Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede,
gelezen het voorstel van 26 maart 2024, zaaknummer 442866,
gelet op het bepaalde in artikel 2.4 en artikel 5.8 van de Omgevingswet, artikel 160, eerste lid, onder b van de Gemeentewet en artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit de volgende beleidsregels vast te stellen voor de beoordeling van verzoeken tot afwijking of wijziging van het omgevingsplan op agrarische bedrijfslocaties waar een veehouderij is gevestigd:
Toepassingsbereik
Deze beleidsregel is van toepassing op alle verzoeken tot afwijking of wijziging van het omgevingsplan op locaties in de gemeente Ede waar een veehouderij is gevestigd, met uitzondering van verzoeken die:
•betrekking hebben op geringe binnenplanse afwijkingen (overschrijding bouwhoogte, afstand tot perceelgrens, geringe overschrijding bouwvlak of soortgelijke geringe afwijkingen) bij vergunningaanvragen voor stallen/dierenverblijven die op basis van bestaande planologische rechten zijn toegestaan en/of;
•betrekking hebben op afwijkingen of wijzigingen die de mogelijkheden tot het houden van vee op de locatie niet beïnvloeden.
Begrippen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
Veehouderij: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door het houden van dieren.
Grondgebonden melkveehouderij: een agrarisch bedrijf voor het houden van melkrundvee, waarbij het gehouden vee voor meer dan de helft wordt voorzien in voer dat is geteeld op gronden die in de nabijheid van het bedrijf zijn gelegen en waarop de veehouder rechten heeft.
Intensieve en overige veehouderij: een agrarisch bedrijf voor het houden van vee en/of pluimvee - zelfstandig of als neventak. Hieronder worden tevens een productiegerichte paardenhouderij verstaan. Een grondgebonden melkveehouderij valt niet onder deze definitie.
Productiegerichte paardenhouderij: een bedrijf waarbij de productie geheel of overwegend gericht is op het fokken van paarden, het africhten van paarden dan wel de handel in paarden.
3. Uitgangspunten
3.2 Ondernemingsplan
3.2.1 Landelijke pilot 2024
In de Kamerbrief van 12 juni 2023 (DGLGS / 27399214) heeft de Minister voor Natuur en Stikstof het instrument ‘ondernemingsplan’ geïntroduceerd. Doel van het ondernemingsplan is, kortweg, om ruimte te geven aan ondernemers die verder willen met hun bedrijf, mits dit past binnen de verschillende lokale gebiedsopgaven en ook leidt tot een duurzaam toekomstperspectief voor de ondernemer.
Eind 2023 heeft de Minister voor Natuur en Stikstof aan adviesbureau Deloitte gevraagd om een advies uit te brengen over de wijze waarop ondernemingsplannen ingezet kunnen worden in de piekbelastersaanpak. Voor dit advies heeft Deloitte gesprekken gevoerd met diverse partijen, zoals agrariërs, landbouworganisaties en het bankwezen. De beoogde (brede) toepassing van een ondernemingsplan roept veel vragen op, waarbij tegelijkertijd wordt geconcludeerd dat partijen ondernemingsplannen wel als mogelijk geschikt instrument zien waarmee een ondernemer kan aantonen dat het bedrijf zich op de juiste wijze ontwikkelt. Hierbij moet worden gedacht aan de juridische houdbaarheid, de rol van een ondernemingsplan bij de financiering van agrariërs die door willen en hoe een doel vertaald kan worden naar concreet erfniveau (waar overheden zich aan kunnen/durven committeren). Daarbij geeft Deloitte het advies om te starten met drie pilots voor ondernemingsplannen, waaronder een pilot in de Regio Foodvalley. In de pilot gaan de drie overheden (Rijk, provincie en gemeente) aan de slag om:
1De boer toekomstperspectief te bieden;
2Een format ondernemingsplan te ontwikkelen (met handelingsperspectief van en voor de boer);
3Gebiedsgericht te kijken naar doelen/richtlijnen;
4Te onderzoeken wat dit betekent voor instrumenten van de overheden zoals vergunningverlening en omgevingsplanwijzigingen.
