1 Inleiding
1.2 AANLEIDING EN DOEL
1.2.1 Aanleiding
Om duidelijk te krijgen of geur technische knelpunten aanwezig zijn binnen de gemeente Dinkelland, heeft Avenue Adviseurs in 2013 een Quick Scan uitgevoerd. De reden van de Quick Scan was dat de gemeente Dinkelland inzicht wilde hebben in eventuele knelpuntsituaties vanwege geplande ruimtelijke ontwikkelingen en ook of veehouderijbedrijven in de toekomst nog voldoende ontwikkelingsmogelijkheden hebben. De gemeente Dinkelland heeft ruimtelijke plannen gepland bij Lattrop, Ootmarsum, Tilligte, Noord-Deurningen, Saasveld, Rossum, Weerselo, Denekamp en Deurningen. Het gaat om woningbouwplannen en om ruimtelijke plannen met betrekking tot bedrijventerreinen.
Gelet op de uitkomsten van de Quick Scan en de ambitie van de gemeenteraad om veehouderijbedrijven voldoende ontwikkelingsmogelijkheden te bieden als ook voornoemde woningbouwplannen te kunnen realiseren, is het wenselijk dat de gemeente een geurverordening opstelt. De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee heeft de gemeente een instrument om de ontwikkeling van veehouderijbedrijven te sturen, maar ook om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Gemeenten mogen binnen een in de Wgv aangegeven bandbreedte in een geurverordening afwijken van de wettelijke normen en afstanden. Wanneer geen geurverordening van toepassing is, blijven de wettelijke normen en afstanden gehandhaafd. Het afwijken van normen en afstanden moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde geurgebiedsvisie.
1.2.2 Doel
De gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied is een criterium waarmee de gemeente rekening kan houden bij het opnemen van afwijkende waarden en/of afstanden in de geurverordening. De gemeente Dinkelland wil voor de door haar gewenste ruimtelijke ontwikkelingen, welke gebieden veelal grenzen aan het agrarisch buitengebied, rekening houden met de mogelijkheden van de Wet geurhinder en veehouderij, opdat in deze gebieden een acceptabel woon- en leefklimaat kan worden geboden. Tegelijkertijd is de wens dat veehouderijbedrijven voldoende ontwikkelingsmogelijkheden blijven behouden, zodat sprake blijft van voldoende toekomstperspectief voor deze ondernemers. Voorwaarde daarbij is dat moet worden aangetoond dat voor de geurgevoelige objecten in de gemeente de geurhinder acceptabel blijft. Met name is het uitgangspunt van deze geurgebiedsvisie dat binnen bestaande woonkernen en de nog te ontwikkelen woningbouwlocaties een goed woon- en leefklimaat dient te worden gegarandeerd.
De doelstelling van deze geurgebiedsvisie is als volgt gedefinieerd:
In deze geurgebiedsvisie moet naar voren komen dat een acceptabel woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd in de nog te ontwikkelen woningbouw- en bedrijvenlocaties als ook blijft gehandhaafd in bestaande kernen en dat veehouderijen voldoende uitbreidingsmogelijkheden blijven behouden
3 Wettelijk kader
3.1 WETTELIJK KADER: WET GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ
3.1.1 Geuremissie – vaste afstanden
De Wgv maakt onderscheid tussen dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld (intensief) en dieren waarvoor dat niet is gedaan en die te maken hebben met minimale vaste afstanden. Melkkoeien of paarden zijn bijvoorbeeld dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, maar vaste afstanden gelden. Dieren met een geuremissiefactor zijn bijvoorbeeld varkens en kippen. Voor veehouderijbedrijven met deze dieren geldt een geurnorm.
Hieronder worden deze twee groepen nader toegelicht:
Dieren zonder geuremissiefactor: dit betreffen de extensieve veehouderijen waar, net als onder de oude geurregelgeving, minimale vaste afstanden voor gelden ten opzichte van geurgevoelige objecten (hierna: geurgevoelig object). Deze zijn in artikel 4 van de Wgv vastgelegd. De afstanden zijn 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom.
Dieren met geuremissiefactor: dit betreffen de intensieve veehouderijbedrijven, waar normen in odours ter plaatse van geurgevoelige objecten voor gelden. De geuremissiefactoren zijn vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: Rgv) en worden uitgedrukt in odour units per seconde per dier (ouE/S/dier). In artikel 3 van de Wgv zijn vier standaardnormen opgenomen voor concentratiegebieden/niet-concentratiegebieden en voor bebouwde kom/buiten de bebouwde kom.
Voor de gemeente Dinkelland gelden normen van 3 ouE/S/m3 en 14 ouE/S/m3 voor objecten die respectievelijk binnen en buiten de bebouwde kom zijn gelegen.
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
3ouE /S/m3
14ouE /S/m3
Tabel 1: normstelling artikel 3 Wet geurhinder en veehouderij
Deze normstelling heeft te maken met de ligging van de gemeente Dinkelland in een concentratiegebied volgens bijlage 1 van de Meststoffenwet. De normstelling is uiteengezet in tabel 1 en houdt de maximale geurbelasting in, die ter plaatse van een geurgevoelig object is toegestaan. Bij vergunningverlening moet per individueel intensief veehouderijbedrijf worden getoetst aan deze normen.
gebieden Meststoffenwet (bron: bijlage 1 Meststoffenwet)
De gearceerde gebieden zijn de concentratiegebieden in het oosten en zuiden van ons land. De overige gebieden zijn de niet-concentratiegebieden.
Gevel tot gevel afstand
Naast bovengenoemde kaders volgens de artikelen 3 en 4 van de Wgv geldt voor zowel dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en dieren waarvoor dit niet is gedaan altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Deze afstanden zijn ten minste 50 meter in het geval een geurgevoelig object is gelegen binnen de bebouwde kom en 25 meter in het geval een geurgevoelig object is gelegen buiten de bebouwde kom. Deze afstanden zijn vastgelegd in artikel 5 van de Wgv.
3.1.2 Geurgevoelige objecten
In artikel 1 van de Wgv wordt een geurgevoelig object als volgt omschreven:
“een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt,
waarbij onder gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf, wordt verstaan: gebouw, dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van die wet daaronder mede begrepen, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van die wet of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid van de Wabo van het bestemmingsplan of van de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf.
Voornoemde definitie van een geurgevoelig object is aangepast en verduidelijkt als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet plattelandswoningen per 1 januari 2013. In de bestaande definitie van een geurgevoelig object stond al dat een geurgevoelig object niet alleen feitelijk voor wonen of verblijven moet zijn bedoeld, maar dat dit gebruik ook juridisch-planologisch moest zijn toegestaan. De aanvulling van de definitie in de Wgv verduidelijkt de juridisch- planologische status.
Gebouwen zijn bijvoorbeeld woningen, woonboten (met vaste ligplaats) en woonwagens (met vaste standplaats), maar ook andere gebouwen, zoals kantines of kantoren. Een terrein krijgt onder de Wgv geen bescherming.
In de bouwregelgeving is een gebouw: elk bouwwerk, dat:
•voor mensen toegankelijk is;
•overdekt is en
•helemaal of voor een deel met wanden omsloten moet zijn.
De Wgv maakt onderscheid in vijf typen geurgevoelig objecten. De reden voor dit onderscheid, is dat de Wgv in feite deze indeling maakt vanwege het beschermingsniveau voor de bewoners. Hieronder vindt u een schematisch overzicht van deze vijf typen geurgevoelige objecten en hun wettelijke beschermingsniveau met afwijkingsmogelijkheid.
Categorie geurgevoeligobject
Wettelijke geurnorm of wettelijke afstand binnen/buiten de bebouwde kom in een concentratiegebied
Wettelijke vindplaats
Afwijken mogelijk middels verordening
Ruimte voor ruimte woning
100en 50 meter
Artikel 14, lid 2
nee
Bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) bij een andere veehouderij
100en 50 meter
Artikel 3, lid 2 jo. artikel 6,
lid 3
50en 25 meter
Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object), die op of na 19 maart
2000 geen onderdeel meer was van een andereveehouderij
100en 50 meter
Artikel 14, lid 3 jo. artikel
6, lid 2
Onbeperkt afwijken van afstand mogelijk
Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object), die voor 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij
3en 14 odour en 100 en 50 meter
Artikel 3, lid 1 jo. artikel6,
lid 2
Onbeperkt afwijken van norm en afstand mogelijk
Alle overige woningen (en andere geurgevoeligobjecten)
3en 14 odour en 100 en 50 meter
Artikel 3, lid 1 jo. artikel 6,
lid 1 en
lid 3
0,1-14 odour en 50 meterbinnen bebouwde kom
3-35 odour en 25 meterbuiten de bebouwde kom
Tabel 2: 5 typen geurgevoelig objecten Wgv en hun beschermingsniveau en afwijkingsmogelijkheid middels verordening (bron: Handreiking geurhinder en veehouderij)
3.1.3 Voorgrond- en achtergrondbelasting
De voorgrondbelasting is de geurbelasting veroorzaakt door de voor dat geurgevoelig object dominante veehouderij die de meeste geurbelasting bij het geurgevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting veroorzaakt door alle veehouderijbedrijven in de omgeving van een geurgevoelig object. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting leidend is voor de geurhindersituatie, als deze groter is dan de helft van de achtergrondbelasting.
