Aanhef
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen;
gelet op artikel 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat een bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen over de wijze waarop het een hem toekomende bevoegdheid uitoefent;
gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2024, waarin de kaders voor de uitvoering door het college zijn vastgelegd;
overwegende dat:
•het wenselijk is om transparant en voorspelbaar vast te leggen op welke wijze het college de hem toekomende bevoegdheden op grond van de Wmo 2015 toepast;
•deze beleidsregel algemene regels bevat, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten en de uitleg van wettelijke voorschriften bij de uitvoering van de Wmo 2015;
•het college overeenkomstig deze beleidsregel zal handelen, tenzij toepassing voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen doelen (artikel 4:84 Awb);
BESLUIT
Vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2026.
Hoofdstuk 4 De maatwerkvoorzieningen
4.1 Hulp bij het huishouden
4.1.1 Inleiding
Hulp bij het huishouden is in de gemeente Dongen een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 en is bedoeld voor inwoners die door beperkingen niet in staat zijn om zelfstandig te zorgen voor een schoon en leefbaar huis. Uitgangspunt is de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner en diens leefeenheid. Van hen wordt verwacht dat zij, binnen redelijke grenzen, zelf bijdragen aan het huishouden, onder meer door het inzetten van gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen. Indien deze mogelijkheden onvoldoende zijn, kan de gemeente Dongen hulp bij het huishouden inzetten als aanvulling, afgestemd op de individuele situatie en conform het maatwerkbeginsel.
4.1.2 Begrippen en afbakening
Begrip hulp bij het huishouden
De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) bevat geen afzonderlijke definitie van hulp bij het huishouden. Onder hulp bij het huishouden wordt verstaan: ondersteuning bij het voeren van een gestructureerd huishouden, gericht op het realiseren en behouden van een schoon en leefbaar huis.
Onder het voeren van een gestructureerd huishouden wordt in ieder geval begrepen:
•het schoon en op orde houden van de woning;
•het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding.
Tot de huishoudelijke werkzaamheden die in beginsel onder hulp bij het huishouden vallen, behoren het schoonmaken van de woning, wasverzorging (wassen, drogen, vouwen), het opmaken en verschonen van bedden, het opruimen van woonruimten, het verzorgen van huishoudelijk afval en eenvoudige maaltijdverzorging. Onder eenvoudige maaltijdverzorging wordt verstaan: het ondersteunen van cliënten bij het bereiden, opwarmen en klaarzetten van maaltijden.
De volgende activiteiten vallen in beginsel niet onder het overnemen van huishoudelijke taken:
•tuinonderhoud;
•incidentele of eenmalige klussen (zoals een grote schoonmaak), voor zover hiervoor passende, algemeen gebruikelijke of andere voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn;
•werkzaamheden die geen verband houden met de noodzakelijke schoon- en leefbaarheid van de woning of het beschikken over schoon beddengoed en kleding, zoals intensieve verzorging van huisdieren en kamerplanten;
•strijkenwerkzaamheden, voor zover dit niet noodzakelijk is voor zelfredzaamheid of participatie;
•administratieve, organiserende of begeleidende ondersteuning (zoals hulp bij geldbeheer, administratie, aanbrengen van dagstructuur); deze behoren – indien nodig – tot begeleiding en niet tot hulp bij het huishouden.
Kindzorg binnen hulp bij het huishouden
Onder kindzorg in het kader van de Wmo 2015 wordt verstaan: het overnemen van praktische, niet‑pedagogische zorgtaken voor minderjarige, gezonde kinderen in het huishouden, voor zover deze taken noodzakelijk zijn om een gestructureerd huishouden te kunnen voeren en de ouder door beperkingen niet in staat is deze zelf te verrichten, terwijl gebruikelijke hulp en het sociaal netwerk ontoereikend zijn.
Kindzorg in de zin van deze beleidsregels omvat uitsluitend praktische ondersteuning, zoals:
•hulp bij basale dagelijkse verzorging (zoals aankleden, broodmaaltijd verzorgen, naar bed brengen);
•toezicht passend bij de leeftijd;
•brengen en halen binnen de persoonlijke levenssfeer (bijvoorbeeld naar school of sport), voor zover dit niet door gebruikelijke hulp of algemene/kinderopvangvoorzieningen kan worden overgenomen.
Kindzorg op grond van de Wmo 2015 betreft geen jeugdhulp. Pedagogische ondersteuning, behandeling, begeleiding van jeugdigen en opvoedondersteuning vallen onder de Jeugdwet of, bij intensieve kindzorg, de Zorgverzekeringswet.
Indien uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van bovengebruikelijke zorg voor een kind met beperkingen, wordt beoordeeld of deze zorg (overwegend) onder de Jeugdwet, de Zvw of de Wlz valt. De Wmo‑kindzorg kan dan uitsluitend worden ingezet voor het huishoudelijke deel van de ondersteuning.
Het college stemt de inzet van kindzorg op grond van de Wmo 2015 af met voorzieningen op grond van andere wetten conform artikel 2.3.5, vijfde lid, Wmo 2015.
Afbakening Hulp bij het huishouden – hospice
Indien een cliënt zonder Wlz‑indicatie palliatief terminale zorg ontvangt in een hospice of in de thuissituatie, kan het college, indien voldaan is aan de voorwaarden van de Wmo 2015, een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden verstrekken. Het feit dat de zorgvraag naar verwachting kortdurend is, vormt geen afwijzingsgrond.
Ontvangt de cliënt palliatief terminale zorg in een hospice dat (deels) wordt bekostigd uit algemene middelen (bijvoorbeeld giften) en worden huishoudelijke werkzaamheden reeds door of via het hospice aangeboden, dan kan het college de aanvraag om hulp bij het huishouden afwijzen voor zover deze ondersteuning al door het hospice wordt geboden.
Indien de cliënt beschikt over een Wlz‑indicatie en palliatief terminale zorg ontvangt in een hospice of andere Wlz‑zorgsetting, valt hulp bij het huishouden onder de Wlz. Het college kan een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden weigeren op grond van artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015.
Algemene uitgangspunten
Eigen verantwoordelijkheid leefeenheid
De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het voeren van het huishouden. Hieronder wordt mede verstaan het verrichten van huishoudelijke taken die in redelijkheid van de leden van de leefeenheid mogen worden verwacht, alsmede het bevorderen en in stand houden van een verantwoorde en hygiënische huishouding. De inzet van huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015 is uitsluitend bedoeld als aanvulling op de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de leefeenheid.
Gebruikelijke hulp
Huishoudelijke werkzaamheden die naar algemeen aanvaarde normen kunnen worden verricht door andere leden van de leefeenheid worden aangemerkt als gebruikelijke hulp. Voor deze werkzaamheden wordt in beginsel geen maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning toegekend; het college onderzoekt in elk individueel geval of cliënten ondanks deze gebruikelijke hulp nog beperkingen ondervinden die een maatwerkvoorziening noodzakelijk maken.
In bepaalde situaties kan worden afgeweken van wat als gebruikelijke hulp van huisgenoten wordt verwacht. In die gevallen kan (tijdelijk) hulp bij het huishouden worden ingezet.
Indien aanwezige huisgenoten niet (meer) leerbaar zijn om huishoudelijke taken (verder) aan te leren. Dit wordt per individueel geval beoordeeld.
Ter voorkoming van crisis of ontwrichting in de verzorging en opvang van gezonde kinderen. Indien opvang van gezonde kinderen noodzakelijk is, wordt eerst een beroep gedaan op voorliggende voorzieningen (zoals kinderopvang, buitenschoolse opvang of het sociaal netwerk). Deze voorliggende voorzieningen hebben in beginsel een verplichtend karakter. Als dergelijke voorzieningen feitelijk niet beschikbaar of niet toegankelijk zijn, hetgeen de gemeente moet onderzoeken, kan tijdelijke inzet van hulp bij het huishouden noodzakelijk zijn.
Indien een huisgenoot van de zorgvrager vanwege werk fysiek afwezig is, kan dit invloed hebben op de vraag in hoeverre gebruikelijke hulp kan worden geleverd.
Wanneer een huisgenoot gedurende aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen afwezig is en deze afwezigheid een verplichtend karakter heeft en inherent is aan het werk (bijvoorbeeld offshore-werk, internationaal vrachtverkeer of werkzaamheden in het buitenland), wordt die periode in beginsel beoordeeld als een éénpersoonshuishouden. In die periode kan geen gebruikelijke hulp door de afwezige huisgenoot worden geleverd.