In de pilot gaat onder andere gewerkt worden met een klankbordgroep uit de sector, zodat de resultaten ook daadwerkelijk zinvol en toepasbaar zijn voor agrarisch ondernemers. Voor de verdere invulling van de klankbordgroep wordt verder onder andere gedacht aan het Waterschap, LTO en agrarisch adviseurs. De pilot wordt gekoppeld aan lopende trajecten zoals het meetnetwerk van de Regiodeal, bodemonderzoeken uit de bodemcursussen en andere lopende trajecten zoals monitoring van kritische prestatie indicatoren voor pluimvee om zo vanuit metingen te komen tot handelingsperspectief voor de boer.
De pilot van LNV over ondernemingsplannen biedt de mogelijkheid om gericht, met de provincie Gelderland en het ministerie van LNV, te onderzoeken hoe (ook) vanuit andere overheden meer zekerheid gegeven kan worden aan boeren als zij (en of zij) voldoende bijdragen aan doelen.
3.2.2 Ondernemingsplan Edese bedrijven
Parallel aan de landelijke pilot voorziet dit interimbeleid ook in het inzetten van het instrument ‘ondernemingsplan’ om planologische verzoeken te beoordelen.
Het ondernemingsplan vervangt de toets op het toekomstperspectief zoals die was opgenomen in het concept-interimbeleid. Hiermee wordt het interimbeleid toepasbaar voor alle veehouderijen in Ede buiten de 500 meter uitsluitingszone rond Natura 2000 gebieden.
Met het ondernemingsplan wordt beoogd om, naast middelsturing, ook doelsturing toe te passen bij de beoordeling van planologische verzoeken. Uitgangspunt is dat een bedrijf zich toekomstbestendig ontwikkelt, enerzijds aan de hand van inzet van middelen en daarnaast aan de hand van het leveren van een bijdrage aan doelen die komen uit bestaand beleid en/of het programma Vitaal Landelijk Gebied Gelderland (VLGG), voor zover nu bekend. Het VLGG omvat het Gelderse gebiedsplan waarin doelen uit het Nationaal Programma Landelijk Gebied zijn vertaald naar de provincie Gelderland. Het VLGG wordt in de zomer van 2024 in concept vastgesteld door de provincie. Van de doelen is een eerste inschatting op regionaal niveau bekend, de doelen zijn nog niet op erfniveau bekend (of worden eventueel op gebiedsniveau geformuleerd).
Voorafgaand aan de vaststelling van deze beleidsregel is bij wijze van proef in samenwerking met enkele veehouderijen een concept-ondernemingsplan uitgewerkt. Deze proef heeft meer inzicht gegeven in middelen en doelen die in een ondernemingsplan kunnen worden opgenomen en die tevens relevant zijn voor de besluitvorming over een planologisch verzoek.
3.3 Emissiereductie
3.3.1 Stikstof
Op basis van de huidige juridische mogelijkheden zijn agrarische bedrijfsontwikkelingen in beginsel mogelijk indien er geen toename is van stikstofdepositie op Natura 2000 gebied. Bij wijziging van het omgevingsplan moet daarbij een vergelijking worden gemaakt met de feitelijke, planologisch legale situatie (referentiesituatie planspoor). Indien het bedrijf beschikt over een natuurvergunning waaraan een rechtsgeldige passende beoordeling ten grondslag ligt, dan kan die vergunning worden ingepast in het besluit en vormt die vergunning de referentiesituatie. Dit kan leiden tot feitelijke toenames van stikstofdepositie in Natura 2000 gebied door inzet van latente ruimte.
Voor deze beleidsregel is als uitgangspunt gehanteerd dat een plan bijdraagt aan de wettelijke doelstelling om de stikstofdepositie in Natura 2000 gebied fors te verlagen zoals opgenomen in artikel 2.15a Omgevingswet, gebaseerd op de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Dat betekent concreet dat een plan moet voorzien in een reductie van stikstofemissie vanuit het bedrijf en niet kan worden volstaan met ‘emissieneutraal’ intern salderen. Bij het bepalen van het vereiste minimale reductiepercentage is aansluiting gezocht bij het vastgestelde provinciale beleid ‘Gelderse Maatregelen Stikstof 2021-2025
2https://gelderland.stateninformatie.nl/document/10403266/3/PD_-_Bijlage_1_Uitvoeringsagenda_GMS_2021-2025_%28PS2021-555%29
(hierna: GMS). Op basis van de GMS is door de provincie Gelderland beoordeeld dat 40% emissiereductie vanuit de landbouw nodig is om de wettelijke doelstellingen te halen. Aan de GMS ligt een WUR studie van juli 2021
3https://edepot.wur.nl/549978
ten grondslag. In deze studie zijn de werkelijke dieraantallen in peiljaar 2019 gehanteerd als referentiesituatie.
