3 Beleid voor grondverzet
3.2 Bodemfunctieklassenkaart
3.2.1 Uitzonderingen in de bodemfunctieklassenkaart
Er is een uitzondering op deze robuuste inrichting waar de regio toch kiest voor een andere bodemfunctieklasse dan die van de directe omgeving. Dit is gedaan omdat het locaties betreft die een gevoeliger gebruik hebben. Deze percelen hebben daarom een meer passende bodemfunctieklasse toegewezen gekregen, maar dit is niet af te lezen uit de bodemfunctieklassenkaart. Omdat het de kaart onleesbaar maakt is ervoor gekozen deze percelen niet apart op de bodemfunctieklassenkaart in te tekenen.
Bij het gebruik van de bodemkwaliteitskaart en deze nota moet men daarom rekening houden met de volgende uitzonderingen op de indeling die wordt getoond in de bodemfunctieklassenkaart:
•Moes-/volkstuin(complex)en vallen in de bodemfunctieklasse Landbouw/natuur.
•Kinderspeelplaatsen vallen in de bodemfunctieklasse Landbouw/natuur. Het betreft openbare speeltuinen, (groene) speelplaatsen bij scholen en kindercentra, trapveldjes en plekken in openbaar groen waar intensief gespeeld wordt.
3.3 Bodemkwaliteitskaart
3.3.1 Ontgravingskaarten
De ontgravingskaarten beschrijven de kwaliteit van de grond als deze wordt ontgraven binnen zones in het beheergebied. De volgende bodemkwaliteitsklassen zijn mogelijk:
Er is een kaart voor de bovengrond (0-0,5 m -mv
2m -mv: meter beneden maaiveld
) en een kaart voor de ondergrond (0,5-2,0 m -mv). De kwaliteit is bepaald voor het standaard stoffenpakket en voor PFAS (poly- en perfluoralkyl verbindingen), op basis van de 80-Percentielwaarde (P80) van de zone. De P80 geeft de waarschijnlijkheid aan dat 80% van de gemeten stoffen in de kwaliteitszone gelijk of lager zullen zijn dan deze P80 waarde.
Algemeen geldt dat de kwaliteit van de meeste zones in boven- en ondergrond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Alleen de bovengrond in de zones ‘Industrie voor 1945 (ENKA terrein Ede)’ en ‘Kleine kern’ hebben een slechtere bodemkwaliteit. Deze vallen in de bodemkwaliteitsklasse Wonen.
Onderstaande tabel vat de bodemkwaliteitsklassen samen.
Tabel 2 Bodemkwaliteitsklassen in de ontgravingskaart
3.3.2 Toepassingskaarten
De toepassingskaarten beschrijven de kwaliteitseis waar de grond aan moet voldoen als die wordt toegepast binnen de zones in het beheergebied. Er is een kaart voor de bovengrond en een kaart voor de ondergrond.
Binnen het generieke toetsingskader moet hierbij worden gekeken naar de combinatie van bodemfunctieklassen en bodemkwaliteitsklasse op de toepassingslocatie. Daarbij is de strengste eis doorslaggevend. Dat betekent dat de toepassingseis binnen het generieke toetsingskader in het beheergebied van regio De Vallei doorgaans gelijk is aan de Landbouw/natuur. Alleen de bovengrond in de zones ‘Industrie voor 1945 (ENKA terrein Ede)’ en ‘Kleine kern’ hebben een andere generieke toepassingseis.
Onderstaande tabel vat de generieke toepassingseisen samen.
Tabel 3 Bodemkwaliteitsklassen in de toepassingskaart
In sommige zones is het mogelijk af te wijken van deze eisen, dit is beschreven in het gebiedsspecifieke beleid in paragraaf 3.5.