Bij afwezigheid van kortere duur of met een andere frequentie wordt steeds onderzocht in hoeverre de huisgenoot, gelet op de aard en planning van de werkzaamheden, feitelijk in staat is gebruikelijke hulp te bieden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen uitstelbare en niet‑uitstelbare taken, zoals nader uitgewerkt in deze beleidsregels.
Redenen als ‘niet gewend zijn om huishoudelijk werk te doen’ of ‘geen huishoudelijk werk willen verrichten’ leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Alleen objectieve beperkingen waardoor het huishouden niet (meer) kan worden gevoerd, kunnen aanleiding geven tot ondersteuning.
Wel kan er een tijdelijke indicatie worden gesteld voor maximaal 6 weken voor het aanleren van taken. Wanneer in redelijkheid kan worden verondersteld dat de huishoudelijke taken niet (meer) aan te leren zijn in verband met een gebrek aan leerbaarheid, dan kan huishoudelijke ondersteuning worden geïndiceerd voor huishoudelijke taken die anders tot de hulp zouden worden gerekend.
Gebruikelijke hulp en dreigende overbelasting
Gebruikelijke hulp is niet aan de orde indien bij de partner of andere huisgenoot sprake is van aantoonbare beperkingen of (dreigende) overbelasting waardoor de betreffende persoon redelijkerwijs de gebruikelijke taken niet (meer) kan verrichten.
Bij het vaststellen van (dreigende) overbelasting onderzoekt het college de verhouding tussen draagkracht en draaglast van ieder afzonderlijk lid van de leefeenheid. Daarbij betrekt het college in ieder geval:
•de lichamelijke en geestelijke conditie;
•de aard en omvang van zorgtaken (Wmo, Jeugdwet, Zvw, Wlz);
•de combinatie met betaalde arbeid of opleiding;
•overige relevante sociale, emotionele en relationele factoren.
-ndien (dreigende) overbelasting wordt gesteld of vermoed, vraagt het college – indien nodig – onafhankelijk medisch advies ter objectivering.
Indien uit het onderzoek blijkt dat van een huisgenoot geen of minder gebruikelijke hulp kan worden verwacht wegens (dreigende) overbelasting, houdt het college hier rekening mee bij de beoordeling van de noodzaak en omvang van hulp bij het huishouden. Zo nodig worden ook taken overgenomen die normaal tot de gebruikelijke hulp behoren. Een indicatie die enkel is gericht op het voorkomen of verminderen van overbelasting wordt in beginsel voor kortdurende duur (3–6 maanden) afgegeven, met een herbeoordelingsmoment.
Gebruikelijke hulp en bijdrage kinderen
Het college onderzoekt of en in hoeverre van inwonende kinderen gebruikelijke hulp bij het huishouden kan worden verwacht, rekening houdend met leeftijd, ontwikkelingsfase, onderwijsbelasting en psychosociaal functioneren.
Uitgangspunt is dat:
•van kinderen jonger dan 5 jaar geen bijdrage wordt verwacht;
•van kinderen van 5 tot en met 12 jaar lichte, eenvoudige taken worden verwacht (zoals opruimen, tafel dekken/afruimen, kleine boodschappen, was in de wasmand doen);
•van kinderen van 13 tot en met 17 jaar daarnaast ook zwaardere taken worden verwacht, passend bij hun mogelijkheden (zoals stofzuigen, bedden verschonen, volledige boodschappen doen);
•van alle huisgenoten van 18 jaar en ouder mag worden verwacht dat zij alle gebruikelijke huishoudelijke werkzaamheden kunnen uitvoeren, tenzij sprake is van aantoonbare beperkingen of (dreigende) overbelasting.
De bijdrage van kinderen wordt zo vormgegeven dat deze niet leidt tot overbelasting of een onevenredige belemmering van hun opleiding en gezonde ontwikkeling.
Indien uit het onderzoek blijkt dat van een kind (gedeeltelijk) niet kan worden verwacht dat het gebruikelijke hulp levert, wordt hiermee rekening gehouden bij de vaststelling van de benodigde maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden.
Regie/organisatie, advies/instructie/voorlichting
Het kan zijn dat een cliënt niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden. Als het zo is dat een hulp daardoor aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen of bijvoorbeeld door het gedrag van de cliënt extra tijd nodig heeft, dan kan hiervoor extra tijd geïndiceerd worden.
Advies-instructie-voorlichting heeft betrekking op het, op tijdelijke basis, aanleren van praktisch vaardigheden in het huishouden aan een cliënt. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen en een cliënt zelf wil kunnen bijdragen aan het huishouden, het schoonmaken, het leren koken van enkele basis-maaltijden, et cetera. Soms is het dan handig om de huishoudelijke hulp, die al langer bekend is, tijdelijk extra uren te geven. Dit is dus altijd tijdelijk en is te onderscheiden van de inzet van Wmo-begeleiding.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen
In het hoofdstuk 2.2.1 Algemeen gebruikelijke voorzieningen wordt een toelichting gegeven.
Het college beschouwt het (structureel) inkopen van hulp bij het huishouden niet als algemeen gebruikelijke voorziening. De kosten en het structurele karakter daarvan passen naar geldende maatschappelijke opvattingen niet in een normaal bestedingspatroon, ook niet voor een persoon met een inkomen op minimumniveau.
Bij de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte in het huishouden beschouwt het college in de regel onder meer de volgende voorzieningen als algemeen gebruikelijk, voor zover zij voldoen aan de vier genoemde criteria: boodschappendienst, maaltijdservice, klussendienst, tuinonderhoud, glazenwasser, kreuk-/strijkvrije kleding, hondenuitlaatservice, gastouderopvang en kinderopvang (incl. BSO). Het college toetst per type voorziening periodiek of deze naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen financieel gangbaar is.
Gemeenschappelijke ruimten
Indien personen zelfstandig samenwonen op één adres en gemeenschappelijke ruimten gebruiken, wordt verondersteld dat het aandeel in het schoonmaken van deze ruimten bij uitval van één van de leden wordt overgenomen door de overige leden van de leefeenheid, voor zover dit redelijkerwijs van hen kan worden verwacht gelet op hun leeftijd, gezondheid en belastbaarheid.
Maatwerk en individuele beoordeling
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt steeds uitgegaan van een individuele situatie, waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden, beperkingen en mogelijkheden van de zorgvrager en de overige leden van de leefeenheid, conform het maatwerkbeginsel zoals bedoeld in de Wmo 2015.
4.1.3. Omvang van de huishoudelijke ondersteuning
Omvang en ruimtes in de woning
Bij de vaststelling van de omvang van hulp bij het huishouden gaat het college uit van het realiseren en behouden van een schoon en leefbaar huis.
De grootte van de woning is op zichzelf geen reden voor meer of minder uren. Het college bepaalt de benodigde tijd op basis van:
•de bewoningsgraad van het huishouden en
•de aard van de woning (bijvoorbeeld appartement/seniorenwoning of eengezinswoning).
Het college sluit geen ruimten of taken op voorhand uit. Per individueel geval wordt beoordeeld welke ruimten en werkzaamheden noodzakelijk zijn om te komen tot een schoon en leefbaar huis.
Voor vakantiewoningen, tweede woningen en andere niet als hoofdverblijf gebruikte verblijven wordt in beginsel geen hulp bij het huishouden verstrekt.
Normenkader
Het college bepaalt per cliënt welke indicatie (in minuten per week) noodzakelijk is om de resultaten te bereiken. Het college past het meest actuele Normenkader huishoudelijke ondersteuning van bureau HHM toe om de omvang van de huishoudelijke ondersteuning te bepalen. Dat normenkader maakt integraal deel uit van deze beleidsregels. Het normenkader wordt als uitgangspunt gehanteerd. Indien toepassing van het normenkader, gelet op de individuele situatie en beperkingen van de cliënt, niet leidt tot een passende bijdrage in de zin van artikel 2.3.5 Wmo 2015, wijkt het college hiervan gemotiveerd af.
Het normenkader dat op dit moment actueel is, is te vinden op:
Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 - bureau HHM
4.2 Vervoer
4.2.1 Inleiding
De gemeente Dongen ondersteunt inwoners met een beperking bij het zich verplaatsen binnen de directe leefomgeving, zodat zij kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Vervoer is daarbij een middel en geen doel op zich.
