Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels uitwegen gemeente Dronten 2025

Gemeente Dronten · geldt sinds 1 januari 2025

Aanhef

Het college van gemeente Dronten,

Overwegende dat het gebruik van de openbare ruimte ten behoeve van een uitweg kan leiden tot problemen als gevaar en/of hinder bij het gebruik van de weg, aantasting van het openbare groen en uiterlijk aanzien van het straatbeeld;

Overwegende dat het, gelet op het belang van een consistente toetsing van aanvragen voor het aanleggen of veranderen van een uitweg, wenselijk is om beleidsregels toe te passen;

Gelet op het bepaalde in artikel 4:81 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit tot vaststelling van: Beleidsregels uitwegen gemeente Dronten 2025

Inhoudsopgave

Afkortingen en begripsbepalingen

1.Inleiding

1.1. Aanleiding

1.2. Doel en toepassing

1.3. Reikwijdte

1.4. Leeswijzer

2.Wettelijke Basis

2.1. Wegenwet

2.2. Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL)

2.3. Privaatrechtelijke toestemming

3.Beleidsregels

3.1. Belangenafweging

3.2. Regels per type uitweg

3.2.1. Algemeen

3.2.2. Uitwegen woningbouw; nieuwbouw

3.2.3. Uitwegen woningbouw; bestaande bouw

3.2.4. Uitwegen buitengebied; kaveluitwegen

3.2.5. Uitwegen buitengebied; erfuitwegen

3.2.6. Uitwegen; bedrijven(terreinen)

3.2.7. Uitwegen; tijdelijke (bouw)uitwegen

3.2.8. Uitwegen voor langzaam verkeer

4.Weigeringsgronden voor uitwegen

4.1. Veilig en doelmatig gebruik van de weg

4.1.1. Het veilig gebruik van de weg

4.1.2. Het doelmatig gebruik van de weg

4.2. Veiligstellen van openbare parkeerplaatsen

4.3. Voorkomen aantasting van het openbare groen

4.4. Bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving

4.4.1. Woningen

4.4.2. Bedrijven

4.5. Tweede uitweg of meerdere uitwegen

5.Kosten

5.1.1 Leges

5.1.2. Aanleg uitweg

5.1.3. Aanpassingen openbaar gebied

5.1.4. Aanleg door aanvrager

5.1.5. Uitzondering: aanleg door gemeente

6.Beheer en onderhoud

6.1.1. Woningen

6.1.2. Kavels en erven

6.1.3. Bedrijven

7.Uitvoering

8.Dam met duiker / waterkerende constructie

9.Overgangs- en slotbepaling

9.1. Hardheidsclausule

9.2. Bestaande rechten

9.3. Intrekking oude beleidsregels

9.4. Inwerkingtreding

9.5. Citeertitel

9.6. Slotbepaling

Afkortingen en begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

3. Beleidsregels

3.2. Regels per type uitweg

3.2.1. Algemeen

De onderstaande beleidsregels zijn van toepassing op niet-openbare uitwegen binnen de gemeente Dronten.

In deze regeling wordt onderscheidt gemaakt tussen verschillende uitwegen, dit zijn:

•Uitwegen bij verkoop woningbouwgrond door de gemeente, nieuwbouw;

•Uitwegen bestaande woningbouw;

•Kaveluitwegen;

•Erfuitwegen;

•Uitwegen bedrijven(terreinen);

•Tijdelijke (bouw)uitweg;

•Uitwegen voor langzaam verkeer.

3.2.2. Uitwegen woningbouw; nieuwbouw

Bij nieuwbouwwijken voor woningbouw, waar het bouw- en woonrijp maken geschiedt door de gemeente in eigen regie, dan wel dat dit in een overeenkomst met een ontwikkelaar is geregeld, hoeft een eerste uitweg niet via een vergunning te worden aangevraagd.

Een uitweg krijgt een standaardbreedte van 3,5 meter. Voor deze uitweg hoeft geen omgevingsvergunning of nadere privaatrechtelijke toestemming bij het college te worden aangevraagd. Beleidsregels onder paragraaf 3.2.3 Uitwegen woningbouw; bestaande bouw zijn hier mede van toepassing.

De uitweg op gemeentegrond zal door de gemeente, hetzij door een erkende aannemer in opdracht van de gemeente of ontwikkelaar, worden aangelegd met door de gemeente geselecteerde (standaard) materialen, afmetingen en opbouw constructie, zoals vastgesteld bij de inrichting van de openbare ruimte van de betreffende woonwijk.

