Gemeentelijke regelgeving

Damoclesbeleid gemeente Ede 2026

Gemeente Ede · geldt sinds 17 juni 2026

Aanhef

Beleidsregels van de burgemeester van de gemeente Ede houdende regels omtrent drugshandel en voorbereidingshandelingen vanuit woningen, lokalen en/of daarbij behorende erven.

De burgemeester van de gemeente Ede;

gelet op artikel 13b van de Opiumwet, de Aanwijzing Opiumwet, artikel 4:81 en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2:41 van de Algemene Plaatselijke Verordening Ede 2026 (APV),

besluit

vast te stellen:

het ’Damoclesbeleid gemeente Ede 2026’.

Hoofdstuk 2. Juridisch kader

2.1. Vaststellen van de bevoegdheid

2.1.1. Handelshoeveelheid

Onder drugshandel wordt op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking, dan wel de aanwezigheid daartoe van drugs als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA van de Opiumwet of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de Opiumwet. De genoemde lijst I heeft betrekking op harddrugs, lijst II bevat de verboden softdrugs en lijst IA bevat de zogenoemde designerdrugs. Om te bepalen of sprake is van een handelshoeveelheid is in dit Damoclesbeleid aansluiting gezocht bij de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het College van procureurs-generaal van het OM van 27 februari 2025’

2Aanwijzing Opiumwet van het college van procureurs-generaal van het OM d.d. 27 februari 2025, Staatscourant 2015, 5391

. Volgens deze Aanwijzing wordt een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram en een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram (of 0,5 milliliter, 1 pil, 1 bolletje, 1 ampul of 1 wikkel) gezien als hoeveelheden voor eigen gebruik. Om te bepalen of sprake is van een handelshoeveelheid designerdrugs is in dit beleid aansluiting gezocht bij de ‘Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, lijst I en lijst IA’

3https://www.om.nl/onderwerpen/b/beleidsregels/richtlijnen-voor-strafvordering-resultaten/richtlijn-voor-strafvordering-opiumwet-lijst-i-en-lijst-ia-2025r005

. Uit de rechtspraak volgt dat in het bestuursrecht gebruik mag worden gemaakt van een indicatieve test om te bepalen of het aannemelijk is dat een bepaalde stof/drugs een verdovend middel bevat

4ABRvS 26

. Als sprake is van een handelshoeveelheid mag in beginsel worden aangenomen dat de drugs (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking en dat de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet, bevoegd is om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. De verboden van de Opiumwet gelden dus niet alleen voor middelen als genoemd in lijst I en II, maar ook voor middelen die vooruitlopend op plaatsing op lijst I of II, zijn aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet.

5https://wetten.overheid.nl/BWBR0036356/2015-03-01

2.1.2. Voorbereidingshandelingen

Van een strafbare voorbereidingshandeling in de zin van artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet is sprake als in een woning of een lokaal of een daarbij behorend erf voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om hetzij harddrugs, hetzij softdrugs te produceren en/of te verhandelen. De aangetroffen voorwerpen en stoffen moeten van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden, zoals deze door de politie zijn vastgesteld. Het gaat bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof(fen), de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit onderzoek blijkende feitelijkheden, zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. Bij deze beoordeling kan ook de Aanwijzing Opiumwet worden betrokken, zoals bij voorbereidingshandelingen ten behoeve van een hennepkwekerij. Hierbij kan aan de hand van het beoogde aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt, het beroeps- of bedrijfsmatige karakter worden gewaardeerd. De burgemeester is bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel, indien op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk is dat de voorwerpen en stoffen aanwezig waren en waarvan kan worden geweten of ernstig kan worden vermoed dat deze bestemd waren voor het bereiden van drugs.