3.1.4 Geurbelasting en woon- en leefklimaat
In de Handreiking behorende bij de Wgv wordt geurhinder afkomstig van veehouderijen (dieren met geuremissiefactoren) vertaald naar een waarde voor het leefklimaat in een gebied. Deze waarde wordt beoordeeld door het percentage geurgehinderden en bepaalt de gevonden geurbelasting. De vertaling naar een waarde voor het leefklimaat is gesplitst in de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting. De geurhinder wordt bepaald uitgaande van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting in het gebied. In tabel 3 is de milieukwaliteit (woon- en leefklimaat) vertaald naar het percentage geurgehinderden in relatie tot de voor- en achtergrondbelasting en is een vertaling van de bijlagen 6 en 7 van de Handreiking behorende bij de Wgv.
Geurgehinderden
Milieukwaliteit (Woon- en leefklimaat)
Achtergrondbelasting
Voorgrondbelasting
< 5%
Zeer goed
0– 3 ouE /m3
0– 1,4 ouE /m3
5-10%
Goed
3– 8 ouE /m3
1,4 – 3,5 ouE /m3
10-15%
Redelijk goed
8– 13 ouE /m3
3,5 – 6,3 ouE /m3
15-20%
Matig
13– 20 ouE /m3
6,3 – 10 ouE /m3
20-25%
Tamelijk slecht
20– 28 ouE /m3
10– 14 ouE /m3
25-30%
Slecht
28– 38 ouE /m3
14– 19 ouE /m3
30-35%
Zeer slecht
38– 50 ouE /m3
19– 25 ouE /m3
35-40%
Extreem slecht
50– 65 ouE /m3
25– 32 ouE /m3
Tabel 3: Voorgrond- en achtergrondbelasting gekoppeld aan de mogelijke kans op geurhinder en een beoordeling van het leefklimaat (bron: bijlagen 6 en 7 van de oorspronkelijke Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij d.d. 1 mei 2007) in concentratiegebieden.
Voor veehouderijen waarvoor een vaste afstand geldt, is in de Handreiking behorende bij de Wgv geen link gelegd met een beoordeling van het leefklimaat. Gelet hierop is ook geen beoordeling van het leefklimaat te maken van dit type veehouderijen.
Het is aan de gemeente om te bepalen welke kwaliteit van het leefklimaat in een bepaald gebied wordt nagestreefd en daarmee acceptabel wordt gevonden. Deze keuze wordt onderbouwd in deze geurgebiedsvisie.
3.1.5 Bandbreedte geurverordening
Op grond van artikel 6 van de Wgv is de gemeenteraad bevoegd om bij gemeentelijke verordening binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere geurnormwaarde of andere vaste afstand vast te stellen, rekening houdend met de daar genoemde bandbreedte.
Categorie geurgevoeligobject
Wettelijke geurnorm ouE /m3
(artikel 3.115 Activiteiten-besluit en artikel 3 Wgv)
Bandbreedte gemeentelijke geurnorm ouE /m3
(artikel 3.118 Activiteiten-besluit en artikel 6 Wgv)
Bebouwde kom
3,0
0,1 – 14,0
Buiten de bebouwde kom
14,0
14,0 – 35,0
Categorie geurgevoeligobject
Wettelijke afstand
(artikel 3.117 Activiteiten-besluit en artikel 4 Wgv)
Afwijking vasteafstand
(artikel 3.118 Activiteiten-besluit en artikel 6 Wgv)
Bebouwde kom
100meter
50meter
Buiten de bebouwde kom
50meter
25meter
Tabel 4: wettelijke geurnormen en afstanden en bandbreedte verordening (bron: artikelen 3, 4 en 6 Wgv en artikelen 3.115, 3.117 en 3.118 van het Activiteitenbesluit)
3.1.6 Randvoorwaarden geurverordening
Bij het opstellen van andere waarden en/of afstanden in een geurverordening dienen in ieder geval de volgende aspecten te worden betrokken (artikel 8, lid 1 Wgv):
•de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied;
•het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging, en
•de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu.
Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met één van de volgende twee criteria (artikel 8, lid 2 Wgv):
•de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied, of
•de afwijkende relatie tussen geurbelasting en geurhinder.
De hierboven genoemde punten zijn betrokken bij het opstellen van deze geurgebiedsvisie. Zie hiervoor de hoofstukken 4.2 en verder. In de documenten die als basis hebben gediend voor deze geurgebiedsvisie zijn de hierboven genoemde punten behandeld. Daarnaast is deze geurgebiedsvisie behandeld vanuit de gewenste ruimtelijke inrichting van de gemeente Dinkelland, waarbij dit vooral van toepassing is op diverse woningbouwplannen en ruimtelijke plannen met betrekking tot de (verdere) ontwikkeling van bedrijventerreinen in of grenzend aan de kommen van de verschillende kernen in de gemeente.
Daarnaast mag volgens artikel 9 van de Wgv indien een andere waarde en/of afstand in een geurverordening wordt vastgesteld en het effect hiervan doorwerkt naar het grondgebied van een naburige gemeente(n), de gemeenteraad hiertoe slechts overgaan na overleg met die naburige gemeente(n). Het grondgebied waar deze geurverordening betrekking op heeft, is op een zodanige afstand van de aangrenzende gemeenten gelegen, dat het onaannemelijk is dat de geurverordening doorwerking heeft naar het grondgebied van deze gemeenten. Namelijk er worden in de geurverordening alleen andere waarden opgenomen voor de bebouwde kommen van de kernen, die op ruime afstand liggen van het grondgebied van de buurgemeenten en doorwerking naar het grondgebied van de aangrenzende gemeenten uit te sluiten is. Derhalve hoeft de gemeenteraad geen toepassing te geven aan artikel 9 van de Wgv.
4 Ruimtelijke relevante beleidsdocumenten
4.5 BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED 2010
4.5.1 Algemeen
Het Bestemmingsplan Buitengebied 2010 van de gemeente Dinkelland wil, binnen de randvoorwaarden die gelden vanuit onder meer het landschap, milieu, water en cultuurhistorie, aan bestaande functies ontwikkelingsruimte bieden en daarnaast inspelen op de toekomstige ontwikkelingen. Het gaat daarbij om zowel de bestaande functies, zoals de landbouw, als om nieuwe functies, zoals passende mogelijkheden voor vrijkomende agrarische bedrijven. In het bestemmingsplan is het relevante Europees, provinciaal en gemeentelijk beleid opgenomen.
Het plangebied omvat het hele buitengebied van de gemeente Dinkelland. De kernen Ootmarsum, Denekamp, Weerselo, Lattrop, Tilligte, Noord Deurningen, Rossum, Saasveld, Deurningen en het Stift blijven buiten het plangebied. Voor de kernen zijn aparte komplannen vastgesteld.
In het plan Buitengebied is een verdeling gemaakt in gebiedstypen
1Agrarisch met ondergeschikt landschappelijke waarden (agrarisch 1)
2Agrarisch met nevengeschikt landschappelijke en natuurlijk waarden (agrarisch 2)
3Natuur
De zoneringen van het reconstructieplan zijn hier over heen gelegd.
Figuur 4: plangebied Bestemmingsplan Buitengebied 2010 (bron: Bestemmingsplan Buitengebied 2010)
4.5.2 Agrarische bestemmingen
De agrarische bedrijven vormen een onderdeel van de twee agrarische gebiedsbestemmingen. Uitgangspunt voor het Bestemmingsplan Buitengebied 2010 is drie vormen van agrarische bedrijvigheid (grondgebonden bedrijven, intensieve veehouderijbedrijven en de gemengde bedrijven met een intensief en een grondgebonden deel) aan te duiden binnen de twee agrarische gebiedsbestemmingen ‘Agrarisch 1’ en ‘Agrarisch 2’. In de agrarische bestemmingen is voor de intensieve tak rekening gehouden met het Reconstructieplan Salland Twente.
Daarnaast bevat het Bestemmingsplan de volgende gebiedsbestemmingen: ‘Bos- en natuur’, ‘Water-1’ en ‘Water-2’. Hierna volgt voor de agrarische gebiedsbestemmingen een korte samenvatting.
‘Agrarisch 1’
Gronden met de bestemming ‘Agrarisch 1’ hebben als hoofdfunctie de uitoefening van de agrarische functie. De bescherming van het landschap is nevengeschikt aan het agrarisch gebruik.
