Gemeentelijke regelgeving

Nota bodembeheer regio Twente ‘Twents beleid veur oale groond' versie 2.1

Gemeente Dinkelland · geldt sinds 29 juni 2024

Aanhef

De raad van de gemeente Dinkelland,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 mei 2024, nr. 11 A;

gelet op het advies van de commissie Omgeving en Economie van 4 juni 2024;

gelet op artikel 4.81 Awb

besluit:

1De Nota bodembeheer regio Twente ‘Twents beleid veur oale groond' versie 2.1 per 1-1-2024 vast te stellen.

2De Nota bodembeheer regio Twente 'Twents beleid veur oale groond' versie 2.0 per 1-1-2024 in te trekken.

Samenvatting

Op 1 juli 2008 is het hoofdstuk Grond en baggerspecie voor landbodem van het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Dit was in Twente aanleiding om samen te werken bij het opstellen van nieuw beleid voor ontgraven en toepassen van grond. Resultaat van deze samenwerking was in 2010 een uniforme bodemkwaliteitskaart en de Nota bodembeheer Twents beleid veur oale groond.. De deelnemende gemeenten zijn in 2017 een stap verder gegaan door één bodemkwaliteitskaart met een bijbehorende nota bodembeheer voor het gehele Twentse grondgebied op te stellen(versie 2.0). Hiermee is uitvoering gegeven aan de wens te komen tot een verdere uniformering en vereenvoudiging van het beleid voor ontgraven en toepassen van grond.

In 2020 zijn aanvullend op de bestaande kaart en nota een bodemkwaliteitskaart PFAS en beleidsregels PFAS opgesteld.

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet is besloten een versie 2.1 van de nota te maken om de nota aan te laten sluiten bij de Omgevingswet. Daarnaast heeft in 2022 een evaluatie van de nota plaatsgevonden, waarvan de resultaten zijn verwerkt in deze versie. De resultaten van de evaluatie hebben vooral geleid tot een aantal redactionele aanpassingen, zodat teksten eenduidiger en meer duidelijk zouden zijn.

De versie 2.1 is grotendeels beleidsneutraal ten opzichte van de versie 2.0. Onderstaand zijn de punten aangegeven waar wel een beleidsaanpassing voor geldt.

•Toepassen grond klasse wonen (incl. PFAS) in niet gezoneerde gebieden (binnenstad Oldenzaal, Delden, Ootmarsum);

•Aangeven hergebruiksmogelijkheden ondergrond > 2,0 m-mv;

•Verwijderen verplichte actualisatietermijn bodemkwaliteitskaart.

De PFAS beleidsregels die in 2020 zijn opgesteld zijn in deze nota verwerkt. Met de vaststelling van onderhavige nota vervalt daarmee de notitie Beleidsregels PFAS regiogemeenten Twente, Tauw, N001-1272743ODR-V03-srb-NL, d.d. 28 mei 2020

Met de vaststelling van versie 2.1 van de nota vervalt de geldigheid van de nota bodembeheer versie 2.0.

Uniforme bodemkwaliteitsklassen

De deelnemende gemeenten hebben net als het bestaande beleid weer gekozen voor gebiedsspecifiek beleid. Dit maakt het mogelijk om voor het gehele grondgebied (uniforme) bodemkwaliteitsklassen en gebiedsgerichte normen (lokale maximale waarden) vast te stellen. Omdat de deelnemende gemeenten dezelfde bodemkwaliteitskaart met bijbehorende nota bodembeheer vaststellen ontstaat één beleid voor het gehele grondgebied. Deze verdere uniformering en vereenvoudiging gaat niet ten koste van het oorspronkelijke uitgangspunt: behoud van de goede bodemkwaliteit in Twente.

Bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel

De regionale bodemkwaliteitskaart is een bewijsmiddel om binnen het grondgebied van Twente grond te mogen ontgraven en toe te passen. Als sprake is van een verdachte locatie mag de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt als bewijsmiddel. Dan moet een ander bewijsmiddel worden aangeleverd waaruit de bodemkwaliteit van de grond blijkt. Bijvoorbeeld een partijkeuring. Voor grootschalige toepassingen zoals een geluidwal zijn algemene regels opgenomen in artikel 4.1274 en 4.1275 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL). De nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart zijn hier niet op van toepassing.

De regionale bodemkwaliteitskaart is geldig voor het aangewezen bodembeheergebied. Dit betreft bijna het totale gemeentelijk grondgebied in Twente. Ook enkele zandvangen en waterlopen van de Regge en de Dinkel maken hiervan onderdeel uit. Door dit grote toepassingsgebied zijn er veel afzetmogelijkheden voor partijen grond zonder dat extra kosten hoeven te worden gemaakt voor bodemonderzoek en partijkeuringen. Wel moet worden voldaan aan de voorwaarden zoals vastgelegd in de nota bodembeheer.

Regionale bodemkwaliteitsklassen

De bodemkwaliteit van het grondgebied in Twente is in de volgende klassen ingedeeld:

1AW2000

2Wonen

3Gebiedsgericht.

Grond uit de gebieden met klasse AW2000 is vrij toepasbaar binnen het hele bodembeheergebied. Voor de klasse Wonen geldt dat de kwaliteit van de bodem uit deze klasse minder is dan die uit de klasse AW2000, maar wel geschikt voor wonen en/of recreëren. Grond uit de klasse Wonen mag niet worden toegepast in een gebied met de klasse AW2000. Zo wordt de goede bodemkwaliteit in deze AW2000-gebieden behouden.

