Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels woonruimteverdeling en urgentie gemeente Diemen 2017

Gemeente Diemen · geldt sinds 24 november 2022

4. Gronden voor urgentie

4.1 De wettelijk verplichte urgentiegronden

4.1.1 Slachtoffers van huiselijk geweld

Op grond van artikel 2.6.6, eerste lid onder a, komen mensen die als gevolg van aangetoond huiselijk geweld rechtstreeks vanuit de woonsituatie waar het geweld plaatsvond, zijn gevlucht en in een voor mishandelde mannen of vrouwen erkende instellingen verblijven, in aanmerking voor een urgentieverklaring.

Burgemeester en wethouders zullen aanvragen van slachtoffers van huiselijk geweld op maat beoordelen. De in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h en j, van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing op deze urgentiegrond. Na toetsing op de algemene weigeringsgronden, worden de onderstaande overwegingen in de beoordeling meegenomen:

–in hoeverre sprake is van binding met de gemeente Diemen, dan wel de regio;

–in hoeverre aangifte bij de Politie is gedaan; en

–in hoeverre een terugkeer naar de oorspronkelijke situatie mogelijk is.

4.1.2 Ontvangers en verleners van mantelzorg

Op grond van artikel 2.6.6, eerste lid onder b, kan het verlenen of ontvangen van mantelzorg kan tot gevolg hebben dat er, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, een urgent huisvestingsprobleem ontstaat.

Het college van burgemeester en wethouders zal aanvragen van ontvangers en verleners van mantelzorg op maat beoordelen. De in artikel 2.6.5 lid 1 aanhef en onder a tot en met h en j van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing op deze urgentiegrond. Na toetsing op de algemene weigeringsgronden, kunnen burgemeester en wethouders op grond van de volgende overwegingen een urgentieverklaring toekennen indien:

a.er een directe en aanwijsbare relatie is met Diemen, dat wil zeggen dat het netwerk van de verlener en/of ontvanger van mantelzorg zich in en rondom Diemen bevindt;

b.degene die wordt verzorgd, een diagnoseverklaring van de behandelend arts heeft of in ieder geval een verklaring waaruit blijkt dat er blijvende beperkingen zijn waardoor taken moeten worden overgenomen.

In aanvulling op het voorgaande kan de gemeente ten behoeve van een aanvraag, een in mantelzorg gespecialiseerde organisatie verzoeken om de betreffende casus te onderzoeken. Deze onafhankelijke partij wordt daarbij gevraagd om een onderbouwd advies aan het college van burgemeester en wethouders uit te brengen. In het advies beoordeelt de aangewezen organisatie de situatie aan de hand van:

–de aard, frequentie, voorspelbaarheid en duur van de zorg en daaraan gerelateerde optimale afstand tussen zorgvrager en mantelzorger;

–de benodigde kwaliteit en bereidheid van de mantelzorger om de benodigde zorg te geven;

–het risico dat de zorgvrager loopt wanneer de mantelzorger niet tijdig aanwezig kan zijn;

–de mate waarin de zorgverlening in de huidige situatie beslag legt op het leven van de mantelzorger;

–de wensen van mantelzorger en zorgvrager;

–in hoeverre toekenning van woonruimte in Diemen kan bijdragen aan de situatie; en

–de mate waarin aanvrager naar eigen oplossingen heeft gezocht.

De oplossing moet naar oordeel van burgemeester en wethouders in verhouding staan tot de vraag naar woonruimte. Zo hoort bij een tijdelijke situatie ook een tijdelijke oplossing. Een flexibele oplossing kan derhalve aan de orde zijn. Bij een langdurige of voortschrijdende situatie moet er naar een meer permanente oplossing voor de woonsituatie worden gezocht.

Wanneer de gemeente bij een urgentieaanvraag door een ontvanger of verlener van mantelzorg, een onafhankelijke partij vraagt om een advies uit te brengen, wordt de volgende werkwijze in acht genomen:

–De aanvrager voor woonurgentie meldt zich bij de gemeente.

–De gemeente verwijst de aanvrager door naar de hiervoor door de gemeente aangewezen organisatie.

