1. Inleiding
2.3 Materiële vaste activa
2.3.1 Investeringen met een economisch nut
In artikel 59 lid 1 t/m 2 van het BBV is opgenomen:
1Alle investeringen worden geactiveerd.
2In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde niet geactiveerd.
Artikel 62 lid 1 BBV bepaalt dat we alle investeringen moeten activeren volgens de zogenaamde brutomethode. Dit betekent dat we deze investeringen activeren voor het bedrag van de investering. (Bestemmings)reserves mogen we niet op de investeringswaarde in mindering brengen.
Indien voor de dekking van kapitaallasten van een investering een reserve is opgebouwd, kan deze reserve gebruikt worden om de jaarlijkse kapitaallasten af te dekken. Dit soort reserves noemen we bruteringsreserves.
De Commissie BBV geeft in haar notitie “verkrijging/vervaardiging en onderhoud van kapitaalgoederen” de aanbeveling om deze bruteringsreserves in overeenstemming met de afschrijvingsparameters van de bijbehorende investering via de resultaatbestemming periodiek vrij te laten vallen als dekking van de kapitaallasten.
Uitgangspunt 4:
Bruteringsreserves vallen vrij in overeenstemming met de afschrijvingstermijn van de desbetreffende investering.
Ingevolge het 2e lid van artikel 62 BBV moeten bijdragen van derden met een directe relatie met een actief op de waardering daarvan in mindering worden gebracht. Het betreft hier bijvoorbeeld rijks-en provinciale bijdragen, bijdragen van personen etc.
Uitgangspunt 5:
Bij investeringen brengen we de bijdragen van derden in mindering op de investering.
In gevolge lid 3 van artikel 62 BBV moeten voorzieningen in mindering gebracht worden op investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven;
Uitgangspunt 6:
Voorzieningen worden in mindering gebracht op investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven.
2.3.2 Onderhoudsuitgave versus investeringsuitgave
De Commissie BBV heeft in de notitie verkrijging/vervaardiging en onderhoud van kapitaalgoederen een stellige uitspraak opgenomen over dit onderwerp. Een stellige uitspraak is een uitspraak van de commissie BBV die we moeten volgen. Uitspraak: “De kosten van (klein en groot) onderhoud zijn niet levensduurverlengend en mogen dus niet worden geactiveerd”. Bij de beantwoording van de vraag of we bepaalde kosten wel of moeten activeren, is het van belang om duidelijkheid te scheppen over wat onder onderhoud wordt verstaan. Hiervoor is de volgende indeling gemaakt;
•Klein onderhoud; hierbij is sprake van periodieke kosten, die nodig zijn om het object in goede staat te houden. Kosten van klein onderhoud keren in principe jaarlijks terug en brengen we om die reden in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie.
•Groot onderhoud; Dit betreft veelal maatregelen van ingrijpende aard die op een groot deel van het object worden uitgevoerd en na een langere gebruiksperiode worden verricht. Een voorbeeld hiervan is het (buiten) schilderwerk van een gebouw.
De kosten van groot onderhoud kunnen op twee manieren worden gedekt:
o 1. kosten in het jaar van uitvoering direct ten laste van de exploitatie brengen;
o 2. kosten in het jaar van uitvoering ten laste brengen van een vooraf gevormde voorziening brengen.
Levensduur verlengende investeringen zijn investeringen ten behoeve van een bestaand actief die expliciet leiden tot een substantiële levensduurverlenging van het betreffende actief. Uitsluitend in die gevallen mag geactiveerd worden. Voorbeelden zijn: het renoveren van een gebouw, levensduur verlengend onderhoud aan wegen. Het gaat hier dus niet om (groot) onderhoud. Onderhoud is niet levensduur verlengend, maar dient om het actief gedurende zijn levensduur in goede staat te houden.
3 Kapitaallasten
3.1 Afschrijven
3.1.1 Afschrijvingsbasis
In artikel 63 lid 1 van de BBV is bepaald dat we de verkrijgings- of vervaardigingsprijs als waarderingsgrondslag voor activa moeten toepassen. Deze verkrijgings- of vervaardigingsprijs vormt daarmee ook de belangrijkste basis voor het afschrijven op vaste activa De verkrijgingsprijs van de materiële vaste activa omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs bestaat uit de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend.