3.3.3 Bodemkwaliteitskaart PFAS
Naar aanleiding van het vaststellen van een landelijk handelingskader voor PFAS (poly- en perfluoralkyl verbindingen), heeft de regio ervoor gekozen de bodemkwaliteitskaart aan te vullen voor deze stofgroep. De werkwijze voor de totstandkoming van deze kaart is beschreven in het rapport over de PFAS-bodemkwaliteitskaart [3, 4]. De kaart laat zien dat de kwaliteit van de bodem binnen het beheergebied voor PFAS kan worden ingedeeld in de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur.
Deze stofgroep leidt daardoor niet tot aanpassing van de generieke regels voor toepassing en ontgraven van grond binnen het beheergebied (tabel 2 en 3).
Voorafgaand aan grondverzet moet wel extra aandacht worden besteed aan deze stofgroep in het historisch vooronderzoek. De bodemkwaliteitskaart kan niet al bewijsmiddel worden gebruikt als uit het vooronderzoek blijkt dat op de locatie specifieke (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden waardoor de bodem lokaal verdacht is voor PFAS.
3.5 Gebiedsspecifiek beleid
3.5.1 Lokale regels voor asbest in grond
Het komt binnen ons beheergebied voor dat een locatie of partij grond asbestverdacht is. In deze situaties moet voorafgaand aan het grondverzet een aantal stappen zijn gezet volgens de voorschriften voor historisch onderzoek (NEN5725) en asbestonderzoek (NEN5707).
Het is toegestaan om grond met asbest in gehalten beneden de interventiewaarde toe te passen als deze afkomstig is van het eigen beheergebied. Echter bij specifiek gevoelig bodemgebruik hanteert de regio een nul-norm voor asbest en wordt toepassing van asbesthoudende grond niet toegestaan (zie grijs kader voor specificatie).
De regels voor grondverzet voor asbestverdachte locaties zijn als volgt:
1Als uit historisch onderzoek blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat de locatie van herkomst asbestverdacht is, én asbest niet visueel aanwezig is, mag de partij volgens de regels in deze nota worden toegepast.
2Als is aangetoond dat de grond afkomstig is van een asbestverdachte locatie, dan kan de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt en moet het gehalte asbest in de grond worden bepaald.
a.Als onderzoek aantoont dat, zowel zintuiglijk als analytisch, geen asbest is aangetroffen, dan mag de grond worden toegepast in het beheergebied (inclusief in de gevoelige gebruiksfuncties).
b.Als onderzoek aantoont dat het gehalte asbest onder de vastgestelde norm voor asbest aanwezig is (kleiner of gelijk aan 100 mg/kg d.s.), dan mag de grond worden toegepast in locaties met toepassingseis Industrie, Wonen of Landbouw/natuur.
Let op: De grond mag in dit geval niet worden toegepast in percelen met een gevoelige gebruiksfunctie, te weten:
•Wonen met tuin;
•Recreatiegebieden;
•Moes-/volkstuin(complex)en;
•Kinderspeelplaatsen (openbare speeltuinen, (groene) speelplaatsen bij scholen en kindercentra, trapveldjes en plekken in openbaar groen waar intensief gespeeld wordt);
•Intensief gebruikt openbaar groen (bijvoorbeeld parken en plantsoenen).
c.Als onderzoek aantoont dat het gehalte asbest boven de vastgestelde norm aanwezig is (> 100 mg/kg d.s.), dan mag de grond niet worden toegepast.
3.5.2 Lokale regels voor minerale olie in grond
Het komt binnen ons beheergebied regelmatig voor dat een partij grond beperkt toepasbaar is of wordt afgekeurd enkel op basis van het gehalte aan minerale olie. Dit speelt vooral bij zandige bodems met een laag organisch stofgehalte. Hierdoor wordt de afzet voor geschikte grond beperkt wat leidt tot onnodige kostenverhoging bij projecten. De regio hanteert daarom de volgende regel ten aanzien van minerale olie:
Bij gemeten gehalten voor minerale olie onder de 100 mg/kg d.s. wordt de normstelling voor minerale olie niet gecorrigeerd voor organische stof. Voorwaarde is dat de locatie niet verdacht is voor minerale olie producten en dat er zintuiglijk geen waarnemingen zijn gedaan die wijzen op een verontreiniging met minerale olie producten.
Bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaart is deze regel al toegepast. Voor grondverzet met gebiedseigen grond, waarbij de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel kan dienen, mag deze regel worden toegepast op de gemeten gehalten in de grond die men wil toepassen.
3.5.3 Lokale regels voor invasieve exoten in grond
Binnen de provincie Gelderland worden plant- en diersoorten die van nature niet thuishoren in de provincie zoveel mogelijk bestreden met als doel de verspreiding te voorkomen. Daarnaast geldt per 1 januari 2022 een nationaal ‘handelsverbod’ voor drie soorten Aziatische duizendknopen. Dit verbod is ook van toepassing op grondverzet en betreft de volgende drie soorten Aziatische duizendknoop:
•Japanse duizendknoop (Fallopia japonica);
•Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis);
•Bastaard duizendknoop (Fallopia x bohemica).
De regio wil voorkomen dat invasieve exoten zich verder kunnen verspreiden via grondverzet. Daartoe stelt de regio extra regels vast in deze nota om het verspreiden van specifiek de Aziatische duizendknopen via grondverzet te voorkomen:
1Voorafgaand aan het grondverzet moet via een vooronderzoek en locatie inspectie worden aangetoond dat de locatie onverdacht is voor de aanwezigheid van invasieve exoten. Voor het uitvoeren van een gedegen vooronderzoek en locatie inspectie wordt verwezen naar het Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen [13] en de Onderzoeksmethode voor Aziatische duizendknopen [14].
2Als uit het vooronderzoek en de locatie inspectie blijkt dat de locatie onverdacht is op de aanwezigheid van invasieve exoten, dan mag de grond worden toegepast in het beheersgebied van de Regio.
3Mocht uit het vooronderzoek en de locatie inspectie blijken dat op de locatie invasieve exoten aanwezig zijn, of als tijdens de uitvoering van werkzaamheden op een onverdachte locatie alsnog (resten van) invasieve exoten worden aangetroffen, dan worden deze werkzaamheden direct stilgelegd en maakt de initiatiefnemer een melding van de aanwezigheid van invasieve exoten bij de Omgevingsdienst De Vallei. In overleg met de Omgevingsdienst De Vallei zal dan de verdere aanpak worden afgestemd.
3.5.4 Lokale regels voor grond met bodemvreemd materiaal
Bodemvreemde materialen zijn alle materialen die niet onder de definitie van grond vallen en bij de ontgraving al in de bodem aanwezig zijn. Hierbij gaat het niet om bijmenging met materialen van natuurlijke origine als grond, schelpen, wortels en onbewerkt hout.
Landelijk geldt een maximum van 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal bij grondverzet voor zover het steenachtig materiaal of hout betreft. De regio stelt strengere eisen:
Bij het toepassen van grond geldt een maximaal gewichtspercentage bodemvreemd materiaal (steenachtig materiaal of hout) dat afhankelijk is van de bodemfunctieklasse van de toepassingslocatie:
•Functieklasse industrie: maximaal 10%
•Functieklasse wonen en Landbouw/natuur: maximaal 5%
Voor overige lichtgewicht bodemvreemde materialen zoals bijvoorbeeld plastic en piepschuim mag dit alleen sporadisch in de grond voorkomen volgens het landelijk beleidskader.
Wanneer het maximaal toegestane percentage bodemvreemd materiaal wordt overschreden, dan kan de grond niet worden toegepast. Door bijvoorbeeld te zeven kan het percentage bodemvreemd materiaal worden verlaagd, zodat de grond alsnog mag worden toegepast.
Het kan voorkomen dat afwijken van de genoemde percentages wenselijk is en het niet mogelijk is om bijvoorbeeld bodemvreemd materiaal te verwijderen via zeven.