De uitweg wordt zodanig aangelegd, dat een op het perceel gerealiseerde of nog te realiseren garage, carport, parkeerplaats of hoofdingang bereikbaar wordt vanaf de openbare weg. De uitweg wordt recht voor de garage, carport of parkeerplaats gesitueerd. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt hiervan afgeweken (bijvoorbeeld in geval van een lichtmast of boom op de plek van de gewenste uitweg) en wordt in overleg met de nieuwe eigenaar gezocht naar een voor beide partijen zo goed mogelijke aansluiting op de openbare weg.

Bij particuliere nieuwbouwprojecten, blijft een vergunningaanvraag ‘aanleg uitweg’ wel noodzakelijk en valt een dergelijke aanvraag onder paragraaf 3.2.3 Uitwegen woningbouw; bestaande bouw van deze beleidsregels.

Wanneer de eigenaar van een perceel t.b.v. woningbouw meerdere uitwegen wenst of een bredere uitweg dan 3,5 meter dan moet daarvoor een afzonderlijke omgevingsvergunning worden aangevraagd en valt een dergelijke aanvraag onder paragraaf 3.2.3 Uitwegen woningbouw; bestaande bouw van deze beleidsregels.

3.2.3. Uitwegen woningbouw; bestaande bouw

Beleidsregels

1Elk perceel binnen de bebouwde kom, met een woonbestemming, komt in aanmerking voor minimaal één (1) uitweg met een standaardbreedte van 3,5 meter gemeten langs de openbare weg.

2Twee (2) naast elkaar gelegen uitwegen hebben een tussenruimte van minimaal 2 meter;

3Twee (2) naast elkaar gelegen uitwegen bij afzonderlijke percelen of afzonderlijke (gekoppelde) woningen mogen aan elkaar verbonden worden als de tussen gelegen ruimte minder dan 2 meter is en indien dit niet ten koste gaat van een lichtmast.

4Een dubbele (gekoppelde) uitweg t.b.v. twee woningen heeft een standaardbreedte van 5 meter gemeten langs de openbare weg.

5Per perceel zijn maximaal twee uitwegen toegestaan;

6De uitweg dient te voldoen aan de inrichtingseisen en voorschriften van de gemeente Dronten.

3.2.4. Uitwegen buitengebied; kaveluitwegen

Onder kaveluitwegen worden verharde en niet verharde uitwegen verstaan die een landbouw-, bos- of recreatief perceel, niet zijnde een (voormalig) (boeren)erf met bebouwing, ontsluiten en die hoofdzakelijk bedoeld zijn om het perceel (voor het bewerken, onderhouden of oogsten te kunnen bereiken. In veel gevallen moet, om het perceel te kunnen ontsluiten, ook een sloot worden overgestoken. In dat geval worden er door het Waterschap Zuiderzeeland eisen gesteld aan de wijze waarop de afvoer van het oppervlaktewater wordt gerealiseerd en dient hiervoor afzonderlijk vergunning aangevraagd te worden bij het Waterschap.

Beleidsregels

1De maximale breedte van een onverharde uitweg (dam) is gemeten langs de erfgrens 12 meter.

2De maximale breedte van de verharde uitweg gemeten langs de perceelgrens is 8 meter.

3De maximale breedte van de verharde uitweg gemeten langs de openbare weg is 20 meter.

4Per perceel zijn maximaal twee kaveluitwegen toegestaan;

5De uitweg dient te voldoen aan de inrichtingseisen en voorschriften van de gemeente Dronten.

3.2.5. Uitwegen buitengebied; erfuitwegen

Onder erfuitwegen worden verstaan de uitwegen naar en vanaf (voormalige) boeren- en landbouwerven, woonerven, camping- en recreatieterreinen met haar bedrijfsgebouwen inclusief eventuele (bedrijfs-/ recreatie-) woningen, niet zijnde een landbouw-, bos- of recreatief perceel zonder bebouwing.

Beleidsregels

1De maximale breedte van de verharde uitweg gemeten langs de perceelgrens is 8 meter.

2De maximale breedte van de uitweg gemeten langs de openbare weg is 20 meter.

3Per erf zijn maximaal twee uitwegen toegestaan;

4De uitweg dient te voldoen aan de inrichtingseisen en voorschriften van de gemeente Dronten.