Restwaarde
Het is denkbaar dat er na afschrijving van het actief een restwaarde resteert. In veel gevallen is deze restwaarde vooraf niet of moeilijk in te schatten. We mogen niet anticiperen op prijsstijgingen of mogelijke wijziging van de gebruiksbestemming van het actief. Op grond van het voorzichtigheidsprincipe verdient het dan ook aanbeveling er vanuit te gaan dat er geen restwaarden resteren. We stellen derhalve de restwaarde van de vaste activa in principe op nihil. Echter, de budgethouder kan aangeven dat we toch een restwaarde moeten hanteren voor een actief. Dit komt o.a. regelmatig voor bij de voertuigen. Op basis van ervaring en het repeterende karakter van het aanschaffen en inruilen van voertuigen kan hier een goede inschatting worden gemaakt.
In de notitie Verkrijging/vervaardiging en onderhoud van kapitaalgoederen beveelt de Commissie BBV aan om beleid te formuleren over de handelswijze betreffende de restwaarden. Boekwinsten of -verliezen (verschillen tussen verkoopopbrengst en boekwaarde bij verkoop) mogen we niet verwerken in de te activeren investeringskosten. Deze behoren ten gunste c.q. ten laste van het resultaat te komen als incidentele bate of last en te worden verwerkt ten gunste of ten laste van de betreffende programma's. Daarnaast moeten we deze opnemen in het overzicht van incidentele baten en lasten (artikel 28 lid c BBV).
Uitgangspunt 8:
De geactiveerde vaste activa schrijven we in principe af tot nihil. We hanteren alleen een restwaarde bij een actief, daar waar een budgethouder een reële inschatting kan geven.
BTW
Hoewel niet concreet in het BBV benoemd onder de bepalingen omtrent de te hanteren waarderingsgrondslag, mogen we de BTW op activa niet activeren indien deze compensabel of verrekenbaar is. Dit is overeenkomstig bestuurlijke afspraken tussen het Rijk en de VNG.
Uitgangspunt 9:
Compensabele of verrekenbare BTW activeren we niet. Kostprijsverhogende BTW activeren we wel.
Erfpacht
Artikel 63 lid 4 bevat bepalingen voor in erfpacht uitgegeven gronden. Voor dergelijke gronden geldt om praktische redenen (het bepalen van de vervaardigingsprijs per kavel is erg bewerkelijk) de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Is echter sprake van gronden in eeuwigdurende erfpacht dan dient waardering plaats te vinden tegen registratiewaarde. Dit omdat het economische eigendom niet meer bij de erfverpachter berust.
Uitgangspunt 10:
Voor in erfpacht uitgegeven gronden hanteren we de uitgifteprijs van de eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Uitzondering: bij gronden in eeuwigdurende erfpacht hanteren we de registratiewaarde.
Integraal activeren en componentenbenadering
Wanneer een actief wordt aangeschaft c.q. wordt gebouwd en in gebruik wordt genomen, activeren we voor het bedrag ter grootte van de aanschaf- of bouwkosten. Het gehele actief schrijven we in principe af op basis van één integrale afschrijvingsduur. Een andere methode die wij sporadisch gebruiken, is het activeren volgens de componentenbenadering. Deze methode houdt in dat de verschillende delen waaruit een actief is samengesteld afzonderlijk worden gewaardeerd. De afschrijving vindt plaats op basis van de verwachte gebruiksduur van die afzonderlijke delen. Per deel kan de technische of economische gebruiksduur immers verschillen. Bij toepassing van deze benadering worden noodzakelijke vervangingen opnieuw geactiveerd.
Uitgangspunt 11:
We passen de componentenmethode alleen toe bij investeringen als er wezenlijke verschillen zijn in afschrijvingstermijnen én het een substantieel deel van de investeringen betreft.
3.1.2 Methoden van afschrijving
Het BBV schrijft niet voor welke afschrijvingsmethodiek we moeten hanteren. De methode regelt hoe de afschrijvingslasten over de levensduur verdeeld worden. Bij de gemeentelijke overheid worden hoofdzakelijk twee afschrijvingsmethodes gehanteerd, te weten lineair en annuïtair.
Lineaire methode
Lineair afschrijven is afschrijven op basis van een vast percentage van de aanschafwaarde. De afschrijving blijft gedurende de afschrijvingstermijn constant. Het rentedeel daalt gedurende de
looptijd, aangezien we de rente berekenen over de actuele boekwaarde. De jaarlijkse kapitaallasten dalen derhalve in de loop van de gebruiksperiode.
