Gemeentelijke regelgeving

Parkeerverordening 1993

Gemeente Duiven · geldt sinds 11 juni 1994

AFDELING 1 DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.het RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens van 26 juli 1990, Stb. 459;

b.motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990;

c.parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

d: houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554) aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven;

e.belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die

1is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of

2gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd;

f.vergunning: een door burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen

belanghebbendenplaatsen;

g.vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend.

AFDELING 2 PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN VERGUNNINGBEWIJZEN

Artikel 2.

1Burgemeester en wethouders kunnen weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders.

2Burgemeesters en wethouders kunnen de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren aan vergunninghouders is toegestaan.

Artikel 3.

1Burgemeester en wethouders kunne op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen.

2Een vergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze

a.woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn, dan wel

b.een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en aantoont dat het in belang van diens beroeps-of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig (voertuig) te parkeren.

3De eigenaar of houder van een motorvoertuig die voldoet aan beide in het tweede lid gestelde voorwaarden wordt, voor wat betreft de eerste aangevraagde vergunning, geacht te beantwoorden aan de onder a genoemde voorwaarde.

4Burgemeester en wethouders kunnen in bijzonder gevallen een vergunning ook verlenen aan eigenaren of houders van motorvoertuigen die niet voldoen aan één van de in het tweede lid genoemde voorwaarden.

5Aan de vergunning kunnen zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is.

6Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.

Artikel 4.

1Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, regels geven voor het aanvragen en verlenen van een vergunning.

2Burgemeester en wethouders beslissen binnen 8 weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning.

3Burgemeester en wethouders kunnen de in het tweede lid genoemde termijn met ten hoogste acht weken verlengen.

4Een besluit tot afwijzing van een aanvraag is met redenen omkleed. De aanvrager wordt van deze afwijzing schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 5.

1Een vergunning wordt voor ten hoogste vijf jaar verleend.

2De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens:

a.de periode waarvoor de vergunning geldt;

b.het gebied waarvoor de vergunning geldt;

c.de naam van de vergunninghouder en het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend.

Artikel 6.

Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken of wijzigen:

a.op verzoek van de vergunninghouder;

b.wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de vergunning is verleend, metterwoon verlaat of het daaruitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt;

c.wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;

d.wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen;

e.wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

f.wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;

g.om redenen van openbaar belang.

AFDELING 3 VERBODSBEPALINGEN

Artikel 7.

1Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te plaatsen of te laten staan op een belanghebbendenplaats.

2Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 8.

1Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig (voertuig) te parkeren of geparkeerd te houden:

a.zonder vergunning;

b.zonder dat het motorvoertuig (voertuig) duidelijk zichtbaar is voorzien van de vergunning;

c.in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden.

2Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

AFDELING 4 STRAFBEPALING

Artikel 9.

Overtreding van het bepaalde in afdeling 3 van deze verordening wordt gestraft met hechtenis Van ten hoogste twee maanden of geldboete van de eerste categorie.

AFDELING 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 10.

Met de opsporing van overtredingen van deze verordening zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafverordening genoemde opsporingsambtenaren, de door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren belast.

Artikel 11.

Deze verordening kan worden aangehaald als Parkeerverordening 1993.

Artikel 12.

Artikel 12.

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na bekendmaking.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.