Hierbij moet worden opgemerkt dat in actuele publicaties over de benodigde maatregelen om de wettelijke reductiedoelstelling te bereiken andere reductiepercentages voor de landbouw worden gehanteerd. Deze publicaties betreffen de Startnotitie NPLG
4https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/06/10/startnotitie-nplg-10-juni-2022
en een vertaling van doelstellingen naar Gelderse deelgebieden in de WUR studie van mei 2023
5https://edepot.wur.nl/631205
. De huidige ammoniakemissie in de provincie Gelderland bedraagt 18 kton NH3/jaar en moet voor 2030 reduceren naar 10 kton NH3/jaar op basis van de doelstellingen uit de startnotitie NPLG en naar 12 kton NH3/jaar om te voldoen aan de proportionele doelen. Dit komt overeen met een reductie van respectievelijk 44% en 33% ten opzichte van de emissie in 2020.
Omdat een nadere uitwerking naar reductiedoelstellingen per gebied nog moet gebeuren in het kader van het VLGG en nog onduidelijk is welke bijdrage de deelname aan de Lbv-plus regeling levert aan de reductieopgave, wordt in dit interimbeleid vooralsnog aansluiting gezocht bij de generieke reductiedoelstelling van 40% voor de landbouw zoals die volgt uit de vastgestelde GMS. Voor melkveebedrijven wordt gelet op uitvoerbaarheid een reductiedoelstelling van 30% gehanteerd, te behalen door inzet van BBT of de Kringloopwijzer. In dit interimbeleid worden genoemde percentages als minimaal te behalen reductie gehanteerd.
Daarmee wordt bedoeld dat een plan zoveel mogelijk stikstofemissie dient te reduceren, maar tenminste 40% bij intensieve en overige veehouderijen en 30% bij melkveebedrijven. Aan de reductie-eis kan geen invulling worden gegeven door extern te salderen met andere locaties. Het interimbeleid beoogd immers op bedrijfsniveau ontwikkelingen te stimuleren die de toekomstbestendigheid van de betreffende bedrijfslocatie verbeteren.
Bij het bepalen van de emissie wordt uitgegaan van de feitelijk benutte ruimte van de milieu- en/of natuurtoestemming in peiljaar 2019, zodat toepassing van het interimbeleid leidt tot een feitelijke afname van stikstofdepositie op Natura 2000 gebied. Daarbij wordt aangesloten bij de gehanteerde referentiesituatie in de WUR studie die ten grondslag ligt aan de GMS, zoals hierboven beschreven.
Wel kan maatwerk worden verleend voor het bepalen van de referentiesituatie, waarbij wordt uitgegaan van een emissie die hoger is dan de emissie die feitelijk aanwezig was in het peiljaar 2019. In dat geval moet tenminste worden voldaan aan de volgende criteria:
•De feitelijk (legale) aanwezige stalcapaciteit (gerealiseerde inrichting) moet op het moment van aanvraag van de planologische afwijking of wijziging in gebruik kunnen worden genomen met een andere veebezetting zonder dat daarvoor een nieuwe milieu- en/of natuurtoestemming nodig is;
•De ingebruikname moet mogelijk zijn zonder technische aanpassingen aan de feitelijk (legale) aanwezige stalcapaciteit en installaties;
•Op basis van de bedrijfsvoering moet aannemelijk worden gemaakt dat zonder toepassing van het maatwerk binnen afzienbare termijn wordt gekozen voor een andere veebezetting met een hogere emissie tot gevolg.
3.3.2 Geur en fijnstof
Gelet op de reductiedoelstelling voor stikstof in dit interimbeleid, zullen plannen in veel gevallen tegelijkertijd ook een reductie op geur en fijnstof realiseren. Het is op dit moment nog niet mogelijk om voor geur en fijnstof eveneens een minimaal reductiepercentage te hanteren. Voor geur geldt dat de gemeente Ede in het kader van het omgevingsplan normen zal vaststellen. Ten aanzien van fijnstof geldt dat een herziening van de EU-richtlijn voor Luchtkwaliteit in voorbereiding is, waaruit implementatie van strengere fijnstofnormen zal volgen.
