Aanhef
de gemeenteraad van de gemeente Eersel
gelet op het artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
b e s l u i t
vast te stellen de volgende beleidsregel:
Welstandsnota 2013
De welstandsbeoordeling van projecten vindt op de volgende wijze plaats. Beoordeling gebied (ambtelijk)
Toelichting ‘Excessenregeling 2’ betreffende de welstandsvrije benadering van achterkanten
Gebleken is dat ingrepen en toevoegingen aan gebouwen welke plaats vinden op een grotere hoogte dan 5 meter en/of op een kleinere afstand dan 3 meter achter de voorgevellijn, in de bebouwde omgeving een grote invloed kunnen hebben op de directe omgeving (de buren) en (vrijwel) altijd zichtbaar zijn van en invloed hebben op het publieke domein. Voor bebouwing aan achterkanten met een grotere hoogte dan 5 meter en bebouwing op een afstand van minder dan 3 meter achter de voorgevellijn zijn daarom ruime sneltoetscriteria opgesteld. In de situatietekeningen op de volgende pagina’s (afbeelding 12.3.1 en 12.3.2) zijn deze uitgangspunten ter verduidelijking aangegeven. Deze benadering geldt niet indien wordt gebouwd bij of aan een monument, bij of aan in het geldende bestemmingsplan aangeduide ‘cultuurhistorische waardevolle bebouwing’ of ‘beeldbepalend pand’ of is gelegen in het door de minister aangewezen beschermd dorpsgezicht ‘Markt-Hint-Vlierbos’ en/of is gelegen in gebieden met de aanduiding ‘Historische kernen en bebouwingslinten’ of ‘Gemengde bebouwing’. Voor deze laatstgenoemde gebieden heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van de ‘Nota van uitgangspunten Welstandsnota 2009’ bepaald dat de ruimtelijke kwaliteit, waaronder de beeldkwaliteit van de bebouwing, moet worden behouden en versterkt. Voor deze gebieden zullen in de toekomst beeldkwaliteitplannen worden opgesteld. Indien voor de bebouwing in deze gebieden dezelfde welstandsvrije benadering voor de achterkanten zou worden gehanteerd als in het overige gebieden in de gemeente, zou dit afbreuk doen aan de door de gemeenteraad aangegeven ambitie met betrekking tot het versterken van de beeldkwaliteit..
Aan de historische dorpslinten zijn veel cultuurhistorisch waardevolle of beeldbepalende panden gelegen. Deze panden zijn potentiële toekomstige monumenten. De kans is groot dat bij ondeskundige bebouwingsingrepen de cultuurhistorische waarden van het pand aangetast worden of verloren gaan. Daarnaast is de relatie tussen publieke en private ruimte in een historisch dorpslint groot. Dit komt omdat de panden vaak vrij waarneembaar op grote erven staan. Verrommeling door ondeskundige bebouwingsvormen levert gezien vanuit de openbare ruimte een negatieve ruimtelijke kwaliteit op. Bebouwing op het erf van monumenten en/of cultuurhistorisch waardevolle of beeldbepalende panden krijgt daarom een welstandstoets passend in de lijn van de nieuw op te stellen beeldkwaliteitplannen. Bij panden, niet zijnde monumenten en/of cultuurhistorisch waardevolle of beeldbepalende panden, gelegen in de gebieden ‘Historische kernen en bebouwingslinten’ en ‘Gemengde bebouwing’ worden de achterkanten die niet zichtbaar zijn van de openbare ruimte welstandsvrij volgens een vergelijkbare benadering als bij bebouwing in de overige gebieden. Hierbij is alleen de zichtbaarheid vanaf het publieke domein anders gedefinieerd. Achterkanten worden hier welstandsvrij in het gebied dat werkelijk gelegen is aan de achterzijde van hoofdgebouwen. De zijstroken naast de hoofdgebouwen worden niet welstandsvrij. Het argument hiervoor is dat de bebouwing in de zijstroken in deze gebieden gelegen tussen monumenten en cultuurhistorische bebouwing afbreuk kan doen aan de beeldkwaliteit van de monumenten en de cultuurhistorische bebouwing. Ook zijn de zijstroken van deze percelen veel ruimer dan in ‘reguliere’ woonwijken waardoor de bebouwing op deze zijstroken veel meer invloed heeft op de ruimtelijke kwaliteit van het publiek domein.
