Aanhef
Burgemeester en Wethouders van Eijsden-Margraten:
Overwegende dat het wenselijk is beleidsregels vast te stellen inzake de beoordeling van aanvragen voor een uitwegvergunning;
Dat in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen;
Dat in artikel 2.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)is bepaald dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend of geweigerd op gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening;
Dat in artikel 2:12 van de Algemene Plaatselijke Verordening Eijsden-Margraten (APV) het kader is bepaald voor het maken en veranderen van een uitweg;
Dat in het belang van het waarborgen van de openbare veiligheid, bruikbaarheid van de weg, veilig en doelmatig gebruik van de weg, uiterlijk aanzien van de omgeving en de groenvoorziening in de gemeente, de regels omtrent het aanleggen van een uitweg in een beleidsregel worden opgenomen;
Dat artikel 2:12 van de Algemene Plaatselijke Verordening niet van toepassing is op wegen in beheer bij het Rijk of bij de Provincie;
Dat de gemeente Eijsden-Margraten bevoegd is een uitwegvergunning te verlenen met betrekking tot wegen waarvoor zij als wegbeheerder is aangewezen (A2 is bevoegdheid Rijk; N278 en N598 zijn bevoegdheid Provincie);
Dat voor verdere onderbouwing van de beleidsregels wordt verwezen naar de toelichting bij dit uitwegenbeleid;
Gelet op het bepaalde in artikel 147 en 160 van de Gemeentewet, artikel 1:3 en 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 2:12 van de Algemene Plaatselijke Verordening;
B e s l u i t e n:
Vast te stellen de “Beleidsregels Vergunningverlening Uitweg”.
Inleiding
Om redenen van orde en veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente is het van belang dat regulerend wordt opgetreden bij voornemens tot veranderingen aan de weg.
Ingevolge de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is voor het maken en veranderen van een uitweg een vergunning van het college van Burgemeester en Wethouders vereist.
Artikel 2:12 lid 1 APV meldt dat het zonder vergunning verboden is:
-een uitweg te maken naar de weg:
-van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
-veranderingen aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
In de APV staan in artikel 2:12 lid 3 de criteria op basis waarvan een aanvraag voor het maken of veranderen van een uitweg naar de openbare weg beoordeeld dient te worden.
De vergunning (als bedoeld in het eerste lid) kan worden geweigerd in het belang van:
a.de bruikbaarheid van de weg;
b.het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c.de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d.de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
Aangezien de weigeringsgronden in artikel 2:12 lid 3 zeer algemeen zijn geformuleerd, wordt in onderstaande Beleidsregels Vergunningverlening Uitweg (BVU) uitgelegd, op welke wijze deze weigeringsgronden worden toegepast. Ze dienen ertoe duidelijkheid te scheppen met betrekking tot de invulling van deze in de APV genoemde criteria. In de navolgende hoofdstukken zal per criterium aangegeven worden wat hieronder verstaan wordt en hoe er invulling aan gegeven wordt; tevens worden er voorbeelden gegeven van situaties waarin een aanvraag al dan niet verleend zal kunnen worden. Hierbij is ook gekeken naar het beleid bij andere gemeenten in Nederland. Voldoet een aanvraag niet aan deze beleidsregels dan wordt de gevraagde vergunning in beginsel geweigerd. Een uitweg moet aan bepaalde richtlijnen voldoen. In het algemeen is maatwerk nodig. In bijzondere gevallen kan gemotiveerd afgeweken worden van het beleid. In de volksmond spreekt men ook wel van een ‘inritvergunning' in plaats van een uitwegvergunning. Met beide begrippen wordt hetzelfde bedoeld.
Voor de definities van de begrippen gebiedsontsluitingsweg en erftoegangsweg wordt verwezen naar paragraaf 10.2.8 (pag. 602) van de ASVV 2012 (Aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom van het CROW).
In bestemmingsplannen kunnen passages beschreven staan, die een relatie hebben tot een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘uitwegen' (bijvoorbeeld t.a.v. parkeren in de voortuin). De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘uitwegen' behoort daarom altijd getoetst te worden aan een geldend bestemmingsplan.
Criteria voor weigering van uitwegvergunningen