Aanhef
vastgesteld bij besluit van
burgemeester en wethouders van Ede
12februari 2013
Hoofdstuk 3 Toelichting op de beleidsregels
3.1 Aanleiding
Regelmatig vragen bewoners of ze in hun voortuin een uitweg mogen aanleggen. Bedrijven doen hetzelfde, met dit verschil dat hun aanvragen betrekking hebben op bedrijfsgerelateerd verkeer. In beide gevallen is daarvoor volgens de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) een omgevingsvergunning nodig. Met de aanleg van een uitweg worden gronden toegankelijk voor particuliere auto’s, kampeerauto’s, caravans en bedrijfsverkeer. Behalve zo’n vergunning kan het geldend omgevingsplan ook een verbod bevatten om auto’s in voortuinen te parkeren. Een vergelijkbare verbodsbepaling voor bedrijven komt niet voor.
Bij de beslissing over vergunningsaanvragen en de toepassing van het omgevingsplan is een consistente belangenafweging en besluitvorming gewenst. Daarvoor zijn onderstaande beleidsregels opgesteld.
3.2 Doel van de beleidsregels
De beleidsregels hebben een meervoudig doel. In de eerste plaats dragen ze bij aan de eenheid van beleid en uitvoering. Dat geldt zowel voor de APV- alshet omgevingsplan.2 Voor zowel de betrokken burgers en bedrijven als het gemeentebestuur heeft dat voordelen. Het gaat daarbij vooralom een gelijke en consistente behandeling. Ook worden belanghebbenden door het bekendmaken van beleidsregels geïnformeerd over de wijze waarop het college in de toekomst om zal gaan met zijn beslissingsbevoegdheid. Datdraagt bij aan een transparante besluitvorming.
Beleidsregels voorkomen bovendien dat het college van burgemeester en wethouders bij het nemen van besluitentelkens zijn afwegingen in eerdere, soortgelijke individuele gevallen moet herhalen. Door het te voeren beleiduitdrukkelijk neer te leggen in beleidsregels kan het volstaan met een verwijzing naar die regels.
3.3 Begripsbepalingen
Uitweg Waar in deze beleidsregels sprake is van “uitweg” of “uitwegen” wordt daaronderverstaan een uit- in- of oprit bij woningen of bedrijven.
Aanleggen Waar in deze beleidsregels sprake is van “aanleggen” wordt daaronder medeverstaan het vernieuwen, veranderen of vergroten van een uitweg, de aanleg vaneen tweede uitweg daaronder mede begrepen.
Bestaande situaties Onder bestaande situaties wordt verstaan de op het moment van bekendmaking vande beleidsregels bestaande situaties.
Tussenwoning Een woonhuis dat met andere, gelijkvormige of nagenoeg gelijkvormige huizen onderéén kap of in een rij is geplaatst en zich niet op de hoek van die rij bevindt.
3.4 Verhouding beleidsregels tot de APV
Artikel 2:12 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) verbiedt om zonder omgevingsvergunning uit te wegen op de openbare weg of een bestaande uitweg te verbreden. Bij de beslissing op een aanvraag om vergunning worden de volgende belangen betrokken: het veilig en doelmatig gebruik van de openbare weg, de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en de groenvoorzieningen alsmede de handhaving van het ter plaatse geldende omgevingsplan.
De aanleg van een uitweg en het gebruik van een opstelplaats voor de stalling van voertuigen op particuliere erven betreft vooral het grondgebruik.
3.5 Te onderscheiden woningtypen
Voorzover het gaat om woningen wordt bij de toepassing van de beleidsregels uitgegaan van een differentiatie naar woningtypen. Bij rijenwoningen, met name de tussenwoningen daarvan is de aanleg van een uitweg en het gebruikvan de voortuin als stallingsplaats voor voertuigen in beginsel ongewenst.
Bij kopwoningen van een rij en bij (half)vrijstaande huizen met een voldoende brede oprit op eigen terrein naast de woning is een uitweg in het algemeen wél mogelijk. In die laatste situaties heeft de stalling van een auto, kampeerwagen of caravan op de oprit doorgaans minder invloed op het straatbeeld, vooropgesteld dat de voortuin intact blijft waardoor zijn functie als groene buffer behouden blijft.
Daarnaast zijn er situaties waarin bij de stedenbouwkundige opzet juist is uitgegaan van parkeren in de voortuin. Bijdeze woningtypen is de voortuin nadrukkelijk ontworpen voor het stallen van auto’s (al dan niet onder een carport) of hebben de woningen een daaronder liggende garage (drive-in woningen). Het straatprofiel is hier dan ook opafgestemd. Dat valt bijvoorbeeld op te maken uit de aanwezigheid van lage trottoirbanden of juist het ontbreken vantrottoirs of van parkeerplaatsen langs de weg, concentraties van openbaar groen i.p.v. laanbeplanting etc. In die gevallen vormt een uitweg geen bezwaar. In de bijlage zijn voorbeeldsituaties verbeeld.
3.6 Uitwegen en openbare parkeerplaatsen
Parkeren in voortuinen wordt vaak gezien als oplossing voor een tekort aan parkeerplaatsen in de wijk. De aanleg van een uitweg gaat echter in veel gevallen ten koste van een openbare parkeerplaats langs de weg. Het opheffen vaneen openbare parkeerplaats ten behoeve van een plaats op eigen terrein levert per saldo minderparkeermogelijkheden op. De parkeerplaats kan immers gedurende de dag niet meer door meerdere autobezitters worden gebruikt. In gebieden waar de parkeerdruk hoog is biedt het creëren van parkeerplaatsen op eigen erfhooguit een zekere garantie voor bewoners dat zij vlakbij hun huis kunnen parkeren. Het eventuele parkeertekortwordt daarmee echter niet opgelost, maar eerder vergroot of verplaatst.