In de afbeeldingen 12.3.1, 12.3.2 en 12.3.3 is de welstandsvrije benadering van de achterkanten visueel gemaakt.
Tenslotte wordt nog opgemerkt dat indien bij de beoordeling van een plan blijkt dat volgens deze regeling sprake is van een exces, het bouwplan zal worden getoetst aan de sneltoetscriteria dan wel de gebiedsgerichte criteria uit deze welstandsnota.
Bijlage 1: begrippenlijst
A
•Aanbouwen: Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw.
•Aangekapt: Met kap bevestigd aan dakvlak.
•Achterkant: De achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen
•Afdak: Hellend dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur om als gedeeltelijke beschutting te dienen.
•Afstemmen: In overeenstemming brengen met.
•Antennedrager: Antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.
•Antenne-installatie: Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
•Asymmetrisch dak: Zadeldak met twee verschillende goothoogtes en/of dakhellingen.
•Authentiek: Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.
B
•Band: Horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen, kunststeen of baksteen
•Bebouwing: Eén of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.
•Beschot: Houten bekleding van een muur, inwendig als een lambrisering, meestal niet tot de volle hoogte.
•Bedrijfsbebouwing: Gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter.
•Behouden: handhaven, bewaren, in stand houden.
•Belendende: Naastgelegen, (direct) grenzend aan.
•Bijgebouwen: Grondgebonden gebouw meestal van één bouwlaag dat los van het hoofdgebouw op het erf of kavel staat; meestal bedoeld als schuur, tuinhuis of garage.
•Blinde wand, muur of gevel: Gevel of muur zonder raam, deur of andere opening.
•Boeiboord: Opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.
•Boerderij: Gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis.
•Borstwering: Lage dichte muur tot borsthoogte.
•Bouwblok: Een geheel van geschakelde bebouwing.
•Bouwen: Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk.
•Bouwlaag: Horizontale reeks ruimten in een gebouw.
•Bouwvergunning: Vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid van de Woningwet.
•Bouwperceel: Een aaneengesloten terreinoppervlak, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.
•Bouwwerk: Algemene benaming voor alle soorten gebouwde objecten.
•Bovenbouw: Bovenste, uit een oogpunt van gebruik meestal belangrijkste gedeelte van een gebouw, meestal in tegenstelling tot de onderbouw, het dragende gedeelte, fundament.
•Bungalow: Meestaal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.
C
•Carport: Afdak om de auto onder te stallen, meestal bij of grenzend aan een woning.
•Classicisme: Stroming in de bouwkunst, bouwstijl.
•Conformeren: Zich voegen naar, gelijkvorming maken, aanpassen aan, afstemmen op.
•Context: Omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken.
•Contrasteren: Een tegenstelling vormen.
D
•Dak: Overdekking van een gebouw of onderdeel ervan, bestaande uit één of meer hellende vlakken (schilden) of uit een horizontaal vlak.
•Dak: afdekking: Vlak of hellend dak van een gebouw, waarop dakbedekking is aangebracht.
•Dakhelling: De hoek van het dakvlak.
•Dakkapel: Ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak, vooral bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten.
•Daknok: Hoogste punt van een schuin dak. Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.
•Dakopbouw: Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok of dakrand van het dak die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.
•Dakraam: Raam in een dak.
•Daktrim: Afwerking bovenzijde dakrand ten behoeve van waterkering.
•Dakvlak: Een vlak van het dak/kap.
•Dakvoet: Laagste punt van een schuin dak. Het snijpunt van de daklijn en de onderliggende gevellijn.
•Damwandprofiel: Metalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering.
•Detail: Ontmoeting/aansluiting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of
•gevel en raam.