De klasse Gebiedsgericht geeft de deelnemende gemeenten de mogelijkheid om voor bepaalde gebieden eigen bodemkwaliteitsnormen vast te stellen. Vaak is dit een gevolg van intensief gebruik van een gebied (bijvoorbeeld het centrumgebied) of de aanwezigheid van specifieke bodem verontreinigende stoffen (als gevolg van industrie in het verleden) in een gebied. Uitwisseling van partijen grond uit deze gebieden is aan strikte voorwaarden verbonden. Op de ontgravingskaarten staan twee gebieden ‘gebiedsgericht’ aangegeven met de kwaliteitsklasse ‘industrie’.

Bevoegdheden

De gemeenteraad is bevoegd tot het vaststellen van lokale maximale waarden voor het grondgebied van zijn gemeente. Voor een goede en adequate uitvoering van het beleid hebben de gemeenteraden een aantal bevoegdheden gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Voorbeelden hiervan zijn:

–het (fysiek) aanpassen van de bodemkwaliteitskaart nadat de gemeenteraad voor een gebied van de gemeente gewijzigde lokale maximale waarden heeft vastgesteld en

–het vaststellen van checklisten.

Monitoren en evalueren

Om te waarborgen dat het beleid voldoet aan de praktijk en aan nieuwe ontwikkelingen monitoren de gemeenten het beleid periodiek. De nota bodembeheer geeft aan hoe dit gebeurt en welke onderwerpen worden gemonitord. Resultaten van deze monitoring kunnen eventueel leiden tot aanpassingen van het beleid.

In dit hoofdstuk geven we aan waarom wij als regio hebben gekozen voor gebiedsspecifiek beleid.

4 Gebiedsspecifiek beleid

4.1 Behoud goede bodemkwaliteit binnen Twente

4.1.1 Voorkomen normopvulling

Het generiek beleid van het Besluit bodemkwaliteit

3Besluit bodemkwaliteit voor inwerkingtreding van Omgevingswet

houdt geen rekening met gebiedsspecifieke kenmerken. Het houdt alleen rekening met een bepaalde functie van een gebied en de bodemkwaliteitsklasse van een gebied. Valt een gebied in een bepaalde klasse? Dan mag in dat gebied grond worden toegepast met een kwaliteit die overeenkomt binnen de bandbreedte van die klasse. De bestaande bodemkwaliteit van dat gebied kan veel beter zijn dan de klasse aangeeft. Het generieke beleid houdt hier geen rekening mee. De klasse is leidend voor het toepassen van grond. Het gevolg is een ongewenste normopvulling (lees: verslechtering van de bodemkwaliteit) van de bestaande bodemkwaliteit in dat gebied.

Toelichting: Het generiek beleid deelt een zone met een bodemkwaliteit die gering de klasse Wonen overschrijdt in als klasse Industrie. Terwijl de bodemkwaliteit in de praktijk veel beter is dan klasse Industrie. Door deze wettelijke indeling wordt het mogelijk om partijen met grond toe te passen in dat gebied met de kwaliteit Industrie. Hierdoor kan de bestaande bodemkwaliteit (die net iets de klasse Wonen overschrijdt) ongewenst worden verslechterd: de bodemkwaliteit mag namelijk achteruitgaan tot de bovenkant van de normgrens klasse Industrie. Dit willen wij niet en daarom spreken wij van een ongewenste normopvulling.

Uit de beschikbare bodemgegevens binnen de deelnemende gemeenten en een analyse hiervan bleek dat zich een ongewenste normopvulling zou kunnen voordoen. Daarom kiezen wij niet voor het vaststellen van het generiek beleid in Twente.

4.1.2 Bepalen bestaande bodemkwaliteit

Het bepalen van de bestaande bodemkwaliteit (de wijze waarop) hangt samen met het behoud van de goede bodemkwaliteit. Dit is voor ons nog een reden geweest om gebiedsspecifiek beleid op te stellen en niet te kiezen voor generiek beleid. De bodemkwaliteit van een gebied wordt namelijk bepaald door een zogenaamde percentielwaarde. Deze percentielwaarde is een statistische waarde. En wordt gebruikt om van alle beschikbare bodemgegevens de gemiddelde bodemkwaliteit in een gebied vast te stellen.

Het generiek beleid maakt gebruik van het gemiddelde om de bodemkwaliteit van een gebied te bepalen. Dit gemiddelde bevat de nodige onzekerheden, want ruwweg de helft van de gebruikte bodemgegevens hoeft niet overeen te komen met deze gemiddelde bodemkwaliteit. Vervolgens wordt wel op basis van het dit gemiddelde de bodemkwaliteit in een gebied bepaald en uiteindelijk vastgesteld.

Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij het landelijk (generieke) beleid hebben wij geïnventariseerd wat het gebruik van het gemiddelde zou betekenen voor onze regio. Hieruit blijkt dat het gebruik van het gemiddelde leidt tot een bodemkwaliteit die geen goed beeld geeft van ons grondgebied. Hierdoor zou een ongewenste vermenging van grond van verschillende kwaliteit kunnen optreden. Het gevolg is een verslechtering van gebieden die beschikken over een bestaande goede bodemkwaliteit. Gelet op ons uitgangspunt om de goede bodemkwaliteit in Twente te willen behouden, vinden wij het voorgaande niet wenselijk.

