Gemeentelijke regelgeving

Beleid buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zonder bindend advies en nadeelcompensatie gemeente Eersel

Gemeente Eersel · geldt sinds 16 oktober 2026

Aanhef

het college van de gemeente Eersel

gelet op het artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

b e s l u i t

vast te stellen de volgende beleidsregel:

Beleid buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zonder bindend advies en nadeelcompensatie gemeente Eersel

Tekst

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN EN WIJZE VAN METEN

Artikel 1: Begripsbepalingen

1Bij de toepassing van deze beleidsregels worden de volgende begripsbepalingen gehanteerd:

Aansluitend terrein: terrein dat op grond van het omgevingsplan voor bebouwing in aanmerking komt. Dat kan een bouwvlak op de plankaart zijn of een (begrensd) bouwperceel waarop zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten

Ander gebouw: een ander gebouw dan een woongebouw, zoals een schoolgebouw, ziekenhuis, winkel, hotel, kantoor of een ander gebouw, geen woongebouw zijnde;

Bebouwde kom: gebieden van de bebouwde kom, zoals die zijn gelegen in de Visie Buitengebied 2.0 of zoals deze door de raad worden vastgesteld;

Bouwvlak: het in het omgevingsplan door bouwgrenzen omsloten vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten.

Mantelzorgwoning: een bijwoning met zelfstandige voorzieningen, een zelfstandige woonruimte, levensloopbestendig, bewoonbaar door één persoon of één huishouden dat bestaat uit maximaal twee personen, zonder eigen erf, bedoeld voor intensieve mantelzorg tussen twee huishoudens (max. twee personen), waarbij de woning tijdelijk is en alleen gebruikt wordt zolang de zorg nodig is. Tevens is deze bijwoning met zelfstandige voorzieningen aangesloten op de nutsvoorzieningen van de hoofdwoning. De huisvesting ten behoeve van mantelzorg wordt binnen de bestaande bebouwing of binnen de bestaande bebouwingsmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken volgens het omgevingsplan, inclusief de in deze beleidsregels opgenomen afwijkingsmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken, gerealiseerd of het Besluit bouwwerken leefomgeving (vergunningsvrij bouwen ten behoeve van mantelzorg) en voldoet aan de geldende wet- en regelgeving.

Nevenruimte: een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste van het hoofdgebouw staat en door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Pré-mantelzorg: mantelzorgvraag zonder de aanwezigheid van een zorgindicatie vooruitlopend op een mogelijke toekomstige mantelzorgvraag;

Pré-mantelzorgwoning: een mantelzorgwoning voor pré-mantelzorg.

Voortschrijdende aandoening: een voortschrijdende aandoening ofwel progressieve ziekte is een chronische ziekte die steeds ernstiger wordt. Dit proces kan langzaam of snel gaan. Afhankelijk van de ziekte en haar kenmerken kan de lichamelijke, verstandelijke of psychische toestand van een persoon slechter worden. In sommige gevallen zijn er periodes waarbij de toestand stabiliseert, of zelfs wat verbetert, maar altijd zal de 'neerwaartse spiraal' vroeg of laat weer voortgezet worden. Voor sommige progressieve ziekten is een goede behandeling mogelijk waardoor dit proces kan worden afgeremd of zelfs gestopt. Voor andere van dit soort ziekten geldt dit echter niet. Voor de uitvoeringsregels pré-mantelzorgwoningen dient sprake te zijn van een voortschrijdende aandoening die op termijn tot een mantelzorgbehoefte zal leiden;

Sociale relatie: er moet sprake zijn van een sociale relatie tussen de prémantelzorgbehoevende en prémantelzorgverlener waarbij in meer of mindere mate zorg voor elkaar wordt gedragen. Deze zorg wordt niet in het kader van een hulpverlenend beroep aangeboden en overstijgt de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar;

Zelfstandige woonruimte: een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door één persoon of één huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, zoals sanitair, kookgelegenheid en wasgelegenheid.

2Voor begripsbepalingen die niet in deze beleidsregels zijn voorzien, gelden allereerst de bepalingen uit de Omgevingswet dan wel onderliggende algemene maatregelen van bestuur en vervolgens de bepalingen van het desbetreffende onderdeel van het Omgevingsplan van rechtswege.

