HOOFDSTUK 3 -BELEID RIJK
3.5 Financiële regelingen vanuit het rijk
3.5.1 Besluit rijkssubsidiering restauraties rijksmonumenten (Brrm)
Met behulp van dit instrument bevordert het Rijk restauraties aan rijksmonumenten. Het beschikbare budget wordt op basis van de zogenaamde restauratiebehoefte door de provincie, op voordracht van de gemeente verdeeld. De restauratie van schuilkerk De Hoop door Maatschappij tot Stadsherstel Amsterdam NV, is via de zogenaamde Kanjerregeling (eenmalige extra gelden voor grootschalige restauratie) gefinancierd.
3.5.2 Besluit rijkssubsidiering onderhoud monumenten (Brom)
Dit besluit regelt de bijdrage van de rijksoverheid in de onderhoudskosten van rijksmonumenten. De uitvoering is gecentraliseerd en is, zonder tussenkomst van de gemeente, in handen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. De Katholieke kerk maakt regelmatig gebruik van deze regeling.
3.5.3 Besluit rijkssubsidiering instandhouding monumenten (Brim)
Op termijn zal deze regeling het Brrm en het Brom vervangen. Vanaf september 2002 kunnen eigenaren van rijksmonumenten met mogelijkheden voor belastingaftrek via het Brim al gebruik maken van een goedkope restauratiehypotheek via het Nationaal Restauratiefonds.
3.5.4 Plankostenregeling
Dit instrument wordt beschikbaar gesteld voor eigenaren van boerderijen en woonhuizen die zijn aangewezen als rijksmonument. Zij kunnen een bijdrage krijgen in de kosten voor het opstellen van een globaal restauratieplan voorafgaand aan restauraties.
HOOFDSTUK 7 -OPTIES EN MOGELIJKHEDEN VOOR CULTUURHISTORISCH BELEID
7.6 Cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening
7.6.1 Archeologie
Het voeren van archeologiebeleid leidt tot een academische paradox. Iedere archeoloog (wetenschapper) wil het bodemarchief liefst in ongestoorde toestand in de bodem laten rusten. Dit omdat een opgraving altijd het definitieve einde van de situatie betekent. Met het verwerven van de kennis door een opgraving wordt tevens het bodemarchief voorgoed vernietigd. Doordat door het toenemend gebruik van de ruimte steeds meer bebouwing een aantasting van het bodemarchief betekent en de archeoloog aan de andere kant ook nieuwsgierig is naar het archief waarvan alleen het bestaan wordt vermoed, wordt tegenwoordig veel opgegraven. Een opgraving leert ons over het verleden van Diemen. Door die kennis breed te verspreiden kan de belangstelling voor het verleden worden aangewakkerd en vergroot.
Aan de andere kant kan naderhand, als de put weer is gesloten, op moderne wijze worden getracht de opgedane kennis via digitale weergave aanschouwelijk te maken voor bezoekers. In de Belgische plaats Ename, is op voortreffelijke wijze archeologische kennis via computersimulatie voor een groot publiek onsloten.
7.6.2 Archeologie in de planontwikkeling
Opgravingsput aan de Overdiemerweg, gezien vanuit het zuidoosten, met resten van een twaalfde-eeuwse boerderij. Op de voorgrond een deel van een vlecht- werk wand
(Bron: Stedelijk Beheer Amsterdam, afdeling Archeologie - W. Krook)
Bij de voorbereiding van de implementatie van het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving werd tot voor kort gestreefd naar het invoeren van een archeologievergunningenstelsel.
Volgens de huidige stand van zaken komt er echter geen aparte archeologievergunning. Afweging van het belang van archeologisch erfgoed zal plaats moeten vinden binnen de ruimtelijke ordening.
Uitgangspunt daarbij is dat archeologie één van de onderwerpen is waarover in het kader van planvorming door middel van vooronderzoeken informatie verzameld moet worden. Ook bij het verlenen van medewerking aan de ontwikkeling van ruimtelijke plannen van derden toetsen burgemeester en wethouders deze aan de consequenties voor het bodemarchief.