3.2.6. Uitwegen; bedrijven(terreinen)

Hieronder worden verstaan uitwegen voor bedrijven die binnen de bebouwde kom zijn gevestigd op bedrijfsterreinen of bedrijven die volgens het geldende bestemmings- of (tijdelijk) Omgevingsplan binnen de bebouwde kom zijn toegestaan.

Bij uitwegen voor bedrijven buiten de bebouwde kom valt een dergelijke aanvraag onder paragraaf 3.2.5 van deze beleidsregels.

Voor ‘aan-huis-verbonden bedrijven en beroepen’ gelden de beleidsregels voor uitwegen woningbouw en valt een dergelijke aanvraag onder paragraaf 3.2.3 van deze beleidsregels.

Beleidsregels

1Bij situaties waarbij het bedrijfspand vanaf de weg niet rechtstreeks toegankelijk is voor motorvoertuigen en/of waar geen bedrijfspand op het perceel staat/komt is een uitweg toegestaan met een maximale breedte van de uitweg gemeten langs de perceelgrens van 8 meter.

2Bij situaties waarbij het bedrijfspand vanaf de weg rechtstreeks toegankelijk is voor motorvoertuigen is per naar de weg gerichte toegangsdeur bestemd voor motorvoertuigen in het bedrijfspand een uitweg toegestaan met een maximale breedte van de uitweg overeenkomstig de breedte van de toegangsdeur + aan weerszijde 1 meter. De locatie van deze uitweg ligt in het hart van de genoemde toegangsdeur.

3Naast elkaar gelegen uitwegen bij afzonderlijke toegangsdeuren mogen aan elkaar verbonden worden als de tussen gelegen ruimte minder dan 4 meter is en indien dit niet ten koste gaat van openbaar groen, een boom en/of lichtmast.

4De maximale breedte van de uitweg gemeten langs de openbare weg is 20 meter;

5De uitweg dient te voldoen aan de inrichtingseisen en voorschriften van de gemeente Dronten.

3.2.7. Uitwegen; tijdelijke (bouw)uitwegen

Het hebben van een tijdelijke (bouw)uitweg binnen de bebouwde kom wijkt zodanig af van de reguliere normering dat deze aanvraag per situatie zal worden beoordeeld of vergunning noodzakelijk is of dat de tijdelijke uitweg bij voltooiing van de bouw omgezet wordt naar een vergunningplichtige definitieve uitweg volgens paragraaf 3.2.2, 3.2.3 of 3.2.6 van deze beleidsregels.

Een tijdelijke (bouw)uitweg buiten de bebouwde kom valt onder paragraaf 3.2.4 of 3.2.5 van deze beleidsregels.

3.2.8. Uitwegen voor langzaam verkeer

Voor de ontsluiting van (smalle) toegangspaden vanuit een in-/uitgang van een gebouw op een perceel binnen de bebouwde kom die rechtstreeks ontsluiten op de weg en enkel zijn bestemd voor langzaam verkeer dient een omgevingsvergunning uitweg aangevraagd te worden (artikel 2:9 VFL). Dergelijke aanvragen behandelen wij gelijk als de aanvraag voor een uitweg.

Beleidsregels

1Bij situaties waarbij de (bedrijfs-)woning of bedrijfspand vanaf de weg niet toegankelijk is kan een uitweg worden toegestaan met een minimumbreedte van 0,9 meter tot een maximale breedte van 2,1 meter.

2Bij woningen waar reeds een standaard uitweg voor motorvoertuigen van tenminste 3,5 meter wordt / is gerealiseerd wordt een uitweg voor langzaam verkeer aangemerkt als een tweede uitweg.

4.Weigeringsgronden voor uitwegen

4.1. Veilig en doelmatig gebruik van de weg

4.1.1. Het veilig gebruik van de weg

Het criterium “veilig gebruik van de weg” is een zwaarwegend criterium. Een uitweg mag er niet toe leiden dat de verkeersveiligheid negatief beïnvloed wordt. Uitwegen veroorzaken een verstoring voor het “doorgaande” verkeer en zijn potentiële conflictpunten. De wegbeheerder en/of verkeersspecialist beoordeelt aanvragen en adviseert de vergunningverlener inzake het “veilig gebruik van de weg”.

Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg weigeren:

1op wegen die in de wegcategorisering, zoals opgenomen in het Gemeentelijk Verkeer en Vervoerplan (GVVP), aangewezen zijn als gebiedsontsluitingsweg (GOW). Op gebiedsontsluitingswegen is het vanuit Duurzaam Veilig niet wenselijk uitwegen te hebben, omdat dit de onveiligheid vergroot. De uitwegen van woningen/erven langs gebiedsontsluitingswegen dienen op een parallelweg aan te sluiten, tenzij de uitweg noodzakelijk is voor de ontsluiting van het perceel én deze uitweg een veilig en doelmatig gebruik van de gebiedsontsluitingsweg niet belemmert;

2langs erftoegangswegen (zie GVVP) en bedrijventerreinen binnen een afstand van 5 meter vanaf een kruising of splitsing van wegen, opstelstroken dan wel voorsorteer-vakken of een (onoverzichtelijke) bocht, gemeten vanaf het begin van de bocht (tangentpunt) en/of verkeersgeleider. Een uitzondering hierop zijn de kruispunten of bochten in een 30 km/u zone, die vaak geen verkeersonveilige situaties opleveren, e.e.a. ter beoordeling wegbeheerder en/of verkeersspecialist;

3als een perceel door de uitweg anders dan in een rechte lijn naar of anders dan haaks op de weg wordt ontsloten;

4als de uitweg op een locatie komt waarbij de bestuurder van een motorvoertuig vanuit de uitweg beperkt of geen zicht heeft op de openbare weg, het voet- en/of fietspad;

5op een plaats waar de uitweg op een voet- en/of fietspad of andere weg waar een geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer geldt uitkomt en waarbij dat pad of weg in de lengterichting moet worden bereden om de openbare weg te bereiken;

6op of nabij (binnen 5 meter) van een voetgangersoversteekplaats (zebrapad: BABW §2 lid 9);

7op of nabij (binnen 5 meter) van een bushalte;

8als de uitweg niet duidelijk herkenbaar is als eigen niet-openbare uitweg;

9aansluit op een weg waarbij de uitweg een negatieve invloed heeft op de verkeersveiligheid.

4.1.2. Het doelmatig gebruik van de weg

Het criterium “het doelmatig gebruik van de weg” heeft betrekking op de functie van de weg, de inrichting van de weg en de gevolgen die de uitweg kan hebben op deze functie. Een uitweg mag de verkeersdoorstroming of inrichting niet negatief beïnvloeden.

Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg weigeren:

1als de uitweg tot gevolg heeft dat straat- en/of trottoirkolk(en), een (nuts)voorziening en/of ander obstakel dient te worden verplaatst en er in de nabije omgeving geen geschikte alternatieve locatie voor genoemde zaken voorhanden is, of die wegens technische eisen, veilig gebruik van de weg, of die door belangen vanuit direct aanwonenden niet te verplaatsen zijn en/of er geen overeenstemming tot verplaatsing van het obstakel is met de eigenaar;

2als de ruimte tussen een obstakel en de rand van de uitweg minder dan 1 meter bedraagt bij woningen en minder dan 2 meter bij bedrijven en verplaatsing niet mogelijk is;

3als de uitweg tot gevolg heeft dat een verzamelpunt van afval(containers) verloren gaat en er geen goede alternatieve locatie in de directe nabijheid (binnen 5 meter) voor handen is.

4.4. Bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving

4.4.1. Woningen

Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg weigeren:

1als de uitweg leidt naar een parkeergelegenheid op particulier terrein/perceel dat is te definiëren als voortuin, tenzij daarvoor een uitzondering van toepassing is;

2als de uitweg leidt naar een parkeergelegenheid op particulier terrein/perceel dat is te definiëren als zij- of achtertuin, tenzij daarvoor een uitzondering van toepassing is;

3als deze afwijkt van de breedte van 3,5 meter, tenzij daarvoor een uitzondering van toepassing is;

4als deze bij een gecombineerde uitweg van 2 percelen afwijkt van de breedte van 5 meter, tenzij daarvoor een uitzondering van toepassing is;

5als de uitweg een waterpartij of wadi doorsnijdt;

6als de uitweg ter plekke niet toegestaan of niet wenselijk is in het geldende inrichtings-, (tijdelijk) omgevingsplan, beeldkwaliteitsplan en/of nota welstand.