3Bij de toepassing van deze beleidsregels worden de bepalingen in het desbetreffende onderdeel van het Omgevingsplan van rechtswege over de “wijze van meten” toegepast.

HOOFDSTUK 2 AFWEGINGSCRITERIA

Artikel 2 bijbehorende bouwwerken:

Uitgangspunten bij toepassing:

1als het een bijbehorend bouwwerk bij een woning betreft op het zij- of achtererf (inclusief hoeksituaties) binnen de bebouwde kom, aanvullend op de mogelijkheden van het onderdeel van het Omgevingsplan van rechtswege:

a.de goothoogte niet hoger wordt dan 3,2 m;

b.Voor percelen met een bebouwbaar erf groter dan 330 m², het bebouwd oppervlak mag niet meer dan 30% bedragen van het bebouwbaar erf uit het omgevingsplan, met een maximum van 200 m² en met een maximum van 100 m² per bijgebouw;

c.op percelen met een bebouwbaar erf van 1.000 m² of meer, de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 250 m², met de volgende voorwaarden:

1een maximum van 100 m² per bijgebouw;

2zorgen voor eigen waterberging, het gebouw mag niet aangesloten worden op de riolering;

3biodiversiteitsmaatregelen;

4een positief advies van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit;

5moet functioneren als integraal onderdeel van het perceel.

d.tijdelijke uitbreiding van toegestane oppervlakte bijbehorende bouwwerken ten behoeve van (pré-)mantelzorg, met de volgende voorwaarden:

1een maximum bebouwde oppervlakte van 100 m² per mantelzorgeenheid;

2een maximum bebouwingspercentage van 50% van het bebouwbaar erf;

3de maximaal bebouwde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt 250 m²;

4maximaal twee mantelzorgwoningen per bebouwbaar erf;

5zorgen voor eigen waterberging, het gebouw mag niet aangesloten worden op de hemelwaterriolering;

6de noodzaak van (pré-)mantelzorg moet worden aangetoond;

7een verklaring over de gevolgen na afloop van de instandhoudingstermijn wordt ingediend door de eigenaar/eigenaren van het perceel;

8direct na beëindiging van de (pré-)mantelzorg moet het tijdelijk extra gebouwde bouwwerk en/of de gerealiseerde voorzieningen worden verwijderd.

e.Hoekpercelen, met de volgende voorwaarden:

1het moet gebouwd worden op het bebouwbaar erf uit het omgevingsplan met een maximum van 100 m² en het erf mag niet meer dan 50% bebouwd worden of;

2in een vergelijkbare situatie is het zij-erf ook bebouwd.

f.de hoogte:

1in de perceelsgrenzen niet meer gaat bedragen dan 3,2 m en van daaraf mag deze in gelijke mate met de afstand tot de perceelsgrenzen toenemen tot niet meer dan 5,5 m behoudens het bepaalde onder b;

2als bebouwing aan weerszijden van de perceelsgrens aaneengesloten wordt gebouwd, mag de hoogte niet meer gaan bedragen dan 5,5 m;

g.de uitbreiding minimaal 3 m achter de voorgevelbouwgrens plaatsvindt;

h.als bestaande (legale) bijbehorende bouwwerken een bouwhoogte hebben van meer dan 5,5 meter, is deze hoogte van toepassing. Tevens gelden voor het toepassen van deze mogelijkheid de volgende voorwaarden:

1de goothoogte is maximaal 3,2 meter;

2bij het aansluiten op bijbehorende bouwwerken op naastgelegen percelen mag deze hoogte gehanteerd worden;

3het bebouwd oppervlak op het perceel mag niet meer bedragen dan de maximale maat van het bouwvlak en de maximaal toegestane vierkante meters voor bijbehorende bouwwerken op het te bebouwen erf volgens het omgevingsplan;

i.als het bouwwerk in het gebied ligt dat door de minister op 19 oktober 1967 als ‘Beschermd Dorpsgezicht’ is aangewezen of ligt in een gebied met een zeer hoge cultuurhistorische waarde, moet vooraf advies gevraagd worden aan de Ruimtelijke Kwaliteitscommissie aangevuld met een monumentendeskundige;

j.medewerking verlenen aan bouwplannen voor bijhorende bouwwerken die met vergunning meer kwaliteit hebben dan een vergelijkbaar bouwplan zonder vergunning, met als voorwaarden:

•een positief advies van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit;

k.als het een overkapping/carport voor de voorgevel betreft met de volgende voorwaarden:

•de hoogte is maximaal 3 meter;

•de afstand tot de woning is minimaal 1 meter;

•de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens is minimaal 1 meter;

•de afstand voor de rooilijn is niet meer dan 1 meter;

•de afstand tot de voorste perceelsgrens is minimaal 5 meter;

•de bebouwing blijft achter de bebouwingsmogelijkheden van het naastgelegen perceel;

•niet gelegen binnen het gebied ligt dat door de minister op 19 oktober 1967 als ‘Beschermd Dorpsgezicht’ en gebieden waar het Beeldkwaliteitsplan van toepassing is.

II. Voor woningen met een kleine uitbouw aan de voorzijde, waarbij het dakvlak is doorgetrokken, een uitbouw aan de voorzijde toestaan, onder de volgende voorwaarden:

•de ruimtelijke uitstraling blijft gehandhaafd;

•de woning conform de Welstandsnota gelegen is in woongebied;

•er is een positief van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit;

•de uitbouw komt in één lijn met de bestaande uitbouw;

•de uitbouw wordt niet plat afgedekt.

III. Als het een bijbehorend bouwwerk betreft aan de voorzijde van een ander gebouw (in de vorm van een bordes, erker, luifel of toegangsportaal) binnen de bebouwde kom:

•geen steunpalen gebruiken;

•volledig aan de bestaande gevel worden bevestigd (zwevend);

•niet hoger dan eerste bouwlaag;

•diepte tot 1,50 m;

•mag hangen boven openbaar gebied, mits er privaatrechtelijke toestemming is;

•moet ten minste 0,6 m van de door alle anderen dan voetgangers toegankelijke openbare ruimte vrij blijven.

2Als het een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een woning betreft op het zij- of achtererfgebied, voorzover gelegen in het buitengebied, kan afgeweken worden van de maximale afstand van de woning tot het bijbehorend bouwwerk zoals opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege tot een maximale afstand van 30 m, als:

a.het stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is;

b.voorzien wordt in een zorgvuldige landschappelijke inpassing;

c.het noodzakelijk is voor een doelmatige ruimtelijke inrichting van het perceel;

d.de situering van de bijbehorende bouwwerken niet leidt tot een onevenredige aantasting van landschappelijke of cultuurhistorische waarden;

e.het bijgebouw functioneel ten dienste staat van de woning en het bijbehorend erf;

f.het bijgebouw ruimtelijk ondergeschikt is aan de woning, de situering mag niet leiden tot een zelfstandig erf;

g.het bijgebouw niet gebruikt wordt voor (zelfstandige) bewoning.

Artikel 3 hoofdgebouw

De uitbreiding van een woning door verhoging van de goot- en bouwhoogte moet passen binnen de beeldkwaliteitseisen en hiervoor wordt een advies gevraagd van een stedenbouwkundig adviseur of de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. De maximale afwijking is:

a.0,5 meter voor de goothoogte en

b.1 meter voor de bouwhoogte.

Artikel 4 een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening:

a.de goothoogte maximaal 3,50 m gaat bedragen;

b.de hoogte:

•In de perceelsgrenzen niet meer gaat bedragen dan 3,50 m en van daaraf deze in gelijke mate met de afstand tot die perceelsgrens mag toenemen tot maximaal 5 m.

Artikel 5 bouwwerken, geen gebouw zijnde:

1op erven en percelen, behorende bij een woning binnen de bebouwde kom, erfafscheidingen tot een hoogte van 2 m vóór de voorgevelrooilijn mogen worden gebouwd mits deze erfafscheidingen niet vóór de voorgevel van de bij het desbetreffende perceel behorende woning worden gesitueerd;

2op erven en percelen, behorende bij woningen met de bestemming Wonen-Woonbos, open erf- en terreinafscheidingen tot een hoogte van 1,5 m;

3binnen de aanduiding houtwal in het omgevingsplan (oorspronkelijk bepaald in het bestemmingsplan Kom Eersel, eerste herziening) voor open erfafscheidingen die de houtwal niet aantasten;

4bij lichtmasten in het buitengebied dat deze alleen gelegen zijn binnen bouwvlakken of in de woonbestemming;

5zonnepanelen buiten het bestaand stedelijk gebied als het niet op de gebouwen dan wel efficiënt binnen het bestemmingsvlak wonen kan, onder de volgende voorwaarden:

a.landschappelijk ingepast;

b.een maximale hoogte van 2 meter;

c.op een maximale afstand van 50 meter van de woonbestemming;

d.per woning maximaal 1 geclusterde voorziening.