Indien archeologie vroegtijdig in het planproces wordt meegenomen en integraal onderdeel uitmaakt van de planontwikkeling, worden vertragingen en onnodige kosten voorkomen en kunnen opgravingen worden voorkomen.
Het ligt in de bedoeling dat de provincie een kaart samenstelt waarop de archeologische attentiegebieden staan, dat wil zeggen de gebieden waarbinnen bij planvorming rekening moet worden gehouden met archeologische waarden. Aangezien dit in het uiterste geval kan leiden tot het aanwijzen van (vrijwel) het gehele gemeentelijke grondgebied, is een attentiekaart samengesteld, gebaseerd op de gegevens van de Archeologische Monumentenkaart (de AMK), die ook in de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is verwerkt, aangevuld met enkele belangrijke archeologische verwachtingsgebieden in Diemen. Deze kaart maakt een genuanceerd en afgewogen gemeentelijk archeologisch-ruimtelijk beleid mogelijk (zie bijlage B).
De gemeente zal plannen toetsen aan de archeologische beleidskaart voor Diemen en zal besluiten tot het wel of niet doen van onderzoek. Met name bij bouwplannen die in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd, zal vooraf de archeologiekaart worden geraadpleegd. Daarnaast zal de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen vooraf een archeologische inventarisatie laten verrichten met als doel om gevonden resultaten zo mogelijk te integreren in de ruimtelijke plannen.
Er zijn in het geval van het aantreffen van belangrijke archeologische waarden vier mogelijkheden:
1Het plan wordt aangepast en de archeologische waarden blijven in de bodem behouden.
2Het terrein wordt beschermd door plaatsing op de lijst van beschermde archeologische monumenten.
3Als de aanwezigheid van archeologische waarden onduidelijk is kan worden volstaan met archeologisch toezicht tijdens de werkzaamheden.
4Indien er geen andere opties zijn, kan worden besloten tot een opgraving.
Bij grotere ontwikkelingsplannen kunnen combinaties van bovenstaande mogelijkheden voorkomen.
De verwachting is dat het verdrag van Valetta in de Nederlandse wetgeving niet voor 2005 zal zijn geëffectueerd. Pas dan zal de Monumentenwet worden aangepast voor een nieuw instandhoudingregime en voor een nieuw archeologieregime. Het gemeentebestuur heeft het voornemen die ontwikkelingen af te wachten en pas na verschijning in de Staatscourant haar beleid daarop aan te passen. Tot dat moment zal archeologie zorgvuldig worden betrokken in de voorbereiding van ruimtelijke ingrepen.
7.6.3 Bestemmingsplannen
Zoals bekend moeten bestemmingsplannen regelmatig (een keer in de tien jaar) worden herzien. Dit biedt een uitstekende gelegenheid om de cultuurhistorische waarden in te brengen in de te vernieuwen bestemmingsplannen. In de meest recente bestemmingsplannen is al specifiek aandacht geschonken aan de rijksmonumenten, een aantal beeldbepalende panden/wanden en enkele archeologische terreinen.
Om meer rechtszekerheid te kunnen bieden, zal door middel van archeologisch terreinonderzoek nagegaan moeten worden in hoeverre de archeologisch waarvolle terreinen reeds in het verleden verstoord zijn geraakt, waardoor de archeologische waarde zodanig is verminderd, dat zij niet meer op de kaart hoeven te worden opgenomen. Dit betekent dat alleen de meest waardevolle gebieden uiteindelijk worden benoemd in de bestemmingsplannen waarbij met name kan worden gedacht aan het Oud-Diemen en delen van het buitengebied.
Voor de historische geografie wordt voorlopig de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie als uitgangspunt genomen. Deze kan per bestemmingsplan naar behoeven worden aangevuld met meer gedetailleerde gegevens voor het plangebied.