Grondgebonden bedrijven
Nieuwvestiging van grondgebonden bedrijven wordt in specifieke gevallen toegestaan. Ten eerste als een landbouwer zijn landbouwbedrijf verplaatst voor het realiseren van publieke belangen. Ten tweede als een landbouwer op de huidige locatie geen ontwikkelingsmogelijkheden meer heeft, bijvoorbeeld door het ontbreken van verdere milieugebruiksruimte- en zijn bedrijf verplaatst naar een locatie met goede ontwikkelingsmogelijkheden. Nieuwvestiging is toegestaan binnen de gebiedsbestemming ‘Agrarisch 1’, uitgezonderd de waardevolle gebieden als de essen en de beekdalen.
Bestaande grondgebonden bedrijven waarvan het bebouwd oppervlak groter is dan 0,8 hebben binnen het bestemmingsplan de mogelijkheid om uit te breiden tot 1,5 ha. Een uitbreiding tot 2,5 ha is uitsluitend mogelijk binnen de gebiedsbestemming ‘Agrarisch 1’ met een wijzigingsmogelijkheid binnen het bestemmingsplan en gelegen buiten de EHS. Hier liggen specifieke overwegingen aan ten grondslag, die terug te lezen zijn in het bestemmingsplan zelf.
Intensieve bedrijven
Nieuwvestiging en uitbreiding van een intensief veehouderijbedrijf is niet toegestaan binnen een extensiveringsgebied volgens het Reconstructieplan Salland Twente, behalve ten behoeve van het dierenwelzijn (10% van het staloppervlak). Er is geen uitbreiding mogelijk van het aantal stuks vee. Ook is omzetting van een grondgebonden bedrijf naar een niet- grondgebonden bedrijf niet toegestaan binnen een extensiveringsgebied.
Uitbreiding van een intensief veehouderijbedrijf van het bouwperceel tot 3 ha is toegestaan binnen de landbouwontwikkelingsgebieden (hierna: LOG’s) en sterlocaties volgens het Reconstructieplan Salland Twente. Uitbreiding is alleen mogelijk onder strikte voorwaarden en is afhankelijk van de ruimtelijke mogelijkheden van het landschap ter plekke. Nieuwvestiging en hervestiging is uitsluitend toegestaan op een grondgebonden en gemengd bouwperceel.
Nieuwvestiging van een intensief veehouderijbedrijf is niet toegestaan in een verwevingsgebied volgens het Reconstructieplan Salland Twente. Wel mag een intensief veehouderijbedrijf zich vestigen op een niet-grondgebonden bestaand bouwperceel.
Uitbreiding van een intensief veehouderijbedrijf binnen een verwevingsgebied is mogelijk tot 1,5 ha.
Gemengd veehouderijbedrijf
Voor zowel het grondgebonden deel als het intensieve deel gelden dezelfde regels als voor de bedrijven met alleen een grondgebonden tak dan wel alleen een intensieve tak.
‘Agrarisch 2’
De gronden binnen de bestemming ‘Agrarisch-2’ bestaan uit een combinatie van functies. Deze gronden zijn in gebruik voor het uitoefenen van de agrarische functie in combinatie met het behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden. Binnen de gebiedsbestemming ‘Agrarisch-2’ is in principe dezelfde regeling opgenomen voor agrarische bedrijfsvoering als binnen de bestemming ‘Agrarisch-1’. Verschil is dat nieuwvestiging van agrarische bedrijven binnen de gehele gebiedsbestemming ‘Agrarisch-2’ niet is toegestaan.
Daarnaast is het verschil dat bij wijziging dan wel vergroting dit alleen mogelijk is tot maximaal 1,5 ha.
5 Ruimtelijke plannen gemeente Dinkelland
5.4 RUIMTELIJKE PLANNEN NOORD DEURNINGEN
5.4.1 Bestemmingsplan Noord-Deurningen, 3e fase
Noord-Deurningen heeft zich als dorp ontwikkeld aan de provinciale weg, de N342, ten noorden van de kern Denekamp en ligt op een steenworpafstand van de Duitse grens. De kern Noord-Deurningen telt op dit moment circa 1.050 inwoners.
Het bestemmingsplan ‘Noord-Deurningen, 3e fase’ is vastgesteld op 20 maart 2012 en biedt ruimte voor de bouw van maximaal 17 woningen. Het gaat hierbij om vrijstaande woningen en blokken van twee. Niet valt echter uit te sluiten dat er wijzigingen optreden in de aard van de woningen, echter voor de Wgv betreffen het hoe dan ook geurgevoelige objecten. Het plangebied ligt aan de noordwestzijde van Noord-Deurningen en wordt grofweg omsloten door de Gravenveen aan de noordzijde en de Pastoor Misdorpstraat en het Baveldspad aan de zuidzijde. Het plangebied omvat in totaal circa 1 ha.
De 17 te realiseren woningen grenzen aan de kern van Noord-Deurningen en worden evenals de kern van Noord-Deurningen beschouwd als een bebouwde kom in de zin van de Wgv.
Figuur 8: kern Noord-Deurningen met woningbouwplan, 3e fase bestemmingsplan Noord-Deurningen
5.4.2 Bestemmingsplan Noord-Deurningen, Johanninksweg
Het ‘Bestemmingsplan ‘Noord-Deurningen, Johanninksweg’ is vastgesteld op 16 april 2013 en biedt ruimte voor de bouw van een drietal vrijstaande, grondgebonden woningen. De 3 woningen worden gerealiseerd tussen de bestaande bebouwing binnen de bebouwde kom aan de Johanninksweg, aan de zuidzijde van Noord-Deurningen. Het plangebied wordt omgeven door woonbebouwing aan de noordwestzijde en een parkeerterreintje en groen aan de oost- en zuidzijde. Ten noorden van het plangebied zijn een kerk en school gevestigd. Het plangebied ligt verder in de nabijheid van de Nordhornsestraat (N342), die Denekamp en Nordhorn met elkaar verbindt.
De 3 te realiseren woningen grenzen aan de kern van Noord-Deurningen en worden evenals de kern van Noord-Deurningen beschouwd als een bebouwde kom in de zin van de Wgv.
5.7 BESTEMMINSGPLANNEN HET SPIKKERT, EERSTE EN TWEEDE FASE, WEERSELO
5.7.1 Bestemmingsplan Het Spikkert, eerste fase
Het ‘Bestemmingsplan Het Spikkert, eerste fase’ is door de gemeenteraad vastgesteld op 5 november 2013. De ontwikkeling van de eerste fase van Het Spikkert voorziet in de realisering van maximaal 17 woningen alsmede de handhaving van de bestaande woning op nummer 24. Langs de Legtenbergerstraat worden maximaal 8 woningen gerealiseerd. De overige woningen worden daarachter rond een hof gesitueerd.
5.7.2 Bestemmingsplan Het Spikkert, tweede fase
Het bestemmingsplan ‘Het Spikkert, tweede fase’ , dat is vastgesteld op 1 juli 2014, is door de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State op 4 februari 20015 vernietigd. De gemeente beraadt zich op de mogelijkheden om dit plangebied op korte termijn toch in ontwikkeling te kunnen nemen.
Samen met de kern van Weerselo vormen de woongebieden Het Spikkert, eerste en tweede fase een bebouwde kom in de zin van de Wgv.
Figuur 12: kern Weerselo met woningbouwplannen Het Spikkert, fase 1 en 2
5.8 RUIMTELIJKE PLANNEN DENEKAMP
5.8.1 Uitbreiding bedrijventerrein Sombeek Denekamp
De gemeenteraad heeft op 17 december 2013 het ‘Bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan is een herziening van een aantal verouderde bestemmingsplannen en betreft een conserverend plan waarin de bestaande situatie is vastgelegd. Het plangebied van ‘Bestemmingsplan Bedrijventerrein Denekamp’ is gelegen aan de noordoostzijde van de kern Denekamp en bestaat globaal uit een tweetal bedrijventerreinen, ‘Kloppendijk’ en ‘Sombeek’.
•bedrijventerrein ‘Kloppenbeek’ wordt globaal begrensd door de Brandehofweg, bos en agrarisch grasland aan de noordzijde, De Kloppendijk aan de westzijde, woonpercelen aan de zuidzijde en de Nordhornsestraat aan de oostzijde; het bedrijventerrein ‘Kloppenbeek’, met een omvang van ruim 19 ha, is het oudste bedrijventerrein binnen de kern Denekamp. Het terrein is in vier fasen ontwikkeld en is inmiddels volledig uitgegeven.
•bedrijventerrein ‘Sombeek’ ligt globaal aan de noordzijde van de Sombeekweg, in de oksel van deze weg en de Scandinavieroute. Het bedrijventerrein ‘Sombeek’ heeft een bruto oppervlak van circa 9,88 ha. Het terrein is in drie fasen ontwikkeld (Sombeek I, II en III) en is volledig uitgegeven.
In de ‘Integrale ontwikkelingsvisie bedrijventerreinen gemeente Dinkelland’ van november 2007 heeft de gemeente Dinkelland aangegeven dat uitbreiding van het bedrijventerrein Sombeek, genaamd ‘Sombeek IV’, wenselijk is. Het daarvoor benodigde bestemmingsplan wordt daarvoor nog opgestart. Op dit moment betreft het een zoekgebied vanuit de Structuurvisie Dinkelland. Sombeek IV ligt globaal tussen het bedrijventerrein Sombeek en de Scandinaviëroute.