•Detaillering: Uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen c.q. aansluitingen.
•Diversiteit: Verscheidenheid, afwisseling, variatie.
•Drager en invulling: De drager is de constructie van een gebouw, waaraan de
•invulling is toegevoegd om te beschermen tegen weer en wind (heeft vooral betrekking
•op gebouwen uit de jaren vijftig en zestig, waarbij het verschil tussen drager en
•invulling werd gebruikt om de woning in een groot gebouw of rij huizen te onderscheid-
den).
E
•Ensemble: Architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel.
•Erf: al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw. Dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt.
•Voorerf: gedeelte van het erf dat aan de voorzijde van het gebouw is gelegen
•Achtererf: gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het gebouw is gelegen
•Zijerf: gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het gebouw is gelegen
•Eerste verdieping: Tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen.
•Erker: Kleine toevoeging van meestal één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, op de begane grond meestal uitgevoerd in metselwerk, hout en glas.
F
•Flat: Groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.
G
•Galerij: Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.
•Gebouw: Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
•Gepotdekseld: Horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken).
•Gevel: Verticaal scheidingsvlak van een gebouw tussen buiten en binnen.
•(Gevel)geleding: Onderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, verspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen.
•Gevelmakelaar: Decoratieve bekroning van een geveltop.
•Goot: Waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak.
•Goothoogte: zie bestemmingsplanbepalingen.
•Gootklos: Zie klossen.
•Gootlijn: Veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen.
H
•Hoekaanbouw: Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw.
•Hoek- en kilkeper: snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.
•Hoofdgebouw: Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken
I
•Industriebebouwing: Bebouwing met een industriële bestemming.
•Installatie: set van beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf
K
•Kap: Samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt.
•Kavel: Grondstuk, kadastrale eenheid.
•Keper: Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.
•Kern: Veelal kleinschalig stedelijk gebied, ook wel centrum van een dorp of stad.
•Klossen: Uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten.
•Kop: In het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw.
L
•Lak: Afwerklaag van schilderwerk.
•Landschappelijke waarde: De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur.
•Latei: Draagbalk boven gevelopening.
•Lessenaarsdak: Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.
•Lichtkoepel: Raamconstructie meestal in een plat dak, in de vorm van een koepel.
•Lijst: Een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel. Kroonlijst, gootlijst.
•Lineair: Rechtlijnig, langgerekt.
•Lint(bebouwing): Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterverbinding.
•Luifel: afdak buiten tegen de muur van een gebouw aangebracht en verder niet ondersteund, meestal boven een deur, raampartij of gehele pui.
M
•Maaiveld: Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht, de gemiddelde hoogte van het terrein, grenzend aan de gevels, op het tijdstip van de aanvraag om bouwvergunning.
•Mansardekap: Een dak met aan twee zijden onder een stompe hoek geknikt of gebroken dakvlak.
•Markies: Opvouwbaar zonnescherm.
•Massa: Zichtbaar volume van bebouwing.
•Metselverband: Het zichtbare patroon van metselwerk.
•Middenstijl: Verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn.
•Monument: Aangewezen onroerend goed als bedoeld in artikel 3 van de Monu¬menten¬wet 1988, zoals deze luidt op het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan.
•Muurdam: Op de erfgrens aan de gevel gemetselde muur.
N
•Natuurlijke waarde: De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.
•Negge: Het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn.
O
•Ondergeschikt: Voert niet de boventoon.
•Onderbouw: Het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met meerdere verdiepingen.
•Ontsluiting: De toegang tot een gebouw, gebied of een terrein.
•Oorspronkelijk: Origineel, aanvankelijke vorm, authentiek.
•Oorspronkelijke gevel: Gevel behorend tot de oudste gevels van een gebouw, gevel van een gebouw in zijn oorspronkelijke staat.
•Openbaar groen: Met het openbaar groen wordt bedoeld hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Een weiland, bos of water kan in dit verband niet worden aangemerkt als openbaar groen.
