Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels Verhaal en terug- en invordering van bijstand, Bbz 2004, IOAW- en IOAZ-uitkering Echt-Susteren 2025

Gemeente Echt-Susteren · geldt sinds 1 januari 2025

Aanhef

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN ECHT-SUSTEREN;

Overwegende dat de afgelopen jaren er diverse wijzigingen doorgevoerd zijn in de Participatiewet, die gevolgen hebben voor het beleid rondom de terugvordering en het verhaal van bijstand.

Gelet op het bepaalde in Artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluiten:

1Het Debiteurenprotocol 2014 in te trekken;

2De Beleidsregels Verhaal en terug- en invordering van bijstand, Bbz 2004, IOAW- en IOAZ-uitkering Echt-Susteren 2025 vast te stellen als volgt:

2. terugvordering

2.4 uitzonderingen

2.4.1 de gemeente reageert te laat op een signaal

Als de gemeente een concreet signaal krijgt waaruit afgeleid kan worden dat de uitkering verlaagd of beëindigd moet worden, dan is de gemeente verplicht om de uitkering op korte termijn aan te passen. Past de gemeente de uitkering niet binnen 6 maanden na dat signaal aan, dan vordert de gemeente de uitkering die vanaf dat moment wordt verstrekt, niet terug.

Met een signaal wordt bedoeld: informatie waaruit de gemeente kan afleiden dat een fout is gemaakt bij het verstrekken van een uitkering en in actie moet komen door de uitkering te wijzigen of te beëindigen.

2.4.2 bruteren of netto terugvorderen

De gemeente moet over de uitkering aan de inwoner loonbelasting en premies volksverzekeringen betalen aan de Belastingdienst. De gemeente kan die belasting en premies verrekenen met de Belastingdienst als het kalenderjaar nog niet afgelopen is. Als de uitkering teruggevorderd wordt in het volgende kalenderjaar, moet de inwoner de afgedragen belasting en premies ook terugbetalen. Dat heet bruteren van de vordering. Als het kalenderjaar voorbij is wordt altijd gebruteerd, tenzij de inwoner geen rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de vordering dan wel de inwoner de vordering niet verweten kan worden.

2.4.3 kleine vorderingen/kruimelbedragen

Het terugvorderen van kleine bedragen kost naar verhouding veel tijd en is niet altijd efficiënt. Daarom ziet de gemeente af van terugvordering als de netto vordering per vordering minder is dan

€ 150,00. Vorderingen onder dat grensbedrag worden dus niet teruggevorderd.

Als de gemeente een uitkering of bedrijfskapitaal heeft teruggevorderd en de inwoner heeft inmiddels zo ver afgelost dat een vordering overblijft van minder dan € 150,00 dan ziet de gemeente af van verdere terugvordering als de inwoner na herhaald verzoek niet aan zijn betalingsverplichting voldoet.

2.4.4 onaanvaardbare gevolgen/hardheidsclausule

Terugvordering kan onaanvaardbare gevolgen voor de inwoner hebben, als alle omstandigheden daarbij betrokken worden. De gemeente ziet daarom helemaal of gedeeltelijk af van (verdere) terugvordering als de gevolgen daarvan onaanvaardbaar zijn voor de inwoner. Dat vraagt om een individuele benadering en een zorgvuldige afweging die per situatie anders kan uitpakken. Factoren die daarbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld het effect van terugvordering op:

a.de werksituatie van de inwoner;

b.de gezinssituatie, waaronder de opvoeding van kinderen;

c.de persoonlijke ontwikkeling van de inwoner;

d.de financiële toekomstverwachting.

2.4.5 lange tijd (niet) voldoen aan betalingsverplichtingen

De gemeente wil inwoners stimuleren om een vordering af te lossen. Daarnaast wil de gemeente ook voorkomen dat een vordering jarenlang open blijft staan, zonder dat er een reële kans is dat die vordering ooit wordt afgelost. Daarom ziet de gemeente af van verdere terugvordering van een uitkering als de inwoner:

a.in een onafgebroken periode van 36 maanden zijn betalingsverplichtingen is nagekomen en ten minste 50% van de oorspronkelijke vordering heeft afgelost of 50% van de oorspronkelijke vordering heeft voldaan;

b.36 maanden zijn betalingsverplichtingen niet helemaal is nagekomen, maar de betalingsachterstand heeft ingelopen, de wettelijke rente en de incassokosten heeft voldaan en ten minste 50% van de oorspronkelijke vordering heeft betaald; of

c.60 maanden niets heeft afgelost en dat volgens de gemeente ook niet meer zal gaan doen.

De termijn die in de onderdelen a., b. en c. staat, wordt 120 maanden als de vordering is ontstaan doordat de inwoner niet (of niet tijdig) de juiste informatie heeft gegeven. Het percentage uit de onderdelen a. en b. blijft in die situatie gehandhaafd op 50.

De gemeente past al deze uitzondering niet toe als het gaat om een lening die gedekt is door pand of hypotheek. Maar als de vordering van de gemeente niet volledig op de betreffende bezittingen ver-haald kan worden, dus als verkoop van de bezittingen niet voldoende geld oplevert om de volledige vordering te incasseren, kan de overblijvende vordering wel onder deze uitzondering vallen.

De uitzonderingen zijn ook van toepassing op terugvordering van bedrijfskapitaal.

2.4.6 kwijtschelding bij een schuldregeling

De inwoner met problematische schulden kan in bepaalde gevallen in aanmerking komen voor een schuldregeling. De gemeente werkt mee aan een schuldregeling en scheldt een deel van de vordering kwijt als:

a.de gemeente verwacht dat de inwoner zijn schulden niet kan aflossen; en

b.er zonder medewerking van de gemeente geen schuldregeling komt (dit, óók in het geval er sprake is van vorderingen als gevolg van het niet of niet tijdig verstrekken van de juiste informatie) en

c.de vordering van de gemeente volgens dezelfde verdeelsleutel wordt betaald.

De gemeente werkt niet mee aan een schuldregeling, als:

a.de vordering volledig wordt gedekt door pand of hypotheek; of

b.de vordering naar verwachting betaald kan worden met geld of bezittingen waarop de inwoner recht heeft, maar waarover hij nog niet kan beschikken, zoals een aandeel uit een erfenis of een uitkering uit een levensverzekering; of

c.de vordering het gevolg is van verkeerde informatie die opzettelijk door de inwoner is gegeven of waaraan de inwoner opzet of grove schuld heeft tenzij er zonder medewerking van de gemeente geen schuldregeling komt

De gemeente kan het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling intrekken als:

a.er binnen twaalf maanden nadat dat besluit is genomen geen schuldregeling tot stand is gekomen;

b.de inwoner de verplichtingen aan de schuldregeling weigert na te komen en de gemeente daar al eerder op gewezen heeft; of

c.de inwoner verkeerde informatie heeft gegeven en de gemeente niet meegewerkt zou hebben als de inwoner op tijd de juiste informatie had gegeven.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.