Een betrouwbaarder beeld van de bodemkwaliteit leidt minder snel tot ongewenste vermenging van schone en viezere grond. De bestaande (goede) bodemkwaliteit blijft hierdoor behouden. Daarom hebben wij met elkaar gekozen voor het gebruik van een percentielwaarde, de P80. Bij de P80 komt namelijk 80% van de bodemkwaliteit, zoals blijkt uit de beschikbare bodemgegevens, met elkaar overeen. De marges zijn hierdoor een stuk minder dan bij het gemiddelde waardoor een betrouwbaarder beeld ontstaat van de bodemkwaliteit in een gebied. Dit borgt optimaal de bestaande goede bodemkwaliteit.

6 Bodemkwaliteitsklassen

6.2 Drie bodemkwaliteitsklassen

6.2.1 AW2000

Gebieden met deze klasse hebben een goede bodemkwaliteit. Meestal bevinden deze klassen zich in het landelijk gebied of in nieuwbouwwijken. Als grond met klasse AW2000 vrijkomt uit ons bodembeheergebied, dan kan dit overal binnen ons bodembeheergebied worden toegepast. Dus zowel in gebieden met dezelfde goede bodemkwaliteit als gebieden met een bestaande slechtere bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitskaart geldt dan als voldoende bewijsmiddel.

6.2.2 Wonen

Hier gaat het om gebieden waar wordt gewoond en gewerkt. Als gevolg van deze activiteiten, heeft de bodem in deze gebieden een minder goede kwaliteit dan AW2000. Maar is het wel zeer geschikt om zonder risico’s te kunnen wonen en eventueel te gebruiken als tuin.

Grond uit gebieden met deze klasse mag niet worden toegepast in gebieden met de klasse AW2000. Hierdoor wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit van deze AW2000-gebieden verslechtert. Verder mag de grond uit de klasse Wonen overal worden toegepast binnen het geldende bodembeheergebied. De bodemkwaliteitskaart geldt dan als voldoende bewijsmiddel.

Uitzondering bij moes- en volkstuinen

Op het voorgaande geldt een belangrijke uitzondering voor moes- en/of volkstuincomplexen en woonlocaties met een individuele moestuin groter dan 100 m2, die zich bevinden in gebieden met de bodemkwaliteitsklasse Wonen. Voor deze locaties geldt de voorwaarde dat alleen schone grond (AW2000) mag worden toegepast. Dit geldt zowel voor bestaande als nieuwe locaties met moes- of volkstuinen. Zo bereiken we op termijn een kwaliteitsverbetering van de grond op deze locaties.

6.2.3 Gebiedsgericht

Naast de klassen AW2000 en Wonen onderscheiden we nog een derde klasse: Gebiedsgericht. De bodemkwaliteit in deze gebieden kan niet in één van de voorgaande twee bodemkwaliteitsklassen worden ingedeeld. Redenen hiervoor kunnen zijn:

–in een gemeente is een specifieke probleemstof in de bodem aanwezig die elders binnen het bodembeheergebied niet voorkomt;

–een gemeente wenst op termijn een betere bodemkwaliteit dan de bestaande bodemkwaliteit te bereiken in een bepaald gebied of

–een (toekomstig) ruimtelijke ontwikkeling binnen een gemeente leidt tot een nieuwe functie die een andere bodemkwaliteit vereist (bijvoorbeeld een bedrijventerrein wordt een woongebied).

Uitwisseling van partijen grond uit de zones Gebiedsgericht in de regio vinden wij niet wenselijk. Dit vanwege de doorgaans afwijkende bodemkwaliteit in die zones. Aan de andere kant is het wel wenselijk om uitwisseling van grond onder voorwaarden toe te staan binnen de eigen zone. Bij uitwisseling van en naar de zones Gebiedsgericht moet met het volgende rekening worden gehouden:

1Voor het toepassen van grond afkomstig van binnen de eigen zone geldt een lokale maximale waarde (LMW) die gelijk is aan de 80-percentielwaarde van de eigen zone. Hiermee wordt ruimte gecreëerd om vrijkomende grond her te gebruiken binnen de eigen zone. De 80-percentielwaarden zijn te vinden in de tabellen van bijlage V van de Regionale bodemkwaliteitskaart Twente.

2Voor het toepassen van grond afkomstig van buiten de eigen zone geldt de lokale maximale waarde (LMW) die afgestemd is op de functie, in geval van wonen, of de 80-percentielwaarde in geval van de functie industrie. Hiermee wordt voldaan aan het behoud van een goede bodemkwaliteit en een gestage verbetering op termijn.

3Voorafgaand aan het ontgraven van een partij grond gelegen binnen de zone Gebiedsgericht moet minimaal een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) worden uitgevoerd. Dit vanwege de grote verschillen in concentraties verontreinigende stoffen die binnen deze zone aanwezig kunnen zijn.

4Voor gesaneerde terreindelen bepaalt de bij de sanering gehanteerde terugsaneerwaarde de bodemklasse, als deze schoner is dan de LMW. De locatie mag niet meer worden aangevuld op basis van de 80-percentielwaarde voor dat gebied.

Onderstaande tabel 6.1 geeft aan welke eisen per zone Gebiedsgericht van toepassing zijn.