5.8.2 Te ontwikkelen woningbouwgebieden oost- en zuidzijde Denekamp
De gemeente Dinkelland heeft in de Structuurvisie Dinkelland van 10 september 2013 voor de kern Denekamp de volgende visie weergegeven voor woningbouw:
‘woningbouw uitbreiding vindt plaats binnen de schil van de nieuwe randweg. De gebieden binnen de schil zijn aangewezen als zoekgebied voor de uitbreiding van woningbouw’
Deze zoekgebieden zijn in figuur 13 aangegeven aan de zuid- en oostzijde van de kern Denekamp.
Samen met de kern van Denekamp vormen de zoekgebieden voor wonen en de uitbreiding
van het bedrijventerrein ‘Sombeek IV’ een bebouwde kom in de zin van de Wgv.
Figuur 13: kern Denekamp met aan de noordoostzijde de uitbreiding van het bedrijventerrein ‘Sombeek IV’ en aan de zuid – en oostzijde de zoekgebieden voor woningbouw
5.9 RUIMTELIJKE PLANNEN DEURNINGEN
5.9.1 Bestemmingsplan Deurningen
De Koehorstmaat is het oudste bedrijventerrein van Deurningen en bevat voornamelijk plaatsgebonden bedrijvigheid. Aangrenzend aan dit terrein ligt het nieuwe bedrijventerrein ‘Veldzijde-West’. De bruto-oppervlakte van beide terreinen bedraagt in totaal circa 2,5 ha. Beide bedrijventerreinen zijn opgenomen in het bestemmingsplan ‘Deurningen’, vastgesteld op 29 januari 2013.
5.9.2 Bestemmingsplan Deurninger Es
De gemeente Dinkelland ontwikkelt ten zuiden van de kern Deurningen de woonwijk Deurninger Es Het betreffende bestemmingsplan is vastgesteld op 1 juli 2014 . Het is een wijk van beperkte omvang van circa 2 ha, waarvan een deel inbreiding en het grootste deel uitbreiding van het dorp behelst.
Samen met de kern van Deurningen vormt de uitbreiding van het bedrijventerrein ‘Veldzijde- West’ aan de noordkant en het uitbreidingsplan ‘Deurninger Es’ aan de zuidkant een bebouwde kom in de zin van de Wgv. Overigens is het te realiseren bedrijventerrein ‘Veldzijde- West’ reeds planologisch geregeld.
Figuur 14: kern Deurningen met het t te ontwikkelen bedrijventerrein Veld-West aan de noordkant en een nog nader uit te werkenwoongebied ‘Deurninger Es’ aan de zuidkant
6 Bebouwde kom Wet geurhinder en veehouderij
6.2 GEBIEDSINDELING – BEBOUWDE KOM
6.2.1 Woonkernen
De bestaande woonkernen Weerselo, Denekamp, Ootmarsum, Deurningen, Noord- Deurningen, Rossum, Saasveld, Lattrop en Tilligte zijn bebouwde kommen in de zin van de Wgv. Dit geldt evenzo voor de te ontwikkelen ruimtelijke plangebieden, volgens hoofdstuk 6 van deze geurgebiedsvisie, die grenzen aan voornoemde woonkernen.
Weerselo, Ootmarsum en Denekamp kunnen worden aangemerkt als de wat meer stedelijke woonkernen. Volgens de Structuurvisie zijn het de drie verzorgingskernen van de gemeente. De overige kernen zijn woongebieden, die een wat meer landelijk karakter hebben.
6.2.2 Lintbebouwing
Omdat in gebieden met lintbebouwing agrarische bouwblokken vaak grenzen aan woonpercelen leveren de wettelijke vaste afstanden en geurnormen vaak knelpunten op voor de aanwezige veehouderijbedrijven of de toekenning van nieuwe verblijfsfuncties aan naburige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Voor de gebieden met lintbebouwing wordt onderscheid gemaakt in open en dichte lintbebouwing.
6.2.3 Bungalowparken
Recreatie is naast landbouw de andere belangrijke economische pijler binnen de gemeente Dinkelland. Er is in de gemeente sprake van zowel grootschalige als kleinschalige accommodaties.
In welke gevallen moet een bungalowpark al dan niet worden aangemerkt als een gebied dat behoort tot de bebouwde kom in de zin van de Wgv? Dit is van belang om te kunnen bepalen welke mate van geurbescherming deze vakantiewoningen toekomt.
Om als geurgevoelig object te worden aangemerkt, moet het gaan om een gebouw, dat bedoeld is voor menselijk wonen/verblijf, maar ook qua aard, indeling en inrichting daarvoor geschikt zijn. Daarnaast is de mate van het gebruik mede bepalend. Er moet sprake zijn van een zekere continuïteit, zodanig, dat het gebruik min of meer een permanent karakter heeft. Het hoeft daarbij niet altijd om dezelfde personen te gaan, maar het kan ook gaan om een vakantiepark dat het hele jaar door wordt verhuurd aan verschillende personen. Ook in dat geval kan een vakantiewoning of stacaravan een geurgevoelig object zijn.
Binnen de gemeente Dinkelland zijn 9 vakantieparken met vakantiewoningen , die gedurende een groot deel van het jaar in gebruik zijn voor menselijk wonen dan wel verblijf. Ook aan alle andere criteria wordt voldaan, zodat de vakantiewoningen op deze 9 vakantieparken als geurgevoelig object kunnen worden aangemerkt. Gelet op het aantal vakantiewoningen, zijn de in tabel 5 genoemde vakantieparken op zichzelf geen bebouwde kom in de zin van de Wgv. Bovendien is de ligging van de vakantieparken zodanig, dat deze worden omgeven door landbouwgrond(en) en/of bos en tevens niet direct grenzen aan één van de woonkernen en derhalve kan ook in die zin niet worden gesproken over een bebouwde kom in de zin van de Wgv.
Bungalowpark
Aantal vakantiewoningen
Binnenof buiten bebouwde kom in de zin van de Wgv
Bareldsdennen
126
Buitengebied
Park Saterslo
126
Buitengebied
Kleikoel
26
Buitengebied
De Witte Berg
14
Buitengebied
De Papillon
23
Buitengebied
Bij de Bronnen
4
Buitengebied
Rammelbeek
0
Buitengebied
Bergvennen
0
Buitengebied
De Haar
0
Buitengebied
Tabel 5: overzicht bungalowparken in relatie tot de Wet geurhinder en veehouderij
6.2.4 Bedrijventerreinen
De te ontwikkelen bedrijventerreinen ‘Sombeek IV’ en ‘De Mors IV’ en ‘Veldzijde-West’ zijn gebieden die tot een bebouwde kom in de zin van de Wgv worden gerekend. Deze gebiedsdelen grenzen respectievelijk aan de woonkernen Denekamp en Ootmarsum.
7 Van Quickscan naar Geurgebiedsvisie
7.2 SAMENVATTING QUICKSCAN
7.2.1 Inleiding
In de Quick Scan is onderzoek gedaan naar de huidige en toekomstige geursituatie binnen de gemeente Dinkelland. Onderzocht is of er knelpunten aanwezig zijn, waarbij de focus lag op de gebieden waar de gemeente ruimtelijke ontwikkelingen heeft gepland.
Met behulp van de actuele milieuvergunde dan wel gemelde situaties van de binnen de gemeente aanwezige veehouderijbedrijven is de geurbelasting berekend op met name geurgevoelige objecten van de te ontwikkelen gebieden, zodat duidelijk werd of er sprake is van geurtechnische knelpunten. In de berekening zijn de bedrijven meegenomen met dieren met geuremissiefactoren. Voor bedrijven met dieren zonder geuremissiefactoren gelden vaste minimale afstanden tot geurgevoelige objecten. Derhalve kan voor deze bedrijven niet de geurbelasting in beeld worden gebracht met het programma V-Stacks Gebied.
Kernvragen in het onderzoek van de Quick Scan waren:
•zijn er geurtechnische knelpunten; en
•welke andere waarden of afstanden dan de wettelijke volgens de Wgv zijn wenselijk om eventuele knelpunten op te heffen;
•en wat is het effect van de aangepaste waarden en afstanden.
Knelpunten bestaan als:
•gewenste ruimtelijke ontwikkelingen met de wettelijke waarde/afstand niet mogelijk is;
•het woon- en leefklimaat niet passend is bij de aard van de omgeving;
•veehouderijbedrijven onnodig in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd.
7.2.2 Uitgangspunten
Veehouderijbedrijven
In het onderzoek van de Quick Scan is de geurbelasting onderzocht van 351 veehouderijbedrijven, waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden en 219 veehouderijbedrijven die te maken hebben met vaste minimale afstanden.