Afwijking is alleen mogelijk als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1Vooraf is afgestemd met de gemeente en deze heeft schriftelijk ingestemd;
2Alle betrokkenen (eigenaar, uitvoerder, initiatiefnemer) zijn voldoende op de hoogte van de consequenties;
3De toepassing van deze partij dient het algemeen milieubelang (bijvoorbeeld een geschikte partij moet van ver buiten de gemeente komen) en het betreft een duurzame oplossing;
4De extra kosten staan niet in verhouding tot het milieu- en maatschappelijk rendement.
3.5.5 Grond toepassen op waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden
In de Omgevingsverordening Gelderland [5] is beschreven hoe omgegaan moet worden met het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. In deze gebieden geldt een strenger beleid voor het toepassen van grond en baggerspecie, dan buiten deze gebieden.
Voor grondverzet tussen en naar waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden gelden de regels van de Omgevingsverordening Gelderland.
3.5.6 Grond toepassen op gevoelige gebruiksfuncties
Voor het toepassen van grond ter plaatse van moes-/volkstuinen en kinderspeelplaatsen geldt het volgende:
Op locaties met de gebruiksfunctie moes-/volkstuinen en kinderspeelplaatsen (openbare speeltuinen, (groene) speelplaatsen bij scholen en kinderdagverblijven, trapveldjes en plekken in openbaar groen waar intensief gespeeld wordt), mag alleen grond met kwaliteit Landbouw/natuur worden toegepast.
3.5.7 Grond toepassen op percelen met bodemfunctieklasse Wonen
Op basis van de dubbele toetsing (functieklassen en kwaliteit ontvangende bodem) is hergebruik van grond in woongebieden beperkt tot grond met kwaliteit Landbouw/natuur. Uitzondering hierop zijn het voormalig ENKA-terrein en de kleine kernen. De regio wil echter zoveel mogelijk de circulaire aanpak van grondverzet bevorderen. Daarom geldt de volgende gebiedsspecifieke regel:
Bij het toepassen van grond uit het eigen beheergebied in de bovengrond van percelen die volgens de bodemfunctiekaart de functie “Wonen” hebben, wordt voor het standaard stoffenpakket getoetst aan de functionele norm (maximale waarde Wonen) en niet aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. De gehalten PFAS moeten in deze situatie voldoen aan Landbouw/natuur.
3.5.8 Grond toepassen op percelen met bodemfunctieklasse Industrie
Op basis van de dubbele toetsing (functieklassen en kwaliteit ontvangende bodem) is hergebruik van grond in bedrijfsterreinen beperkt tot grond met kwaliteit Landbouw/natuur of Wonen. De regio wil echter zoveel mogelijk de circulaire aanpak van grondverzet bevorderen en het mogelijk maken om grond met kwaliteit Industrie die in eigen gebied vrijkomt ook in eigen gebied te kunnen toepassen. Daarom geldt de volgende gebiedsspecifieke regel:
Bij het toepassen van grond uit het eigen beheergebied in de bovengrond van percelen die volgens de bodemfunctiekaart de functie “Industrie” hebben, wordt voor het standaard stoffenpakket getoetst aan de functionele norm (maximale waarde Industrie) en niet aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. De gehalten PFAS moeten in deze situatie voldoen aan Landbouw/natuur.
3.5.9 Grondverzet in (spoor)wegen en/of in taluds/wegbermen
De ervaring leert dat de bodemkwaliteit ter plaatse van (spoor)wegen inclusief de taluds en wegbermen vaak heterogeen is en significant slechter dan de bodemkwaliteit in de regio. Daarom gelden de volgende regels:
•(Spoor)wegen inclusief de taluds en wegbermen worden als verdachte locaties aangemerkt. De bodemkwaliteitskaart kan daarmee niet worden gebruikt als bewijsmiddel. De kwaliteit van vrijkomende grond ter plaatse moet daarom worden aangetoond met een partijkeuring.