•Orthogonaal: Rechthoekig.
•Oriëntatie: De hoofdrichting van een gebouw.
•Overstek: Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.
P
•Paneel: Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting.
•Penant: Gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw, metselwerk in een gevel langs openingen.
•Pilaster: Weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen.
•Plaatmateriaal: Materiaal van kunststof, staal, hout meestal ten behoeve van gevelbekleding.
•Plint: Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.
•Profiel: omtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan
•Profilering: aangebrachte vorm en maatvoering van profiel
•Portiek: Gemeenschappelijke trappenhuis en/of een terugspringende ruimte voor de straat- of toegangsdeur.
R
•Raamdorpel: Horizontal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd.
•Raamhout: Hout waaruit ramen vervaardigd worden of omlijsting waarbinnen het paneel van een deur of beschot wordt ingesloten. Ook wel draaiende of schuivende delen van kozijn/post.
•Referentiekader: Het geheel van waarden en normen binnen een bepaalde groep waarnaar verwezen kan worden.
•Renovatie: Vernieuwing.
•Respecteren: Met eerbied behandelen, eerbiedigen, waarderen.
•Rijenwoningen: Geschakelde eengezinswoningen in een rij.
•Ritmiek: Regelmatige herhaling.
•Rollaag: Een in verband gemetselde laag van op hun kant of kop gemetselde stenen. Horizontale of gebogen rij stenen of betonbalk boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.
•Rooilijn: Lijn die in het bestemmingsplan of bouwverordening aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden.
S
•Schilddak: Dak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde.
•Slagenlandschap: Een landschap met langgerekte ontginningslinten met haaks daarop een stelsel van smalle kavels gescheiden door afwateringssloten.
•Situering: Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving.
•Speklaag: lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk, doorgaans van Brabantse arduin, later ook van zandsteen.
•Stijl: Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming.
T
•Tactiel: Met de tastzin verbonden.
•Tent-, punt- of piramidedak: Dak gevormd door vier driehoekige dakschilden die in één punt bijeenkomen.
•Textuur: De waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).
•Tympaan: Driehoekig of segmentvormige bekroning van een (klassiek) gebouw of van een onderdeel daarvan.
U
•Uitbouw: Aan het gebouw vastzittend bouwwerk dat rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk is.
V
•Verdieping: bouwlaag
•Volant: Strook stof als afronding en versiering van zonnescherm of markies.
•Voorgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.
•Voorgevelrooilijn: Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan dan wel de gemeentelijke bouwverordening.
•Voorkant: De voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar de weg of het openbaar groen.
W
•Weg: Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
•Windveer: Plank bevestigd langs de kanten van een met riet of pannen gedekt dak ter afdekking van de voorrand. Worden soms aan de bovenzijde over elkaar gekeept.
•Woning: Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding.
•Wolfdak/wolfeinden: Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfeind).
Z
•Zadeldak: Een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel.
•Zijgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.
Bijlage 2
Reglement van orde van de welstandscommissie
De organisatie van het welstandstoezicht vindt haar basis in hoofdstuk 9 van de gemeentelijke bouwverordening en het Besluit omgevingsrecht. Dit reglement van orde kan door het college van burgemeester en wethouders worden herzien.
1Begripsbepalingen
a.het college : het college van burgemeester en wethouders
b.de commissie : de welstandscommissie, mogelijk als onderdeel van de Ruimtelijke Kwaliteitscommissie
c.de secretaris: een lid van de commissie
d.adviesorganisatie: de aangewezen organisatie die de welstandsadvisering uitvoert
e.reglement : het Reglement van orde van de welstandscommissie
2Onafhankelijkheid
1De gemeenteraad wijst een onafhankelijke organisatie aan als welstandscommissie, die aan het college advies uitbrengt over de vraag of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarvoor een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand.
2De commissie voert haar taak uit in onafhankelijkheid.
3Samenstelling en benoeming van de commissie
3.1 De advisering door de welstandscommissie
1Het college van burgemeester en wethouders vragen advies aan de welstandscommissie, ingeval zij het inwinnen van het advies nodig achten.
