Hoofdstuk 5 Ruimtelijke randvoorwaarden
5.3 Ruimtelijke kwaliteitsplan
5.3.1 Stedenbouwkundig plan
In het stedenbouwkundig plan moeten de volgende aspecten worden toegelicht en gelden een aantal specifieke eisen:
Verkaveling
De gewenste situering van de woningen is afhankelijk van de locatie. Op sommige locaties past verstrooid over het terrein, maar op andere is een strakke verkaveling beter. Er moet voor een goede inpassing van de woningen in de omgeving gekeken worden naar de aanwezige gebiedskarakteristieken en stedenbouwkundige structuren. Aandachtspunt bij de ontwikkeling van een Tiny house project is de verhouding tussen de bebouwde en onbebouwde ruimte. Er moet sprake zijn van een ruimtelijke opzet met maximaal 50% kavels met bebouwing (bebouwde kavels) ten opzichte van het totale perceel en voldoende onderlinge afstand tussen de Tiny Houses (minimaal 6 meter). Het totale perceel zal in gezamenlijk eigendom moeten zijn van de stichting/vereniging als gezamenlijk erf.
Ontsluiting en parkeren
De Tiny Houses dienen goed bereikbaar te zijn voor auto, fietsverkeer, hulpdiensten en afvalinzameling. Hierbij dient aangesloten te worden op de bestaande infrastructuur in de directe omgeving. Voor parkeren wordt uitgegaan van één gezamenlijk parkeerterrein aan het begin van het erf om het terrein zo groen mogelijk in te kunnen richten. Er kan wel een pad zijn richting de verschillende woningen zodat laden en lossen kan plaatsvinden bij de woning, maar de auto kan niet worden geparkeerd bij de individuele woningen. Er moet voldaan worden aan de algemeen geldende parkeernorm voor kleine eenpersoonswoningen (Tiny house, grondgebonden), tenzij er gebruik wordt gemaakt van deelauto’s. Voor de parkeernorm wordt uitgegaan van het gemiddelde parkeerkencijfer van CROW. Voor bezoekersparkeren geldt een andere norm en wordt ook door CROW gegeven. Deze dient bij het bewonersparkeren opgeteld te worden.
5.3.2 Landschapsplan en erfinrichtingsplan
Het is wenselijk dat het geheel aan Tiny Houses goed past in de omgeving. Het is belangrijk dat de randen van de locatie kwalitatief worden vormgegeven en aansluiten bij de overgang van het perceel naar de (bebouwde of onbebouwde) omgeving. Er moet aansluiting zijn bij water- en beplantingsstructuren uit de omgeving. De inrichting van het terrein moet kwalitatief zijn, met aandacht voor bijvoorbeeld overgangen tussen privé en gemeenschappelijk eigendom, paden structuur, erfscheidingen, wateropvang en parkeren. Verharding wordt tot het minimum beperkt.
De thema’s biodiversiteit, duurzaamheid en klimaat moeten worden meegenomen bij de inrichting van het terrein.
Op het terrein zijn gebouwde erfafscheidingen in de vorm van schuttingen, stalen hekwerken en dergelijke niet toegestaan. Beperkte erfafscheidingen door groen, hagen en schapenhekken (met een maximale hoogte van één meter) zijn wel toegestaan.