–Deze organisatie onderzoekt de situatie en stelt een advies op.

–De aanvrager dient vervolgens de formele aanvraag voor urgentie in bij de gemeente in, met daarbij gevoegd het advies.

–Het college van burgemeester en wethouders betrekt het advies bij de beoordeling van de aanvraag en besluit over het al dan niet afgeven van een urgentie.

4.1.3 Vergunninghouders

Op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, van de huisvestingsverordening komen vergunninghouders die gehuisvest moeten worden in het kader van de taakstelling opgelegd door de minister van Wonen en Rijksdienst, in aanmerking voor een urgentieverklaring als zij:

a.nog niet eerder door het COA bij een andere gemeente zijn voorgedragen voor huisvesting; en,

b.niet eerder aangeboden woonruimte (met inbegrip van onzelfstandige of tijdelijke woonruimte) hebben geweigerd.

Een vergunninghouder en eventuele gezins- of familieleden worden eenmalig bemiddeld naar een corporatiewoning in Diemen. Alleen bij zwaarwegende redenen van sociale of medische aard wordt rekening gehouden met het type of ligging van de woning. Heeft een vergunninghouder elders een eerdere toewijzing van huisvesting geweigerd, dan komt hij niet meer voor bemiddeling in Diemen in aanmerking.

Jonge vergunninghouders, met een leeftijd tot 28 jaar, komen in eerste instantie slechts in aanmerking voor studentenhuisvesting. Studentenhuisvesting kan ook onzelfstandige woonruimte in een wooneenheid voor studenten betreffen. Met de toewijzing van onzelfstandige woonruimte vervalt de aanspraak op toewijzing van een sociale huurwoning met urgentie.

Jonge vergunninghouders, met een leeftijd tot 28 jaar, kunnen ongeacht de wijze van huisvesting eveneens een tijdelijke huurovereenkomst, bijvoorbeeld in de vorm van een zogeheten campus- of jongerencontract, toegewezen krijgen. Met de toewijzing van woonruimte op grond van een tijdelijke huurovereenkomst vervalt de aanspraak op toewijzing van een sociale huurwoning met urgentie.

Alleenstaande vergunninghouders, dan wel alleenreizende vergunninghouders die in afwachting zijn van nareizende gezins- of familieleden, kunnen in aanmerking komen voor een wijze van huisvesting waarbij een woning wordt gedeeld. Voorbeelden hiervan zijn het delen van een sociale huurwoning door twee of drie personen en het delen van een vrije sector huurwoning door drie of vier personen. Met de toewijzing van woonruimte die met anderen gedeeld moet worden vervalt de aanspraak op toewijzing van een sociale huurwoning met urgentie.

De in artikel 2.6.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn niet van toepassing op deze urgentiegrond.

4.3 De regionale urgentiegronden

4.3.1 Urgentie op grond van een acute noodsituatie: geweld of bedreiging

Een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging maakt dat sprake kan zijn van een urgent huisvestingsprobleem waarvoor, als voldaan is aan de volgende voorwaarden, op grond van artikel 2.6.8 lid 1 aanhef en onder a een urgentieverklaring op grond van een acute noodsituatie verleend kan worden. Hiervan kan sprake zijn indien uit een verklaring van de Politie, dan wel uit een door een ambtenaar van de Politie opgesteld proces-verbaal en zo mogelijk aangevuld door documentatie van overige partijen uit de strafrechtketen, blijkt dat:

–de aanvrager zijn of haar woning als gevolg van een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging acuut heeft moeten verlaten; en,

–van de aanvrager niet mag worden gevergd dat hij of zij naar de verlaten woning terugkeert of dat hij of zij deze opeist.

Indien sprake is van een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging door een ander dan een huisgenoot, moet daarnaast blijken dat de aanvrager om veiligheidsredenen niet langer in de huidige woning kan blijven wonen, ook niet na een aan de veroorzaker opgelegd of eventueel op te leggen straatverbod, huisverbod of contactverbod.

De in artikel 2.6.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing, met uitzondering van de in artikel 2.6.5 lid 1 aanhef en onder j van de verordening genoemde inkomensnorm: voor deze urgentiegrond geldt geen inkomenseis.

