Aanhef
De burgemeester van de gemeente Diemen;
gelet op het belang van de openbare orde, het belang van bescherming van het woon- en leefklimaat, het belang van de volksgezondheid en het belang van het voorkomen en tegengaan van ondermijnende criminele activiteiten;
gelet op artikel 125, derde lid van de Gemeentewet, hoofdstuk 4, titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 13b van de Opiumwet;
besluit:
1Het huidige ‘Geüniformeerd bestuursrechtelijk handhavingsbeleid met betrekking tot overtredingen van de Opiumwet (Sluitings- en heropeningsbeleid)’ in te trekken;
2De voorliggende ‘Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Diemen’ vast te stellen;
3De inwerkingtreding van deze beleidsregel wordt bepaald op de dag na publicatie in het Gemeenteblad van de betreffende gemeente.
4. Waarschuwings- en sluitingsbeleid
4.4. Sluitingstermijn
4.4.1 Woningen
Bij een woning is het uitgangspunt dat een sluitingstermijn van drie maanden wordt gehanteerd. Deze termijn is nodig om de verstoring van de openbare orde te herstellen en de doelen die met de sluiting worden beoogd (genoemd in hoofdstuk 2 van deze beleidsregel) te bereiken. De sluitingsduur is bepaald op basis van jarenlange bestendige bestuurspraktijk en jurisprudentie. Ervaringen uit het verleden wijzen erop dat een periode van minimaal drie maanden nodig is om de loop van personen die zich op enige wijze met de woning bezighielden (kwekers, kopers, handelaren, verslaafden) weg te nemen. In ernstigere gevallen kan overgegaan worden tot een sluiting van zes maanden of langer.
In het geval dat er binnen vijf jaar, gerekend vanaf de dag van de eerste constatering, een tweede overtreding plaatsvindt waarbij de woning weer gesloten wordt op grond van artikel 13b van de Opiumwet, kan de woning ditmaal voor zes maanden worden gesloten. In deze situaties wordt een andere sluitingstermijn gehanteerd omdat een sluiting van drie maanden blijkbaar niet heeft geleid tot het beëindigen van een criminele loop van/naar een woning en het voorkomen van herhaling. Ook hier geldt dat in ernstigere gevallen overgegaan kan worden tot een langere sluiting.
4.4.2. Lokalen
Anders dan woningen, worden bij publiek toegankelijke en niet publiek toegankelijke lokalen een sluitingstermijn van zes maanden gehanteerd. Doorgaans is een sluitingsduur van zes maanden noodzakelijk in verband met de signaalwerking richting de samenleving, de veiligheidsgevoelens van omwonenden, het doorbreken van een loop naar het lokaal en voor het nemen van maatregelen door de exploitant en/of pandeigenaar. In ernstigere gevallen kan overgegaan worden tot een langere sluiting.
In het geval dat er binnen vijf jaar, gerekend vanaf de dag van de eerste constatering, een tweede overtreding plaatsvindt waarbij het lokaal weer gesloten wordt op grond van artikel 13b van de Opiumwet, kan het lokaal ditmaal voor twaalf maanden worden gesloten. In gevallen met grote verzwarende omstandigheden kan het lokaal voor onbepaalde tijd worden gesloten.
4.5 Opheffen van de sluiting
4.5.1. Woningen
Voor de beoordeling of tot opheffing van een sluiting van een woning kan worden overgegaan, zijn in ieder geval de volgende vier aspecten, die in onderling verband en samenhang moeten worden gezien, van belang:
1Aanleiding bestuurlijke maatregel (feiten en omstandigheden) en de vrees voor herhaling;
bijvoorbeeld indien er sprake is van een zeer bijzondere nieuwe omstandigheid.
2De openbare orde-situatie in de woning en de directe omgeving en de tijd die nodig is om de rust en orde in de buurt te herstellen;
bijvoorbeeld wanneer er redenen zijn aangevoerd waaruit blijkt dat de termijn die noodzakelijk wordt geacht om het signaal dat aan de buitenwereld te geven dat de openbare orde hersteld is, beter is gediend met een eerdere heropening.
3De afspraken tussen de burgemeester en de belanghebbende met betrekking tot het gebruik van de te openen woning;
bijvoorbeeld wanneer in toekomstige huurovereenkomsten zaken worden opgenomen zoals een ‘drugsclausule’ en afspraken over periodieke inspecties/controles van het gehuurde. Daarnaast kan een betere aanpak van de screening van nieuwe huurders een rol spelen.
4Het vertrouwen van de burgemeester dat deze afspraken ook zullen worden nagekomen;
de burgemeester dient ervan overtuigd te zijn dat de mate van verwijtbaarheid van de belanghebbende niet in de weg staat aan heropening. Indien de eigenaar/verhuurder een vermoeden van drugshandel zelf heeft gemeld bij de politie en/of gemeente, kan er (afhankelijk van de omstandigheden van het geval) sprake zijn van een verminderde verwijtbaarheid.