Te zijner tijd zou ook een eventuele gemeentelijke monumentenlijst de basis kunnen gaan vormen voor nadere bescherming middels het bestemmingsplan.
De beleidsstrategie tot het versterken van de cultuurhistorische identiteit leidt ertoe dat bij het opstellen of wijzigen van bestemmingsplannen voortaan nog nadrukkelijker aandacht wordt besteed aan bekende en vermoede cultuurhistorische waarden. In de toelichting op het betreffende bestemmingsplan wordt ingegaan op het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid en op de ten behoeve van het plan uitgevoerde inventarisatie van cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Ook kan hier gewezen worden op de eventuele gevolgen voor het verlenen van bijvoorbeeld een aanlegvergunning: aan de vergunningverlening kan, indien nodig, de voorwaarde worden gekoppeld van een uit te voeren cultuurhistorisch onderzoek.
Via de bestemmingsplannen heeft de gemeente een juridisch instrument in handen dat bescherming biedt aan ongewenste ontwikkelingen en wordt de intentie om zorgvuldig om te gaan met de cultuurhistorie, in duidelijke randvoorwaarden en kaders vastgelegd. Zoals het bestemmingsplan Oud- Diemen dat zeer strenge voorwaarden en eisen heeft en maar beperkte ruimte laat voor bijvoorbeeld verbouwingen en wijzigingen aan de woningen, voor bescherming van haar identiteit.
7.18 Educatie
7.18.1 Scholen adopteren monumenten
Dit project werd in 1997 ontwikkeld door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en het Nationaal contact Monumenten. Het basisprincipe is dat scholen een langdurige band aangaan met een monument (of groep monumenten) in de nabije omgeving van de school. Dit monument wordt vervolgens ingezet als kapstok bij verschillende schoolvakken.
7.18.2 Verover je eigen monument
Ook dit project (geïnitieerd door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, het Nationaal Contact Monumenten en het VSB fonds) is specifiek gericht op het creëren van draagvlak bij jongeren en het betrekken van jongeren bij de zorg van het culturele erfgoed.
In dit project worden jongeren in hun eigen taal en door leeftijdsgenoten aangesproken en leren ze monumenten te waarderen en ervan te genieten. Gemeenten waar dit project als pilot van start is gegaan zijn Alkmaar, Haarlem en Purmerend.
Scholen adopteren monumenten
7.18.3 Kennisnet.
Kennisnet is een soort intranet tussen scholen en andere instellingen op het gebied van de cultuurhistorie. Leerlingen en docenten kunnen van digitale informatie raadplegen van archieven, musea en archeologie-instellingen.
7.18.4 De Monumentenkoffer
Momenteel wordt het project ‘terug naar de toekomst, de monumentenkoffer’ ontwikkeld door het Nationaal Contact Monumenten, Bureau Monumentenzorg Amsterdam, Erfgoed Actueel en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. De leerlingen krijgen bestaande, actuele dilemma’s voorgelegd en moeten een mening formuleren bijvoorbeeld of er wel of niet gerestaureerd moet worden, Oudhollandse of moderne bestrating in een beschermd stadsgezicht zou moeten komen of wat de consequenties zijn als in een monument een café komt.
BIJLAGE A
Begripsbepaling en wettelijke kaders
Historische (steden)bouwkunst
De historische (steden)bouwkunst heeft betrekking op zowel individuele gebouwen als op stedenbouwkundige structuren. Deze laatste laten zien hoe plaatsen en dorpen ooit zijn ontstaan. Ook is het mogelijk roerende zaken te beschermen zoals schepen of landschapsobjecten. Bij landschapsobjecten gaat het vaak om bijzonder oude bomen die een beeldbepalend karakter hebben. Nog bestaande historische bebouwing is bijvoorbeeld De Smidse, schuilkerk De Hoop en het oude raadhuis. Een stedenbouwkundige structuur is Diemen is De Sniep of Varkenseiland, een duidelijk begrensd gebied door zijn ligging tussen de Weespertrekvaart en de Muidertrekvaart. De ligging van de snelweg, de Harteveldseweg, de Muiderstraatweg en de spoorlijn maken nog steeds zichtbaar dat Diemen vroeger uit twee delen bestond (Oud-Diemen en Diemerbrug).