Uitzondering:

1Een uitweg ten behoeve van het parkeren voor de voorgevelrooilijn kan worden toegestaan indien aan-sluitend op de uitweg op het perceel een vrije ruimte aanwezig is van minimaal 3 meter breed en 6 meter lang. Dit is de ruimte benodigd voor het parkeren van een motorvoertuig alsmede het in-/uitstappen en het in-/uitladen van het motorvoertuig zonder dat hier gebruik gemaakt wordt van de openbare ruimte.

2Een uitweg ten behoeve van het parkeren in de zij- of achtertuin kan worden toegestaan bij een woning indien aansluitend op de uitweg op het perceel naast of achter de woning vrije ruimte is van minimaal 3 meter breed en 6 meter lang. Dit is de ruimte benodigd voor het parkeren van het motorvoertuig alsmede het in-/uitstappen en het in-/uitladen van het motorvoertuig zonder dat hier gebruik gemaakt wordt van de openbare ruimte.

3Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als er sprake is van een legaal gerealiseerde inpandige parkeergelegenheid, zoals een garage.

4Een uitweg breder dan 3,5 meter maar niet breder dan 5 meter kan worden toegestaan, indien geen andere weigeringsgronden gelden.

5Een gecombineerde uitweg van twee percelen breder dan 5 meter maar niet breder dan 7 meter kan worden toegestaan, indien geen andere weigeringsgronden gelden.

4.4.2. Bedrijven

Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg weigeren:

1als deze afwijkt van de maximale breedte van 8 meter, tenzij daarvoor een uitzondering van toepassing is;

2als de uitweg ter plekke niet toegestaan of niet wenselijk is met het geldende inrichtings-, omgevings- en/of beeldkwaliteitsplan.

Uitzondering:

1Een uitweg breder dan 8 meter kan worden toegestaan als het type van te verwachten motorvoertuigen dit vanuit verkeersveiligheid noodzakelijk maakt en als de aanvrager kan aantonen dat dit het veilig en doelmatig gebruik van de weg bevordert. Hierbij is een positief advies van de politie of verkeerskundige noodzakelijk.

5. Kosten

5.1.1. Leges

Voor het in behandeling nemen van de aanvraag zijn leges verschuldigd overeenkomstig de op het moment van aanvraag geldende gemeentelijke legesverordening. Legeskosten ten behoeve van de vergunning komen voor rekening van de aanvrager. Zie onze website voor de actuele legesverordening.

5.1.2. Aanleg uitweg

De aanleg / aanpassing van een uitweg geschiedt door en op kosten van de aanvrager (uitgezonderd de uitweg genoemd onder 3.2.2). De aanvrager dient de uitweg aan te laten leggen door een erkende aannemer of hovenier.

5.1.3. Aanpassingen openbaar gebied

Aanpassingen aan het openbare gebied welke het directe gevolg zijn van de aanleg of aanpassing van de uitweg worden door, of namens, de gemeente uitgevoerd. Alle daadwerkelijk door de gemeente te verzorgen extra maatregelen en noodzakelijke aanpassingen in het openbare gebied in gemeentelijke grond(en) - dit ter beoordeling van de gemeente -, zoals het verplaatsen van een lichtmast, kolk, verplanten boom, aanpassing groenvoorziening en kabels en leidingen, ten behoeve van de aanleg van de uitweg worden in rekening gebracht bij de aanvrager, tenzij:

a.er sprake is van een reconstructie of (her)inrichting door de gemeente of;

b.er sprake is van een nieuwbouw woninglocatie (buurt/wijk) waarbij de fase woonrijp maken / terreinafwerking van de gemeente nog niet is afgerond.

De kosten kunnen variëren. Dit wordt, indien van toepassing, bij de vergunningverlening aan de aanvrager medegedeeld. Deze kosten dienen vooraf te worden betaald. De werkzaamheden aan de uitweg op gemeentelijke grond(en) mogen niet worden gestart voordat volledige betaling van deze kosten is voldaan.

De noodzakelijke aanpassingen in het openbare gebied worden door of namens de gemeente uitgevoerd, op kosten van de aanvrager, en vindt plaats op een moment ter bepaling van de gemeente eventueel in overleg met de aanvrager.

5.1.4. Aanleg door aanvrager

De gemeentelijk toezichthouder zal na het realiseren van de uitweg beoordelen of deze op gemeentelijke grond(en) volgens de voorschriften is aangelegd. Gebreken aan de uitweg zullen door de aanvrager, op zijn kosten, worden hersteld binnen een door de toezichthouder te stellen termijn. De aanvrager zal aan opdrachten tot wijziging gevolg geven, ook indien hiermee extra kosten gemoeid zijn.