Tabel 6.1: Overzicht voorwaarden klasse Gebiedsgericht per gemeente

Zone

1LMW bij toepassing van grond binnen eigen zone

2LMW bij toepassing grond van buiten eigen zone

3Bodem-onderzoek noodzakelijk

Oldenzaal historische ring

80-percentiel

Wonen

Ja

Hengelo Hart van Zuid

80-percentiel

Wonen

Ja

Hengelo Tuindorp

80-percentiel

Wonen

Ja

Enschede Centrum voor 1900

80-percentiel

Wonen

Ja

6.2.4 Niet-gezoneerde gebieden

Als laatste onderscheiden we gebieden die niet binnen de bodemkwaliteitskaart zijn gezoneerd. Daarmee is de bodemkwaliteit in deze gebieden niet ingedeeld in één van de drie klassen van deze bodemkwaliteitskaart want:

1Voor het deelgebied is al een bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer opgesteld in een ander kader:

•Combiplan Hellendoorn (deelgebied nr 314, zie Rapportage bodemkwaliteitskaart, Witteveen+Bos, 23 maart 2018, ES349-1/18-004.422)

•Vliegveld Twente (deelgebied nr 417, Bodembeheernota voormalige vliegbasis Twenthe 2022, registratienummer 221013-1, 13 oktober 2022);

Voor de deelgebieden Combiplan Hellendoorn en Vliegveld Twente gelden voor het ontgraven en toepassen van grond de eisen uit het voor deze gebieden vastgestelde beleid.

2Voor het deelgebied zijn onvoldoende waarnemingen beschikbaar om de huidige bodemkwaliteit te kunnen vastleggen. Dit geldt voor de deelgebieden:

•Delden voor 1900 (deelgebied nr 82)

•Ootmarsum voor 1900 (deelgebied nr 164)

•Oldenzaal voor 1900 (deelgebied nr 181)

•Oldenzaal historische industrie (deelgebieden nr 184, 186, 190)

Het toepassen van grond die voldoet aan de maximale waarde kwaliteitsklasse Wonen, uitgezonderd in gebied 186, is toegestaan in deze gebieden (beleidsregel). Deze regel geldt ook voor PFAS. Voor gebied 186 is het generieke kader van toepassing voor het bepalen van de toepassingseis.

Bij uitwisseling van grond van en naar niet-gezoneerde gebieden binnen het bodembeheersgebied moet met het volgende rekening worden gehouden:

1Voor het toepassen van grond afkomstig van binnen de eigen zone geldt dat de toe te passen partij voorzien moet zijn van een erkend bewijsmiddel, doorgaans een partijkeuring. De kwaliteit van de ontvangende bodem moet inzichtelijk zijn met behulp van een erkend bewijsmiddel (doorgaans een verkennend bodemonderzoek NEN5740) als een slechtere kwaliteit dan wonen (of AW2000 in gebied 186) wordt toegepast. Voor de toepassingseis zie tabel 6.2.

2Voor het toepassen van grond afkomstig van buiten de eigen zone, maar afkomstig uit de regionale bodemkwaliteitskaart geldt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem inzichtelijk moet zijn met behulp van een erkend bewijsmiddel (doorgaans een verkennend bodemonderzoek NEN5740) als een slechtere kwaliteit dan wonen (of AW2000 in gebied 186) wordt toegepast. Voor de definitieve toepassingseis zie tabel 6.2.

3Voor het toepassen van grond buiten de eigen zone maar binnen de regionale bodemkwaliteitskaart geldt dat de toe te passen partij grond voorzien moet zijn van een erkend bewijsmiddel, doorgaans een partijkeuring. Op basis van de resultaten kan de kwaliteit getoetst worden aan de toepassingseis.

Tabel 6.2: Toetsingskader niet gezoneerde gebieden (overeenkomstig generiek toetsingskader)

functie

Kwaliteit ontvangende bodem

Toepassingseis

Wonen

AW2000

Wonen

Industrie

AW2000

Wonen (uitgezonderd gebied 186)

Wonen

Wonen

Wonen

Industrie

Wonen

Wonen

Wonen

Industrie

Wonen

Industrie

Industrie

Industrie

6.2.5 Bijzondere gebieden en locaties binnen ons bodembeheergebied

Dit zijn gebieden en/of locaties binnen ons bodembeheergebied waarvoor aparte regels gelden. Hierbij kan gedacht worden aan de volgende gebieden en/of locaties:

1grondwaterbeschermingsgebieden;

2afvalstortplaatsen en defensieterreinen;

3spoorwegen en rijkswegbermen;

4provinciale wegbermen;

5gemeentelijke wegbermen;

6zandvangers;

7ondergrond > 2,0 m-mv.

1Grondwaterbeschermingsgebieden: In de Omgevingsverordening Overijssel 2017 geeft de provincie Overijssel aan welke bodemkwaliteit geldt voor gebieden met gevoelige functies zoals waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden. Bij het ontgraven en toepassen van grond binnen ons bodembeheergebied nemen wij deze provinciale regels in acht. Deze regels kunnen strenger zijn dan de regels voor ontgraven en toepassen van grond zoals opgenomen in onze nota bodembeheer.

2Afvalstortplaatsen en defensieterreinen: Uitgangspunt is dat voormalige afvalstortplaatsen worden aangemerkt als een van bodemverontreiniging verdachte locatie. De bodemkwaliteitskaart is dan niet van toepassing. In 2010 zijn afspraken gemaakt met beheerders van stortplaatsen. Dit geldt ook voor defensieterreinen binnen ons bodembeheergebied. Bijlage 4 bevat deze afspraken. Deze afspraken zijn nog steeds van kracht.