Bij een vervoersvraag beoordeelt het college eerst in hoeverre de inwoner in de vervoersbehoefte kan voorzien op eigen kracht, met hulp van het sociale netwerk of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen en andere wettelijke voorzieningen (zoals Zvw, Wlz of Participatiewet). Pas wanneer deze mogelijkheden onvoldoende zijn om deelname aan het maatschappelijk leven te realiseren, kan een passende maatwerkvoorziening vervoer worden verstrekt.
De ondersteuning richt zich op noodzakelijke verplaatsingen binnen de lokale leefomgeving die in redelijkheid nodig zijn voor zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. De omvang van de voorziening is niet onbeperkt, maar afgestemd op de individuele vervoersbehoefte.
4.2.2 Afbakening andere wetten
Vervoer van en naar een zorgverlener of zorginstelling dat onder het ziekenvervoer van de Zorgverzekeringswet valt, wordt vergoed door de zorgverzekeraar. Als de cliënt aanspraak kan maken op zittend ziekenvervoer, wordt geen maatwerkvoorziening vervoer op grond van de Wmo verstrekt voor die ritten.
Bij cliënten met een Wlz‑indicatie kan het college een Wmo‑maatwerkvoorziening weigeren, omdat vervoer dan in beginsel onder de Wlz valt. Uitzonderingen voor hulpmiddelen en collectief vervoer worden beoordeeld conform de landelijke afbakeningskaders.
Vervoer van en naar jeugdhulp valt onder de Jeugdwet. Vervoer van en naar school valt – indien aan de voorwaarden is voldaan – onder het leerlingenvervoer op grond van de Verordening leerlingenvervoer. Voor deze vervoersdoelen wordt geen Wmo‑voorziening verstrekt.
Voor bovenregionaal sociaal‑recreatief vervoer is het landelijk systeem Valys aangewezen. Hiervoor bestaat geen Wmo‑compensatieplicht. Het college verwijst de cliënt naar Valys; lokaal/regiovervoer blijft een verantwoordelijkheid van de gemeente.
Voor vervoer dat samenhangt met werk, reintegratie, inburgering of scholing kan (mede) een beroep worden gedaan op voorzieningen vanuit werk en inkomen (Participatiewet/werkgever).
Het college onderzoekt deze mogelijkheden en stemt de Wmo‑ondersteuning daarop af.
4.2.3 Specifieke vervoersdoelen
Een maatwerkvoorziening voor vervoer heeft tot doel de cliënt zodanig te ondersteunen dat hij, ondanks zijn beperkingen, in redelijke mate kan deelnemen aan het leven van alledag. Daaronder wordt verstaan dat de cliënt mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen (aanvaardbare maatschappelijke participatie).
Bij het bepalen van de omvang van de vervoersvoorziening wordt uitgegaan van verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving tot maximaal 25 kilometer vanaf de woning, met een bandbreedte van 1.500 kilometer per jaar.
4.2.4 Collectief vervoer
Het collectief vraagafhankelijk vervoer (regiotaxi) is een maatwerkvoorziening voor inwoners met beperkingen die zich niet zelfstandig met het reguliere openbaar vervoer of eigen middelen kunnen verplaatsen binnen de lokale en regionale leefomgeving. Het gemeentelijk beleid is erop gericht om cliënten met deze voorziening in aanvaardbare mate te laten participeren (1.500 km per jaar, binnen een straal van 25 km vanaf de woning).
In aanvulling op de geldende regels rondom collectief vervoer hanteert het college een versneld beleid voor inwoners vanaf 80 jaar. Bij een melding van een inwoner die de leeftijd van 80 jaar heeft bereikt en woonachtig is in de gemeente Dongen, vindt door een medewerker van Team Toegang een verkort onderzoek plaats naar de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en de mogelijkheden om zich zelfstandig te verplaatsen. Daarbij wordt beoordeeld of het gebruik van collectief vervoer, gelet op de persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden van de inwoner, als passende ondersteuning noodzakelijk is. Een uitgebreid onderzoek door een Wmo-consulent is hierbij in beginsel niet noodzakelijk. Indien uit het verkorte onderzoek blijkt dat de inwoner niet in aanmerking komt voor collectief vervoer, kan de melding (op verzoek van inwoner) worden geregistreerd op de wachtlijst voor een nader onderzoek door een Wmo-consulent.
Deze 80+‑regeling laat onverlet dat:
•inwoners jonger dan 80 jaar in aanmerking kunnen komen voor collectief vervoer op grond van hun beperkingen; en
•het college het recht behoudt om in individuele gevallen af te wijken van de 80+‑regeling, indien uit onderzoek blijkt dat collectief vervoer geen passende of noodzakelijke bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie van de betrokkene.
De gebruiksvoorwaarden, het vervoersgebied en de overige bepalingen uit de Verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen blijven onverkort van toepassing op gebruikers die op grond van deze paragraaf toegang krijgen tot het collectief vervoer.
4.2.5 Individuele vervoersvoorzieningen
Een cliënt kan voor een individuele vervoersvoorziening in aanmerking komen indien:
•hij beperkingen heeft waardoor hij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg, sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen (waaronder collectief vervoer) voldoende kan participeren;
•uit het onderzoek blijkt dat collectief vervoer (regiotaxi) voor deze cliënt geen passende of toereikende oplossing is.
Een individuele vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt als gemotiveerd is dat collectief vervoer, al dan niet in combinatie met andere voorzieningen, de vervoersbehoefte niet voldoende compenseert.
Scootmobiel
Een scootmobiel is een gehandicaptenvoertuig bedoeld voor verplaatsingen over de korte en middellange afstand. De voorziening is gericht op het mogelijk maken van lokaal en regionaal vervoer, als aanvulling op andere vervoersmogelijkheden, zodat de cliënt in aanvaardbare mate kan participeren.
Een scootmobiel kan als maatwerkvoorziening worden verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat:
•de cliënt vanwege beperkingen niet (meer) in staat is zich over korte/middellange afstanden zelfstandig te verplaatsen;
•het openbaar vervoer, lopen, fiets of andere (algemene of algemene gebruikelijke) voorzieningen onvoldoende zijn; en
•collectief vervoer (regiotaxi) alleen niet toereikend of niet passend is om de vervoersbehoefte te compenseren.
Bij de beoordeling van de noodzaak van een scootmobiel hanteert het college als indicator dat de cliënt niet in staat is om, al dan niet met loophulpmiddel, ongeveer 100 meter aaneengesloten te lopen.
De genoemde loopafstand geldt niet als absolute voorwaarde. Het college beoordeelt steeds de individuele omstandigheden van de cliënt, waaronder de medische belastbaarheid, de frequentie van het noodzakelijke vervoer en de aard van de maatschappelijke participatie. Het college kan, indien dit voor een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie noodzakelijk is, van de genoemde loopafstand afwijken. Bij de beoordeling wordt tevens betrokken of het gebruik van een scootmobiel geen anti‑revaliderend effect heeft.
De medische noodzaak wordt vastgesteld op basis van objectieve medische informatie.
De cliënt moet in staat zijn de scootmobiel veilig te bedienen. Bij risico’s (bijvoorbeeld door alcohol- of medicijngebruik) wordt beoordeeld of veilig gebruik mogelijk is, eventueel met aanvullende voorwaarden (zoals training)
Voor verstrekking is vereist dat een geschikte stallingsruimte beschikbaar is of kan worden gerealiseerd, die overdekt en afsluitbaar is, voldoende geventileerd (bij natte accu’s) en beschikt over een veilige oplaadmogelijkheid.
Het college onderzoekt eerst of in of bij de woning van cliënt een bruikbare stalling aanwezig is of met eenvoudige middelen kan worden gerealiseerd (eigen kracht/herinrichting).
Indien dat niet mogelijk is en de scootmobiel de goedkoopst compenserende voorziening is, zorgt het college voor een passende stallingsvoorziening (bouw/aanpassing/huur), voor zover dat de goedkoopst compenserende oplossing is.
Brandveiligheid en regels van verhuurder/VvE worden altijd meegewogen.
De gemeente verstrekt in beginsel een scootmobiel met een standaard accu/actieradius die past binnen gebruikelijke marktstandaarden (bijvoorbeeld 25–35 km). Een grotere accu is in beginsel een wens en geen recht, tenzij de noodzaak objectief wordt aangetoond.
Een grotere accu of extra grote actieradius wordt alleen verstrekt als uit zorgvuldig onderzoek (incl. medische en praktische onderbouwing) blijkt dat: de cliënt met de standaardactieradius niet voldoende kan deelnemen aan het leven van alledag, én deze behoefte niet op een andere, goedkoper compenserende manier kan worden opgelost (bijvoorbeeld combinatie met regiotaxi/andere vervoersvoorzieningen).