Artikel 6 niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied:

Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt voor het realiseren van parkeervoorzieningen in de kernen in de bestemming “Groen” op basis van het Parkeerbeleidsplan, maar niet in groenstroken die voorzien zijn van een aanduiding voor afschermend groen in het omgevingsplan.

Artikel 7 kleinschalige detailhandel:

Realiseren van kleinschalige detailhandel, mits gelegen binnen de bebouwde kom, niet zijnde het kernwinkelgebied van de Nieuwstraat te Eersel, en met een maximale oppervlakte van 60 m².

Artikel 8 tijdelijk ander gebruik gronden of bouwwerken (niet langer dan 10 jaar):

1Voorzien wordt in een tijdelijke behoefte tijdens de (ver)bouw van een woning, bedrijf, kantoor, school enzovoort.

2Voor evenement wordt vergunning verleend voor verzoeken die voldoen aan de Algemene Plaatselijke Verordening en het evenementenbeleid en geen onevenredige nadelige gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving

3Voor reststroken wordt, vooruitlopend op een wijziging van het Omgevingsplan, een vergunning verleend om het gebruik als tuin toe te staan gecombineerd met de mogelijkheid voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en erfafscheidingen.

Artikel 9 pré-mantelzorgwoningen en tweede mantelzorgwoningen (niet langer dan 10 jaar)

1Het college kan medewerking verlenen aan het realiseren van een pré-mantelzorgwoning en/of een tweede mantelzorgwoning. De aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een pré-mantelzorgwoning en een tweede mantelzorgwoning gaat naast de wettelijk voorgeschreven stukken in ieder geval vergezeld van de volgende informatie en stukken:

a.volledige (persoons)gegevens van de gebruiker(s) van de (pré-)mantelzorgwoning en de sociale relatie tussen verzoekers;

b.bewijs van eigendom van het vastgoed waarop de aanvraag betrekking heeft en, voor zover van toepassing, bewijs dat de aanvrager gerechtigd is tot het doen van de aanvraag;

c.adres en kadastrale gegevens van de niet-zelfstandige woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft;

d.het aantal personen dat de (pré-)mantelzorgwoning gaat bewonen;

e.de door de eigenaar/eigenaren van het perceel ondertekende verklaring over onder andere de gevolgen na afloop van de instandhoudingstermijn;

f.een plattegrond van de bestaande en nieuwe situatie, voorzien van maatvoering en parkeermogelijkheden;

g.bij voortschrijdende aandoening: medische indicatie waaruit blijkt dat er sprake is van een voortschrijdende aandoening bij zorgvrager die binnen een termijn van 10 jaar waarschijnlijk tot mantelzorgbehoefte zal leiden. De medische indicatie dient verstrekt te worden door een (huis) arts, sociaal-medische adviseur of (andere) relevante specialist en geeft een beschrijving van de verwachte progressiviteit van de aandoening.

2In het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een pré-mantelzorgwoning of tweede mantelzorgwoning vermeldt het college in ieder geval de volgende informatie:

a.het adres van pré-mantelzorgwoning of tweede mantelzorgwoning waarop de buitenplanse omgevingsplanactiviteit betrekking heeft;

b.de voorschriften die aan de activiteit zijn verbonden.

3Als voorschrift bij het besluit tot het verleden van de omgevingsvergunning wordt in ieder geval opgenomen dat de activiteit niet mag leiden tot een verstoring van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, dan wel een verstoring van een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft. Tevens wordt als voorschrift opgenomen dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in en om de (pré-)mantelzorgwoning en er geen onevenredige afbreuk mag plaatsvinden van de gebruiksmogelijkheden van belendende erven en bedrijven. De maximale termijn bedraagt 10 jaar.

4De (pré-)mantelzorgwoning wordt ingepast binnen de bestaande bouw- en afwijkingsmogelijkheden van het omgevingsplan gemeente Eersel, met een bebouwde oppervlakte van maximaal 100 m² per mantelzorgwoning.

