: ontucht in welke vorm dan ook is strafbaar. Dit geldt ook als de hulpvrager hiertoe toestemming heeft gegeven. De inspecties zullen in het onderzoek betrekken in hoeverre binnen de jeugdhulpaanbieder of de instelling beleid is (en onder de aandacht wordt gebracht) om relaties als deze te voorkomen. Aan de geregistreerde jeugdhulpverlener zullen deze vragen ook worden gesteld in het kader van het beoordelen van mogelijk tuchtwaardig handelen van de hulpverlener.

Verplichting tot melden

7Inspecties. ‘Leidraad Meldingen Jeugd,’ 12–13.

Er geldt een wettelijke verplichting voor het melden van calamiteiten en geweld door jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en Veilig Thuis bij de inspecties. Deze wettelijke verplichting voor de jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen is neergelegd in artikel 4.1.8, eerste lid, van de Jeugdwet, en voor Veilig Thuis in artikel 4.2.5, eerste lid, van de Wmo 2015.

De Raad voor de Kinderbescherming, de justitiële jeugdinrichtingen, het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, de vergunninghouders voor interlandelijke adoptie, de schippersinternaten en Halt melden een calamiteit of geweld op grond van de procesafspraken die tot stand zijn gekomen tussen de inspecties en de betreffende instellingen.

Webbased melden

Het melden van een calamiteit of geweld dient webbased te geschieden via een digitaal formulier op de internetpagina van de inspecties. De jeugdhulpaanbieders en de instellingen ontvangen hiertoe bij de eerste melding een unieke inlogcode. Zij kunnen ook een ‘andere melding’ doen (een niet verplichte melding).

Jeugdhulpaanbieders en instellingen dienen een calamiteit of geweld zo spoedig mogelijk te melden. Onverwijld betekent binnen drie werkdagen nadat de calamiteit of het geweld heeft plaats gevonden, dan wel nadat dit is vastgesteld. Soms is niet helder is of er sprake is van een calamiteit doordat bijvoorbeeld nog niet duidelijk is of er een relatie tussen de gebeurtenis en de kwaliteit van de jeugdhulp is. De Inspecties stellen de betrokken Jeugdhulpaanbieder of instelling in de gelegenheid om binnen een termijn van zes weken zelf onderzoek te doen naar de relevante feiten, tenzij de aard van de melding of andere informatie over de betrokken Jeugdhulpaanbieder of instelling de Inspecties aanleiding geven dit niet te doen. De Inspectie kan de termijn op verzoek verlengen. De instelling of jeugdhulpaanbieder kan dan een voormelding doen via door middel van een mail naar de inspecties post@commissiemeldingenjeugd.nl te sturen of via het meldformulier een ‘andere melding’ te doen.

De inspecties ontvangen van elke jeugdhulpaanbieder en instelling die bij een calamiteit of geweld is betrokken een melding. Indien een jeugdhulpaanbieder of een instelling met een andere jeugdhulpaanbieder of instelling die bij de calamiteit of het geweld is betrokken afstemt dat één van hen de melding doet, moet expliciet uit de melding blijken dat deze afspraak tussen de betreffende jeugdhulpaanbieder en instelling is gemaakt. Ook hoofdaannemer en onderaannemer kunnen zo samen melden.

De jeugdhulpaanbieder(s) en de instelling(en) zijn verplicht om bij de melding alle relevante gegevens te verstrekken aan de inspecties die nodig zijn om de melding te kunnen beoordelen en te onderzoeken.

Achterwege blijven verplichte melding

Het niet onverwijld melden van een calamiteit of geweld, alsmede het niet verstrekken van de relevante gegevens in het kader van de melding, is op grond van de Jeugdwet en de Wmo 2015 bestuurlijk beboetbaar en strafbaar. Dit geldt alleen voor jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en Veilig Thuis.