Driewielfiets
Het college kan een driewielfiets als individuele vervoersvoorziening verstrekken aan cliënten die door hun lichamelijke beperking niet (meer) veilig kunnen fietsen op een reguliere fiets, maar voor wie fietsen in de directe woonomgeving een passende bijdrage levert aan hun zelfredzaamheid en participatie.
Een inwoner komt alleen in aanmerking voor een driewielfiets indien:
sprake is van aantoonbare balans- of andere fysieke problemen waardoor een gewone (al dan niet elektrische) fiets niet (meer) veilig of verantwoord gebruikt kan worden; en
het gebruik van de driewielfiets gericht is op lokaal vervoer in de leefomgeving (bijvoorbeeld boodschappen doen, bezoek aan familie/vrienden, verenigings‑ of andere maatschappelijke activiteiten).
Een driewielfiets wordt niet verstrekt als deze uitsluitend nodig is voor een therapeutisch/medisch trainingsdoel, omdat daarmee de beperkingen in zelfredzaamheid en participatie niet worden gecompenseerd.
De driewielfiets wordt beoordeeld in samenhang met andere vervoersvoorzieningen. Indien collectief vervoer of andere, goedkopere voorzieningen de vervoersbeperkingen al voldoende compenseren, wordt geen driewielfiets verstrekt.
De cliënt is in beginsel zelf verantwoordelijk voor het (doen) realiseren van geschikte stallingsmogelijkheden voor de driewielfiets. Stalling van een (driewiel)fiets wordt in het algemeen als een voor cliënten gebruikelijke voorziening beschouwd.
-Autoaanpassing
Een auto‑aanpassing is een maatwerkvoorziening in de vorm van specifieke, niet‑algemeen gebruikelijke voorzieningen aan een (eigen) auto, die noodzakelijk zijn zodat de cliënt de auto kan gebruiken voor lokaal en regionaal vervoer ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie.
Autoaanpassingen kunnen worden verstrekt als uit het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015 blijkt dat:
•de cliënt zonder aanpassingen geen of onvoldoende gebruik kan maken van de auto; en
•het collectief vervoer en andere (algemene of algemeen gebruikelijke) vervoersvoorzieningen, al dan niet in combinatie, geen passende en goedkoopst compenserende oplossing bieden.
Bij auto‑aanpassingen gaat het uitsluitend om voorzieningen die specifiek bestemd zijn voor personen met een beperking en die de gebruikelijke uitvoering van een auto overstijgen (bijvoorbeeld handbediening, aangepaste stoel, oprijvoorziening). Voorzieningen als stuurbekrachtiging, automatische versnellingsbak of cruise control worden als algemeen gebruikelijk aangemerkt en komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Bij de beoordeling wordt betrokken:
•de technische staat en leeftijd van de auto;
•de verwachting dat de auto na aanpassing nog minimaal 5 jaar veilig kan worden gebruikt (redelijke levensduurtermijn).
Het is redelijk dat de cliënt aantoont dat de auto de investering waard is (bijvoorbeeld via recente APK/waardebepaling).
Ook kan als richtlijn worden gebruikt:
•Leeftijd van de auto;
•Kilometerstand;
•Onderhoudstoestand en -historie
De gemeente Dongen gaat uit van een afschrijvingstermijn van 5 jaar voor autoaanpassingen. Wanneer er sprake is van uitval van de auto binnen 5 jaar, vindt er altijd een nieuw Wmo‑onderzoek plaats (artikel 2.3.2 Wmo 2015; onderzoek naar vervoersbehoefte, alternatieven en goedkoopst passende voorziening). In beginsel wordt een hernieuwde verstrekking van autoaanpassingen binnen 5 jaar geweigerd als:
•de eerdere aanpassing nog niet is afgeschreven én
•het verlies van de auto aan de cliënt is toe te rekenen of de aanpassing nog bruikbaar/verplaatsbaar is;
•dat het college kan afwijken bij onvoorziene, niet‑verwijtbare omstandigheden.
4.2.6 Weigeringsgronden en uitzonderingen
Het college past de bestaande in de verordening en Wmo 2015 genoemde weigeringsgronden toe op de vervoersvoorzieningen.
4.5. Hulpmiddelen
4.5.1 Rolstoelvoorzieningen
-Begripsbepaling
Een rolstoelvoorziening is een maatwerkvoorziening in de zin van de Wmo 2015, gericht op het zittend of liggend verplaatsen in en om de woning, teneinde beperkingen in de algemeen dagelijkse levensverrichtingen en/of het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer te compenseren.
Een rolstoel wordt slechts overwogen indien het verplaatsingsprobleem niet kan worden opgelost met loophulpmiddelen of andere hulpmiddelen uit de Zorgverzekeringswet.
-Categorieën
Het college onderscheidt de volgende rolstoelvoorzieningen:
•handmatig voortbewogen rolstoel;
•elektrisch voortbewogen rolstoel;
•aanpassingen aan een rolstoel.
De keuze voor type voorziening volgt steeds uit het individuele onderzoek naar de beperkingen en mogelijkheden van de cliënt.
a.handmatig voortbewogen rolstoel
Een handbewogen rolstoel is een rolstoelvoorziening in de zin van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2024 en wordt onderscheiden van de elektrisch voortbewogen rolstoel en van vervoersvoorzieningen.
De handbewogen rolstoel is in beginsel bedoeld voor dagelijks gebruik in en om de woning; voor incidenteel of kortdurend gebruik kan de cliënt gebruikmaken van de uitleenservice.
Bij de keuze van de goedkoopst compenserende handbewogen rolstoel betrekt het college ten minste: het beoogde gebruik (frequentie, duur en omgeving), de voortbewegingsmogelijkheden van de cliënt (arm-/handfunctie, rompbalans, uithoudingsvermogen), de zithouding, lichaamsmaten en de noodzakelijke aanpassingen.
•elektrisch voortbewogen rolstoel
Een elektrische rolstoel is een rolstoelvoorziening in de zin van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2024 en wordt onderscheiden van vervoersvoorzieningen zoals de scootmobiel.
Het college kan een elektrische rolstoel verstrekken aan een cliënt voor wie een handbewogen rolstoel of trippelstoel, gelet op kracht, uithoudingsvermogen en functiebeperkingen, geen adequate oplossing biedt om zich in en om de woning te verplaatsen.
Elektrische rolstoelen worden onderscheiden in:
•elektrische rolstoel voor binnengebruik;
•elektrische rolstoel voor binnen‑ en buitengebruik;
•elektrische rolstoel voor buitengebruik.
De keuze sluit aan bij het gebruiksgebied en de activiteiten van de cliënt.
Bij de selectie van de goedkoopst compenserende elektrische rolstoel wordt ten minste gekeken naar: gebruik (frequentie, duur en doel), gebruiksgebied, aandrijving en besturing, zithouding, meeneembaarheid en lichaamsmaten.
Individueel noodzakelijke aanpassingen (adaptaties) aan de elektrische rolstoel maken onderdeel uit van de maatwerkvoorziening, voor zover deze nodig zijn om de voorziening adequaat te laten zijn.
c.aanpassingen aan een rolstoel
Onder aanpassingen worden verstaan extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar die noodzakelijk zijn voor een adequate, veilige en doelmatige ondersteuning. Accessoires die alleen comfort of gemak verhogen, worden in beginsel niet vergoed.
-Kortdurend gebruik en Wlz
Bij kortdurend of incidenteel gebruik wordt in beginsel verwezen naar de uitleenservice via de Zorgverzekeringswet.
De afbakening met de Wlz wordt beoordeeld conform artikel 2.3.5 lid 6 en artikel 8.6a Wmo 2015 (rolstoelen voor bepaalde Wlz‑gerechtigden).
-Verwijtbare schade aan hulpmiddelen
1Het college verbindt aan besluiten tot verstrekking van hulpmiddelen in natura de voorwaarde dat de cliënt:
a.het hulpmiddel gebruikt overeenkomstig de bestemming en de gebruiksaanwijzing;
b.zorgvuldig omgaat met het hulpmiddel;
c.beschadiging, verlies of diefstal onverwijld aan het college of de leverancier meldt.