5In afwijking van het bepaalde in lid 4 geldt dat als de bijwoning met zelfstandige voorzieningen niet past binnen de maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken, binnen de bouw- en afwijkingsmogelijkheden van het omgevingsplan gemeente Eersel, wordt voldaan het aan bepaalde in artikel 2, lid d van deze beleidsregels.

6Het college weigert een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een pré-mantelzorgwoning of tweede mantelzorgwoning als;

a.er geen sprake is van een sociale relatie tussen gebruiker(s) van de (pré-) mantelzorgwoning en de eigenaar van het perceel waar de (pré-)mantelzorgwoning wordt gesitueerd;

b.bij pré-mantelzorg: de gebruiker(s) van een pré-mantelzorgwoning niet de leeftijd van 60 jaar heeft/hebben bereikt of geen sprake is van een voortschrijdende aandoening;

c.er sprake is van permanente woningsplitsing of andersoortige toevoeging van zelfstandige permanente woonruimte;

d.de (pré-)mantelzorgwoning de maximale toegestane bestaande bebouwingsmogelijkheden op grond van het omgevingsplan met in begrip van de regels voor vergunningvrij bouwen overschrijdt en de afwijkingsmogelijkheden van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 2, lid d van deze beleidsregels geen bouwmogelijkheden biedt;

e.de (pré-)mantelzorgwoning een zelfstandige woning betreft, zonder een afhankelijke voorziening bij de bestaande hoofdwoning;

f.er geen sprake is van één erf. Er mag dus geen vorm van erfsplitsing plaatsvinden. Tevens is de bijwoning met zelfstandige voorzieningen aangesloten op de nutsvoorzieningen van de hoofdwoning;

g.vast staat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een verstoring van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, dan wel een verstoring van een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft;

h.niet voldaan wordt aan het Parkeerbeleidsplan gemeente Eersel;

i.het (deel van het) gebouw waarvoor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit is aangevraagd niet voldoet aan geldende wet- en regelgeving, zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving.

7Intrekken

Het college kan het besluit intrekken als vergunninghouder één jaar na het onherroepelijk worden van het besluit geen gebruik heeft gemaakt van de vergunning of de reeds gerealiseerde (pré-)mantelzorgwoning langer dan een jaar niet gebruikt is.

Artikel 10 woningsplitsen en woningdelen

1De aanvraag voor een voor een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gaat naast de wettelijk voorgeschreven stukken in ieder geval vergezeld van de volgende informatie:

a.bewijs van eigendom van het vastgoed waarop de aanvraag betrekking heeft en, voor zover van toepassing, bewijs dat de aanvrager gerechtigd is tot het doen van de aanvraag;

b.bouwkundige tekeningen van plattegronden van de bestaande en nieuwe situatie, voorzien van maatvoering en een situatietekening met daarop aangegeven de parkeermogelijkheden;

c.ruimtelijke motivering waarin op alle voorwaarden uit deze beleidsregels wordt ingegaan en, indien van toepassing, onderbouwd met rapporten van deskundigen (bijvoorbeeld geluid, natuur, parkeren);

d.verslag van een omgevingsdialoog.

2In het besluit tot verlenen van de vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit vermeldt het college in ieder geval de volgende informatie:

a.het adres van het pand en het gebruik waarop de vergunning betrekking heeft;

b.de eventuele voorwaarden en voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

3Als voorwaarde voor medewerking wordt in ieder geval onderzocht en opgenomen dat de vergunning niet mag leiden tot een verstoring van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, dan wel een verstoring van een goed woon- en leefmilieu in de omgeving van de woning waarop de aanvraag betrekking heeft. Tevens wordt onderzocht en opgenomen dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in en om de woning en er geen onevenredige afbreuk mag plaatsvinden van de gebruiksmogelijkheden van belendende erven en bedrijven.

4Het college weigert een aanvraag om een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van woningsplitsing en/of woningdelen als:

a.niet voldaan wordt aan in deze beleidsregels opgenomen bepalingen;

b.er geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in en om de woning en er onevenredige afbreuk plaats vindt van de gebruiksmogelijkheden van belendende erven en bedrijven;

c.vast staat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de vergunning leidt tot een verstoring van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, dan wel een verstoring van een goed woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft;

d.niet geparkeerd kan worden op eigen terrein of als het niet mogelijk is dat er extra parkeerruimte gemaakt kan worden onder conditie dat de parkeerdruk in het openbaar gebied niet onevenredig toeneemt;

e.het (deel van het) gebouw waarvoor de vergunning is aangevraagd niet voldoet aan geldende wet- en regelgeving zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving.