4.3.2 Sociaal-medische urgentie

4.3.2.1 Inleiding

Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring om medische en/of sociale redenen zoals bedoeld in artikel 2.6.8 lid 1 aanhef en onder b van de verordening, moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

a.er is op grond van medische en/of sociale omstandigheden sprake van een levensontwrichtende woonsituatie die alleen opgelost kan worden met (andere) zelfstandige huisvesting; van levensontwrichting is sprake wanneer de aanvrager (of een van de leden van het huishouden), in samenhang met ernstige woonproblemen, niet meer in staat is zelfstandig te functioneren. Een zelfstandige woning is in dat geval (een substantieel deel van) de oplossing;

b.de aanvrager dient zelf zijn levensontwrichtende woonsituatie aan te tonen en te zorgen voor bewijsmateriaal; Tot levensontwrichtende woonsituaties worden gerekend:

i.ernstige medische redenen;

ii.(dreigende) dakloosheid met de zorg voor minderjarige kinderen;

c.de aanvrager is financieel in staat om een zelfstandig huishouden te voeren. Voor de eventueel aanwezige schulden heeft de aanvrager een zodanige sanering geregeld dat een financieel zelfstandig huishouden mogelijk is; en,

d.de aanvrager is in staat om zelfstandig te kunnen wonen.

Voor het overige zijn ook de in artikel 2.6.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing.

4.3.2.2 Ernstige medische redenen

Onder medische redenen waarom iemand dringend woonruimte nodig heeft wordt een woonsituatie verstaan die om medische redenen levensontwrichtend is voor één of meer leden van het huishouden. Het huishouden is niet in staat het dringende woonprobleem door ernstige medische redenen zelf op te lossen.

In ieder geval wordt geen urgentieverklaring verleend:

a.als er sprake is van (psychische) problemen als gevolg van de slechte inwoonsituatie, echtscheiding of te klein wonen; of,

b.als de belanghebbende deze aanvraagt vanwege een lichamelijke aandoening en/of een psychische stoornis tenzij kan worden aangetoond dat de betreffende aandoening en/of stoornis chronisch is en overwegend wordt veroorzaakt door de woonsituatie, dan wel dat de behandeling van de aandoening/ stoornis in hoge mate ongunstig wordt beïnvloed door de woonsituatie. Dat laatste moet blijken uit een schrijven van professionele medische, psychiatrische en/of sociale hulpverleners, waarin de betreffende aandoening of stoornis wordt benoemd, die een relatie heeft met het woonprobleem van betrokkene.

Om op grond van artikel 2.6.8 lid 1 aanhef en onder b van de verordening in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

1de aanvrager of een van de gezinsleden is onder behandeling van een erkend medisch specialist in Nederland of onder behandeling van de huisarts in Nederland voor dit specifieke probleem;

2bij psychische problemen is de aanvrager of een van de gezinsleden langer dan zes maanden onder behandeling van een GGZ-instelling of vrijgevestigde psychiater;

3Als blijkt dat er medische problemen zijn, dan kan aan een arts van de (gemeentelijke) keuringsdienst of een andere door de gemeente aangewezen deskundige advies worden gevraagd. Om urgentie te verlenen moet er sprake zijn van een aan de woonsituatie gerelateerde onverantwoorde medische situatie die niet langer mag blijven voortbestaan.

4Indien wordt overwogen vanwege een (chronische) psychische stoornis een urgentie af te geven kan aan de belanghebbende de voorwaarde worden opgelegd dat hij psychiatrische begeleiding aanvaardt en daarmee voorafgaand aan het afgeven van de urgentie schriftelijk akkoord gaat. Indien de belanghebbende weigert vooraf schriftelijk akkoord te gaan met de voorgestelde begeleiding, wordt geen urgentie afgegeven.

Voor het overige zijn ook de in artikel 2.6.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing.