Naast de 351 veehouderijbedrijven die geheel of deels een intensieve tak hebben, zijn ook 63 intensieve veehouderijbedrijven meegenomen, die zijn gelegen binnen een straal van 2 km in de aan de gemeente Dinkelland grenzende gemeenten Tubbergen, Borne, Oldenzaal en Losser. De binnen een straal van 2 km in Duitsland gelegen intensieve veehouderijbedrijven zijn in overleg met de gemeente in dit onderzoek niet meegenomen.
Geurgevoelige objecten
Voor wat betreft de ingevoerde geurgevoelige objecten in het programma V-Stacks Gebied zijn niet alle objecten meegenomen, maar alleen de meest representatieve objecten, die zijn gelegen aan de randen van de bebouwde kommen/kernen en ruimtelijke plangebieden. Buiten de bebouwde kommen zijn alle verspreid liggende geurgevoelige objecten meegenomen in het onderzoek van de Quick Scan.
Onderzoek/berekening geurbelasting intensieve veehouderijbedrijven V-Stacks Gebied
Alleen bedrijven met dieren met een geuremissiefactor kunnen worden meegenomen in de berekening van de geurbelasting met het programma V-Stacks-Gebied. De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per seconde per dier. De maximaal toegestane waarde c.q. geurbelasting is voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom 3 ouE/S/dier en voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom is dit 14 ouE/S/dier. Zijn de berekende waarden hoger, dan is er sprake van een knelpunt.
Met behulp van het programma V-Stacks Gebied is zowel de individuele voorgrondbelasting als de gecumuleerde geurbelasting, de achtergrondbelasting, in beeld gebracht van zowel de vergunde milieusituaties als van de maximaal toegestane situaties volgens de maximale waarden van 3 en 14 ouE/S/dier volgens artikel 3, lid 1 van de Wgv.
Onderzoek extensieve veehouderijbedrijven met minimale vaste afstanden
Er heeft een inventarisatie plaatsgevonden om te bepalen hoeveel grondgebonden veehouderijbedrijven er zijn gelegen binnen 100 meter van geurgevoelige objecten gelegen binnen de bebouwde kom en binnen 50 meter van geurgevoelige objecten in het buitengebied.
De knelpunteninventarisatie ten aanzien van de grondgebonden veehouderijbedrijven heeft plaatsgevonden door een buffer te tekenen van 50 of 100 meter rondom het bouwblok van de veehouderijbedrijven en is afhankelijk of er sprake is van een gebied dat wel of niet tot de bebouwde kom moet worden gerekend volgens de Wgv. Op deze manier worden de rechten van het agrarische bouwblok gerespecteerd. In het geval binnen de geurcontouren van 50 meter of 100 meter geurgevoelige objecten zijn gelegen, is er sprake van een knelpunt.
7.2.3 Resultaten Quick Scan intensieve veehouderijbedrijven
Uit de Quick Scan kwam naar voren dat de huidige c.q. milieuvergunde/gemelde situaties van de veehouderijbedrijven in en nabij de kernen Weerselo, Saasveld, Agelo, Ootmarsum, Tilligte, Denekamp en Deurningen, inclusief de ruimtelijke plangebieden, knelpuntsituaties laten zien. Er is sprake van een knelpuntsituatie als de waarden van 3 ouE/S/m3 en 14 ouE/S/m3 worden overschreden voor respectievelijk geurgevoelige objecten binnen en buiten een bebouwde kom in de zin van de Wgv. De hiervoor genoemde kernen zijn bebouwde kommen volgens de Wgv waar de wettelijke waarde van 3 ouE/S/m3 van toepassing is.
Kernen
Voorgrondbelasting
Milieukwaliteit
Weerselo
3-8 ouE /m3
Matig tot goed
Saasveld
6-7 ouE /m3
Matig tot redelijk goed
Ootmarsum
5ouE /m3
Redelijk goed
Tilligte
3-4 ouE /m3
Redelijk goed tot goed
Denekamp
4ouE /m3
Redelijk goed
Deurningen
3-4 ouE /m3
Redelijk goed tot goed
Tabel 6: knelpuntsituaties - milieukwaliteit voorgrondbelasting afkomstig van de intensieve veehouderij, Quick Scan 2013
De in tabel 6 genoemde waarden betreffen knelpuntsituaties, omdat de waarden in de betreffende gebieden hoger zijn dan de toegestane maximale norm van 3 ouE/S/m3 volgens artikel 3, lid 1 van de Wgv. De hier genoemde kernen zijn bebouwde kommen in de zin van de Wgv. De berekende waarden laten in zijn algemeenheid overigens een woon- en leefklimaat zien van redelijk goed tot goed. Alleen in de kernen Weerselo en Saasveld is het woon- en leefklimaat gedeeltelijk matig te noemen. Dit betreft het woon- en leefklimaat gebaseerd op de individuele geurbelasting, de voorgrondbelasting.
Naast de individuele voorgrondbelasting is ook de gecumuleerde geurbelasting – achtergrondbelasting - berekend van zowel de huidige situatie (geuremissies volgens de verleende milieuvergunningen/omgevingsvergunningen of melding Activiteitenbesluit) en de maximaal toegestane situatie. Onder de maximaal toegestane situatie wordt verstaan de geursituatie die het veehouderijbedrijf maximaal mag benutten volgens de wettelijke geurnormen van 3 en 14 ouE/S/dier volgens artikel 3, lid 1 van de Wgv.
Indien alle veehouderijbedrijven de geboden geurruimte maximaal gaan opvullen (worst-case), laten de berekeningen van de achtergrondbelasting een toename zien van 25-40%. De berekende achtergrondbelasting laat in beide varianten op met name de geurgevoelige objecten in de wijken aan de randen van de woonkernen, buurtschappen en lintbebouwingen een waarde zien van 4-8 ouE/S/m3, met aan de randen een berekende waarde van maximaal 8 ouE/S/m3. Dit betekent dat het woon- en leefklimaat in de onderzochte gebieden redelijk goed tot goed is te noemen.
Gebieden
Achtergrondbelasting
Milieukwaliteit
Kernenen ruimtelijke plangebieden1
4-8 ouE /m3
Redelijk goedtot goed
Randenkernen en ruimtelijke plangebieden1
8ouE /m3
Redelijk goedtot goed
Tabel 7: milieukwaliteit achtergrondbelasting afkomstig van de intensieve veehouderij, Quick Scan 2013
7.2.4 Resultaten Quick Scan extensieve veehouderijbedrijven
Uit de Quick Scan kwam naar voren dat de vaste afstand-geurcontouren van de veehouderijbedrijven met dieren zonder geuremissiefactoren knelpuntsituaties laten zien. Er is bij deze bedrijven sprake van een knelpuntsituatie als de vaste afstand-geurcontour over het te toetsen gebied ligt. Voor geurgevoelige objecten in bebouwde kommen is deze contour 100 meter en daarbuiten is de contour 50 meter, gerekend vanaf het bouwblok. Hierna valt in tabel 8 het aantal knelpuntsituaties af te lezen.
Geurgevoelige objecten
Aantal
Bebouwde kom, kernen
20
Ruimtelijke plangebieden
1Ruimtelijke plangebieden volgens hoofdstuk 6 van de geurgebiedsvisie
8
Buitengebied
42
Tabel 8: knelpuntsituaties afkomstig van de extensieve veehouderij, Quick Scan 2013
7.2.5 Aanbevelingen gemeentelijk geurbeleid, Quick Scan
De resultaten van de Quick Scan vormden voor de gemeente Dinkelland voldoende aanleiding om verder onderzoek te doen naar de mogelijkheid om andere waarden en/of vaste minimale afstanden vast te stellen middels een gemeentelijke geurverordening. Het gaat daarbij vooral om andere waarden en/of vaste minimale afstanden in of nabij de te ontwikkelen ruimtelijke plangebieden volgens hoofdstuk 6 van deze geurgebiedsvisie.
De berekende voorgrondbelasting in de gebieden volgens tabel 6 van paragraaf 8.1.3 ligt in een range van 3-8 ouE/S/m3 en de berekende achtergrondbelasting ligt in een range van 4-8 ouE/S/m3. Vooral aan de randen van de bestaande woonwijken en de te ontwikkelen ruimtelijke plangebieden leverde dit knelpunten op.
De twee berekende waarden zijn geurtechnisch met elkaar vergeleken en leverde in de Quick Scan van 2013 tot de volgende aanbevelingen:
•de wettelijke waarde van 3 ouE/S/m3 voor de woonkernen en de te ontwikkelen ruimtelijke plangbieden, die grenzen aan de woonkernen, nader te onderzoeken;
•de wettelijke waarde van 14 ouE/S/m3 voor het buitengebied te handhaven.
Voor wat betreft de knelpuntsituaties afkomstig van veehouderijbedrijven met dieren zonder geuremissiefactoren (vaste minimale afstanden) leverde dit in de Quickscan tot de volgende aanbeveling:
•de wettelijke vaste minimale afstanden van 100 en 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten, gelegen binnen en buiten een bebouwde kom, te verkleinen naar respectievelijk 50 en 25 meter.