Annuïtaire methode
Bij afschrijven op basis van annuïteit blijven de jaarlijkse kapitaallasten constant. Omdat de rente wordt berekend over de actuele boekwaarde, nemen de rentekosten per jaar af en de afschrijvingskosten per jaar toe.
In principe kiezen we voor de lineaire methode. Doordat de totale kapitaallasten dalen in de loop van de gebruiksperiode ontstaat er ruimte voor in de tijd oplopende kosten, zoals onderhoudslasten. Lineair afschrijven is over de totale looptijd van de afschrijvingsperiode goedkoper dan de annuïtaire methode. Bij investeringen die doorberekend worden in huurprijzen hanteren we de annuïtaire methode.
Uitgangspunt 12:
In principe hanteren we de lineaire afschrijvingsmethode. Bij investeringen die doorberekend worden in huurprijzen hanteren we de annuïtaire methode.
Stelselwijziging methode van afschrijvingen
In artikel 212 van de Gemeentewet staat beschreven dat de gemeenteraad de waarderingsgrondslagen vaststelt. Via de financiële verordening ex. artikel 212 van de Gemeentewet ligt dus ook de bevoegdheid tot stelselwijziging en/of schattingswijzigingen bij de raad.
Het BBV onderscheid tussen een stelselwijziging en een schattingswijziging is als volgt:
•Een stelselwijziging betreft een wijziging van de vrij te kiezen waarderings- (activerings)grondslag. Bijvoorbeeld van niet activeren naar wel activeren met een afschrijving gebaseerd op basis van de verwachte toekomstige gebruiksduur;
•Een schattingswijziging (door nieuwe inzichten) betreft een wijziging van een verwachte toekomstige gebruiksduur c.q. (rest)gebruikswaarde. Bijvoorbeeld een andere afschrijvingsmethode.
De commissie BBV is van mening dat er voor een stelsel- en/of schattingswijziging geen terugwerkende kracht kan gelden. Immers, de balanspositie onder het BBV kunnen we typeren als een balans van (rest)boekwaarden welke we nog met de burgers verrekend moeten worden. Daarnaast streeft de commissie ook naar administratieve eenvoud. Met andere woorden: er hoeft geen herberekening met daarbij behorende inhaal/terugboek afschrijvingen plaats te vinden. De (rest)boekwaarden worden via de nieuwe inzichten afgeschreven.
In het BBV is artikel 64 lid 2 gewijd aan de wijziging van de afschrijvingsmethode. Hierin staat dat slechts om gegronde redenen de afschrijvingswijze mag gewijzigd worden. De reden en de financiële
consequenties van de verandering moeten we opnemen in de toelichting op de balans. Ook moeten we inzicht geven in de consequenties hiervan voor de financiële positie en voor de baten en lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of het voorafgaande begrotingsjaar.
3.1.3 Afschrijvingsduur
Binnen de wettelijke kaders hebben we ten aanzien van de te hanteren afschrijvingsduur een vrije
keuze. De belangrijkste kaders zijn:
•Artikel 64 lid 1 van het BBV geeft aan dat afschrijvingen dienen te geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar;
•De afschrijvingstermijn van een actief met een beperkte gebruiksduur is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. (artikel 64 lid 3).
In bijlage 1 is een overzicht opgenomen waarin we per activasoort de levensduur weergeven waarover we in principe afschrijven. De levensduur is gebaseerd op zowel eigen ervaringscijfers als die van andere gemeenten. De opsomming is niet uitputtend. Ook blijft het in incidentele gevallen, bijvoorbeeld bij een sterk afwijkende werkelijke levensduur, mogelijk af te wijken van de genoemde afschrijvingstermijnen. Voor activa die niet in de tabel is opgenomen stelt het College van burgemeester en wethouders de afschrijvingstermijn vast.
Grond
Uitsluitend op slijtende vaste activa dient te worden afgeschreven (artikel 64 lid 3 BBV). Grond slijt niet, dus daarop behoort niet systematisch te worden afgeschreven. Een afwaardering op grond wegens een duurzame waardevermindering als bedoeld in artikel 65 lid 1 van het BBV behoort uiteraard wel tot de mogelijkheden, bijvoorbeeld bij een gebleken bodemvervuiling. Bij investeringen met een economisch nut wordt de grondprijs, voor zover deze is begrepen in de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, afgesplitst en afzonderlijk geactiveerd.
Uitgangspunt 13:
We hanteren de afschrijvingstermijnen zoals opgenomen in bijlage 1.