4.3.2.3 Dakloosheid of dreigende dakloosheid met de zorg voor minderjarige kinderen Burgemeester en wethouders achten het onwenselijk als niet voorzien is in woonruimte voor minderjarige kinderen. Hieronder wordt derhalve beschreven wanneer een sociaal-medische urgentie grond van artikel 2.6.8 lid 1 aanhef en onder b verleend kan worden onder de voorwaarde dat de minderjarige kinderen deel gaan uitmaken van het huishouden van de aanvrager:

–wanneer sprake is van ontbinding van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap, dan wel de samenwoningsrelatie (nader uitgewerkt in 4.3.2.4);

–wanneer sprake is van hoge woonlasten en schulden door een te hoge huur of hypotheek in verhouding tot het inkomen (nader uitgewerkt in 4.3.2.5); of,

–wanneer sprake is van schulden (nader uitgewerkt in 4.3.2.6).

Voor alle gevallen geldt dat de in artikel 2.6.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing zijn.

4.3.2.4 Verbroken samenwoning, echtscheiding en ontbinden van geregistreerd partnerschap

De gemeente gaat er vanuit dat de woning waar men direct voorafgaand aan de verbroken samenwoning, echtscheiding of ontbinding van het geregistreerd partnerschap woonde, primair beschikbaar blijft voor de kinderen. Er is dan geen urgentie nodig. Alleen in uitzonderlijke situaties kan, met inachtneming van het hieronder beschrevene, ten behoeve van de kinderen urgentie worden verstrekt.

Geen urgentieverklaring wordt verleend:

a.in geval van co-ouderschap, wanneer de kinderen over tenminste één woning kunnen beschikken;

b.als op basis van een convenant of een ouderschapsplan de kinderen "verdeeld" zijn over beide voormalige partners en minimaal één van de voormalige partners over woonruimte beschikt;

c.wanneer de rechter in verband met een verzoek om echtscheiding of beëindiging van een geregistreerd partnerschap de aanvrager niet of nog niet heeft opgedragen de echtelijke of gemeenschappelijke woning onmiddellijk te verlaten;

d.wanneer niet aangetoond kan worden dat het partnerschap (de duurzaam gemeenschappelijk gevoerde huishouding) is geëindigd;

e.die wordt aangevraagd in verband met de zwangerschap van aanvrager;

f.aan de aanvrager die als medehuurder het huurrecht van de voormalige echtelijke of gezamenlijk gehuurde woning heeft kunnen opeisen, maar dit heeft nagelaten. De belanghebbende die zich als medehuurder heeft kunnen laten erkennen, maar dit heeft nagelaten, wordt voor de toepassing van dit beleid aangemerkt als medehuurder

Uitzonderlijke situaties waarin tot verlening van een urgentieverklaring kan worden overgegaan zoals bedoeld in de eerste alinea van deze paragraaf zijn:

a.De situatie waarin een ouder met de dagelijkse zorg over de kinderen is gevlucht voor huiselijk geweld. Dit moet blijken uit een proces verbaal van de politie, zo mogelijk aangevuld door documentatie van overige partijen uit de strafrechtketen.

b.De situatie waarin de ouder met de dagelijkse zorg de huur of hypotheek niet kan opbrengen, waarbij is gebleken dat de ex-partner niet kan bijdragen in de woonlasten of een vorm van alimentatie kan afstaan.

Daarbij moet wel voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:

i.aangetoonde dagelijkse zorg over de kinderen die bij de betreffende ouder in de BRP staan geregistreerd;

ii.de samenwoning in de regio bestond minimaal twee jaar;

iii.de samenwoning is korter dan zes maanden geleden verbroken;

iv.als er geen echtscheidingsvonnis is moet de verbroken relatie zijn aangetoond: de betreffende ouder is tenminste drie maanden weg van het samenwoonadres en met de kinderen geregistreerd in de BRP op het feitelijk inwoonadres in de desbetreffende regiogemeente;

v.als de woning is verkocht moet de eindafrekening met de eventuele restschuld of overwaarde worden getoond, zie ook onder 4.3.2.6 Schulden.