3Spoorwegen en rijkswegbermen (beleidsregel): Voor het ontgraven en toepassen van grond binnen zones van spoorwegen en emplacementen zijn in 2009 afspraken gemaakt met de spoorwegbeheerder. Dit geldt ook voor partijen grond van en naar rijkswegen. De gemaakte afspraken staan in bijlage 4. Deze afspraken zijn nog steeds van kracht.

4Provinciale wegbermen (beleidsregel): De provincie Overijssel heeft een wegbermenkaart voor provinciale wegen vastgesteld. Zo kan grond in de wegberm worden ontgraven en toegepast zonder extra onderzoek of een partijkeuring. De gemeenten accepteren de provinciale wegbermenkaart voor de provinciale wegen binnen hun beheersgebied. Wel geldt de voorwaarde dat vrijkomende grond uit provinciale wegbermen alleen binnen deze provinciale wegbermen mag worden toegepast. Het uitwisselen van grond afkomstig uit provinciale wegbermen met andere zones binnen de gemeente is niet toegestaan.

5Gemeentelijke wegbermen (beleidsregel): Een aantal Twentse gemeenten heeft gezamenlijk een wegbermenkaart vastgesteld. Niet alle gemeenten namen deel aan dit traject omdat niet alle gemeenten behoefte hadden aan een wegbermenkaart. Het ging om de volgende gemeenten: Almelo, Borne, Dinkelland, Hof van Twente, Oldenzaal, Tubbergen, Twenterand en Wierden. Grond die vrijkomt uit langs asfalt- of puin verharde wegen kan binnen de wegbermen van deze gemeenten op basis van de wegbermenkaart worden toegepast. Voor meer informatie hierover en de geldende regels verwijzen wij naar het geldende gemeentelijk beleid.

6Zandvangers waterschap Vechtstromen: Omdat de bodemkwaliteitskaart geen geschikt middel is om het materiaal in zandvangers (waterbodem) te kwalificeren voor PFAS dient aanvullend onderzoek naar PFAS te worden uitgevoerd indien dit materiaal wordt toegepast conform het Besluit bodemkwaliteit. Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van een indicatieve strategie (afhankelijk van de grootte van de zandvanger) van 5 tot 10 steken en analyse van PFAS op één mengmonster. Het veldwerk en de analyse dient te geschieden conform de daarvoor geldende richtlijnen en protocollen. Dit aanvullend onderzoek dient in ieder geval te worden uitgevoerd tot vaststelling van de definitieve normen. Aan de hand daarvan wordt bepaald of, en zo ja hoe, aanvullend onderzoek nodig blijft.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat zandvangers van de andere waterschappen in de regio Twente en de zandvangers van waterschap Vechtstromen buiten de regio Twente conform de NEN5720 dienen te worden onderzocht.

7Ondergrond > 2,0 m-mv. (beleidsregel): Deze bodemlaag is niet meegenomen met het opstellen van de bodemkwaliteitskaart. Uit bodemonderzoeken bekend bij de gemeenten en de Omgevingsdienst blijkt dat deze bodemlaag op onverdachte locaties in de regel voldoet aan de bodemkwaliteit ‘AW’ (met uitzondering van enkele binnenstedelijke gebieden). Voor toepassen van deze bodemlaag volstaat voor onverdachte locaties een vooronderzoek (zie bijlage 3 of NEN5725) en is een partijkeuring - als milieuhygiënische verklaring- niet noodzakelijk. Deze (beleids)regel geldt niet voor zandwinningen.

Bijlage 1 Begrippenlijst

AW2000 (‘schone’ grond): De landelijke bodemkwaliteitsklasse voor schone grond. Het Besluit bodemkwaliteit staat het vaststellen van een lagere norm niet toe.

Besluit bodemkwaliteit: Het wettelijk kader voor bodembeheer.

Bodembeheergebied: Het aangewezen gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart als wettig bewijsmiddel voor het ontgraven en toepassen van grond geldt.

Nota bodembeheer: Het verplichte document met gebiedsspecifiek beleid voor het ontgraven en toepassen van grond binnen het aangewezen bodembeheergebied.

Bodemfunctieklassenkaart: Een kaart met de verschillende functies in een gebied.

Bodemkwaliteitskaart: Een door de gemeente vastgestelde kaart die bestaat uit een ontgravings- en een toepassingskaart. Op deze kaarten staan de lokale maximale waarden. Deze kaart geldt als bewijsmiddel voor het ontgraven en toepassen van grond binnen het bodembeheergebied van de gemeente.

Bodemkwaliteitsklasse: De klasse waartoe een zone binnen het bodembeheergebied is ingedeeld.

Bodemvreemd materiaal: Materiaal dat van nature niet thuishoort in de bodem zoals glas, puin, plastic, etc.

De deelnemende gemeenten: Alle gemeenten die actief hebben bijgedragen aan de totstandkoming van deze bodembeheernota. En hun beleid overeenkomstig deze nota hebben vastgesteld of gaan vaststellen.

Delegatie: Het overdragen van bevoegdheden aan een ander bestuursorgaan dat zelf verantwoordelijk is voor de uitoefening van deze bevoegdheden.

Gebiedsspecifiek beleid: Beleidsvorm volgens het Besluit bodemkwaliteit waarbij gemeenten eigen lokale maximale waarden (LMW) vaststellen voor hun grondgebied.

Grootschalige toepassing: Volgens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen toepassingen met grond waarop de bodemkwaliteitskaart en de bodembeheernota niet van toepassing zijn. Het Besluit bodemkwaliteit vormt hiervoor het wettelijk kader.

Handhavingsstrategie: De voor een organisatie geldende strategie waarin de wijze van toezicht en handhaven is aangegeven bij overtreding van wettelijke normen.