In lijn met het bestaande Interimbeleid Luchtkwaliteit (zie paragraaf 3.6) zal in de ondernemingsplannen worden beoordeeld welke maatregelen een ondernemer redelijkerwijs kan nemen om de fijnstofbelasting van het bedrijf op de omgeving te beperken door inzet van BBT. In het verlengde daarvan zal deze werkwijze ook worden toegepast voor geur bij toepassing van dit interimbeleid.
Bijlage 1 bij beleidsregel ‘Interimbeleid agrarische bedrijfsontwikkeling veehouderijen’ gemeente Ede
Toelichting
Onderstaande tabellen dienen ter beoordeling van de verplichte en vrijwillige thema’s zoals opgenomen in paragraaf 4.4 van de beleidsregel. Daarbij geldt dat op de verplichte thema’s de minimaal vereiste maatregelen moeten worden getroffen en geborgd in het plan. De vrijwillige thema’s worden beoordeeld met een indicatieve score, maar conform het bepaalde in paragraaf 4.4 onder sub d. is deze beoordeling slechts ter duiding van de maatregelen.
De gehanteerde thema’s zijn onder andere gebaseerd op het rapport Monitoring Duurzame Veehouderij van Bram Bos (WUR, 2017).
Beoordeling verplichte thema’s
Dit zijn de verplichte thema’s op basis van wettelijke en beleidsmatige kaders. Bij de beoordeling worden de volgende wetten en kaders betrokken:
•Omgevingswet
•Omgevingsverordening Gelderland
•Kader Richtlijn Water
•Omgevingsvisie Ede 2040
•Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Ede
•Puntensysteem natuurinclusief ontwerpen en bouwen Ede
De ondernemer is verplicht om op deze thema’s te voldoen aan wetgeving en beleid. Daarom wordt hieraan geen score toegekend, wel is er ruimte om extra maatregelen te benoemen zodat deze extra inspanningen van de ondernemer inzichtelijk worden gemaakt. Bij de beoordeling van de minimaal te treffen maatregelen wordt nadrukkelijk de uitkomst van de omgevingsscan betrokken, zodat de ondernemers ten aanzien van o.a. natuur, ecologie en landschap gebiedsgerichte maatregelen treft.
Thema
Kaders
Minimaal vereiste maatregelen
Extra maatregelen
Natuur, biodiversiteit en landschap
Landschappelijke inpassing op grond van Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Ede
<Invoegen beschrijving inpassingsplan erf>
<Invoegen extra maatregelen inpassing, bijvoorbeeld erfoverstijgende maatregelen of landschapsecologische maatregelen
Natuurinclusieve inpassing op grond van Puntensysteem natuurinclusief ontwerpen en bouwen Ede
<Invoegen maatregelen en punten met onderbouwing ecologische relevantie voor het gebied>
<Invoegen extra maatregelen en punten>
Waterkwaliteit- en kwantiteit
Kader Richtlijn Water (verbeteren waterkwaliteit)
<Invoegen uitkomsten bodem- en waterplan>
< Invoegen maatregelen voorkomen afspoelling>
<Invoegen maatregelen bevorderen water vasthouden>
<Invoegen extra maatregelen waterkwaliteit en vasthouden water>
Beeldkwaliteit
Inpassing silo’s en bedrijfsgebouwen op grond van Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Ede
<Invoegen beschrijving erfinrichting en gebouwen>
<Invoegen extra maatregelen inpassing>
Beoordeling vrijwillige thema’s
Met de vrijwillige thema’s maakt de ondernemer nader inzichtelijk hoe een bedrijf bijdraagt aan zijn leefomgeving. Deze thema’s zijn vrijwillig en vooral bedoeld om bewustwording te stimuleren en om ontwikkelkansen vast te stellen. Deze thema’s krijgen een indicatieve score om de maatregelen te duiden. Zoals benoemd zijn de scores op grond van paragraaf 4.4, sub d. van de beleidsregel niet bepalend voor de beoordeling van het planologische verzoek.
Thema
Kaders/indicatoren
Maatregelen die het bedrijf treft
Score
Agrarisch natuurbeheer ANLB
Uitvoeren van Agrarisch Natuur en landschapsbeheer (ANLB)
Geen ANLB: =
Heeft ANLB aanvraag gedaan: +
Heeft ANLB pakketten en bedrijfsnatuurplan uitgevoerd: ++
Eco-regelingen GLB
Aanvullende maatregelen eco-regelingen GLB
Geen ecoregelingen: =
Eco-premie Brons: +
Eco-premie Zilver: ++
Eco-premie Goud: ++
Klimaat/ Energie / Duurzaamheid
Mate van energieopwekking
Zelfvoorzienend: =
Twee keer of meer zelfvoorzienend: +
Energie besparende maatregelen, bijvoorbeeld:
•Ledverlichting
•Warmteterugwinning
•Andere maatregel, namelijk…..