•Er zijn uitzonderingen: Voor relatief nieuwe wegen inclusief wegbermen en de ondergrond (ongeroerd en vrij van bodemvreemd materiaal) kan de bodemkwaliteitskaart wel worden gebruikt nadat met een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) is aangetoond dat de bodemkwaliteit van deze locaties overeenkomt met de bodemkwaliteitskaart ter plekke.
Voor grondverzet in (spoor)wegen en/of taluds/wegbermen gelden ook de landelijke regels zoals vastgesteld voor tijdelijke uitname van grond (zie paragraaf 4.2).
3.5.10 Grondverzet dieper dan 2 meter beneden het maaiveld
De bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart zijn opgesteld voor een dieptetraject tot maximaal 2
m -mv. Uit de resultaten van de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de ondergrond binnen het gehele beheergebied de kwaliteit Landbouw/natuur heeft. Wanneer we ervan uitgaan dat grond die dieper zit niet is beïnvloed door de mens via bodemverontreiniging of graven in de bodem, is het logisch te veronderstellen dat dieper liggende grond ook de kwaliteit Landbouw/natuur zal hebben. Mocht het voorkomen dat grond dieper dan 2 m -mv wordt ontgraven of toegepast binnen het beheergebied dan gelden de volgende regels:
Grond uit eigen beheergebied
Grond die in eigen beheergebied wordt ontgraven vanuit bodemlagen dieper dan 2 m -mv mag binnen het beheergebied zonder bodemonderzoek worden hergebruikt. De aanname is dat de kwaliteit van deze grond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse Natuur/landbouw. Hierbij geldt:
•op basis van een historisch onderzoek conform NEN5725 is aangetoond dat er geen verdenking van bodemverontreiniging is op de locatie van herkomst van de grond,
•er zijn geen zintuiglijke waarnemingen van ongewenste geur en/of bijmenging.
Binnen het eigen beheergebied mag grond worden toegepast in de bodem dieper dan 2 m -mv onder de volgende voorwaarden:
•de kwaliteit voldoet volgens de bodemkwaliteitskaart aan de bodemkwaliteitsklasse Natuur/landbouw,
•op basis van een historisch onderzoek conform NEN5725 is aangetoond dat er geen verdenking van bodemverontreiniging is op de locatie van herkomst van de grond,
•er zijn geen zintuiglijke waarnemingen van ongewenste geur en/of bijmenging.
Grond van buiten het beheergebied
Grond van buiten het beheergebied mag worden toegepast in de bodem dieper dan 2 m -mv. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
•de kwaliteit van de grond is bepaald met een partijkeuring,
•de kwaliteit van de grond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse Natuur/landbouw,
•er zijn geen zintuiglijke waarnemingen van ongewenste geur en/of bijmenging.
4 Overig relevant beleid
4.3 Grondverzet bij saneren
4.3.1 Grond herschikken binnen saneringslocatie
Grondverzet binnen locaties met een ernstige bodemverontreiniging is alleen toegestaan na (BUS
3Besluit Uniforme Saneringen.
)melding aan het bevoegd gezag en binnen de voorwaarden van een door bevoegd gezag goedgekeurd (raam)saneringsplan.
Voor de terugsaneerwaarde wordt in de Wet bodembescherming, en ook onder de nieuwe Omgevingswet, aangesloten bij de bodemfunctieklasse van de locatie.
4.3.2 Grond aanvoeren van buiten saneringslocatie
Toepassing van grond van buiten de saneringslocatie, valt onder het Besluit bodemkwaliteit en moet als zodanig worden gemeld.
•Grond van buiten het eigen beheergebied mag op de saneringslocatie worden toegepast volgens de regels uit het generieke beleid (zie paragraaf 3.4);
•Grond uit het eigen beheergebied mag op de saneringslocatie worden toegepast volgens de regels uit het gebiedsspecifieke beleid (zie paragraaf 3.5)