Aanhef
De burgemeester van de gemeente Emmen;
acht het wenselijk beleidsregels vast te stellen met het oog op een transparante procedure voor de beoordeling en afdoening van bij de gemeente gemelde en geregistreerde zaken van ernstige en herhaalde woonoverlast;
gelet op de bepalingen in artikel 151d Gemeentewet juncto artikel 2:45 APV gemeente Emmen 2017 en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB).
Besluit vast te stellen de volgende beleidsregels
‘Aanpak woonoverlast gemeente Emmen’:
Andere geschikte wijze (art. 151d, 2e lid Gemeentewet en 2:45 APV)
De burgemeester legt pas een specifieke gedragsaanwijzing pas op als de ernstige hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. De gedragsaanwijzing komt pas in beeld als gebleken is dat er geen andere minder ingrijpende middelen ingezet kunnen worden (conform het subsidiariteitsbeginsel).
De burgemeester komt beleidsvrijheid toe in de afweging of er geen andere geschikte wijze is om de hinder tegen te gaan. Dat kunnen ook andere middelen zijn dan de uitoefening van overheidsbevoegdheden. Voorbeelden hiervan zijn het geven van een waarschuwing, het aanbieden van mediation of buurtbemiddeling of het aanspannen van een civiel rechtsgeding door het slachtoffer zelf of door de verhuurder van de woning van de overlastgever.
Pas als de burgemeester vindt dat er redelijkerwijs geen andere geschikte wijze is om de ernstige hinder tegen te gaan (blijkend uit de omstandigheid dat eerdere maatregelen of acties geen of onvoldoende soelaas bieden), kan hij een last onder dwansom of bestuursdwang opleggen. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat dit rechtsmiddel slechts als ‘ultimum remedium’ gebruik zal worden, dus als er geen andere passende en minder ingrijpende instrumenten ter beschikking staan of tevergeefs zijn toegepast.
Dit sluit aan bij de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Zorgplicht (2:45,1e lid APV)
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, dient ervoor te zorgen dat er door gedragingen in of rondom die woning of dat erf geen ernstige en herhaalde hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
Gebruiker van de woning (2:45, 1e lid APV)
Onder degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt wordt verstaan degene die de woning feitelijk bewoont. De gebruiker hoeft geen huurrechtelijke of eigendomsrechtelijke relatie tot de woning of het erf te hebben en hoeft niet de rechtmatige gebruiker van de woning te zijn. Ook een illegale onderhuurder of een kraker van de woning valt onder dit bestanddeel.
Ernstige en herhaalde hinder voor omwonenden (2.45, 1e lid APV)
Met ernstige hinder wordt gedoeld op ernstige en herhaalde hinder voor de omwonenden. Een vergelijking kan worden gemaakt met artikel 37 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, waar onder ‘hinder’ gedragingen worden verstaan zoals het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen of het onthouden van licht of lucht. Ernstige hinder als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet kan tevens onrechtmatig zijn in de zin van artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek, maar dat is geen vereiste. En andersom zal niet elke onrechtmatige burenhinder ook automatisch kunnen worden aangemerkt als ernstige hinder. Met de term ‘herhaaldelijk’ wordt gedoeld op het vereiste dat de ernstige hinder een terugkerend karakter heeft (hetgeen niet noodzakelijkerwijze hetzelfde is als “ernstige hinder zonder onderbreking”). De burgemeester geeft derhalve geen toepassing aan de bestuursdwangbevoegdheid op basis van één incident.
Gedragingen (2:45, 1e lid APV)
Met ‘gedragingen in of vanuit die woning of dat erf’ worden bedoeld gedragingen die in of vanuit de woning of het erf worden gepleegd. De gedragingen kunnen worden gepleegd door de gebruiker van de woning zelf of door bezoekers, gasten of vrienden van de gebruiker, maar ook door (bijvoorbeeld) diens hond. Het gaat om de woning die, of het erf dat, de overlastgever gebruikt.
Woning of een bij die woning bijbehorend erf (2:45, 1e lid APV)
Met woning of bij die woning behorend erf wordt bedoeld de woning, de rest van het betrokken perceel (zoals een tuin) en de gezamenlijke ruimte binnen een wooneenheid zoals het portiek, de parterretrap, de gezamenlijke buitenruimte, enzovoorts. Gelet op het bepaalde in artikel 151d, eerste lid, van de Gemeentewet vallen ook gedragingen in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf, zoals bijvoorbeeld gedragingen in de tuin of voor de deur van de woning van de buren, op het trottoir en/of op straat ter hoogte van of vlakbij de woning onder de reikwijdte van dit begrip (Kamerstukken II 2014/15, 34 007, 7, p. 13 resp. Kamerstukken II 2014/15, 34 007, 10, p.2). Er moet een duidelijke connectie zijn tussen de gedraging en de woning of het erf. Het moet dus in de directe nabijheid van de woning of het erf zijn, waarvandaan de overlast plaatsvindt, dus niet verderop in de straat of in een andere straat.