Indien sprake is van een overtreding, zullen de inspecties de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling of Veilig Thuis in beginsel eerst een waarschuwing geven. Hierna wordt – conform afstemming met het OM – besloten of wordt over gegaan tot het opleggen van een bestuurlijke boete, dan wel dat de overtreding strafrechtelijk wordt afgedaan.

In de procesafspraken met de Raad voor de Kinderbescherming, de justitiële jeugdinrichtingen, het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, de vergunninghouders voor interlandelijke adoptie, de schippersinternaten en Halt is geen sanctie gesteld op het niet naleven van de afspraken inzake het melden.

Gemeentelijke toezichthouder

Het toezicht in het kader van de Jeugdwet wordt uitgevoerd door de Inspectie Gezondheidszorg (IGJ) en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid (JenV). De inspecties zien toe op de kwaliteit van de jeugdhulp die door de jeugdhulpaanbieders wordt geboden, de naleving van de wettelijke eisen en de kwaliteit in algemene zin (stelseltoezicht).

8Rijksoverheid. ‘De inspecties,’ geraadpleegd 22 november 2019 via https://www.toezichtsociaaldomein.nl/inspectieloket-sociaal-domein/de-inspecties.

De inspecties hebben er, conform artikel 9, lid 1 van de Jeugdwet, voor gekozen het toezicht naar de kwaliteit in algemene zin binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD) uit te voeren. In TSD werken de drie bovengenoemde inspecties samen met de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

9Rijksoverheid. ‘De inspecties.’

Toezicht Sociaal Domein bestaat dan ook uit de volgende inspecties:

10Rijksoverheid. ‘De inspecties.’

•Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

•Inspectie Justitie en Veiligheid

•Inspectie van het Onderwijs

•Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Op grond van hoofdstuk 4.3.3. van de Verordening jeugdhulp heeft de gemeente (een of) meerdere toezichthouders rechtmatigheid aangewezen. In hoofdstuk 2.4 worden deze toezichthouder(s) bedoeld. Naast de kerntaken

11Zie voor de kerntaken de uitgave van de VNG ‘Profiel toezichthouder rechtmatigheid Wmo 2015 en Jeugdwet,’ te raadplegen via https://vng.nl/sites/default/files/publicaties/2018/180413-profiel-toezichthouder-rechtmatigheid.pdf.

houdt deze toezichthouder contact met de jeugdhulpaanbieder die de melding heeft gedaan, etc.

De Jeugdwet heeft het toezichthouderschap niet als directe verplichting opgedragen aan de lagere overheid, te weten de gemeente, zie hoofdstuk 9 ‘Toezicht en Handhaving’ van de wet. Toch heeft de wetgever in de wet een opdracht verstrekt aan de gemeente, nl. artikel 2.9: ‘De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels (onder d) voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.’ Door deze opdracht is de legitimiteit ontstaan om bij verordening toezichthouders (rechtmatigheid) aan te wijzen, conform de Awb.

De gemeente Emmen heeft een integrale aanpak van toezicht en handhaven in het sociaal domein. Vaak is er samenwerking met de afdeling burgerzaken en met de collega's van ruimtelijke ontwikkeling.

12Voor meer informatie bekijk de video van de toezichthouder(s) op de site van de VNG; https://vng.nl/nieuws/toezicht-en-handhaving-sociaal-domein-emmen-in-beeld).

13VNG. ‘Toezicht en handhaving sociaal domein Emmen in beeld’, 4 oktober 2019. Geraadpleegd viahttps://vng.nl/nieuws/toezicht-en-handhaving-sociaal-domein-emmen-in-beeld.

Hoofdstuk 3.2 Periodiek onderzoek

In de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen 2020 is bepaald dat het college nadere regels kan vaststellen ten aanzien van de periodieke onderzoeken. Hoofdstuk 3.2 van deze nadere regels gaan hierover. Gekozen is voor een termijn van in beginsel 3 jaar. Of een kortere termijn noodzakelijk is zal mede afhangen van de aard, de wijze en de omvang van de individuele ondersteuningsbehoefte van de

cliënt en wat bij het onderzoek is vastgesteld. Afhankelijk hiervan kan ook een langere termijn

overwogen worden.