Historische geografie
Zowel de steden, dorpen maar ook het landelijke gebied zijn ingericht door de mens en voortdurend aangepast al naar gelang de functie die een gebied moest vervullen. De landbouwfunctie leidde tot een zo efficiënt mogelijk patroon van wegen, waterlopen en sloten. De strijd tegen het water leidde tot de aanleg van dijken en later tot het bouwen van molens en gemalen. De verdediging van een gebied en de bewaking van strategische plekken vereiste de aanleg van schansen, forten en andere verdedigingswerken. Een voorbeeld hiervan is de Stelling van Amsterdam (waaronder de Diemerzeedijk).
Archeologie
De archeologie bestudeert bodemsporen en vondsten van de prehistorie tot het recente verleden. Archeologische opgravingen trekken vaak veel aandacht zoals de opgravingen bij de oude Mariakerk waar de fundamenten weer zichtbaar zijn gemaakt. Deze opgravingen voegen informatie toe aan onze kennis over de geschiedenis. Opgraven betekent echter ook dat de ‘vindplaats’ verstoord wordt of soms geheel vernietigd waardoor onderzoek in de toekomst met meer geavanceerde methodes dan nu gebruikt worden, niet meer mogelijk is.
Het toekomstige rijksarcheologiebeleid tracht hier in te voorzien.
Monumentenwet 1988
Regelt de aanwijzing en bescherming van rijksmonumenten. Een rol voor de gemeente is het beslissen op aanvragen om vergunningen van rijksmonumenten bij sloop/wijzigingen/restauratie en regelt de bepalingen voor het verstrekken van rijkssubsidies.
Monumentenverordening Diemen 1996
Deze verordening regelt de vergunningverstrekking en subsidiering van rijksmonumenten.
Woningwet/Bouwverordening/bouwbesluit
Met name de Woningwet kent een aantal bijzondere bepalingen voor monumenten, waaronder de plicht van de gemeente tot aanschrijving over te gaan bij verwaarlozing en ontsiering van rijks- en provinciale monumenten.
Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO)
Via de WRO kan een deel van monumentenbeleid opgenomen worden in bestemmingsplannen al dan niet in relatie met een Beeldkwaliteitplan.
In een bestemmingsplan kan bijvoorbeeld expliciet de bestemming ‘monument’ worden gegeven waardoor de status van het pand ook voor de toekomst, wordt vastgelegd.
BIJLAGE B
B.1Uitvoering van archeologisch onderzoek.
Bij het uitvoerend archeologisch onderzoek is het uitgangspunt, dat wordt gewerkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA)
7Handboek Kwaliteitsnormen Nederlandse Archeologie, 2001
en binnen de door rijk en provincie gestelde kaders. Ook de procedures binnen de gemeente dienen hieraan te voldoen.
Bij opgravend onderzoek wordt door een seniorarcheoloog met specifieke expertise van het desbetreffende type archeologische vindplaats, het Programma van Eisen opgesteld en de directievoering verricht.
Als archeologische onderzoek moet worden gedaan zijn er twee mogelijkheden:
1Onafhankelijke archeologische expertise inhuren voor de directievoering en het schrijven van Programma’s van Eisen. Op basis van het Programma van Eisen worden meerdere opgravingbedrijven uitgenodigd om te offreren op het project.
2Gebruik maken van de expertise van het Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam, zoals ook in het verleden op een bevredigende wijze is gebeurd. Dit bureau neemt ook de directievoering en het schrijven van Programma's van Eisen op zich. De uitvoering vindt ook in dit geval plaats door een archeologisch bedrijf.