2De advisering over redelijke eisen van welstand is door de gemeenteraad opgedragen aan een onafhankelijke deskundige organisatie die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de commissie. Deze commissie kan zijn samengevoegd met een andere adviescommissie, zoals een ruimtelijke kwaliteitscommissie.
3De commissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.
4De commissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.
5De beoordeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning aan de sneltoetscriteria van de welstandsnota kan door de commissie of door medewerkers van het team Vergunningen worden uitgevoerd.
3.2 Samenstelling van de welstandscommissie
1De commissie bestaat ten minste twee leden die deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.
2Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen die hen bij afwezigheid kunnen vervangen.
3De commissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste twee deskundige leden aanwezig zijn.
4De leden van de commissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur.
5In de commissie kan een ingezetene van de gemeente anders als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.
3.3Afdoening onder verantwoordelijkheid
1Het college van burgemeester en wethouders vragen advies aan de welstandscommissie, ingeval zij het inwinnen van het advies nodig achten. De welstandscommissie of het college van burgemeester en wethouders kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 3.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden of aan een of meerdere medewerkers van de gemeente. Het aangewezen lid of de aangewezen medewerker adviseert over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld, voor aanvragen die voldoen aan de sneltoetscriteria van de welstandsnota en de beoordeling van de excessenregeling(en) zoals opgenomen in de welstandsnota.
2In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie.
3.4 Benoeming en zittingsduur
1De gemeenteraad mandateert het college van B&W om de leden van de commissie te benoemen en ontslaan.
2De adviesorganisatie legt de gemeente een lijst voor met de beoogde commissieleden en hun plaatsvervangers. Indien gewenst vindt hierover overleg plaats tussen de gemeente en adviesorganisatie.
3De leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar. Bij verlenging van de dienstverleningsovereenkomst wordt in overleg met de gemeente de benoeming van de leden dienovereenkomstig verlengd.
4Taakomschrijving
4.1 Taken van de commissie
De commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken. De
wettelijk verplichte taken worden uitgevoerd op grond van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht (Wabo) en de Woningwet. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijke welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.
Wettelijke taken
Toetsing van omgevingsvergunningplichtige bouwwerken
De welstandscommissie adviseert het college over de welstandsaspecten van aanvragen om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.10, lid 1 sub d van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 12 van de Woningwet.
Niet wettelijk verplichte taken
1De gemeente kan opdracht geven aan de commissie vooroverleg te voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen.
2De commissie zal desgevraagd adviseren in het geval van:
a.excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn;
b.de beoordeling van aanvragen voor reclame;
c.bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen en overige ruimtelijke vraagstukken;
d.zienswijzen, bezwaarschriften op basis van welstandseisen, etc.
4.2 Taakomschrijving commissieleden
Taken commissieleden
1Één lid van de commissie is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie, de kwaliteit van de advisering en ziet erop toe dat de commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid.
2Één lid van de commissie treedt tijdens de openbare vergadering op als gastheer voor de aanwezigen. Hij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezige belanghebbenden op zijn of haar plan een toelichting wil geven. Indien een plan in vooroverleg is besproken geeft een lid van de commissie een korte samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces is besproken.
3Één lid van de commissie geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang van de agenda. Hij geeft na de inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag voor alle aanwezigen een korte en heldere samenvatting.
Verdere taken van de commissieleden
1De commissieleden onderhouden contacten met het gemeentebestuur
2Één lid van de commissie legt de conclusie over een bouwplan vast in een schriftelijk advies en voorziet die conclusie van een deugdelijke motivering.
3De commissieleden zijn verantwoordelijk voor het spreekuur indien dat in de gemeente bestaat en legt van elk gevoerd gesprek puntsgewijs de gemaakte afspraken vast.
4De commissieleden geven op basis van hun deskundigheid een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen.