Handhaving Uitvoeringsmethode Besluit bodemkwaliteit (HUM): Landelijke richtlijn voor organisaties die gebruikt wordt om het Besluit bodemkwaliteit te handhaven.

(in-situ)partijkeuring: Een wettig bewijsmiddel om de kwaliteit van de grond aan te tonen.

Klasse Gebiedsgericht: Een gebied met een bodemkwaliteit gebaseerd op locatiespecifieke omstandigheden die niet ingedeeld kan worden in één van de andere gebiedsspecifieke klassen.

Klasse AW2000: voor gebieden met schone grond binnen het bodembeheergebied.

Klasse Wonen: Lokale maximale waarde voor gebieden binnen het bodembeheergebied met de bodemkwaliteit Wonen.

Lokale maximale waarden: De bodemkwaliteit van een gebied of zone binnen het bodembeheergebied vastgelegd op de bodemkwaliteitskaart.

Normopvulling: Het effect waarbij de ruimte, die in het generiek beleid bestaat tussen de werkelijke bodemkwaliteit en de maximale kwaliteit van de toepasselijke bodemkwaliteitsklasse, wordt benut om grond van slechtere kwaliteit toe te passen dan de bestaande bodemkwaliteit in dat gebied.

Ontgravingskaart: Het onderdeel van de bodemkwaliteitskaart waarop de bodemkwaliteit is aangegeven van de locatie waar een partij grond is ontgraven.

Percentielwaarde: Statistische waarde om de gemiddelde bodemkwaliteit van een gebied te bepalen.

Risicotoolbox: Door het Besluit bodemkwaliteit voorgeschreven instrument voor het bepalen van de risico’s van de vast te stellen lokale maximale waarden.

Toepassingskaart: Het onderdeel van de bodemkwaliteitskaart waarop de bodemkwaliteit is aangegeven van de locatie waar een partij grond wordt toegepast.

Verdachte locatie: Een locatie binnen het bodembeheergebied die verdacht is van bodemverontreiniging.

Weglichaam: het totaal van grondwerken dat noodzakelijk is om bij ongeschikte natuurlijke ondergrond een weg op te funderen

Bijlage 2 Inspraak

PM

Wijziging definitieve nota ten opzichte van ontwerp nota bodembeheer (versie 2.0, 2018)

Tijdens het opstellen van de Nota bodembeheer regio Twente, Twents beleid veur oale groond 2.0 was niet bekend dat de Regeling bodemkwaliteit gewijzigd zou worden per 30 november 2018. Om onduidelijkheden bij deelnemende organisaties en derden te voorkomen, kiezen de gemeenten ervoor de tekst van de definitieve nota bodembeheer aan te passen aan de gewijzigde regelgeving. Het gaat over het percentage bodemvreemd materiaal in partijen grond en baggerspecie. De ontwerp nota bodembeheer regio Twente ging uit van een gewichtspercentage van 10% ongeacht het type bodemvreemd materiaal. Door de wijziging van de Regeling bodemkwaliteit, die op 30 november 2018 van kracht werd, is de definitieve nota bodembeheer hierop aangepast. De definitieve nota bodembeheer maakt, net als de Regeling bodemkwaliteit, onderscheid tussen enerzijds steenachtig materiaal of hout en anderzijds ander bodemvreemd materiaal. Voor meer hierover wordt verwezen naar paragraaf 6.5 (blz. 25) van de nota bodembeheer regio Twente.

Bijlage 3 Checklist mogelijk verdachte locatie

De regiogemeenten Twente hebben op basis van beschikbare bodemonderzoeken bodemkwaliteitskaarten opgesteld voor de parameters uit het standaardpakket en PFAS. Deze kaarten geven een inschatting van de bodemkwaliteit ter plaatse van onverdachte gebieden/terreinen binnen de gemeenten. Onder voorwaarden (zie Nota bodembeheer) is het mogelijk om op basis van deze bodemkwaliteitskaarten grond te ontgraven en elders toe te passen zonder dat een bodemonderzoek hoeft te worden uitgevoerd. Eén belangrijke voorwaarde is dat u één week voor het toepassen van grond dit meld bij via het Omgevingsloket. Bij elke melding moet u deze checklist toevoegen.

Onverdachte locatie

Een voorwaarde voor het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten is dat hier sprake is van een onverdachte locatie. Hiermee wordt bedoeld dat op de locatie geen activiteiten worden/zijn uitgevoerd die de bodem hebben kunnen verontreinigen. Bij elke melding controleert de gemeente op basis van het informatiesysteem en het archief of er sprake is van een onverdachte ontgravingslocatie. Daarnaast dient u naar waarheid de onderstaande vragen te beantwoorden.

adres

ontgravingslocatie

toepassingslocatie

Vragen over ontgravingslocatie

Ja

Nee

Onbekend

1Heeft sloop van gebouwen plaatsgevonden?

☐

☐

☐

2Is een puinpad, erfverharding of funderingslaag aanwezig?

☐

☐

☐

3Heeft een calamiteit (vb. morsen) of brand plaatsgevonden?

☐

☐

☐

4Is op de locatie of in de nabije omgeving gebruik gemaakt van asbesthoudende materialen (ook in gebouwen)?

☐

☐

☐

5Is in het verleden sprake geweest van ophoging of demping?

☐

☐

☐

6Hebben bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden, vb aanwezigheid van een (voormalig) ondergrondse tank?