8 Geurverordening – geurgebiedsvisie
8.2 OMGEKEERDE WERKING
8.2.1 Omgekeerde werking, belang veehouderijbedrijf
Een veehouderijbedrijf mag niet in zijn belangen worden geschaad. Bouwen binnen een geurcontour is een inbreuk op het vergund recht van een veehouder en beperkt de uitbreidingsmogelijkheden van het veehouderijbedrijf binnen de reeds gebruikte milieuruimte. Dit is de reden dat in deze toets in beginsel moet worden gemeten vanaf de randen van het bouwblok van de veehouderijbedrijven. Als het veehouderijbedrijf toch, om andere redenen, al niet meer kan uitbreiden, dan mag de grens van de bebouwing worden genomen of een bestaand emissiepunt.
De veehouderij heeft twee belangen: voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en indien hij concrete uitbreidingsplannen heeft, deze ook te realiseren.
8.2.2 Omgekeerde werking, belang geurgevoelig(e) object(en)
Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
Bij veehouderijbedrijven met dieren met geuremissiefactoren kan dit aan de hand van de voor- en achtergrondbelasting en de daarmee te verwachten geurhinder worden bepaald. Bij veehouderijbedrijven die moeten voldoen aan vaste minimale afstanden ligt dit anders. De wetgever heeft in artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit en artikel 4 van de Wgv aangegeven dat vaste minimale afstanden moeten worden aangehouden van 100 meter en 50 meter tot geurgevoelige objecten, die zijn gelegen binnen en buiten een bebouwde kom in de zin van de Wgv. Wanneer deze vaste afstanden in acht worden genomen, betekent het dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Daarbij heeft de wetgever voor deze veehouderijbedrijven de mogelijkheid geboden om deze afstanden maximaal te halveren.
8.3 VERVOLGONDERZOEK GEURVERORDENING – EXTENSIEVE VEEHOUDERIJBEDRIJVEN
8.3.1 Knelpuntsituaties - vaste afstandseisen
Bestaande kernen en ruimtelijke plangebieden
In het vervolgtraject zijn in totaal 16 knelpunten aangetroffen bij de bestaande kernen en de ruimtelijke plangebieden. In de Quickscan 2013 waren dit nog 28 knelpunten.
Van deze 16 knelpunten kunnen in beginsel 14 knelpunten worden opgelost als de wettelijke vaste minimale afstand van 100 meter wordt verkleind naar minimaal 50 meter. Bij 2 van deze 14 op te lossen knelpunten zal dan ook de 50 meter afstandscontour over een klein deel van het plangebied lopen.
Deze knelsituaties hebben betrekking op de volgende gebieden:
•bedrijventerrein ‘De Mors IV’, de contour loopt een klein gedeelte over een gebied waar geen geurgevoelige objecten zijn of worden gepland;
•het gebied met bestaande woningen aan de noordzijde van Rossum. De contour loopt over c.q. scheert net langs één van de woningen in dit gebied.
De 2 knelpunten die bij afstandsverkleining naar 50 meter niet op te lossen, zijn de knelpunten bij de volgende gebieden:
•de bestaande woonkern aan de noordoostzijde van Saasveld;
•het woningbouwplan ‘Deurninger-Es’.
Voor de bestaande woonkern in Saasveld lost de afstandsverkleining niets op. Het knelpunt bij het woningbouwplan “Deurninger-Es’ dient op individueel niveau (van het veehouderijbedrijf) opgelost te worden, dan wel bij de ontwikkeling van het betreffende plangebied.
Buitengebied
In totaal voldoen 58 veehouderijen niet aan de afstandseis van 50 meter die in acht moet worden genomen voor geurgevoelige objecten in het buitengebied. Door afstandsverkleining naar 50 en naar 25 meter worden, met uitzondering van 1 knelpunt, alle andere knelpunten opgelost.
8.3.2 Mogelijkheden ontwikkeling grondgebonden veehouderijbedrijven
Door verkleining van de vaste afstanden wordt weer een mogelijkheid gecreëerd voor verdere ontwikkeling van bestaande bedrijven. Een bijkomend aspect is dat door de schaalvergroting in de agrarische sector de verwachting is dat een aantal veehouderijbedrijven zullen stoppen in de komende jaren. Voor de vrijkomende bebouwing of cultuurhistorische waardevolle bebouwing zal soms een geurgevoelige bestemming gewenst zijn, zoals een woonfunctie of een recreatieve functie. Hierdoor ligt de afstand tussen landbouwpercelen en woonpercelen op een aantal plaatsen onder de vereisten van de Wgv en het Activiteitenbesluit. De volwaardige en duurzame (melk)rundveebedrijven kunnen dan niet meer uitbreiden in dieraantallen, omdat de bestaande stal op te korte afstand van de naburige woning staat.
In de bebouwde kom bedraagt de wettelijke afstand 100 meter en in het buitengebied bedraagt de wettelijke afstand 50 meter.
In het verleden waren de vaste afstandsmaten kleiner. Zo gold een afstandsmaat van 50 meter voor alle melkrundveehouderijen. Een uitzondering hierop gold voor melkrundveehouderijen die al waren opgericht voor 1 augustus 1991 en waarin maximaal 50 stuks melkrundvee werden gehouden. In dat geval gold een minimale afstandsmaat van 25 meter. In of aan de rand van een bebouwde kom was op grond van het toenmalige Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer een afstand van 50 meter toegestaan, terwijl deze afstand nu 100 meter moet zijn. Dit betrof voor melkrundveebedrijven tot 100 stuks melkrundvee. De aangetroffen knelpuntsituaties zijn derhalve veelal historisch gegroeide situaties, die vanuit eerdere regelgeving destijds wel waren toegestaan.
8.3.3 Woon- en leefklimaat vaste afstand-geurcontouren
De wettelijke vaste minimale afstand van 100 meter binnen een bebouwde kom mag worden verkleind tot minimaal 50 meter. De wettelijke minimale afstand voor het buitengebied bedraagt 50 meter en mag worden verkleind tot minimaal 25 meter. Er kan op grond hiervan worden gesteld dat 50 meter de uiterste grens is om geurhinder te voorkomen binnen de bebouwde kom en dat 25 meter de uiterste grens is in het buitengebied. De wetgever vindt het verantwoord om de wettelijke afstanden maximaal te kunnen halveren middels een gemeentelijke geurverordening. Zelfs met deze gehalveerde afstandsmaten kan de gemeenteraad bepalen dat nog steeds sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Bovendien wordt dan ook nog steeds voldaan aan de gevel-tot gevel afstand volgens artikel 5 Wgv.
8.3.4 Conclusie geuronderzoek vaste afstand-geurcontrouren
De gemeente Dinkelland is van mening dat de wettelijke vaste minimale afstanden in de meeste gevallen toereikend zijn en dat alleen voor de knelpuntsituaties een handreiking wordt gedaan, rekening houdend met de uitgangspunten van de Wgv en een voldoende woon- en leefklimaat. Er wordt daarom geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de wettelijke vaste minimale afstanden algeheel te halveren middels een geurverordening. De gemeente Dinkelland kiest ervoor om in voorkomende gevallen op inrichtingsniveau de aangetroffen knelpuntsituaties op te lossen dan wel te beheersen met toepassing van de bestaande wet- en regelgeving. Uitzondering hierop zijn die bedrijven die op slot zitten vanwege geurgevoelige objecten, die nu reeds binnen de wettelijke vaste minimale afstanden zijn gelegen, gerekend vanaf het emissiepunt (dit zijn bij extensieve veehouderijbedrijven de stallen). Van deze laatste categorie worden met een geurverordening de wettelijke afstanden gehalveerd naar 25 meter (buitengebied) en 50 meter (bebouwde kom), met als voorwaarde dat een eventuele toekomstige uitbreiding wel plaatsvindt buiten de wettelijke vaste minimale afstanden van 50 meter (buitengebied) en 100 meter (bebouwde kom). Onder ‘toekomstige uitbreiding’ wordt verstaan, die uitbreiding, die plaatsvindt na de datum van inwerkingtreding van de geurverordening. Met deze maatregel, die geborgd wordt in de geurverordening, is er nog steeds sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat (artikel 6, derde lid Wgv maakt immers maximale halvering bij geurverordening mogelijk), waarbij ook voor veehouderijbedrijven nog voldoende ontwikkelingsmogelijkheden blijven bestaan voor de toekomst.
8.4 VERVOLGONDERZOEK GEURVERORDENING – INTENSIEVE VEEHOUDERIJBEDRIJVEN
8.4.1 Grens-, richt- en streefwaarde geurhinderpercentages
Het geurbeleid voor industriële bedrijven is uiteengezet in een brief van de Minister van VROM van 30 juni 1995, die is opgenomen in de Nederlandse EmissieRichtlijn lucht (NeR). Met deze brief als basis, wordt als richtwaarde voor geurhinder doorgaans 12% gehinderden toegepast, als bovenwaarde 20% gehinderden en 3% als streefwaarde (wat overeenkomt met ‘geen hinder’). Hoewel de veehouderijsector niet zonder meer te vergelijken is met de industriële sector, wordt voor normering van geurhinder afkomstig van veehouderijbedrijven veelal aangesloten bij deze waarden.