5Wanneer een commissielid een zakelijke binding heeft met een plan waarvoor advies wordt gevraagd, wordt hij voor de betreffende vergadering of de betreffende adviesaanvraag vervangen.
Taken externe deskundigen
De aan de commissievergadering deelnemende externe deskundigen geven vanuit hun ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Wanneer een extern deskundige een zakelijke binding heeft met een plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan laat hij zich voor de betreffende commissievergadering of de betreffende adviesaanvraag vervangen.
Taken secretaris
1Een medeweker van de gemeente is secretaris en verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling in de commissie voor. Hij voorziet de commissie van de benodigde bescheiden.
2Relevante informatie voor het beoordelen van plannen is/zijn:
a.de gemeentelijke welstandsnota;
b.de bestemmingsplanbepalingen;
c.de beeldkwaliteitsplannen;
d.luchtfoto’s;
e.het stedenbouwkundig advies;
f.informatie over eerdere behandeling(en) van het plan;
g.vergelijkbare aanvragen die door de commissie zijn beoordeeld.
3De secretaris stelt de agenda voor de vergadering vast.
4Hij is verantwoordelijk voor het openbaar maken van de agenda van de vergaderingen van de commissie.
5De secretaris heeft geen stemrecht.
6De secretaris draagt er zorg voor dat alleen bouwplannen waarvan de planologische aanvaardbaarheid vaststaat, voor advies aan de commissie worden voorgelegd.
7De secretaris controleert of plannen (inclusief de plannen die worden aangeboden voor vooroverleg) voldoen aan de wettelijke indieningsvereisten.
5Werkwijze van de commissie
5.1 Vooroverleg
1De gemeente kan een nog niet formeel ingediende aanvraag voor een project ter advisering voorleggen aan de commissie.
2Over het vooroverleg wordt advies uitgebracht.
3Het vooroverleg vindt bij uitzondering in beslotenheid plaats.
5.2 Openbare vergadering van de commissie
2.4.2.1 Locatie, jaarrooster en agenda
1De commissie vergadert op in overleg met college aangewezen locaties, dagen en tijdstippen.
2De data, tijdstippen en locatie van iedere vergadering worden tijdig vóór de vergadering openbaar gemaakt.
3De agenda van de vergadering van de commissie wordt tijdig vóór die vergadering bekend gemaakt.
4De behandeling van plannen door de commissie is openbaar, tenzij de voorzitter, het college of de belanghebbende van oordeel is dat er op grond van de bepalingen van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende redenen aanwezig zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van het advies.
2.4.2.2 Toelichting opdrachtgever / ontwerper – spreekrecht
De aanvrager of zijn gemachtigde kan (al dan niet op verzoek van de commissie) in de vergadering van de commissie, zijn project nader toelichten. De gemeente zorgt voor de uitnodiging van de betrokkenen.
5.3 Het advies
1De commissie toetst het plan aan het gemeentelijk welstandsbeleid (welstandsnota).
2De commissie formuleert het uit te brengen advies in heldere en duidelijk toetsbare bewoordingen. Het gebruik van abstracte taal en jargon wordt tot een noodzakelijk minimum beperkt.
3Het advies wordt direct geformuleerd en bij de gemeente achtergelaten of zo spoedig mogelijk na de vergadering ondertekend toegestuurd aan de gemeente.
4Een welstandsadvies kan de volgende uitkomst hebben:
Voldoet:
De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
Voldoet mits (voldoet niet tenzij):
De commissie is van mening dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de criteria uit de welstandsnota, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren op concrete punten. De commissie omschrijft nauwkeurig welke concrete onderdelen van het project bezwaarlijk zijn. In het geval het college het advies overneemt, krijgt de aanvrager, voor zover dit nog past binnen de beschikbare beslistermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan de bezwaarpunten tegemoet te komen.
Voldoet niet:
De commissie is van oordeel dat het plan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat indien het college het advies overneemt, het bouwplan ingrijpend gewijzigd moet worden. Een negatief advies wordt nauwkeurig schriftelijk gemotiveerd. Hierin staat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria, een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten en een aanbeveling tot aanpassing van het plan.