☐

☐

☐

7Heeft eerder onderzoek of sanering op de locatie plaatsgevonden?

☐

☐

☐

8Is er sprake van een risicolocatie (binnen 25 m) voor PFAS conform de door de gemeente gehanteerde lijst (via Bodemkwaliteit en HBB regio Twente (arcgis.com) of opvragen bij gemeente). Of is anderszins bekend dat er met PFAS is gewerkt zoals het blussen van een brand met schuim?

☐

☐

☐

Indien u één van de bovenstaande vragen met Ja heeft beantwoord moet u dit in het navolgende opmerkingenvak nader toe te lichten. Het is ook mogelijk om aanvullende informatie (een bodemonderzoek) digitaal aan deze melding toe te voegen.

Zelf verantwoordelijk

De gemeente behoudt het recht om alsnog een historisch onderzoek of partijkeuring te verlangen als twijfel bestaat of het een overdachte locatie betreft. Het is uw keus of u gebruikt maakt van de bodemkwaliteitskaart of een partijkeuring laat uitvoeren. Als tijdens graafwerkzaamheden een verontreiniging wordt aangetroffen moet u direct contact opnemen met de Omgevingsdienst Twente.

Opmerkingen

Bijlage 4 Verslagen overleg andere organisaties

In deze bijlage zijn de verslagen opgenomen van de overleggen die hebben plaatsgevonden met externe partijen in het kader van de vorige versie van de bodemkwaliteitskaart. Het advies van de GGD is opgenomen in bijlage 7.

Verslag overleg SBNS

10Stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen

, Prorail en RWS

De drie organisaties hebben verzocht om de gebieden die zij in eigendom hebben aan te merken als de functie Industrie.

De deelnemende gemeenten weten niet wat de kwaliteit is van de betreffende gebieden.

Grond uit deze gebieden merken de deelnemende gemeenten aan als ‘verdacht’. Dit betekent dat de regels gelden die in het beleid zijn opgenomen voor ‘verdachte locaties’. Om een partij grond uit deze gebieden toe te passen, moet een partijkeuring zijn uitgevoerd om de kwaliteit ervan vast te stellen. De bodemkwaliteitskaart kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Daarom staan zij niet positief tegenover het verzoek van de drie organisaties. Als de bestaande bodemkwaliteit namelijk beter is dan de Industrie dan heeft het de voorkeur om deze kwaliteit aan te houden. Dit is in overeenstemming met de inhoud van het totale beleid.

Verslag overleg DLG, Landschap Overijssel en Natuurmonumenten 21 januari 2010

Landschap Overijssel voert verschillende projecten uit waarbij grondverzet plaatsvindt. Dit zijn zowel kleine als grotere (omvang van 1000 – 10.000 m3) projecten. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in deze regio vraagt om grondverzet. In de meeste gevallen leidt de natuurdoelstelling tot grondafvoer. De bovengrond bevat namelijk vaak teveel voedingsstoffen.

Ook de Dienst landelijk gebied (DLG) heeft te maken met de EHS. Het is belangrijk dat de aangewezen gebieden zo snel mogelijk onderdeel uitmaken van de EHS. Grondverzet speelt hier een rol. Dat geldt niet alleen voor het afvoeren van grond.

Zowel Landschap Overijssel als de Dienst landelijk gebied zien meerwaarde in het op elkaar afgestemde beleid van de deelnemende gemeenten. Afgesproken is om de drie organisaties op de hoogte te houden over de voortgang van het beleid.

Verslag overleg Twence 8 januari 2010

Twence geeft aan dat de functie van een stortplaats met name van belang is voor de toe te passen grond, als leeflaag op de dichte eindafdekking. Deze kan over een periode van tientallen jaren vanaf heden worden aangebracht. Bij het toekennen van een functie aan een stortplaats moet goed worden bekeken of dit ook daadwerkelijk noodzakelijk is. Twence heeft voor toekomstige eindafdekkingen al meer dan 500.000 m3 grond ‘gespaard’. Er is een voorkeur om de functie van een stortplaats aan te merken als Industrie.

De deelnemende gemeenten geven aan dat iedere stortplaats anders is. Daarom zijn geen algemene regels in het beleid opgenomen voor stortplaatsen. Om belemmeringen voor toekomstige ontwikkelingen te voorkomen, wordt bij voorbaat niet de functie Industrie toegekend aan de stortplaatsen. Per stortplaats wordt in overleg met Twence de gewenste bodemkwaliteit vastgesteld.

Bijlage 5 Rapportage Regionale bodemkwaliteitskaart Twente

Deze bijlage bevat de 'rapportage Regionale bodemkwaliteitskaart Twente'. De rapportage beschrijft de wijze waarop de bodemkwaliteitskaart tot stand is gekomen. En het bevat de ontgravings- en toepassingskaart.

Bijlage 6 Gebruik bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel

Voor het bepalen van de kwaliteit van de ontgraven grond zijn er grofweg twee geldige bewijsmiddelen: de partijkeuring en de bodemkwaliteitskaart. Overige bewijsmiddelen, v.b. certificaat (BRL9335/7500) of fabrikant eigen verklaring, worden buiten beschouwing gelaten. De partijkeuring kan zowel in-situ als ex-situ plaatsvinden. Voor baggerspecie geldt aanvullend dat een waterbodemonderzoek (NEN5720) ook wordt gezien als een geldig bewijsmiddel voor vrijkomend materiaal.