4.3.2.5 Hoge woonlasten en schulden door een te hoge huur of hypotheek in verhouding tot het inkomen

Huishoudens kunnen in aanmerking komen voor een urgentie als een gezin met kind(eren) door overmacht niet meer in staat is om aan de hoge woonlasten te voldoen. Achtergrond is meestal daling van het huishoudinkomen door vertrek van de partner of verlies van inkomen uit arbeid. Aan de volgende voorwaarden moet in ieder geval worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring:

–Als de woonlasten te hoog zijn moet dit zijn aangetoond (door middel van een beschikking) met door de gemeente verstrekte bijzondere bijstand voor woonlasten.

–Als het een koopwoning betreft moet deze zijn verkocht en moet de eventuele restschuld zijn aangetoond.

4.3.2.6 Schulden

Als de aanvrager schulden heeft, moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring:

a.De schulden moeten zijn geregeld; dat wil zeggen dat een redelijkerwijs na te komen betalingsregeling met de schuldeisers is getroffen.

b.Als aanvrager van de urgentieverklaring is gescheiden en de schulden zijn nog niet geregeld, moet een deel van de in het huwelijk gemaakte schulden zijn toebedeeld aan de ex-partner, en moet de aanvrager aantonen dat de schuldeisers hiermee akkoord gaan.

c.Voor het verlenen van urgentie moet de aanvrager een financieel stabiele situatie hebben, bijvoorbeeld door het volgen van een intensief schuldhulptraject.

d.Voorafgaand aan het afgeven van een urgentie kan aan de belanghebbende de voorwaarde worden opgelegd dat hij schriftelijk verklaart akkoord te gaan met financiële begeleiding , indien het opleggen van een dergelijke voorwaarde wenselijk is uit een oogpunt van goed huurderschap. Indien de belanghebbende weigert vooraf schriftelijk akkoord te gaan met de voorgestelde begeleiding, wordt geen urgentie afgegeven.

e.Als het schuldhulpverleningstraject om welke reden dan ook wordt gestaakt, dan wordt de urgentie ingetrokken.

f.Als de aanvrager mede hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypotheek van een gemeenschappelijke woning, ziet de gemeente dit als een problematische schuld, ook als de ex-partner de woning krijgt. Als de ex-partner de hypotheeklasten niet betaalt, claimt de hypotheekverstrekker het bedrag bij de aanvrager. Er moet daarom worden aangetoond dat de hypotheek niet meer op naam staat van de aanvrager.

g.Bij verkoop van de woning, wacht de gemeente op de eindafrekening van de hypotheekgever met de eventuele restschuld. Blijkt deze problematisch, dan moet de aanvrager hiervoor een regeling treffen zoals hierboven is beschreven.

4.3.3 SV-urgentie

Op grond van artikel 2.6.8, lid 2, kunnen burgemeester en wethouders een complex of een woonblok aanwijzen waarvan de bewoners in verband met sloop, ingrijpende renovatie of herstructurering van het gebied waarin het complex of woonblok is gelegen, redelijkerwijs niet meer binnen twee jaar in hun huidige woonruimte kunnen wonen. In dat geval stellen burgemeester en wethouders een datum vast met ingang waarvan de bewoners van het aangewezen complex of woonblok een SVurgentieverklaring, ook wel bekend onder de aanduiding stadsvernieuwingsurgentie, kunnen aanvragen.

SV-urgentie wijkt in zijn aard af van de overige urgentiecategorieën doordat hier niet zozeer een persoonlijke aanleiding bestaat voor de aanvraag van een urgentieverklaring. Derhalve worden in dit document vooralsnog geen nadere regels ten aanzien van deze urgentiecategorie opgesteld. Deze paragraaf blijft dan ook gereserveerd voor een nadere invulling.

4.3.4 Calamiteiten-urgentie

Het huishouden waarvan de zelfstandige woonruimte binnen deze gemeente door een calamiteit (brand, ernstige waterschade, explosie of acuut ernstige funderingsgebreken) voor verdere bewoning duurzaam ongeschikt is geworden, kan gelet op artikel 2.6.8 lid 1 aanhef en onder d van de huisvestingsverordening in aanmerking voor een urgentie als in ieder geval aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.de ongeschiktheid voor bewoning wordt vastgesteld door of in opdracht van, een daarvoor bevoegd gemeentelijk toezichthouder (dit betreft de toezichthouder die bevoegd is toe te zien op de naleving van de ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet vastgestelde bouwregelgeving).

b.het herstel van de woning duurt langer dan vier maanden, volgens de toezichthouder;

c.alleen de, volgens de BRP, legaal wonende hoofdbewoner komt in aanmerking van urgentie; inwoners hebben geen recht op een eigen zelfstandige woonruimte. Zij worden geacht met de hoofdbewoner mee te verhuizen en opnieuw in te wonen.

d.de calamiteit is niet met opzet veroorzaakt door de aanvrager.