2Schade aan een hulpmiddel die het gevolg is van opzet, grove nalatigheid of oneigenlijk gebruik door de cliënt of diens huisgenoten wordt door het college aangemerkt als:
a.het niet voldoen aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel d, Wmo 2015 en artikel 18, derde lid, onderdeel 5, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2024; en/of
b.het niet of voor een ander doel gebruiken van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel e, Wmo 2015 en artikel 18, derde lid, onderdeel 6, van die Verordening.
In deze gevallen kan het college besluiten de maatwerkvoorziening te herzien of in te trekken, met inachtneming van artikel 2.3.10 Wmo 2015 en artikel 18 van de Verordening.
4.5.2 Sportvoorziening
-Begripsbepaling
Onder een sportvoorziening wordt verstaan: een hulpmiddel of aanpassing, niet zijnde een algemeen gebruikelijke voorziening, dat noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen een sport te beoefenen, waarmee hij kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.
-Voorwaarden
Het college kan een sportvoorziening als maatwerkvoorziening verstrekken indien:
a.de cliënt beperkingen ondervindt bij participatie als bedoeld in art. 2.3.5 Wmo 2015;
b.de cliënt zonder sportvoorziening niet of niet in aanvaardbare mate kan deelnemen aan sportbeoefening die bijdraagt aan maatschappelijke participatie;
c.de sportvoorziening niet algemeen gebruikelijk is en de cliënt het participatieprobleem niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kan oplossen;
d.de kosten van de sportvoorziening aanzienlijk hoger zijn dan de kosten die een persoon zonder beperking voor dezelfde of vergelijkbare sport heeft;
e.de cliënt aannemelijk maakt dat sprake is van actieve sportbeoefening.
-Afbakening
Geen voorziening wordt verstrekt:
a.voor sporten op (sub)topniveau;
b.indien de voorziening uitsluitend een therapeutisch doel dient (bijvoorbeeld “meer bewegen” op advies fysiotherapeut);
c.indien met een algemeen gebruikelijke of eenvoudiger voorziening (bijvoorbeeld reguliere e‑bike) of met inzet van vrijwilligers/aanwezig personeel bij de sportaanbieder een passende bijdrage kan worden geleverd.
4.6. Woonvoorzieningen
4.6.1 Inleiding
De woonvoorzieningen binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn erop gericht om inwoners met beperkingen in staat te stellen hun woning op een veilige en functionele wijze te gebruiken, zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen en participeren in de samenleving.
Een woonvoorziening kan bestaan uit een roerende voorziening of een woningaanpassing en wordt uitsluitend verstrekt indien deze noodzakelijk is ter compensatie van beperkingen bij het normale gebruik van de woning. Daarbij wordt uitgegaan van de elementaire woonfuncties die voor het dagelijks leven noodzakelijk zijn.
4.6.2 Afbakening
Onder normaal gebruik van de woning wordt verstaan: het kunnen slapen, zich kunnen wassen, gebruik kunnen maken van het toilet, het bereiden en gebruiken van maaltijden en zich kunnen verplaatsen in de woning; voor kinderen komt daar veilig kunnen spelen bij. Hobby-, studie- en therapieruimten vallen hier niet onder.
De cliënt moet zijn hoofdverblijf hebben of gaan hebben in de woning; voor andere woonruimten kunnen alleen in uitzonderingsgevallen voorzieningen voor ‘bezoekbaar maken’ worden verstrekt.
4.6.3 Bouw- en veiligheidsregels bij woonvoorzieningen
•Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening uitsluitend indien de beoogde voorziening bouwkundig en technisch realiseerbaar is in de betreffende woning.
•Woonvoorzieningen worden slechts gerealiseerd indien zij voldoen aan alle toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de algemene bouw- en veiligheidsvoorschriften (zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving en eventueel vereiste omgevingsvergunningen), brandveiligheidsvoorschriften en de geldende eisen van constructieve veiligheid en toegankelijkheid.
•Het college beoordeelt vooraf of de voorgestelde woonvoorziening veilig, doeltreffend en geschikt is voor het beoogde gebruik. Indien nodig wint het college deskundig (bouwkundig) advies in.
•Voor woonvoorzieningen die worden gerealiseerd met een persoonsgebonden budget geldt dat de cliënt verplicht is een voorziening te (laten) realiseren die voldoet aan de in dit artikel genoemde eisen. Het college kan het pgb weigeren of aanpassen indien de beoogde voorziening naar het oordeel van het college niet veilig, niet doelmatig of niet geschikt is.
•Voor technische voorzieningen zoals trapliften en woonhuisliften geldt dat deze moeten worden geleverd, geplaatst en onderhouden door ter zake kundige en (indien vereist) gecertificeerde leveranciers. Het college draagt bij voorzieningen in natura zorg voor noodzakelijk onderhoud, reparatie en periodieke keuring.
•De kosten van voor de woonvoorziening noodzakelijke omgevingsvergunning(en) en de bijbehorende leges worden tot de maatwerkvoorziening gerekend.
4.6.4 Voorzieningen in algemene ruimten van wooncomplexen
Deze beleidsregel ziet op het verstrekken van maatwerkvoorzieningen die betrekking hebben op de algemene ruimten van wooncomplexen, zoals entrees, portieken, galerijen, gezamenlijke hallen en gangen.
Het college verstrekt uitsluitend individuele maatwerkvoorzieningen aan de cliënt. Aanvragen door verhuurders, VvE’s of andere rechtspersonen worden niet in behandeling genomen.
Een voorziening in een algemene ruimte wordt alleen verstrekt als:
•Deze noodzakelijk is voor het bereiken of gebruiken van de woning, en
•Geen passende algemeen gebruikelijke of andere oplossing beschikbaar is, en
•Verhuizen naar een geschikte woning geen reëel of geen goedkoopst compenserend alternatief is.
Dat andere bewoners de voorziening mede kunnen gebruiken, doet niet af aan het individuele karakter van de maatwerkvoorziening.
Voorzieningen die naar hun aard tot de basisuitrusting van een (doelgroep)gebouw behoren (bijvoorbeeld een goed toegankelijke entree, lift, voldoende brede doorgangen) worden in beginsel als verantwoordelijkheid van de eigenaar beschouwd.
Het college kan deze voorzieningen in beginsel weigeren, mits in het individuele geval nog steeds sprake is van adequate compensatie (bijvoorbeeld via verhuizing of een andere maatwerkvoorziening).
Voordat een voorziening in of aan een algemene ruimte wordt getroffen, hoort het college de eigenaar/VvE. In het besluit legt het college vast wie verantwoordelijk is voor beheer, onderhoud, vervanging en eventuele verwijdering van de voorziening.
4.6.5 Weigeringsgronden
•Geen woonvoorziening wordt verstrekt als en voor zover de beperking kan worden gecompenseerd via de Wlz (verblijf), Zvw of Jeugdwet; voor thuiswonende Wlz-gerechtigden blijft de gemeente wél verantwoordelijk voor hulpmiddelen en woningaanpassingen (art. 8.6a Wmo 2015).
•Als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;
•Ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;
•Als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte.
•Voor woningen die speciaal bedoeld zijn voor een bepaalde doelgroep, is de eigenaar er verantwoordelijk voor dat de ruimten geschiktheid zijn voor de doelgroep. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;
•Als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;
•Als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;
•Indien de woning zodanig gebrekkig is of zodanig niet voldoet aan de geldende bouw- of veiligheidsvoorschriften, dat het treffen van een woonvoorziening niet doelmatig is.
•Als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. Het college onderzoekt feitelijk welke meerkosten dit zijn;
4.6.6 Alternatieve compensatie bij weigeringsgrond
Indien het college een aanvraag voor een woonvoorziening afwijst op grond van artikel 9 lid 5 van de Verordening, onderzoekt het college steeds of met een andere maatwerkvoorziening alsnog een passende bijdrage kan worden geleverd aan het realiseren van een situatie waarin cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is.
Als mogelijke alternatieven onderzoekt het college in ieder geval:
a.een voorziening voor verhuizing en inrichting (verhuiskostenvergoeding);
b.het (doen) betrekken van een meer geschikte woning;
c.andere, minder ingrijpende woonvoorzieningen die wel toegestaan zijn (bijvoorbeeld binnen de woning in plaats van in de gemeenschappelijke ruimte).
Indien geen alternatieve maatwerkvoorziening wordt verstrekt, motiveert het college in het besluit uitdrukkelijk waarom geen andere voorziening een passende bijdrage kan leveren en waarom toepassing van de hardheidsclausule niet aan de orde is.