Hoofdstuk 6.2.3

Ouders en kinderen hebben jeugdhulp nodig als zij problemen hebben die zij niet zelf kunnen oplossen. Jeugdhulp is niet bedoeld om gebruikelijke zorg van ouders over te nemen. In hoofdstuk 3.3.3, hoofdstuk 4 en bijlage 1 van de Beleidsregels jeugdhulp gemeente Emmen 2020 is het afwegingskader en zijn de richtlijnen hierover opgenomen.

Hoofdstuk 8.1.d

De jeugdhulpaanbieder moet in staat zijn kwalitatief verantwoorde zorg te leveren. De gemeente ziet in dit verband toe op een verantwoorde en juiste besteding van het PGB. Dat begint bij de vraag om hulp-op-maat in de leveringsvorm PGB, door bijvoorbeeld het PGB-plan en de zorgovereenkomst(en) met hulpverlener(s) te beoordelen en goed te keuren. Daarbij (maar ook tussentijds/achteraf) kan de gemeente toetsen hoe het totaal aantal uren per week dat de jeugdhulpverlener in kwestie in het algemeen jeugdhulp verleent, al dan niet aan meerdere cliënten, zich verhoudt tot het leveren van kwalitatief verantwoorde zorg aan de individuele jeugdige. Bij deze toetsing wordt het Arbeidstijdenbesluit betrokken; bij de jeugdhulpverlener op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is, wordt er in lijn met artikel 5.18, lid d van de Regeling langdurige zorg (Rlz) en jurisprudentie hieromtrent

14De Rechtspraak. ‘ECLI:NL:RBDHA:2018:3744’, 25 april 2018. Geraadpleegd 4 februari 2020 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:3744.

vanuit gegaan dat deze jeugdhulpverlener in principe niet meer dan veertig uur in één week werkzaamheden kan verrichten. Jeugdigen in jeugdhulp kennen grote kwetsbaarheid en kunnen een hoge en complexe zorgvraag hebben. De inzet van de individuele jeugdhulpverlener per week, moet hiermee in verhouding staan. Daarom wordt de complexiteit van de zorgvraag (mee)gewogen. Het gaat dus om die gevallen dat meerdere budgethouders met een (hoog) complexe zorgvraag jeugdhulp inkopen bij één jeugdhulpverlener.

Hoofdstuk 8.1.h Drentse Verwijsindex

Bij het interpreteren van de risico’s maakt de signaleringsbevoegde zo nodig gebruik van de nadere uitwerking van deze risico’s zoals te vinden op https://handreikingmelden.nl/.

15Programmaministerie voor Jeugd en Gezin. ‘Handreiking voor het melden aan de verwijsindex’, januari 2010. Geraadpleegd 3 februari 2020 via https://handreikingmelden.nl/web.

Wanneer signaleert een professional een jeugdige in de Verwijsindex?

16Multisignaal. ‘Wanneer signaleert een professional een jeugdige in de Verwijsindex?’ Geraadpleegd 3 februari 2020 via https://www.multisignaal.nl/faq/.

Wanneer een professional betrokken is bij een jeugdige en zorgen heeft over het gezond en veilig opgroeien van deze jeugdige, kan de professional een signaal afgeven. Wanneer de professional een signaal afgeeft is afhankelijk van het soort organisatie waarin hij of zij werkzaam is. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen:

1Basis organisaties (nulde lijn);

2Generalistische organisaties (eerste lijn);

3Gespecialiseerde organisaties (tweede lijn).