De in artikel 2.6.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing, met uitzondering van de in artikel 2.6.5 lid 1 aanhef en onder j van de verordening genoemde inkomensnorm: voor deze urgentiegrond geldt geen inkomenseis, indien de aanvrager uit een zelfstandige woonruimte met een huurprijs onder de liberalisatiegrens van € 710,68 (prijspeil 2017) afkomstig is.

5Passendheidscriteria

Artikel 2.4.4 van de verordening bevat een tabel waarin categorieën woonruimte worden gelabeld ten behoeve van bepaalde categorieën woningzoekenden. In aanvulling op het bepaalde in voornoemd artikel kunnen burgemeester en wethouders een nadere uitwerking geven aan de categorieën. Deze paragraaf blijft dan ook gereserveerd voor een nadere invulling.

6.Zoekprofiel

Het zoekprofiel bevat het qua ligging, grootte, en aard meest sobere woningtype of de meest sobere woningtypen dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is voor het oplossen van het huisvestingsprobleem. Hieruit volgt dat een urgentieverklaring leidt tot slechts een zéér beperkte keus uit het woningaanbod. De aanvrager wordt geen keuze geboden voor een bepaald soort woning of een specifieke buurt binnen Diemen. Burgemeester en wethouders geven derhalve in beginsel een urgentie af ten behoeve van een appartement (meergezinswoning) met een minimaal toereikend aantal kamers, waarbij wordt uitgegaan dat eventuele inwonende kinderen een slaapkamer kunnen delen.

7Leges

Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen burgemeester en wethouders leges heffen voor de aanvraag van een urgentieverklaring. De leges voor het indienen van een aanvraag voor woonurgentie bedraagt € 64,50 (prijspeil 2017).

8Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking per 1 januari 2017. De “Regionale beleidsregels urgentie woonruimte” vastgesteld d.d. 22 maart 2016 vervallen per 1 januari 2017.

9Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels woonruimteverdeling en urgentie gemeente Diemen 2017”.

10Ondertekening

Bijlage: Tabel toepassing algemene weigeringsgronden

Algemene weigeringsgrond in 2.6.5

Urgentiecategorie (verwijst naar artikel in de verordening)

2.6.6 lid 1

2.6.6 lid 2

2.6.7

2.6.8 lid 1 a

2.6.8 lid 1 b

2.6.8 lid 1 c

2.6.8 lid 1 d

lid 1 a

voldoet niet aan eisen uit 2.2.1.

ja

nee

ja

ja

ja

ja

ja

lid 1 b

geen urgent huisvestingsprobleem

ja

nee

nee

ja

ja

ja

ja

lid 1 c

huisvestingsprobleem is op andere wijze oplosbaar

ja

nee

ja

ja

ja

ja

ja

lid 1 d

voorliggende voorziening

ja

nee

ja

ja

ja

ja

ja

lid 1 e

aanwezigheid verwijtbaarheid

ja

nee

nee

ja

ja

ja

ja

lid 1

f

verhuizing naar zelfstandige woonruimte lost niets op

ja

nee

ja

ja

ja

ja

ja

lid 1 g

eerdere verklaring is ingetrokken

ja

nee

nee

ja

ja

ja

ja

lid 1 h

zelfstandige woonruimte te duur

ja

nee

ja

ja

ja

ja

ja

lid 1

i

minder dan 2 jaar woonachtig in gemeente

nee

nee

nee

ja

ja

ja

ja

lid 1

j

overschrijding inkomensnorm

ja

nee

Ja

Nee

ja

nee

Nee

lid 2

niet woonachtig in legale, permanente zelfstandige woonruimte

nee

nee

nee

ja

ja

ja

ja

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.