Indien voor optie 2 wordt gekozen kunnen met het Bureau Monumentenzorg en Archeologie afspraken worden gemaakt. De huidige gemeentelijk archeoloog van Amsterdam, dr. J. Gawronski, heeft reeds aangegeven hiertoe in principe bereid te zijn.
B.2 Beleid per archeologiegebied
Zoals in hoofdstuk 4 is gebleken, valt archeologie onder het speerpuntbeleid van de provincie Noord- Holland op het gebied van de Ruimtelijke Ordening. Uit dit beleid vloeit voort, dat gemeenten reeds nu zijn gehouden om bij planontwikkeling archeologische waarden mee te nemen in hun afweging, opdat een expliciete afweging gemaakt kan worden van al de belangen die in het plangebied aanwezig zijn.
Omdat het zinloos is om in het gehele grondgebied van de gemeente ook bij de kleinste plannen een archeologisch verkennend vooronderzoek te eisen, is een gemeentelijke beleidskaart ontwikkeld
8Bijlage: kaart van zekere en potentiële archeologische terreinen
.
Deze kaart moet gezien worden als een archeologische attentiekaart, als uitwerking van de nog door de provincie vast te stellen provinciale archeologische attentiekaart. Met andere woorden: aangegeven wordt op welke plaatsen er zodanig concrete verwachtingen bestaan tot het aantreffen van archeologische sporen, dat hiermee in het kader van Ruimtelijke Ordeningsprocedures rekening moet worden gehouden. Over de kwaliteit en betekenis van deze vindplaatsen worden geen uitspraken gedaan, het is geen waarderingskaart. Dat kan het ook niet zijn, omdat daarvoor meer onderzoek noodzakelijk is. Het belang van de kaart is, dat archeologische belangen in een vroeg stadium bij de besluitvorming kunnen worden betrokken. Om meer zekerheid te verkrijgen omtrent de precieze locatie en waarde van archeologisch waardevolle gebieden dient aanvullend archeologisch onderzoek plaats te vinden.
Opgemerkt dient te worden dat de kaart niet compleet is. Naarmate er door onderzoek meer gegevens over archeologische gebieden bekend worden, kunnen er locaties bijkomen of juist afvallen. De archeologiecriteria zijn gebaseerd op de verwachte dichtheid aan, en conservering van archeologische sporen en zullen dus per locatie variëren.
B.2.1De historische kern van Oud-Diemen
Beschrijving (DIEM 6: rood)
De historische dorpskern van Diemen dateert uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd.
De archeologische waarde van historische kernen bestaat uit de reeds aangetroffen of te verwachten aanwezigheid, boven of onder de grond, van bouwhistorische resten en archeologische sporen en voorwerpen.
Samen bevatten zij een veelheid aan historische informatie over ouderdom en ruimtelijke ontwikkeling van de kern. De historische kern bevat vrijwel overal archeologische waarden, behalve daar waar in de twintigste eeuw de bodem diepgaand is verstoord.
Archeologieregime
Het archeologieregime wordt gerealiseerd door planologische maatregelen. Gekeken wordt naar de noodzaak/mogelijkheden van aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument.
Archeologiecriteria
Bij ingrepen in de bodem dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van archeologische waarden.
B.2.2De versterkingen
Beschrijving (DIEM 19, 23; rood)
De versterkingen in de gemeente Diemen zijn indertijd aangelegd als onderdeel van de Linie van Krayenhoff, voorloper van de Stelling van Amsterdam, en dateren uit de Nieuwe Tijd. Militair-historisch bevatten zij belangrijke archeologische waarden.
Archeologieregime
Het archeologieregime wordt gerealiseerd door planologische maatregelen. Gekeken wordt naar de noodzaak/mogelijkheden van aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument.
Archeologiecriteria
Bij ingrepen in de bodem dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van archeologische waarden.