Uitgangspunt 14:
In incidentele gevallen is afwijking van de afschrijvingstermijnen zoals beschreven in bijlage 1 van deze notitie mogelijk, mits gemotiveerd.
Uitgangspunt 15:
Het College stelt de te hanteren afschrijvingstermijn vast voor activa die niet in bijlage 1 is opgenomen.
Uitgangspunt 16:
Bij investeringen met een economisch nut splitsen we de grondprijs, voor zover deze is begrepen in de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, af en activeren we deze afzonderlijk.
3.1.4 Aanvang van het moment van afschrijving
ln de notitie verkrijging/vervaardiging en onderhoud van kapitaalgoederen beveelt de Commissie BBV aan om beleid te formuleren op welk moment wordt gestart met het afschrijven van een nieuwe investering. De keuzemogelijkheden zijn:
•ln het jaar waarin de investering gereed komt of wordt verworven vanaf het moment van ingebruikname.
•Medio het begrotingsjaar waarin de investering gereed komt of wordt verworven.
•ln het begrotingsjaar dat volgt op het jaar waarin de investering gereed komt of wordt verworven.
Al vele jaren is het gebruikelijk om te starten met afschrijven per 1 januari volgend op het jaar van in gebruik name. De afschrijving vindt plaats op basis van de waarde van de op dat moment (1 januari) gedane werkelijke uitgaven/investeringen. We zien geen reden om hiervan af te wijken.
Uitgangspunt 17:
De afschrijvingen starten per 1 januari volgende op het jaar van in gebruik name.
Bijlage 1 Afschrijvingstermijnen
Activasoort
Afschr
termijn
Grootboekindeling
Nut
Immateriële vaste activa
Kosten van onderzoek en ontwikkeling >€ 10.000
5
Kosten van onderzoek en ontwikkeling
n.v.t.
Financiële vaste activa
Bijdragen aan activa, in eigendom van derden
*
Bijdragen aan activa derden
n.v.t.
Materiële vaste activa
Automatiseringsapparatuur / software
4-7
Machines, apparaten en installaties
Economisch nut
CV-installaties
15
Gebouwen
Economisch nut
Duurzaamheidsmaatregelen
10-20
Machines, apparaten en installaties
Economisch nut
Gebouwen: nieuwbouw / uitbreiding
40
Gebouwen
Economisch nut
Gebouwen: renovatie
25
Gebouwen
Economisch nut
Gebouwen: tijdelijke / nood~
10
Gebouwen
Economisch nut
Gemalen en IBA’s: mechanisch/elektrisch
15
Grond-,weg-, waterbouwkundige werken
Economisch nut
Grassportvelden: aanleg
30
Gronden en terreinen
Economisch nut
Gravelbanen: aanleg
25
Gronden en terreinen
Economisch nut
Grond en terreinen
N.v.t.
Gronden en terreinen
Economisch nut
Hekwerk
10
Gronden en terreinen
Economisch nut
Kunstgrasvelden onderlaag en toplaag aanleg
10-30
Gronden en terreinen
Economisch nut
Landbouwgereedschappen
5-10
Machines, apparaten en installaties
Economisch nut
LED verlichting
20
Gronden en terreinen
Economisch nut
Meubilair en stoffering
10-20
Overige materiële vaste activa
Economisch nut
Motorvaartuigen
25
Vervoermiddelen
Economisch nut
Parkeerterreinen
25
Grond-,weg-, waterbouwkundige werken
Economisch nut
Rioleringen: aanleg / reconstructie
50
Grond-,weg-, waterbouwkundige werken
Economisch nut
Technische installaties
10
Machines, apparaten en installaties
Economisch nut
Veiligheidsvoorzieningen (brandpreventie)
10
Gebouwen
Economisch nut
Veldverlichting
25
Gronden en terreinen
Economisch nut
Vervoermiddelen
10
Vervoermiddelen
Economisch nut
Waterbuffer
40
Grond-,weg-, waterbouwkundige werken
Economisch nut
Wegen: aanleg / reconstructie
50
Grond-,weg-, waterbouwkundige werken
Maatschappelijk nut
Wegen: levensduur verlengend
25
Grond-,weg-, waterbouwkundige werken
Maatschappelijk nut
* De afschrijving op geactiveerde “Bijdragen aan activa in eigendom van derden” wordt
gebaseerd op de verwachte toekomstige gebruiksduur van het activum waaraan bijgedragen wordt.