Organisaties vanuit de nulde lijn

Basisorganisaties zijn voor iedereen toegankelijk, zonder dat er een hulpvraag is (kinderopvang, onderwijs, huisarts, verloskundige, etc.). Organisaties vanuit de nulde lijn maken de afweging om te signaleren wanneer er zorgen zijn op één of meer van de volgende levensgebieden:

•Gezondheid of geestelijke gezondheid

•Materiële omstandigheden (financiën; woning)

•Opvoeding en gezinsrelaties

•Onderwijs en werk

•Sociale omgeving

Organisaties vanuit de eerste lijn

Generalistische hulpverlening is hulp waar geen verwijzing voor nodig is. Denk aan het wijkteam, leerplicht of maatschappelijk werk. Organisaties vanuit de eerste lijn signaleren in principe altijd wanneer zij betrokken zijn bij een kind, jongere of een gezin. De reden hiervoor is dat zij alleen bij die personen betrokken zijn, waar altijd zorgen bestaan of een of meerdere leefgebieden. In de eerste lijn is betrokkenheid tonen dus de standaard. Er is echter een uitzondering: een signaal wordt niet afgegeven als er een enkelvoudige hulpvraag is, die zonder verdere opvolging door een andere organisatie eenvoudig en snel opgelost kan worden.

Organisaties vanuit de tweede lijn

Specialistische hulpverlening is hulp waar een verwijzing of indicatie voor nodig is. Hierbij kun je denken aan de GGZ, gezinsvoogdij, verslavingszorg, of de reclassering. Organisaties vanuit de tweede lijn zijn alleen bij die personen betrokken, waar altijd zorgen bestaan op een of meerdere leefgebieden. Daarom geven professionals uit de tweede lijn altijd een signaal van betrokkenheid af.

Referenties

•De Rechtspraak. ‘ECLI:NL:RBDHA:2018:3744.’ 25 april 2018. Geraadpleegd 4 februari 2020 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:3744.

•Inspecties. ‘Leidraad Meldingen Jeugd.’ 1 oktober 2018. Geraadpleegd 21 november 2019 via https://www.igj.nl/documenten/richtlijnen/2015/10/1/leidraad-meldingen-jeugd.

•Multisignaal. ‘Wanneer signaleert een professional een jeugdige in de Verwijsindex?’ Geraadpleegd 3 februari 2020 via https://www.multisignaal.nl/faq/.

•NJi. ‘AMHK wordt 'Veilig Thuis'.’ Geraadpleegd 22 november 2019 via https://www.nji.nl/nl/2014/AMHK-wordt-Veilig-Thuis.

•Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie. ‘Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 2.0.’ 1 mei 2013. Geraadpleegd 20 oktober 2020 via https://www.nkd.nl/professionals/protocol-dyslexie-diagnose-en-behandeling/.

•Programmaministerie voor Jeugd en Gezin. ‘Handreiking voor het melden aan de verwijsindex.’ Januari 2010. Geraadpleegd 3 februari 2020 via https://handreikingmelden.nl/web.

•Rijksoverheid. ‘De inspecties’. Geraadpleegd 22 november 2019 via https://www.toezichtsociaaldomein.nl/inspectieloket-sociaal-domein/de-inspecties.

•Rijksoverheid. ‘Melding doen van een calamiteit.’ Geraadpleegd 20 november 2019 via https://www.igj.nl/onderwerpen/calamiteiten/melding-doen-van-een-calamiteit.

•VNG. ‘ Handhaving en naleving Wmo 2015 en Jeugdwet,’ juni 2017. Geraadpleegd 22 november 2019 via https://www.toezichtsociaaldomein.nl/documenten/publicaties/2017/06/15/handhaving-en-naleving-wmo-2015-en-jeugdwet--handreiking-voor-gemeenten.

•VNG. ‘Profiel toezichthouder rechtmatigheid Wmo 2015 en Jeugdwet.’ Geraadpleegd 22 november 2019 via https://vng.nl/sites/default/files/publicaties/2018/180413-profiel-toezichthouder-rechtmatigheid.pdf.

•VNG. ‘Toezicht en handhaving sociaal domein Emmen in beeld,’ 4 oktober 2019. Geraadpleegd 22 november 2019 via https://vng.nl/nieuws/toezicht-en-handhaving-sociaal-domein-emmen-in-beeld.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.