Voor het bepalen van de kwaliteit van de ontvangende bodem zijn er twee bewijsmiddelen van toepassing: een bodemonderzoek conform de NEN5740 en de bodemkwaliteitskaart. Het bepalen van de kwaliteit van de ontvangende bodem is vooral belangrijk binnen het generiek beleid als de wens bestaat om op een locatie grond met kwaliteit wonen of industrie toe te passen. In de onderstaande tabel is de bepaling toepassingseis conform generiek beleid opgenomen.

Tabel Toetsing generiek beleid

functie

Kwaliteit ontvangende bodem

Toepassingseis

niet gedefinieerd (landbouw/natuur)

Wonen of industrie

AW2000

Wonen

Wonen

Wonen

Industrie

Wonen

Wonen

Wonen

Industrie

Wonen

Industrie

Industrie

Industrie

Gebiedspecifiek beleid

Voor een partij vrijkomende grond ter plaatse van een onverdachte locatie kan de bodemkwaliteitskaart gebruikt worden als bewijsmiddel. Het komt nog vaak voor dat, om diverse redenen, locaties en partijen worden onderzocht met een bodemonderzoek of een partijkeuring. Het hebben van meer detail informatie betekent ook dat we anders om gaan met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel.

Voor een toepassingslocatie is een bodemonderzoek of partijkeuring beschikbaar

Voor het bepalen van de toepassingseis voor grond maakt dit niet uit. De toepassingseis is vastgelegd door de gemeente voor deze zone als lokaal maximale waarden. Wel kan op basis van het bodemonderzoek worden beoordeeld of sprake is van een mogelijk geval van ernstige bodemverontreiniging zoals bedoeld wordt in de Wet bodembescherming. Het afdekken van een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft een sanering waarvoor een andere procedure van toepassing is.

Voor een ontgraven partij grond is een partijkeuring beschikbaar

De partijkeuring is als bewijsmiddel leidend. De bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel komt te vervallen.

Voor een ontgraven partij grond is een bodemonderzoek beschikbaar

Dit onderzoek kan worden gebruikt om te beoordelen of de kwaliteit van de locatie waaruit is ontgaven, past bij de kwaliteit van de zone binnen de bodemkwaliteitskaart, waarin de ontgraven locatie gelegen is. Voor deze locaties met slechtere kwaliteit kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt als geldig bewijsmiddel.

Het kan ook voorkomen dat een bodemonderzoek wordt uitgevoerd op een verdachte locatie. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de kwaliteit wel voldoet aan de kwaliteit van zone. Met het onderzoek is aangetoond dat de verdenking onterecht is, de bodemkwaliteitskaart kan als bewijsmiddel worden gebruikt.

De beoordeling is weergegeven in onderstaand schema

Toelichting schema

1De overschrijding van de interventiewaarde duidt op een potentieel geval van ernstige bodemverontreiniging. De Wet bodembescherming staat ontgraven van een geval zonder instemming van bevoegd gezag niet toe. Bij het aantreffen van een analyseresultaat van een (meng)monster boven de interventiewaarde is een nader bodemonderzoek noodzakelijk.

2Voor het te ontgraven deel kan de gemiddelde bodemkwaliteit worden bepaald voor de boven en ondergrond. Dit gemiddelde moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse (AW2000/wonen) of lokaal maximale waarden van de zone. Indien dit afwijkt is mogelijk sprake van plaatselijke verontreiniging waardoor de bodemkwaliteitskaart niet representatief is. Een partijkeuring is nodig waarbij de definitieve kwaliteit wordt bepaald.

3De bodemkwaliteit kan plaatselijk zeer grillig zijn, op korte afstand grote verschillen in concentraties of bijzondere bijmenging hebben. Dergelijke situaties vragen om een expert beoordeling. Hierbij wordt vastgesteld of de kwaliteit op basis van het bodemonderzoek representatief is voor de zone van de bodemkwaliteitskaart waar deze vrijkomt. Als het representatief is, vanwege natuurlijke variatie, is de bodemkwaliteitskaart een geldig bewijsmiddel. Als uit de beoordeling blijkt dat deze niet representatief is dient een partijkeuring te worden uitgevoerd om de definitieve kwaliteit te bepalen.

Bijlage 7 Beoordeling en advies GGD

Dit betreft het advies van de GGD IJsselland d.d. 29 mei 2018 inzake de Nota Bodembeheer regio Twente en de Bodenkwaliteitskaart Twente (maart 2018).

‘De GGD gaat akkoord met de werkwijze en de resultaten zoals weergegeven in genoemde documenten. De gehanteerde werkwijze heeft betrekking op het standaard stoffenpakket. Deze is aangevuld met de “oudere” stoffen die thans niet meer in het standaard pakket worden meegenomen. Wij juichen deze werkwijze toe omdat bijvoorbeeld een stof als arseen wel gezondheidskundig relevant kan zijn. Ook zijn wij blij met de werkwijze waardoor ongewenste normopvulling wordt voorkomen.

Voor toekomstige versies van beide bodembeleidsdocumenten geven wij u in overweging om ook “nieuwe” milieu- en gezondheidskundig relevante stoffen zoals PFOA (per-fluorverbindingen) in het beleid te betrekken. PFOA’s zijn zeer mobiel, bio-accumuleren, zijn moeilijk afbreekbaar, beïnvloeden de leverfunctie en zijn mogelijk kankerverwekkend. Ze worden onder andere gebruikt in blusmiddelen en komen daarom voor in bodems van bijvoorbeeld brandweerkazernes en vliegvelden.’

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.