5Het college kan het besluit intrekken.

6Algemene regels woningsplitsen en woningdelen (dubbele bewoning en kamergewijze verhuur)

a.Deze beleidsregels gelden voor alle (burger)woonbestemmingen (woning, tuin, erf), uitsluitend binnen de bebouwde kom (Wegenverkeerswet is leidend), dus niet voor bedrijfswoningen.

b.Splitsing, dubbele bewoning en kamergewijze verhuur van monumentale panden en woningen in een Beschermd Dorpsgezicht betreft maatwerk en is alleen toegestaan als het belang van het monument dan wel het beschermd dorpsgezicht dit toelaat en uitsluitend als er een positief advies is van de Ruimtelijke Kwaliteitscommissie en indien aan de orde de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

c.De nieuwe situatie dient te voldoen aan het gemeentelijk Pakeerbeleidsplan. Voor kamerverhuur moet 0,7 parkeerplaats per verhuurde kamer worden gerealiseerd, extra bovenop de parkeernorm voor de bestaande woning.

d.De overige regels uit het omgevingsplan (zoals bouwhoogte, diepte, oppervlakte van bijbehorende bouwwerken) blijven onverminderd van kracht.

e.De splitsing, dubbele bewoning en kamergewijze verhuur dient te voldoen aan het Bouwbesluit en de bouwverordening zoals die op het moment van aanvragen van de omgevingsvergunning gelden. Ook dient rekening gehouden te worden met de Wet milieubeheer (in het kader van nabijheid van bedrijven) en de Wet geluidhinder (in het kader van wegverkeerslawaai).

f.De na splitsing toegevoegde woningen voldoen aan de prijs-/kwaliteitsverhouding uit de gemeentelijke Verordening Doelgroepen Sociale Woningbouw Eersel. Ook de resterende woning moet tenminste voldoen aan de minimale oppervlaktemaat uit de doelgroepenverordening (gebruiksoppervlakte minimaal 50m²).

g.Voor nieuwbouwwoningen is splitsen toegestaan tenminste vijf jaar na oplevering.

h.Plannen voor woningsplitsen en woningdelen die leiden tot energie-neutrale en gasloze panden prevaleren.

7Algemene regels voor het splitsen van grondgebonden woningen

a.De splitsing van de grondgebonden woning mag zowel grondgebonden woningen als gestapelde woningen (appartementen) opleveren.

b.Het moet gaan om splitsing van het hoofdgebouw.

c.De splitsing moet passen in het straatbeeld en de omgeving.

8Regels voor het splitsen van grondgebonden woningen in grondgebonden woningen

a.De inhoud van de woning moet vóór de splitsing minimaal 500m³ zijn.

b.De oppervlakte van het perceel moet voor splitsing minimaal 500m² zijn.

c.Na splitsing dient per nieuw bouwperceel het bebouwingspercentage niet hoger te zijn dan 50%.

d.De splitsing van het perceel moet leiden tot een logische dan wel evenredige verkaveling. De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse erfgrens dan wel tot het hart van het openbaar groen of de openbare weg moet minimaal 3 meter bedragen.

9Regels voor het splitsen van grondgebonden woningen in gestapelde woningbouw (appartementen)

a.Het hoofdgebouw moet op minimaal 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens zijn gelegen en minimaal 10 meter van de achterste perceelsgrens.

b.Er mag gebruik worden gemaakt van de bestaande hoofdgebouwen dan wel de bouwmogelijkheden die reeds planologisch maximaal is toegestaan. Bewoning/splitsing van (vrijstaande) bijgebouwen is niet toegestaan.

c.Elke woning beschikt over een op het terrein gelegen berging.

d.Elke woning beschikt over een direct aan de woonruimte gelegen buitenruimte. Als de buitenruimte een dakterras, balkon of loggia betreft, bedraagt de afstand van de rand van de buitenruimte tot de perceelsgrens tenminste 3 meter.

e.Elke woning beschikt over een eigen toegang, rechtstreeks bereikbaar naar openbaar toegankelijk gebied, eventueel via een eigen buitenruimte.