Deze geurhinderpercentages komen overeen met de volgende milieukwaliteitscriteria:
Geurhinderpercentage
Milieukwaliteit (Woon- en leefklimaat)
Achtergrondbelasting
Voorgrondbelasting
3%
Zeer goed
1,5 ouE /m3
< 1 ouE /m3
12%
Redelijk goed
10ouE /m3
5ouE /m3
20%
Matigtot tamelijk slecht
20ouE /m3
10ouE /m3
Tabel 9: milieukwaliteitscriteria – grens-, richt- en streefwaarde geurhinderpercentagesconcentratiegebied (bron: bijlagen 6 en 7 van de oorspronkelijke Handreiking Wet geurhinder enveehouderij d.d. 1 mei 2007)
8.4.2 Kaarten – geurcontouren bebouwde kommen
Hierna zijn de kaarten afgebeeld van de knelpuntpuntsituaties die uit het onderzoek naar voren komen, gebaseerd op de wettelijke waarde van 3 ou/E/m3.
Figuur 17: één knelpuntsituatie woningbouwplan ‘Het Spikkert’ nabij de kern Weerselo van bedrijf aan de Siemertsteeg 5 teWeerselo.
Figuur 18: één knelpuntsituatie kern Tilligte; knelpunt (nog) niet opgelost, veehouder (Kerkweg 38 in Tilligte) neemt deel aan de stoppersregeling.
Figuur 19: één knelpuntsituatie plan ontwikkeling bedrijventerrein ‘De Mors IV’, direct grenzend aan de kern Ootmarsum.
Geurbelasting afkomstig van het veehouderijbedrijf aan de Ottershagenweg 3 te Oud-Ootmarsum.
Figuur 20: één knelpuntsituatie woonwijk ‘Diezelkamp’ in de kern Saasveld van bedrijf Koninksweg 20 te Saasveld
8.4.3 Milieukwaliteit geurbelasting huidige situatie
In de hierna volgende tabel 10 is een vertaalslag gemaakt naar de milieukwaliteit in relatie tot de berekende waarden met als uitgangspunt de actuele situaties volgens een milieu- of omgevingsvergunning of een melding Activiteitenbesluit van de intensieve veehouderijbedrijven dan wel van de gemengde bedrijven met een intensieve tak. Het gaat om de voor- en achtergrondbelasting en de verwachte geurhinder daarvan volgens de huidige situatie. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de milieukwaliteit als deze hoger is dan de helft van de achtergrondbelasting. Uit de gegevens van tabel 10 kan worden afgeleid dat over het algemeen het woon- en leefklimaat qua geur van dierenverblijven van veehouderijbedrijven zeer goed tot goed is te noemen. Alleen in de bestaande woonkern Ootmarsum is een woon- en leefklimaat aanwezig van zeer goed tot matig. De oorzaak hiervoor kan gevonden worden in de methodiek van berekening van de geurbelasting. Zie hiervoor de opmerking onder tabel 11 op blz 64.
Gebied
Milieukwaliteit (Woon- en leefklimaat)
Achtergrondbelasting in
ouE/m3
Voorgrondbelasting in
ouE/m3
Lattrop, bestaand
Zeer goed-goed
0– 4 ouE /m3
0– 3 ouE /m3
Lattrop, plan
Zeer goed-goed
2– 4 ouE /m3
0– 3 ouE /m3
Tilligte, bestaand
Zeer goed-goed
0-8 ouE /m3
3-8 ouE /m3
Tilligte, planTilligte-West
Goed
4-8 ouE /m3
0– 3 ouE /m3
Ootmarsum, bestaand
Zeer goed-matig
0-20 ouE /m3
0-4 ouE /m3
Ootmarsum, De Mors IV
Zeer goed-goed
2-4 ouE /m3
0-5 ouE /m3
Ootmarsum, Brookhuis
Zeer goed-goed
0-4 ouE /m3
0-3 ouE /m3
Denekamp, bestaand
Zeer goed-goed
0-4 ouE /m3
0– 3 ouE /m3
Denekamp, plannen
Zeer goed
< 2 ouE /m3
0-3 ou E/m3
Noord-Deurningen, bestaand
Zeer goed-goed
0-4 ouE /m3
3-4 ouE /m3
Noord-Deurningen, plan
‘Noord-Deurningen’
Zeer goed-goed
0-4 ouE /m3
0– 3 ouE /m3
Noord-Deurningen,plan Johanninksweg
Zeer goed-goed
2-4 ou E/m3
3-4 ouE /m3
Rossum, bestaand
Zeer goed
< 2 ouE /m3
0– 3 ouE /m3
Rossum, plannoordzijde
Zeer goed
< 2 ouE /m3
0– 3 ouE /m3
Weerselo, bestaand
Zeer goed-matig
0-20 ouE /m3
0– 3 ouE /m3
Weerselo, plan noordzijde
Zeer goed-goed
0-4 ouE /m3
3ouE /m3
Saasveld, bestaand
Zeer goed-goed
0-8 ouE /m3
3ouE /m3
Saasveld, plan Diezelkamp
Zeer goed-goed
0-8 ouE/m3
6-7 ouE /m3
Deurningen, bestaand
Zeer goed-goed
0-4 ou E/m3
0– 3 ouE /m3
Deurningen, plan ‘Noord-Deurningen’
Zeer goed-goed
0-4 ouE /m3
0– 3 ouE /m3
Deurningen, plan
‘Deurninger Es’
Zeer goed-goed
0-4 ouE /m3
3ouE /m3
Tabel 10: milieukwaliteit – geurbelasting huidige situatie
8.4.4 Advies GGD Twente GES-methodiek
Uit de LOG-visie wordt duidelijk dat gezondheid een belangrijk issue is voor de gemeente Dinkelland. De gemeente heeft de GGD Twente gevraagd om ten behoeve van de LOG-visie een gezondheidsadvies op te stellen. In het advies maakt de GGD geen onderscheid in intensieve of extensie veehouderijbedrijven. Echter in de Wgv hebben de waarden uitgedrukt in odours alleen betrekking op veehouderijbedrijven met dieren met geuremissiefactoren, de intensieve veehouderijbedrijven. Het advies van de GGD kan als volgt worden samengevat voor wat betreft de geurbelasting uitgedrukt in odours.
‘De GGD wil 6 ouE/m3 als grenswaarde hanteren. De GGD neemt hierbij de methodiek van de Gezondheids Effect Screening (hierna: GES) als uitgangspunt. De milieubelasting van een bepaalde activiteit (bijvoorbeeld de hoogte van de geurbelasting) wordt uitgedrukt in een GES- score. De GES-score geeft een milieugezondheidskwaliteit weer van zeer goed tot zeer onvoldoende. De voorgestelde grenswaarde van 6 ouE/m3 staat gelijk aan de milieukwaliteit onvoldoende volgens deze GES-score. De GGD gaat ervan uit dat boven de 6 ouE/m3 een verhoogde kans bestaat op geurhinder in de directe omgeving.
De gemeente Dinkelland kent grote waarde toe aan de volksgezondheid en wil daarom de geurnorm niet verder verhogen dan 6 odours. Er heeft daarom een doorrekening plaatsgevonden van de geurbelasting wanneer voor de bebouwde kommen inclusief de ruimtelijk te ontwikkelen plangebieden de aangepaste waarde van 6 ouE/m3 wordt gehanteerd in plaats van de wettelijke waarde van
3ouE/m3.
8.4.5 Milieukwaliteit geurbelasting toekomstige situatie(s)
In de hierna volgende tabel 11 is een vertaalslag gemaakt naar de milieukwaliteit in relatie tot de berekende waarden met als uitgangspunt de toekomstige situatie van de intensieve veehouderijbedrijven dan wel van de gemengde bedrijven met een intensieve tak. Het gaat om de achtergrondbelasting en de verwachte geurhinder daarvan volgens de maximale situatie.
Dit is de situatie wanneer de veehouderijbedrijven de geurruimte maximaal gaan opvullen tot de wettelijke waarde van 3 ouE/m3. Daarnaast is inzichtelijk gemaakt wat de milieukwaliteit is van een gebied wanneer het advies van de GGD wordt gevolgd. In beide situaties is er geen verschil in geurbelasting versus milieukwaliteit; dit geldt voor alle gebieden (bestaande woonkernen en de ruimtelijk te ontwikkelen plangebieden).