4.6.7 Duur
Materiële woonvoorzieningen die in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt, worden in beginsel toegekend voor een periode van zeven jaar. Deze periode sluit aan bij de gebruikelijke economische afschrijvingstermijn en wordt in de beschikking vastgelegd.
Indien uit objectieve gegevens (zoals informatie van leverancier/fabrikant of branchegegevens) blijkt dat een specifieke woonvoorziening een langere economische afschrijvingstermijn heeft, kan het college, na individueel onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015, een langere duur vaststellen.
Het college onderbouwt in het besluit de gekozen duur aan de hand van:
a.de technische/ economische levensduur van de voorziening; en
b.de naar verwachting langdurige noodzakelijkheid voor de cliënt.
Het feit dat de afschrijvingstermijn nog niet is verstreken sluit een nieuwe voorziening in beginsel uit, tenzij:
a.de eerdere voorziening buiten toedoen van de cliënt verloren is gegaan, of
b.uit heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 Wmo 2015 blijkt dat de voorziening niet meer passend of toereikend is. In dat geval beoordeelt het college opnieuw de noodzaak van een (nieuwe) voorziening.
4.6.8 Eigendom en toestemming
•Indien het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing verstrekt in een woning waarvan de cliënt niet de eigenaar is, is het college of de cliënt bevoegd de woningaanpassing zonder toestemming van de eigenaar aan te (doen) brengen, conform artikel 2.3.7 Wmo 2015.
•Bij woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimten van koopappartementen is toestemming van de VvE vereist. Indien de VvE geen toestemming geeft, wijst het college de cliënt op de mogelijkheid om vervangende toestemming te vragen bij de kantonrechter (artikel 5:121 BW).
•Roerende woonvoorzieningen in natura, zoals trapliften in bruikleen en losse tilliften, blijven in eigendom van of namens de gemeente. Het college draagt zorg voor noodzakelijk onderhoud, keuring en reparatie.
•Bouwkundige woningaanpassingen worden onderdeel van de woning en zijn in eigendom van de woningeigenaar. Bij beëindiging van het gebruik van de woning is het college niet gehouden de aanpassing te verwijderen, tenzij in de beschikking uitdrukkelijk anders is bepaald.
4.6.9 Bezoekbaar maken van een woning
Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan: het treffen van voorzieningen waardoor de cliënt toegang heeft tot de woning, gebruik kan maken van één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en van het toilet.
Er worden geen voorzieningen verstrekt die zijn gericht op logeren of op het realiseren van elementaire woonfuncties buiten de eigen hoofdverblijfwoning.
Indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz‑instelling, kan het college één woning binnen de gemeente Dongen waar de cliënt regelmatig op bezoek komt, bezoekbaar maken.
Indien een kind met een beperking thuis woont in een (reeds) aangepaste woning en de ouders gescheiden zijn, kan het college de woning van de ouder waar het kind op bezoek komt, bezoekbaar maken.
Het college onderzoekt steeds of het bezoekbaar maken noodzakelijk is om in aanvaardbare mate te participeren, mede in het licht van eventuele mogelijkheden dat naasten de cliënt bezoeken of elders ontmoeten.
4.6.10 Primaat van verhuizen
Het college hanteert bij grote woningaanpassingen het primaat van verhuizen. Dit betekent dat een voorziening voor verhuizing en inrichting (verhuiskostenvergoeding) voorrang heeft op het aanpassen van de huidige woning, als verhuizen de goedkoopst compenserende oplossing is en een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt.
Bij de toepassing van het primaat van verhuizen verricht het college een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015. Dit onderzoek omvat in ieder geval:
•de beperkingen van cliënt;
•de bouw- en woontechnische kenmerken van de huidige woning;
•de aanwezigheid en beschikbaarheid van passende of eenvoudig aanpasbare woningen binnen medisch aanvaardbare termijn;
•een integrale kostenvergelijking tussen woningaanpassing en verhuizen (inclusief eventuele aanpassing nieuwe woning en huurderving);
•de relevante individuele omstandigheden, waaronder sociale omstandigheden, mantelzorg, werksituatie, woonlasten, wooncomfort, de huurder/ eigenaarssituatie en de bereidheid van cliënt om te verhuizen.
Van een grote woningaanpassing is sprake als de geraamde aanpassingskosten de in het Besluit vastgestelde primaatgrens overschrijden.
Het college kan op grond van artikel 4:84 Awb afwijken van dit uitgangspunt als dit, gelet op de individuele omstandigheden, tot onevenredige gevolgen zou leiden (zwaarwegende omstandigheden zoals zeer hoge woonlastenstijging, verlies van essentieel mantelzorgnetwerk, medische/psychische contra‑indicatie, geringe kostenverschillen).
4.7. Begeleiding en dagopvang
Onder begeleiding wordt verstaan: ondersteuning bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur en regie in het persoonlijk leven.
Onder dagopvang wordt verstaan: het bieden van een zinvolle en/of prettige daginvulling in groepsverband aan inwoners die wegens een ziekte, beperking of hoge leeftijd aangewezen zijn op professionele dagopvang en die deze ondersteuning op andere wijze kunnen verkrijgen.
Als uitzondering op artikel 3.2, 3.3 en 3.4 wanneer de maatwerkvoorziening Wmo begeleiding of dagopvang betreft en de inwoner kiest voor ZiN:
•Stelt de consulent/toegangsmedewerker/dorpsteam na het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 vast of eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, sociaal netwerk, algemene en andere voorzieningen ontoereikend zijn en een maatwerkvoorziening noodzakelijk is;
•Legt de consulent/toegangsmedewerker deze beslissing vast in een besluit van het college (DAT-besluit) waarin wordt bepaald dat de cliënt in aanmerking komt voor begeleiding en/of dagopvang en wordt verwezen naar het samenwerkingsverband.
Na het DAT-besluit vindt een gesprek plaats tussen cliënt en een contactpersoon van het samenwerkingsverband. In een ondersteuningsplan worden per relevant leefdomein de huidige situatie, de doelen en de te behalen resultaten beschreven.
Op basis van deze doelen en resultaten bepaalt het samenwerkingsverband, namens het college en binnen het mandaat als bedoeld in artikel 2.6.3 van de Wmo 2015, de aard en omvang van de ondersteuning.
Het door het samenwerkingsverband en de cliënt ondertekende ondersteuningsplan geldt als beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb en artikel 2.3.5 van de Wmo 2015.
Bijlage 1 Gebruikelijke zorg in relatie tot begeleiding
Gebruikelijke hulp in relatie tot Begeleiding
In het kader van de Wmo wordt onderzocht wat de partner, ouders, inwonende kinderen, inwonende ouders of andere huisgenoten van de inwoner kunnen bijdragen aan het wegnemen of verminderen van het participatie- of zelfredzaamheidsprobleem. Dit sluit aan bij wat in de samenleving gebruikelijk is, namelijk dat mensen die als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren, elkaar in voorkomend geval helpen.
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid verwacht mag worden van genoemde personen. Vanwege het feit dat voor gebruikelijke hulp in de regel geen ondersteuning wordt verleend, kan dit betekenen dat genoemde personen gehouden zijn de hulp te verstrekken. Het bieden van de hulp is niet vrijblijvend.
In deze bijlage wordt een aantal afwegingen gemaakt voor wat betreft de afbakening van gebruikelijke hulp. Dat laat onverlet dat in iedere individuele situatie een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de inwoner en diens huisgenoten.
Bij de beoordeling van wat tot gebruikelijke hulp behoort wordt niet sec een vergelijking gemaakt tussen een ondersteuningsbehoeftige inwoner en een vergelijkbaar persoon zonder beperking. Om te beoordelen wat tot gebruikelijke hulp behoort wordt een redelijkheidstoets gedaan en dat gaat verder dan alleen de vraag of de geboden ondersteuning als ‘normaal’ of ‘gangbaar’ betiteld kan worden.
Aard van de relatie
Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers, huisgenoten hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het is gebruikelijk dat mensen die een woning delen elkaar helpen en ondersteuning bieden. Wel moet er rekening gehouden worden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de inwoner. Ook de verstandhouding tussen de huisgenoten speelt een belangrijke rol. Indien sprake is van een verstoorde relatie kan het afdwingen van gebruikelijke hulp onwenselijk en ondoelmatig zijn.