10Dubbele bewoning tweede huishouden

a.Er mag geen sprake zijn van het ontstaan van meerdere zelfstandige woningen zoals bedoeld in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (BAG).

b.Naast deling van een gezamenlijke toegang vanaf de openbare weg, moet tenminste één andere wezenlijke voorziening worden gedeeld.

c.Minimaal 17 m² gebruiksoppervlakte per bewoner.

d.De personen van beide huishoudens moeten een sociale relatie hebben.

e.De regeling is enkel bedoeld voor het dubbel bewonen van vrijstaande woningen.

f.De eigenaar moet in de woning wonen of de verhuur mag alleen plaatsvinden via een toegelaten instelling of zorginstelling.

11Kamergewijze verhuur

a.De eigenaar moet in de woning wonen of de verhuur mag alleen plaatsvinden via een toegelaten instelling of zorginstelling. Daarbij mogen maximaal 2 kamers bij hoek-, tussen- en halfvrijstaande woningen en appartementen en maximaal 4 kamers bij vrijstaande woningen worden verhuurd.

b.Elke bewoner heeft de beschikking over een eigen verblijfsruimte.

c.Tenminste één wezenlijke voorziening wordt gedeeld.

d.Er mag geen sprake zijn van het ontstaan van meerdere zelfstandige woningen zoals bedoeld in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (BAG).

e.De kamer mag niet uitsluitend via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg bereikbaar zijn.

f.Minimaal 17 m² gebruiksoppervlakte per bewoner, met een minimale oppervlakte van de eigen kamer van 12 m².

g.In afwijking van het vermelde in lid f mag de minimale oppervlakte van de eigen kamer minder dan 12 m² bedragen als verhuur plaats vindt via een toegelaten instelling of zorginstelling.

h.Verblijf van maximaal 8 personen per woning. Per verhuurde kamer maximaal 1 persoon.

i.Minimaal 50 meter van andere woningen met kamerbewoning of huisvesting voor arbeidsmigranten, gemeten van voordeur tot voordeur.

j.De eigenaar zorgt voor voldoende capaciteit voor het gescheiden aanbieden van afval.

Artikel 11 kleinschalige energieopwek en -opslag

De voorwaarden om mee te werken aan de realisatie van kleinschalige energieopwek en -opslag zijn opgenomen in het (Beleidskader Kleinschalige energieopwek en -opslag 2023-2030), waarbij geen bindend advies van de raad nodig is.

Artikel 12 Verbreden gebruiksmogelijkheden sportparken

In de volgende gevallen kan medewerking worden verleend aan het verbreden van de gebruiksmogelijkheden op sportparken:

a.Het moet een sociaal-maatschappelijke functie zijn;

b.Of er moeten sportieve aspecten zijn;

c.Of buitenschoolse opvang;

d.Milieutechnisch inpasbaar.

Artikel 13 Verbreden gebruiksmogelijkheden maatschappelijke functie in het buitengebied

Bij een maatschappelijke functie waarin de bestemmingsomschrijving met een nadere detaillering is vastgelegd, voor zover gelegen in het buitengebied, kan medewerking worden verleend aan het verbreden van de gebruiksmogelijkheden, onder de volgende voorwaarden:

a.Het moet een maatschappelijke functie zijn;

b.Of buitenschoolse opvang;

c.De functie is milieutechnisch inpasbaar.

Artikel 14 nadeelcompensatie omgevingsrecht

In de volgende gevallen wordt een overeenkomst voor het verhalen van nadeelcompensatie afgesloten, tenzij er sprake is van een (bouw)plan waarbij een (anterieure) overeenkomst wordt afgesloten:

a.vaststellen wijziging omgevingsplan op aanvraag;

b.verlenen van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit, als voldaan wordt aan minimaal één van de volgende voorwaarden:

a.een gebruikswijziging van meer dan 60 m²;

b.een tijdelijke vergunning voor een bouwwerk voor meer dan 5 jaar;

c.een tijdelijke vergunning voor een gebruikswijziging van meer dan 100 m²

d.voor een overschrijding van meer dan 25% van de in het Omgevingsplan opgenomen diepte van het bouwvlak.

Artikel 15 Geldigheid principemedewerking

De principemedewerking aan een principeverzoek is maximaal een jaar geldig, vanaf verzending bevestigingsbrief.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.