Omwonenden (2:45, 1e lid APV)
Het gaat om bewoners, woonachtig in de directe nabijheid van de woning of het erf van waaruit de overlast plaatsvindt.
Last onder bestuursdwang of onder dwangsom (2:45, 2e lid APV)
De burgemeester is alleen dan bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom, indien de ernstige hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.
Als de raad de burgemeester de bevoegdheid heeft verleend tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, is de burgemeester ook bevoegd om in plaats daarvan een last onder onder dwangsom op te leggen. Dit volgt uit artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht. De last kan daarbij de vorm aannemen van een “aanwijzing” (gedragsaanwijzing).
Aanwijzing c.q. “gedragsaanwijzing”(artikel 2:45 2e lid APV )
Ter bestrijding van ernstige woonoverlast is de burgemeester bevoegd tot het geven van een specifieke gedragsaanwijzing. De gedragsaanwijzing neemt in juridische zin de vorm aan van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. In deze last staat dat de overlastgever bepaalde handelingen moet doen of juist moet nalaten zodat de overlast ophoudt. Er kan bijvoorbeeld bepaald worden dat de overlastgever slechts een beperkt aantal bezoekers per dag mag ontvangen, na een bepaalde tijd helemaal geen bezoekers meer mag ontvangen, zijn hond moet muilkorven of anderszins moet voorkomen dat de hond overlast veroorzaakt, het portiek leefbaar moet houden, geen luide muziek mag draaien, enzovoorts. De gedragsaanwijzing kan ook een verplichting (gebod) inhouden om psychische of sociale hulp te zoeken of een agressiereductietraining te volgen (Kamerstukken II, 34 007, 9, p.3).
De gedragsaanwijzing is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). En is daarmee vatbaar voor bezwaar en beroep. Titel 5.3 van de Awb (Herstelsancties) is van toepassing. Vanwege de bevoegdheidstoedeling om een last onder bestuursdwang op te leggen, is de burgemeester op grond van artikel 5:32 van de Awb tevens bevoegd een last onder dwangsom op te leggen. Hierdoor kan de burgemeester een last onder dwangsom opleggen met de verplichting tot de betaling van een geldsom indien de last niet wordt uitgevoerd. Mocht dit onvoldoende effect hebben, dan kan de burgemeester middels een last onder bestuursdwang door feitelijk handelen de overlast tot een einde brengen, met inachtneming van een begunstigingstermijn.
Het geven van een gedragsaanwijzing is pas aan de orde als de inzet van een minder ingrijpende (lichtere) maatregel redelijkerwijze niet toereikend is ( ‘ultimum remedium’).
De vorm van bestuursdwang is uiteraard afhankelijk van de precieze last die is opgelegd.
Bij de daadwerkelijke uitoefening van de bestuursdwang kan men denken aan het verwijderen van bezoekers uit de woning, het aanbrengen van geluidwerende vloerbedekking, het verwijderen van geluidsapparatuur, het in beslag nemen van huisdieren, het verwijderen van vuilnis, enzovoorts.
Het moet in het vermogen van de betrokken bewoner liggen om de hinderlijke gedragingen te beëindigen.
De nadelige gevolgen van de last mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de last te dienen doelen (art. 3:4, tweede lid, Awb). De kosten van de bestuursdwang kunnen op grond van artikel 5:25 van de Awb worden verhaald op de overlastgever.
Bij de last onder dwangsom verbeurt de betrokken bewoner een dwangsom, indien deze binnen de begunstigingstermijn niet, niet tijdig of niet volledig aan de opgelegde last voldoet.
Tijdelijk huisverbod (151d, 3e lid Gemeentewet)
De burgemeester zal per geval maatgericht te werk gaan. Mocht deze gerichte aanpak niet werken, dan kan men desgewenst alsnog overgaan tot sluiting van de woning. Dat kan voor een periode van tien dagen. Bij ernstige vrees voor verdere overtreding kan de looptijd van het verbod worden verlengd voor ten hoogste vier weken.
Binnen het brede palet van het bij wijze van bestuursrechtelijke herstelsanctie geven van een gedragsaanwijzing is het uitvaardigen van een tijdelijk huisverbod een ‘ultimum remedium’.
Uitvoerbaarheid van de last
Het moet in het vermogen van betrokkene liggen om de hinderlijke gedragingen te staken. Ook moet het in diens vermogen liggen om aan de eventueel opgelegde last te kunnen voldoen. Dit vloeit voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Soms wordt de overlast veroorzaakt door mensen met psychische problemen. Het is mogelijk dat zij, door hun psychische gesteldheid, niet bij machte zijn de overlastgevende gedragingen te staken. Een gedragsmaatregel op grond van deze wet is dan mogelijk niet voldoende of geen passende maatregel ter beëindiging van de overlast. Het is van belang dat er in dat geval een goede afstemming plaatsvindt met inzetbare hulpverlening.