Ouders aan jongvolwassenen
In Nederland loopt het ouderlijk gezag over kinderen door tot de leeftijd van 18 jaar. Ondanks dat de jongeren na hun 18e juridisch meerderjarig zijn is hun emotionele- en hersenontwikkeling vaak nog lang niet voltooid. Een ‘harde knip’ vanaf het 18e levensjaar ten aanzien van het ouderschap is dan ook niet wenselijk. Er bestaan verschillen tussen jongeren in dezelfde leeftijdscategorie. Daar waar het ene kind vanaf het 18e levensjaar in staat is zelfstandig te wonen en financieel onafhankelijk is, wordt het andere kind tot na het 23ste levensjaar begeleid door de ouders. Bij de beoordeling van wat tot gebruikelijke hulp van ouders voor hun kinderen behoort, past een zekere marge. Ook bij jongeren zonder beperking kan de hulp die de ene jongere nodig heeft nu eenmaal meer of minder zijn dan de hulp die de andere jongere nodig heeft.
De aard van de begeleiding kan gericht zijn op het aanleren van vaardigheden of op de overname van taken en activiteiten. Bij de opvoeding hoort het zelfstandig maken van de jongere. Dat betekent dat taken die een ouder voor de jongere uitvoert, uiteindelijk geleerd moeten worden aan de jongere. De snelheid waarmee dit gebeurt is afhankelijk van de leerbaarheid van de jongere en van de didactische vaardigheden van de ouder. Als blijkt dat het aanleren van vaardigheden niet tot de mogelijkheden behoort dan is het blijvend overnemen van deze taken door de ouder voorliggend en wordt (voor een groot deel) aangemerkt als gebruikelijke hulp.
De verstandhouding tussen de jongere en de ouder kan tijdens de puberteit veranderen. De zoektocht naar autonomie van de jongere kan leiden tot conflicten met ouders. De rollen binnen het gezin veranderen. Indien de relatie op gespannen voet staat kan het afdwingen van gebruikelijke hulp onwenselijk en ondoelmatig zijn. Het inschakelen van professionele ondersteuning kan dan een goede mogelijkheid en alternatief zijn.
Partners
Als uitgangspunt geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer; de onderhoudsplicht. Bij een verstoorde relatie kan het afdwingen van gebruikelijke hulp echter onwenselijk zijn.
Belastende factoren
De aanwezigheid van zogenaamde belastende factoren kan maken dat de geboden ondersteuning niet meer gebruikelijk te noemen is. Factoren die hierop van invloed zijn, zijn de aard van de ondersteuning, de totale omvang van de ondersteuning, de frequentie waarop deze ondersteuning geboden moet worden, de mogelijkheid om deze ondersteuning al dan niet te plannen, de mate van uitstelbaarheid en of sprake is van een kortdurende of langdurende ondersteuningsbehoefte. Ook de mate waarin de ondersteuningsbehoefte samenhangt met de beperking van de inwoner is van belang voor het bepalen van de gebruikelijke hulp. Bijvoorbeeld het ondersteunen bij de toiletgang van een gezinslid met een gebroken been is gebruikelijke hulp. Maar de persoonlijke verzorging van een volwassen gezinslid met blijvende zware incontinentieproblemen is niet gebruikelijk. Dit kan echter wel onder mantelzorg vallen.
Indien de ondersteuningshandeling op zich niet gebruikelijk is, maar deze vervangt een andere vorm van ondersteuning die wel gebruikelijk is binnen de leefeenheid, dan wordt dit gezien als gebruikelijke ondersteuning. Een voorbeeld is het klaarmaken van sondevoeding. Het bereiden van sondevoeding is niet gebruikelijk maar het bereiden van de maaltijd voor het de hele leefeenheid wel. Omdat de ene taak/activiteit de andere vervangt, wordt deze gezien als gebruikelijk.
De aard van de ondersteuning kan op verschillende niveaus plaatsvinden. Het niveau is van invloed op het al dan niet gebruikelijk zijn van de geboden ondersteuning. Denk hierbij aan:
•Het overnemen van taken/activiteiten;
•Het aanleren van vaardigheden voor het uitvoeren van taken/activiteiten;
•Hulp/ondersteuning bij het uitvoeren van taken/activiteiten;
•Aansturen/initiëren op het uitvoeren van taken/activiteiten;
•Controleren/toezicht of de taken/activiteiten zijn uitgevoerd.
Zo zal het aanleren van vaardigheden aan een jongvolwassene eerder gezien worden als gebruikelijk, dan het aanleren van dezelfde vaardigheden aan een dementerende oudere.
In een kortdurende situatie wordt van alle huisgenoten verwacht dat zij elkaar naar vermogen hulp bieden. Deze hulp is in vrijwel alle gevallen gebruikelijk. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel van de zelfredzaamheid binnen een periode van drie maanden.
Geen gebruikelijke hulp
Voor zover een huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft of de kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de inwoner te bieden en deze vaardigheden kunnen niet worden aangeleerd, dan wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht.
Ook als de beperking van de ondersteuningsbehoeftige complex is, kan het voorkomen dat de huisgenoot niet de geschikte partij is om de ondersteuning te bieden. In die gevallen is gebruikelijke hulp niet doelmatig/gewenst en kan het inschakelen van een professional effectiever zijn.
Gebruikelijke hulp bij overbelasting
Indien degene die gebruikelijke hulp biedt fysiek of mentaal overbelast is, kan er sprake zijn van een uitzondering op grond waarvan toch taken of activiteiten moeten worden overgenomen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. Wanneer er bij de huisgenoot, eigen mogelijkheden zijn om de dreigende overbelasting op te heffen dienen deze te worden aangewend.
Gebruikelijke hulp bij mantelzorg
Binnen de leefeenheid spreken we over mantelzorg als de geboden hulp de gebruikelijke hulp overstijgt. In geval van dreigende overbelasting kan een maatwerkvoorziening worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet, als het een persoonsgebonden budget betreft, door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. Denk hierbij aan dagbesteding voor een dementerende oudere ter ontlasting van de partner of het aanbieden van respijtzorg voor een verstandelijk beperkte jongvolwassene ter ontlasting van de ouders.
Resultaat : Sociaal en persoonlijk functioneren
Het is gebruikelijk dat huisgenoten elkaar helpen bij de bevordering of het behoud van het sociaal netwerk en (tot op zekere hoogte) samen activiteiten ondernemen. Wat er aan gebruikelijke hulp verwacht mag worden is per situatie verschillend.
Ouders aan jongvolwassenen
Opvoedkundige taken worden gezien als gebruikelijke hulp. Het is gebruikelijk dat de ouder ook na het 18e levensjaar randvoorwaarden schept voor een veilige en normale sociaal-emotionele ontwikkeling van de jongere. Indien de jongere problemen of moeilijkheden ervaart in de omgang met leeftijdsgenoten kan de ouder de jongere advies geven en ondersteuning bieden. De ouder stelt leeftijdsadequate grenzen en toont interesse in relaties tussen de jongere en leeftijdsgenoten. Het is gebruikelijk dat ouders hun kinderen de noodzakelijke steun bieden om te kunnen functioneren in de omgeving en deelname aan maatschappelijke, gestructureerde activiteiten en organisaties stimuleren. Daarnaast is het gebruikelijk dat ouders hun kinderen vaardigheden aanleren zodat zij om kunnen gaan met onverwachte gebeurtenissen die de dagelijkse structuur onderbreken en hulp bieden bij het plannen van activiteiten. Hulp bij bezoek aan familie, vrienden en bijvoorbeeld de sportclub of vereniging wordt tot op zekere hoogte gezien als gebruikelijke hulp. Zo zal de ene jongere zich zelfstandig naar de sportclub kunnen verplaatsen terwijl de een andere jongere van dezelfde leeftijd nog wordt afgezet door zijn ouders. Ook hulp aan derden in het omgaan met de beperkingen van de jongere wordt gezien als gebruikelijk.
Uit het voorgaande blijkt dat ouders een belangrijke rol spelen in het leven van de jongvolwassene. Tegelijkertijd moet niet uit het oog verloren worden dat het gebruikelijk is dat de jongere steeds meer loskomt van zijn ouders en de relatie met hen herziet. Ook dit kan een factor zijn die van invloed is op het al dan niet gebruikelijk zijn van bepaalde ondersteuning.
Partners
Het begeleiden van een partner bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie en vrienden, valt onder gebruikelijke hulp. Het wordt normaal geacht dat partners elkaar hulp bieden bij het ondernemen van (sociale) activiteiten. Het is gebruikelijk dat zij elkaar ondersteunen in hun groei en ontwikkeling. Bij partners kan verondersteld worden dat een groot deel van het sociaal verkeer gezamenlijk plaatsvindt. Begeleiding onderling is gebruikelijk.