Gebied
Milieukwaliteit huidigesituatie
Milieukwaliteit bij
3
waarde 3 ouE/m
Milieukwaliteit bij waarde 6
3
ouE/m in geurverordening
Lattrop, bestaand
Zeer goed-goed
Goed-redelijk goed
Goed-redelijk goed
Lattrop, plan
Zeer goed-goed
Goed-redelijk goed
Goed-redelijk goed
Tilligte, bestaand
Zeer goed-goed
Goed-matig
Goed-matig
Tilligte, planTilligte-West
Goed
Goed-matig
Goed-matig
Ootmarsum, bestaand
Zeer goed-matig
Zeer goed-matig
Zeer goed-matig
Ootmarsum, De Mors IV
Zeer goed-goed
Goed-matig
Goed-matig
Ootmarsum, Brookhuis
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Denekamp, bestaand
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Denekamp, plannen
Zeer goed
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Noord-Deurningen, bestaand
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Noord-Deurningen, plan
‘Noord-Deurningen’
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Noord-Deurningen,plan Johanninksweg
Zeer goed-goed
Goed
Goed
Rossum, bestaand
Zeer goed
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Rossum, plannoordzijde
Zeer goed
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Weerselo, bestaand
Zeer goed-matig
Zeer goed-matig
Zeer goed-matig
Weerselo, plan noordzijde
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Saasveld, bestaand
Zeer goed-goed
Zeer goed-matig
Zeer goed-matig
Saasveld, plan Diezelkamp
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Deurningen, bestaand
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Deurningen, plan ‘Noord-Deurningen’
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Deurningen, plan
‘Deurninger Es’
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Zeer goed-goed
Tabel 11: milieukwaliteit – toekomstige situatie(s)
Opmerking. De geurbelasting is berekend met het programma V-Stacks gebied. Dit programma berekent de verspreiding van geur vanuit meerdere veehouderijbedrijven in het gebied c.q. binnen het rekenmodel gedefinieerde raster. Het raster is opgebouwd uit gridpunten. Op deze gridpunten wordt de geurbelasting berekend. Het maximaal aantal gridpunten voor het gehele raster bedraagt 2.500.
Bij de berekening van de achtergrondbelasting is gekozen voor een raster met 2.500 gridpunten dat het hele grondgebied van de gemeente Dinkelland beslaat. Bij de berekening van de voorgrondbelasting is gekozen voor een verfijning van een raster ook weer met 2.500 gridpunten dat uitsluitend het gebied rondom de betreffende veehouderij beslaat.
Als de afstand tussen de gridpunten groter is, zoals bij de berekening van de achtergrondbelasting , dan wordt het extrapoleren van de tussenliggende waarden minder betrouwbaar c.q. kan anders zijn dan bij een berekening waarbij slechts een klein gebied wordt beschouwd, zoals bij de berekening van de voorgrondbelasting.
In deze situatie is per berekening een optimum bepaald tussen de grootte van het gebied en de mate van verfijning die is gewenst.
8.4.6 Woon- en leefklimaat geurcontouren intensieve veehouderijbedrijven
De wettelijke geurnorm van 3 ouE/m3 binnen de bebouwde kom mag worden verhoogd naar maximaal 14 ouE/m3. De wettelijke geurnorm voor het buitengebied bedraagt
14ouE/m3 en mag worden verhoogd naar maximaal 35 ouE/m3. Het is aan de gemeenteraad die dat acceptabele geurhinderniveau voor een bepaald gebied bepaalt. Dit gebeurt op basis van deze geurgebiedsvisie.
In zijn algemeenheid zorgt het verhogen van een geurnorm ervoor dat de geurcirkel van een intensieve veehouderij kleiner wordt. Veehouderijbedrijven hebben hierdoor meer uitbreidingsmogelijkheden. Omgekeerd wordt hiermee tevens ruimte gecreëerd voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van veehouderijbedrijven. Deze kunnen, nu de geurcirkel kleiner wordt, dichterbij deze bedrijven worden gerealiseerd. Het woon- en leefklimaat zal echter minder goed worden, omdat door middel van de geurverordening een hogere geurbelasting wordt toegestaan. Echter dit is wettelijk mogelijk, mits er sprake blijft van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Er kan worden gesteld dat 14 ouE/m3 de uiterste waarde is om geurhinder veroorzaakt door intensieve dieren te voorkomen binnen de bebouwde kom en dat 35 ouE/m3 de uiterste waarde is voor het buitengebied. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de maximale aangepaste waarde van 6 ouE/m3 voor bebouwde kommen, betekent het dat sprake is van 14% geurgehinderden, waarbij het woon- en leefklimaat redelijk goed is te noemen. Immers de voorgrondbelasting is voor de meeste gebieden leidend voor het ter plaatse geldende woon- en leefklimaat.
Dit geldt niet voor de volgende bebouwde kommen: ‘Weerselo-bestaand’, ‘Saasveld- bestaand’, ‘Ootmarsum-bestaand’. In deze gebieden is de achtergrondbelasting bepalend. Bij
een maximale waarde van 6 ouE/m3 voor bebouwde kommen betekent het dat er in deze gevallen sprake is van 8% geurgehinderden, waarbij het woon- en leefklimaat nog steeds goed is te noemen. Nu volgens artikel 6 van de Wgv de wettelijke waarde van 3 ouE/m3 maximaal mag worden opgehoogd naar 14 ouE/m3, dat gelijk staat aan 25% geurgehinderden, is het verantwoord om in de geurverordening de wettelijke norm op te hogen naar 6 ouE/m3. Als informatiebron zijn hiervoor de bijlagen 6 en 7 van de Handreiking behorende bij de Wgv geraadpleegd.
Om op basis van de achtergrondbelasting uitspraken te kunnen doen over het woon- en leefklimaat heeft tevens een doorrekening plaatsgevonden van de bronnen die knelpunten veroorzaken op de woonkernen en de ruimtelijk te ontwikkelen plangebieden. Van deze bronnen, 3 stuks in totaal, is de huidige voorgrondbelasting in beeld gebracht. Gekoppeld aan de gewenste ruimtelijke inrichting van de gemeente volgens hoofdstuk 5 van deze geurgebiedsvisie en rekening houdend met het GGD-advies, vindt de gemeente Dinkelland het verantwoord om ten aanzien van de ruimtelijke plangebieden de wettelijke waarde te verhogen van 3 naar 6 ouE/m3. Daarmee worden de knelpuntsituaties opgelost.
De gemeente Dinkelland kiest ervoor om de wettelijke norm van 14 ouE/m3 te handhaven voor het buitengebied. Immers naast het realiseren van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de ruimtelijk te ontwikkelen plangebieden en de bestaande woonkernen is de andere doelstelling van het geuronderzoek dat de veehouderijbedrijven voldoende uitbreidingsmogelijkheden blijven behouden.
8.4.7 Woon- en leefklimaat vaste afstanden intensieve veehouderij
Voor de minimaal vereiste afstand van veehouderijen tot geurgevoelige objecten behorend tot (voormalige) veehouderijen blijft de standaard vaste afstand op grond van artikel 3 tweede lid van de Wgv gelden. Uitzondering hierop zijn de bedrijven die nu niet voldoen aan de vereiste wettelijke afstand vanwege geurgevoelige objecten die momenteel binnen de wettelijke minimale afstanden zijn gelegen. Van deze categorie bedrijven wordt middels de geurverordening de wettelijke afstanden gehalveerd naar 25 meter voor het buitengebied en naar 50 meter voor de bebouwde kom, met als voorwaarde dat een eventuele toekomstige uitbreiding wel op respectievelijk 100 meter en 50 meter plaatsvindt, zijnde de wettelijke vaste minimale afstanden. Daarbij wordt onder ‘toekomstige uitbreiding’ verstaan: ‘de uitbreiding, die plaatsvindt na de datum van inwerkingtreding van de geurverordening’.
In het kader van planologische procedures dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te worden gegarandeerd. In beginsel wordt voor geurgevoelige objecten in het buitengebied een geurbelasting van maximaal 14,0 oudour units per kubieke meter lucht aangemerkt als aanvaardbaar.
Voor eventueel in de toekomst te saneren agrarische bedrijven waar een woonbestemming aan wordt toegekend en voor plattelandswoningen als bedoeld in de Wet plattelandswoningen kan een hogere milieukwaliteit dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht aanvaardbaar zijn. Voor deze gevallen zal per situatie een afweging over de aanvaardbare geurbelasting worden gemaakt.
8.4.8 Conclusie verhoging geurbelasting intensieve veehouderijen voor bebouwde kommen
De gemeente Dinkelland is van mening dat het verantwoord is om voor de te ontwikkelen plangebieden, die direct grenzen aan de woonkernen (volgens hoofdstuk 5 van deze geurgebiedsvisie) de wettelijke waarde van 3 ouE/m3 te verhogen naar 6 ouE/m3, zie ook
paragraaf 8.4.6.
Met de verhoging van de wettelijke waarde voor de te ontwikkelen plangebieden blijft namelijk nog steeds een acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd en wordt tevens rekening gehouden met het GGD-advies. De wettelijke waarde van 14 ouE/m3 voor het buitengebied blijft gehandhaafd.