Aanhouden:
De commissie kan het advies aanhouden - waarbij de gemeente aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende beslistermijn - wanneer:
a.meer informatie of een toelichting van de opdrachtgever/ontwerper noodzakelijk is. Dit kan het geval zijn wanneer de hoofdopzet van het plan (de bouwmassa-vorm) voldoet aan redelijke eisen van welstand en de geveluitwerkingen alsmede de materialisering en detailleringen ter advisering worden opgevraagd;
b.de commissie van oordeel is dat bijzondere omstandigheden nopen tot afwijking van het gemeentelijk welstandsbeleid. Zij geeft dan gemotiveerd aan op grond waarvan afwijking gerechtvaardigd is.
5.4Aanvullende verwachtingen/verplichtingen van de welstandscommissie
De gemeente Eersel hecht veel waarde aan een grote mate van klantvriendelijkheid. Oplossingsgericht, transparantie en legitimiteit zijn een aantal sleutelwoorden. Van de commissie moet hiernaar handelen. Meer concreet worden de volgende aandachtspunten en competenties bedoeld:
•duidelijke begrijpelijke adviezen;
•bij afwijzingen of afwijkingen van het beleid een duidelijke en begrijpelijke motivatie;
•oplossingsgericht (alternatieve mogelijkheden benoemen/schetsen, al dan niet op verzoek van de opdrachtgever, architect of medewerker van de gemeente);
•daadkrachtige en consequente besluitvorming;
•openheid en transparantie van de vergaderingen en de besluitvorming.
6Afwijking van het advies / second opinion
1Het college kan bij het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van het advies van de commissie, indien zij van mening is dat de commissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd of toegepast. De redenen voor de afwijking worden bij de bekendmaking van het besluit vermeld. Alvorens definitief te beslissen biedt het college de commissie de mogelijkheid van heroverweging van het eerder uitgebrachte advies.
2Het college heeft op grond van artikel 2.10, lid 1 sub d van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid om bij strijdigheid van een bouwplan met redelijke eisen van welstand toch een omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen. De afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd.
3Het college kan eventueel op advies van de commissie gemotiveerd afwijken van de in de gemeentelijke welstandsnota vastgelegde welstandscriteria. Dat kan in het geval dat een bouwplan niet voldoet aan de welstandscriteria, maar wel voldoet aan redelijke eisen van welstand. In die gevallen moet worden verwezen naar de algemene beoordelingscriteria die in de welstandnota zijn opgenomen.
4Indien het college zich niet kan verenigen met het advies van de commissie, kan zij een ‘second opinion’ inwinnen bij een andere deskundige commissie. Alvorens daartoe over te gaan stelt het college de commissie daarvan op de hoogte. Ook derden kunnen het college verzoeken een ‘second opinion’ aan te vragen.
7Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota
1Het college brengt aan de gemeenteraad jaarlijks verslag uit over de uitvoering van het welstandsbeleid. Voor de aspecten die in dit verslag tenminste aan de orde moeten komen, wordt verwezen naar artikel 12b van de Woningwet (zie bijlage).
2Tenminste één maal per jaar vindt een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van de colleges, de commissie en een vertegenwoordiger van de adviesorganisatie.
3De gemeenteraad beslist op grond van de jaarverslagen en evaluaties over eventuele aanvullingen en/of aanpassingen van de gemeentelijke welstandsnota.
8Excessenregeling
Het uiterlijk van bestaande bouwwerken mag niet in ernstige mate strijdig zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld aan de hand van de hiertoe opgenomen criteria uit de welstandsnota. Ook de omgevingsvergunningvrije bouwwerken vallen onder dit repressieve welstandsvereiste dat is opgenomen in artikel 12, eerste lid, van de Ww. (artikel 5.2, Repressief welstandsvereiste, in Bijlage II van de nota van toelichting van de Bor ).