De burgemeester kan onderscheid maken tussen woningen die verhuurd worden door woningbouwverenigingen en woningen die door particulieren worden verhuurd. De gemeente heeft een publieke taak op het gebied van huisvesting. Woningbouwverenigingen hebben een bijzondere wettelijke taak op het gebied van volkshuisvesting die in verscheidende regelingen is gewaarborgd. Particulieren verhuurders hebben doorgaans een voorkeur voor andere doelgroepen en komen vaak op een andere manier tot verdeling van woonruimte, omdat zij doorgaans een commercieel motief hebben. Het opheffen van een sluiting bij een woningbouwvereniging kan daarom een groter algemeen belang dienen dan bij een particuliere verhuurder. Sinds 2019 heeft de gemeente het Doorzon convenant. De partners in dit convenant werken samen om ondermijning tegen te gaan. Wanneer de verhuurder een van de Doorzon partners is, is het aannemelijk dat er gekeken wordt of de woning eerder geopend kan worden.
4.5.2. Lokalen
Voor opheffing van een sluiting van een lokaal zijn in ieder geval de volgende vijf aspecten, die in onderling verband en samenhang moeten worden gezien, van belang:
1De aanleiding van de bestuurlijke maatregel (de feiten en omstandigheden) en de vrees voor herhaling;
bijvoorbeeld indien er sprake is van een zeer bijzondere nieuwe omstandigheid.
2De openbare orde-situatie in een lokaal en de directe omgeving en de tijd die nodig is om de rust en orde in de buurt te herstellen;
bijvoorbeeld wanneer er redenen zijn aangevoerd waaruit blijkt dat de termijn die noodzakelijk wordt geacht om het signaal dat aan de buitenwereld te geven dat de openbare orde hersteld is, beter is gediend met een eerdere heropening.
3Het type lokaal;
hierbij spelen onder andere het karakter of de uitstraling van de zaak en het type bezoeker een rol bij de mate waarin er vertrouwen bestaat dat de openbare orde langdurig wordt hersteld. Onder andere afhankelijk van het type lokaal wordt gekeken welke maatregelen noodzakelijk worden geacht om de openbare orde te herstellen.
4De afspraken tussen de burgemeester en de belanghebbende met betrekking tot het beheer van het te heropenen lokaal;
bijvoorbeeld wanneer in toekomstige huurovereenkomsten zaken worden opgenomen zoals een ‘drugsclausule’ en afspraken over periodieke inspecties/controles van het gehuurde. Daarnaast kan een betere aanpak van de screening van nieuwe huurders een rol spelen.
5Het vertrouwen van de burgemeester dat deze afspraken ook zullen worden nagekomen;
De burgemeester dient ervan overtuigd te zijn dat de mate van verwijtbaarheid van de belanghebbende niet in de weg staat aan heropening. Indien de eigenaar/verhuurder een vermoeden van drugshandel zelf heeft gemeld bij de politie en/of gemeente, kan er (afhankelijk van de omstandigheden van het geval) sprake zijn van een verminderde verwijtbaarheid.
4.5.3. Verwachtingen van de eigenaar/verhuurder
Voorts is voor het opheffen van een sluiting van woningen en lokalen ook de bereidheid en de bekwaamheid van een belanghebbende om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen van belang. Bij een horeca inrichting kan hierbij onder meer gedacht worden aan herinrichting van het bedrijf c.q. de bedrijfsvoering, verscherping van het toelatingsbeleid en het aannemen van (ander) personeel. Dit wordt over het algemeen vastgelegd in een veiligheidsplan. Bij woningen, maar ook bij lokalen, kan de bereidheid en bekwaamheid van de eigenaar/verhuurder blijken uit de ontbinding van de huurovereenkomst van de huurder en een concept huurovereenkomst met een potentieel nieuwe huurder die volledig en zorgvuldig gescreend is.
Ook als er zich een nieuwe huurder/ondernemer of pandeigenaar aandient, zal beoordeeld worden (onder andere aan de hand van een bedrijfsplan) of het nieuwe bedrijf en de wijze van bedrijfsvoering voldoende vertrouwen geeft dat de openbare orde duurzaam wordt hersteld.
Verder is van belang dat een eigenaar/verhuurder kan aantonen:
•Dat de eigenaar/verhuurder bij het aangaan van een huurovereenkomst inspanningen heeft gepleegd om gebruik van het pand in strijd met het opiumbeleid te voorkomen (middels een clausule in de huurovereenkomst);
•Dat de eigenaar/verhuurder actief en regelmatig toezicht heeft gehouden op het gebruik van het pand (en van deze controles een rapport kan overleggen);
•Dat de eigenaar/verhuurder, na het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in het pand, uit eigen beweging actie heeft ondernomen om de negatieve effecten daarvan op de openbare orde en de woon- en leefomgeving weg te nemen en voldoende maatregelen heeft getroffen om het risico op herhaling van verstoring van de openbare orde door illegaal gebruik van het pand voor drugshandel te verkleinen.