2.1.3. Designerdrugs

Per 1 juli 2025 is de ‘Wijzigingswet Opiumwet’ in werking getreden. Deze wet richt zich op het tegengaan van productie en handel in nieuwe psychoactieve stoffen (NPS), ook wel ‘designerdrugs’ genoemd. Voorheen vielen deze middelen niet onder de Opiumwet. Met de wijziging is lijst IA toegevoegd, waarin stofgroepen zijn opgenomen die chemisch zijn afgeleid van harddrugs op lijst I. Door deze uitbreiding kan de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet ook optreden wanneer in een pand stoffen of preparaten aanwezig zijn die behoren tot de stofgroepen op lijst IA. Daarmee wordt handhaving tegen handel in designerdrugs mogelijk. Omdat lijst IA de basisstructuren bevat van harddrugs op lijst I, wordt voor de beoordeling van handelshoeveelheden aangesloten bij de Aanwijzing Opiumwet voor harddrugs. Dit betekent dat bij meer dan 0,5 gram designerdrugs wordt aangenomen dat deze (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking.’

2.2. Evenredigheidstoets

2.2.1. Noodzakelijkheid

Bij de beoordeling of sluiting van een pand op grond van artikel 13b van de Opiumwet noodzakelijk is, weegt de burgemeester alle relevante omstandigheden mee. Het toetsingskader voor de beoordeling of sluiting noodzakelijk is, is gebaseerd op vaste rechtspraak van de Afdeling waaronder de uitspraak van 6 juli 2022 (Harderwijk-uitspraak)

7ECLI:NL:RVS:2022:1913

en de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025.

8ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922

De af te wegen feiten en omstandigheden staan hiervoor onder artikel 2.2 genoemd. Indicaties voor handel in of vanuit het pand zijn onder meer: meldingen van de politie, verklaringen van buurtbewoners of betrokkenen, het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand, waaronder maar niet beperkt tot: gripzakjes, ponypacks, grammenweegschaal, een vuurwapen, en/of het aantreffen van een grote hoeveelheid contant geld. Indicaties of een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk ligt zijn onder meer: meldingen bij de politie, MMA-meldingen, verklaringen van buurtbewoners of betrokkenen en/of meerdere constateringen van overtredingen van de Opiumwet binnen de betreffende of direct aangrenzende wijk(en) in de afgelopen drie jaar. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling geldt dat in ieder geval bij een geringe overschrijding van een gebruikshoeveelheid steeds dient te worden beoordeeld of kan worden volstaan met een minder verstrekkende maatregel.

9ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738

De burgemeester betrekt bij zijn afweging of het noodzakelijk is om tot sluiting van een pand over te gaan aan de concrete

omstandigheden van het geval. De beoordeling van de noodzaak van de sluiting van een pand kan tot gevolg hebben dat de burgemeester kiest voor een lichtere bestuurlijke maatregel dan een sluiting, bijvoorbeeld het geven van een waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom. Ook kan uit de beoordeling van de noodzaak volgen dat sluiting noodzakelijk is om het doel te bereiken, maar dat gekozen wordt voor een kortere sluitingsduur.

2.2.2. Evenwichtigheid

Na het beoordelen van de noodzakelijkheid beoordeelt de burgemeester of de sluiting in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Hierbij worden de voor betrokkenen nadelige gevolgen van de sluiting afgewogen tegen de zwaarwegende belangen van de burgemeester bij het handhaven van de openbare orde, het beëindigen van de overtreding en het voorkomen van herhaling. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Bij woningen vindt de beoordeling plaats met inachtneming van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De impact op bewoners wordt meegewogen, maar bij ernstige of structurele overtredingen kan het belang van bescherming van de samenleving zwaarder wegen. Bij de beoordeling of de bewoners na de sluiting van de woning weer gebruik kunnen maken van de woning weegt de burgemeester bij een huurwoning mee of de verhuurder de mogelijkheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter te ontbinden, toepast. Het is inherent aan de sluiting van een woning dat de bewoner de woning moet verlaten. Het is in beginsel de verantwoordelijkheid van de bewoner zelf om, al dan niet met behulp van zijn netwerk, vervangende woonruimte te vinden.