Het college kan de commissie vragen te adviseren over de vraag of het uiterlijk van:
a.een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een bouwwerk, niet zijnde een seizoensgebonden bouwwerk, waarvoor in de omgevingsvergunning is bepaald dat dit slechts voor een bepaalde periode in stand mag worden gehouden;
b.een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) geen omgevingsvergunning is vereist, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Dat is het geval wanneer het gaat om buitensporigheden in het uiterlijk van een bouwwerk, die ook voor niet-deskundigen evident zijn. Hiervoor zijn in de welstandsnota algemene criteria opgenomen.
9Jaarverslag
Het college legt de gemeenteraad één maal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. Op verzoek van het college vindt een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissie. In het jaarverslag is vermeld op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan het welstandstoezicht en:
a.op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de commissie;
b.in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen niet aan de commissie hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a van de Woningwet;
c.in welke gevallen waarin niet is of wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid van de Woningwet, zij zijn overgegaan tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
10Welstandstoezicht bij aanvragen om vergunning/meldingen
In deze nota zijn sneltoetscriteria opgenomen voor veelvoorkomende bouwwerken. De beoordeling van aanvragen om vergunning/meldingen aan de sneltoetscriteria kan ook plaatsvinden door medewerkers van de gemeente. Bij deze beoordeling zullen de medewerkers fungeren als welstandscommissie, dan wel onder het mandaat van de welstandscommissie. Dit sluit aan bij het besluit van het kabinet om de verplichting van de advisering door de welstandscommissie te laten vervallen. Aanvragen om vergunning/meldingen die niet voldoen aan de sneltoetscriteria, kunnen alsnog door de welstandscommissie worden beoordeeld.
Meer beleidsruimte is er ten aanzien van de deskundige die wordt ingeschakeld voor de welstandsadvisering. De gemeente kan de welstandsadvisering plaats laten vinden door een welstandscommissie of een stadsbouwmeester. De gemeenteraad heeft op 24 februari 2011 besloten een Ruimtelijke Kwaliteitscommissie in te richten. Deze commissie is aangewezen als welstandscommssie zoals bedoeld in de wettelijke voorschriften en deze nota. De Ruimtelijke Kwaliteitscommissie is ook aangewezen als monumentencommissie als bedoeld in de erfgoedverordening.
10.1Uitgangspunten welstandstoezicht
Het welstandstoezicht voor aanvragen om vergunning/meldingen wordt als volgt georganiseerd.
1De toets aan redelijke eisen van welstand wordt in eerste aanleg uitgevoerd door de medewerker van de gemeente. De eerste toets vindt plaats aan de hand van de sneltoetscriteria. Indien geen sneltoetscriteria voor het betreffende bouwwerk aanwezig zijn of het project niet voldoet aan de sneltoetscriteria, kan de welstandstoets door de welstandscommissie uitgevoerd aan de hand van de gebiedsgerichte criteria van deze nota of een beeldkwaliteitplan.
2Bij < Niet Akkoord > bij een vooroverleg, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld zijn plan aan te passen. Er zijn nog geen termijnen en de aanvrager kan meerdere malen een gewijzigd plan indienen.
3Bij < Niet Akkoord > bij een formele aanvraag om vergunning, wordt de aanvrager uitsluitend in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te passen als nog voldoende tijd resteert de aanvraag opnieuw te behandelen binnen de wettelijke termijnen. Als het plan niet wordt gewijzigd en het plan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand zal het college overwegen de vergunning te weigeren.
4De toets aan redelijke eisen van welstand vindt plaats op basis van een volledige aanvraag om vergunning of een volledige vooroverleg (schetsontwerp). Voor de behandeling eventueel noodzakelijke aanvullende gegevens kunnen worden opgevraagd.
De beoordeling van bouwplannen aan achterzijden, niet zichtbaar vanaf het publiek domein, wordt door een medewerker van het team Vergunningen uitgevoerd aan de hand van ‘Excessenregeling 2’ zoals opgenomen in paragraaf 12.3 van deze nota.
Kaarten gebiedsindeling zijn als externe bijlagen toegevoegd.