Resultaat : Huishoudboekje op orde
Het bijhouden van de (algemene) administratie voor de gehele leefeenheid is een taak die hoort bij het voeren een gezamenlijk huishouden. Het is gebruikelijk dat één persoon binnen de leefeenheid de gehele administratie voor zijn rekening neemt. Bij uitval van deze persoon is het gebruikelijk dat een andere huisgenoot deze taak overneemt.
Ouders aan jongvolwassenen
Vaak genereren jongeren in de leeftijd van 18 tot 23 jaar nog niet voldoende inkomsten om in hun basisbehoeften te voorzien. Ook het inzicht in de hoogte van de inkomsten in relatie tot de uitgaven ontbreekt regelmatig. Het is gebruikelijk dat de jongere ondersteuning krijgt bij het op orde houden van het eigen huishoudboekje en vaardigheden krijgt aangeleerd in het omgaan met de financiën. Denk hierbij ook aan hulp bij het aanvragen van een uitkering en het openen en behandelen van post. De begeleiding naar financiële zelfstandigheid en het aanleren van de benodigde vaardigheden wordt gezien als gebruikelijke hulp en is een onderdeel van de opvoeding.
Partners
Indien een partner niet meer in staat is tot het bijhouden van de administratie en de bijkomende taken, dan is het gebruikelijk dat de andere partner ondersteuning biedt of de gehele administratie overneemt. Het kan wenselijk zijn dat de ene partner de andere partner vaardigheden aanleert om de administratie in de toekomst zelfstandig bij te kunnen houden. Of het aanleren van deze vaardigheden mogelijk is hangt enerzijds af van de leerbaarheid van de ondersteuningsbehoeftige en anderzijds van het vermogen van de partner om informatie over te brengen.
Resultaat : Zelfzorg en gezondheid
Het is gebruikelijk, dat mensen die een gezamenlijk huishouden voeren, in zekere mate zorg dragen voor elkaar en ‘een oogje in het zeil houden’.
Ouders aan jongvolwassenen
In principe is het gebruikelijk dat een inwonende jongere zichzelf feitelijk kan verzorgen. Overname van deze persoonlijke verzorging is niet gebruikelijk. Echter, het aansporen tot en aansturing geven ten aanzien van de persoonlijke verzorging kan dit, tot op zekere hoogte, wel zijn. Denk bij aansporing aan: ‘Trek vandaag eens een schoon shirt aan’ of ‘Heb je vandaag al gedoucht?’. Ook hulp bij het uitzoeken en klaarleggen van kleding en het meegaan naar artsen en specialisten wordt gezien als gebruikelijke hulp.
Partners
De zorgplicht van partners onderling betreft de persoonlijke verzorging en ondersteunende begeleiding: persoonlijke, lichamelijke zorg inclusief assistentie bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen, aandacht en begeleiding bij ziekte en psychosociale problemen. Ook het meegaan naar ziekenhuis afspraken en het uitzoeken en klaarleggen van kleding wordt gezien als gebruikelijke hulp.
Het wordt normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot persoonlijke verzorging. Daarnaast kunnen ouderen te maken krijgen met lichamelijk onvermogen of problemen die cognitief van aard zijn. Het is gebruikelijk dat de andere partner leert omgaan met deze beperkingen en waar nodig hulp biedt. De benodigde hulp is in deze situaties omvangrijker dan voor gezonde partners, maar is nog steeds gebruikelijk.
Kinderen voor inwonende ouders
Van volwassen kinderen kan worden verwacht dat zij indien nodig het huishouden op zich nemen en ondersteunende begeleiding bieden, maar persoonlijke verzorging van de ouder wordt niet gezien als gebruikelijke hulp. Indien een volwassen kind besluit om een (steeds beperktere) ouder in huis te nemen is het wel gebruikelijk dat het volwassen kind bepaalde taken overneemt en waar nodig de ouder aanspoort tot zelfzorg.
Resultaat : Regie bij het voeren van een huishouden
Huisgenoten binnen een leefeenheid hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen samen verantwoordelijk voor het op orde houden en functioneren van het huishouden. Dit geldt ook voor het voeren van de regie.
Ouders aan jongvolwassenen
Afhankelijk van de sociaal-emotionele- en cognitieve ontwikkeling van de jongere is het gebruikelijk dat de ouders de jongere vaardigheden aanleren om zelfstandig te wonen en hulp bieden bij het regelen van de randvoorwaarden voor een eigen woning. Denk hierbij ook aan het afsluiten van verzekeringen en het openen en behandelen van post. De begeleiding naar het zelfstandig voeren van een huishouden en het aanleren van de benodigde vaardigheden wordt gezien als gebruikelijke hulp. Het is gebruikelijk de jongere bij deze taken te helpen (of zelfs uitvoeren) totdat deze zelfstandig gaat wonen (en soms zelfs daarna).
Partners
Indien een partner niet meer in staat is tot het voeren van de regie binnen het huishouden, dan is het gebruikelijk dat de andere partner ondersteuning biedt of de regie overneemt. Het kan wenselijk zijn dat de ene partner de andere partner instructies geeft voor het aanleren van vaardigheden om de regie zelf te kunnen voeren. Of het aanleren van deze vaardigheden mogelijk is hangt enerzijds af van de leerbaarheid van de ondersteuningsbehoeftige en anderzijds van het vermogen van de partner om informatie over te brengen.
Resultaat : Hebben van een zinvolle daginvulling
Het hebben van een zinvolle daginvulling kan deels voortvloeien uit structurele activiteiten en verplichtingen (werk, zorg voor kinderen, sociale verplichtingen), maar ook uit zorg gerelateerde verplichtingen (afspraken met de medisch specialist) en routinematige activiteiten zoals het nuttigen van ontbijt, middageten en avondeten. Doorgaans heeft iedere huisgenoot zijn eigen dagindeling; de een staat vroeg op om naar school te gaan terwijl de ander pas laat thuis komt van een avonddienst. Ondanks de eigen dagindeling kan er wel sprake zijn van een zekere structuur door routinematige activiteiten. Daarnaast is het gebruikelijk dat huisgenoten ook gezamenlijk tijd doorbrengen. Zo wordt het doornemen van de dag gezien als een gebruikelijke activiteit binnen de leefeenheid.
Het hebben van een gezond dag- en nachtritme is een belangrijke voorwaarde voor het behoud van een wekelijkse structuur. Ondanks dat iedere huisgenoot een eigen dagindeling heeft is het wel gebruikelijk om rekening te houden met elkaar. Indien de inwoner een afwijkend dag-nacht ritme heeft kan het wenselijk zijn dat deze aansluiting zoekt bij de persoon binnen de leefeenheid die wel beschikt over een gezond dag-nacht ritme. Het is binnen de structuur van de leefeenheid immers mogelijk om op hetzelfde tijdstip op te staan, naar bed te gaan en gezamenlijk de maaltijden te nuttigen. Structuur in de dag kan ontstaan door het ritme van de andere personen binnen het huishouden.
Ouders aan jongvolwassenen
Indien de jongere geen opleiding volgt of werk heeft, dan is het gebruikelijk dat de ouder de jongere stimuleert en aanstuurt op een zinvolle dagbesteding of arbeidsactivering. Het wordt normaal geacht dat de ouder hierover met de jongere in gesprek gaat, helpt bij het maken van keuzes en ondersteuning biedt bij bijvoorbeeld sollicitaties of naar vermogen onderwijsbegeleiding biedt. Dat ouders en kinderen naast de daginvulling gezamenlijk tijd doorbrengen is eveneens gebruikelijk in het kader van de leefeenheid waarin personen zich bevinden.
Partners
Als uitgangspunt geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp. Een en ander hangt ook samen met de levensfase waar de partners zich in bevinden. Bij ouderen van pensioengerechtigde leeftijd dient rekening gehouden te worden met het feit dat voor deze groep geen arbeids- of leerplicht (meer) geldt. Het is gebruikelijk dat zij het leven zonder arbeidsmatige verplichting tot een prettige levensstijl maken. Zij het individueel, zij het met elkaar. Het is gebruikelijk dat partners elkaar hierin ondersteunen. Het hebben van een gezamenlijke daginvulling is voor deze ouderen meer gebruikelijk dan voor partners die beiden verplicht zijn om betaalde arbeid te verrichten.