5.1.5. Uitzondering: aanleg door gemeente

Afhankelijk van de situatie kan de gemeente bepalen deze werkzaamheden geheel of gedeeltelijk zelf uit te voeren op kosten van de aanvrager. Dit wordt, voorzien van een kostenraming, bij de vergunningverlening aan de aanvrager medegedeeld. Deze kosten dienen vooraf te worden betaald.

Indien de geraamde kosten achteraf in het voor- of nadeel van de gemeente uitpakken zullen er geen verrekeningen plaatsvinden.

6. Beheer en onderhoud

6.1.1. Woningen

Voor uitwegen op gemeentelijke grond(en) binnen de bebouwde kom bij woningen gelden de volgende uitgangspunten:

1Het deel van de uitweg op gemeentelijke grond(en) wordt na realisatie eigendom van de gemeente.

2Het beheer en onderhoud van het gedeelte van de verharding van de uitweg op gemeentelijke grond(en) komt ten laste van de gemeente. Dit beperkt zich tot de technische staat van de verharding, in deze met name vlakheid. Bij vrij in het groen gelegen uitwegen valt onder onderhoud niet het schoon houden van de verharding/onkruidbeheersing, dit is voor de aanvrager of de belanghebbende.

3De aanvrager staat toe dat de uitweg (gedeeltelijk) wordt opgebroken in verband met aanleg, reparatie of verwijderen van kabels en leidingen en onderhoud, reconstructie of vervanging van de weg. De uitweg wordt daarna kosteloos in oude staat hersteld.

6.1.2. Kavels en erven

Voor uitwegen op gemeentelijke grond(en) buiten de bebouwde kom bij kavels en erven gelden de volgende uitgangspunten:

1De aanvrager of eigenaar van het middels een uitweg te ontsluiten perceel wordt beheerder van de uitweg incl. het deel op gemeentelijke grond(en).

2De beheerder dient na aanleg zijn uitweg op gemeentelijke grond(en) goed te beheren, zorg te dragen voor een goed gebruik van de uitweg en schade aan de uitweg, de aansluitende terreinen (bermen) en wegen zoveel mogelijk te voorkomen.

3Het onderhoud van de uitweg op gemeentelijke grond(en) alsmede de eventuele verbreding met betonplaten aan de overzijde van de uitweg komt in eerste instantie ten laste van de beheerder en wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van de gemeente, e.e.a. in overleg met de gemeente.

4Indien schade aan de uitweg aantoonbaar of aanneembaar wordt veroorzaakt door doorgaand verkeer komt het onderhoud mede ten laste van de gemeente, e.e.a. in overleg met de gemeente.

5Indien de beheerder zijn uitweg op gemeentelijke grond(en) niet goed beheert, wordt dit hersteld door de gemeente op kosten van de beheerder.

6De beheerder staat toe dat de uitweg op gemeentelijke grond(en) (gedeeltelijk) wordt opgebroken in verband met aanleg, reparatie of verwijderen van kabels en leidingen en onderhoud, reconstructie of vervanging van de weg. De uitweg wordt daarna kosteloos in oude staat hersteld.

6.1.3. Bedrijven

Voor uitwegen op gemeentelijke grond(en) op bedrijventerreinen gelden de volgende uitgangspunten:

1De aanvrager of eigenaar van het middels een uitweg te ontsluiten perceel wordt beheerder van de uitweg incl. het deel op gemeentelijke grond(en).

2De beheerder dient na aanleg zijn uitweg op gemeentelijke grond(en) goed te beheren, zorg te dragen voor een goed gebruik van de uitweg en schade aan de uitweg, de aansluitende terreinen en wegen zoveel mogelijk te voorkomen.

3Het onderhoud van de uitweg op gemeentelijke grond(en) komt ten laste van de beheerder en wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van de gemeente.

4Indien de beheerder zijn uitweg op gemeentelijke grond(en) niet goed beheert, wordt dit hersteld door de gemeente op kosten van de beheerder.

5De beheerder staat toe dat de uitweg op gemeentelijke grond(en) (gedeeltelijk) wordt opgebroken in verband met aanleg, reparatie of verwijderen van kabels en leidingen en onderhoud, reconstructie of vervanging van de weg. De uitweg wordt daarna kosteloos in oude staat hersteld.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.