Geen maatregel: =
Een maatregel: +
Twee of meer maatregelen: ++
Veevoer (ivm CO2 verlagen)
% reststromen (op te vragen bij voerbedrijf)
Reststromen in voer > 50 %: +
Reststromen in voer > 70 %: ++
Veevoer (ivm CO2 verlagen)
% voer van eigen land
Intensieve of overige veehouderij:
Eigen voer > 10% : +
Eigen voer > 30 %: ++
Grondgebonden melkveehouderij:
Eigen voer: > 70 %: +
Eigen voer: > 90 %: ++
Bodemkwaliteit
Betere bodems door organische stofbalans > 0
Akkers:
Brengt compost / laat stengels achter: +
Werkt zoveel mogelijk met niet-kerende grondbewerking en/of ecoploegen: +
Tweemaal een + mogelijk
Grasland
Blijvend grasland > 70 %: ++
Landmanagement
Diverse maatregelen denkbaar:
•Groenbemester - mix van minimaal 4 soorten
•Na oogst of als mais onderzaai een stikstofvanggewas
•Past mengteelten toe
•Verwerkt slootmengsel tot bodemverbeteraar
•Kruidenrijk grasland
•Rotatie rustgewassen
•Andere maatregel, namelijk..
1maatregel: =
2maatregelen: +
3of meer maatregelen: ++
Gewasbescherming en bestrijdingsmiddelen
Bestrijdingsmiddelen
Gebruik van bestrijdingsmiddelen en/of gewasbeschermingsmiddelen met laag risico profiel of natuurlijke oorsprong: +
Groenbemester of graszode mechanisch bewerkt ipv spuiten: +
Pleksgewijze zeer beperkt bestrijdingsmiddelen gebruik: +
Of:
Geen gebruik van bestrijdingsmiddelen of gewasbeschermingsmiddelen (bijvoorbeeld bio): ++
Tweemaal een + of eenmaal ++ mogelijk
Watervoorraad
% gebruik regenwater
Regenwateropvang meer dan 10% totale waterverbruik: +
Regenwater > 30%: ++
Gebruik oppervlakte water
Niet beregenen: +
Agroforestry
Bomen en struiken combineren met veeteelt of akkerbouw
Meer dan 10 bomen (en)of meer dan 20 meter haag / heg: +
Meer dan 20 bomen en/of 40 meter haag/ heg: ++
Dierenwelzijn
Leefruimte
BLK 1 * of vergelijkbaar: +
BLK 2 of 3 * of vergelijkbaar: ++
Uitloop
Aanwezig: +
Weidegang (melkveehouderij)
Minimaal 720 uren tot 1100 uren weidegang: +
1100 uren of meer weidegang: ++
Diergezondheid
Antibiotica gebruik
Laatste drie jaar meer dan 25% onder landelijk gemiddelde: +
Laatste drie jaar geen gebruik : ++
% uitval
Uitval > 25% onder landelijk gemiddelde: +
Uitval > 50% onder gem: ++
Alleen bij melkvee, zeugen, geiten, leghennen
Levensduur
(hoger dan benchmark)
10% hoger dan gem: +
25% hoger dan gem: ++
Ammoniak in de stal
Oplossing in de stal die > 25 % reduceert: +
Oplossing in de stal die > 50% reduceert: ++
Fijnstof in de stal
Oplossing in de stal die > 25% reduceert: +
Oplossing in de stal die > 50% reduceert: ++
Volksgezondheid
Gebruik van 2e en 3e keus antibiotica
Heeft laatste drie jaar niet gebruikt: +
Verbinding maatschappij
Verkoop of verwaarden eigen producten
Indien van toepassing: +
Boerderij educatie
Indien van toepassing: +
Samenwerking met onderwijs
Indien van toepassing: +
Zichtstal en/of ontvangstruimte
Indien aanwezig: +
Innovatie/ kennis / leervermogen
Deelname aan innovatieve projecten
Indien van toepassing: +
Deelname aan relevante cursussen, studiegroepen of thema-bijeenkomsten
Indien van toepassing: +