10ABRvS 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2879, ABRvS 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3220 en ABRvS 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2024:472

Indien de bewoner geen vervangende woonruimte kan vinden, is het aan de bewoner zelf om dit tijdig bij de burgemeester kenbaar te maken en aan te tonen. Zonder hulpvraag mag de burgemeester ervan uitgaan dat de bewoner zelf kan voorzien in tijdelijke woonruimte. De kosten voor vervangende woonruimte komen voor rekening van bewoner. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang. Voorbeelden zijn de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, de aanwezigheid van minderjarige kinderen, een bijzondere binding met de woning en de mogelijkheid om na de sluiting weer van de woning gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegenover de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is zoals gezegd niet per definitie onevenwichtig, bijvoorbeeld als de bewoner een ernstig verwijt van de overtreding kan worden gemaakt of gezien de ernst en omvang van de overtreding. Een belangrijk element bij de beoordeling van de evenwichtigheid is de persoonlijke verwijtbaarheid van de bewoner/eigenaar. Daarbij geldt dat van degene die een pand verhuurt of in gebruik geeft wordt verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt. Dat houdt in dat concreet toezicht moet worden gehouden op het gebruik van het verhuurde pand en dat het niet genoeg is als het pand alleen maar wordt bezocht. Ook als echter de verwijtbaarheid ontbreekt, bijvoorbeeld omdat verhuurder op een goede manier invulling heeft gegeven aan zijn zorgplicht, kan een sluiting toch op zijn plaats zijn omdat de belangen die daarmee zijn gediend zwaarder wegen.

Hoofdstuk 4. Handhavingsmatrix

4.1. Drugshandel in woningen of lokalen

4.1.1. Geringe handelshoeveelheid

Hoeveelheid

Maatregel

Softdrugs

> 5 en < 30 gram, > 5 en < 20 hennepplanten,

> 1 en < 10 ampullen lachgas

(8 gram per ampul)/ballonnen lachgas

Waarschuwing of

last onder dwangsom

indien sprake is van verzwarende

omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 3.7, wordt dit behandeld als een ernstig geval overeenkomstig de onderstaande matrix onder 4.1.2 .

4.1.2. Ernstig geval

Hoeveelheid

1econstatering

2econstatering

3econstatering

Softdrugs

> 30 gram,

> 20 hennepplanten

> 10 ampullen lachgas

(8 gram per ampul/ ballonnen lachgas)

Woning

3maanden sluiten

6maanden

sluiten

12maanden sluiten

Lokaal

3maanden sluiten

6maanden

sluiten

12maanden

sluiten

Harddrugs/

designerdrugs

> 0,5 gram,

> 1 pil

> 1 eenheid GHB (5 ml.)

Woning

6maanden sluiten

12maanden

sluiten

24maanden

sluiten

Lokaal

6maanden sluiten

12maanden

sluiten

24maanden

sluiten

4.4. Last onder dwangsom (bij softdrugs)

4.4.1. Hoogte dwangsom

Hennepplanten

Hoogte dwangsom ineens

Van 6 tot 50 planten

€ 12.500

Van 50 tot 200 planten

€ 25.000

Van 200 tot 750 planten

€ 50.000

Vanaf 750 planten

€ 75.000

Softdrugs

Hoogte dwangsom ineens

5-30 gram

€ 1.275

30-50 gram

€ 3.500

50-100 gram

€ 7.000

100-150 gram

€ 10.500

150-200 gram

€ 14.000

200gram – 6 kilogram

€ 25.000

6kilogram – 22,5 kilogram

€ 50.000

Vanaf 22,5 kilogram

€ 75.000

Lachgas (ampullen/ballonnen)

2-11

€ 2.500

12-20

€ 5.000

21-30

€ 7.500

Vanaf 30

Maatwerk

Lachgas (gasflessen)

Per kg. netto volume

(ongeacht formaat of vulling)

€ 5.000

Vanaf 15 kg

Maatwerk

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.