B.2.3De middeleeuwse terpen
Te beschermen terpen
Beschrijving (DIEM 4, 30, 31 en 46; rood)
Door de goed conserverende klei- en mestlagen zijn de aanwezige sporen en vondsten in terpen vaak zeer goed bewaard gebleven. Hierdoor verschaffen terpen vaak zeer gedetailleerde archeologische informatie. Sommige van de middeleeuwse terpen zijn ook nu nog in het landschap herkenbaar als enkele decimeters hoge heuveltjes met een omvang van enkele tientallen meters.
Archeologieregime
Het archeologieregime wordt gerealiseerd door planologische maatregelen. Gezien het grote archeologische belang (de goed geconserveerde overblijfselen leveren een belangrijke bijdrage aan de bewoningsgeschiedenis van het gebied) wordt gekeken naar de noodzaak/moelijkheden van aanwijzing van de genoemde terpen als gemeentelijk archeologisch monument.
Archeologiecriteria
Bij ingrepen in de bodem dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van archeologische waarden.
Mogelijke huisterp
Beschrijving DIEM 32; oranje)
Mogelijke huisterp (Overdiemerpolder; Hoogestuk). Volgens mondelinge overlevering zou hier een kerk of kapel uit de Nieuwe Tijd hebben gestaan. Uit boringen kon dit echter niet worden opgemaakt. Wel bevindt zich ter plaatse een antropogene laag met puin, bot, houtskool, schelpen en kiezels.
Op grond van vondsten, bodemkenmerken, terreinkenmerken en de perceelsnaam (Het Hoogestuk) wordt verwacht dat zich hier archeologische sporen zullen bevinden. De aanwezigheid van een terp is echter niet zeker.
Archeologieregime
Het archeologieregime wordt gerealiseerd door planologische maatregelen.
Archeologiecriteria
Bij kleine ingrepen in de bodem (minder dan 50 m2) hoeft geen rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Bij grotere ingrepen die de archeologisch waardevolle bodemlagen zullen raken, dient daarmee wel rekening te worden gehouden.
B.2.4De historische boerderijplaatsen, de trekvaart, de Diemerzeedijk en de kern van Diemerbrug
Beschrijving (DIEM 1, 2, 5, 7-18, 20, 23, 24, 29, 34, 36, 38, 39 en 41; oranje)
De van oorsprong dertiende-eeuwse Diemerzeedijk bevat nog archeologische gegevens over eerste aanleg en groei in de loop der eeuwen. Historische boerderijplaatsen uit voornamelijk de zeventiende en achttiende eeuw komen veel voor in Diemen.
Bouwkundig en archeologisch bevatten zij waardevolle informatie over de ontwikkeling van het gebied. In dezelfde periode ontwikkelde zich aan de trekvaart de kern van Diemerbrug met ambachtelijke werkplaatsen, gericht op dienstverlening aan het voorbijkomende verkeer.
Archeologieregime
Het archeologieregime wordt gerealiseerd door planologische maatregelen. Indien bestaande bebouwing wordt gesloopt wordt getoetst of er bouwhistorische waarden aanwezig zijn. Indien dit het geval is worden deze waarden door een bouwhistoricus gedocumenteerd, opdat deze informatie over de ontwikkelingsgeschiedenis van het dorp niet verloren gaat.
Archeologiecriteria
Bij kleine ingrepen in de bodem (minder dan 50 m2) hoeft geen rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Bij grotere ingrepen die de archeologisch waardevolle bodemlagen zullen raken, dient daarmee wel rekening te worden gehouden.
B.2.5Overige locaties in de gemeente
Beschrijving (DIEM 1, 25-27 en 44; grijs)
Het betreft hier oeverwallen, het Diemer bos en een ontginningsas. Op de oeverwallen van Diem en Gaasp kunnen bewoningssporen verwacht worden uit de IJzertijd en Vroege Middeleeuwen.
Dergelijke hogere locaties in het landschap waren in het verleden favoriet voor de vestiging van nederzettingen. Ter plaatse van het Diemer bos in de Overdiemerpolder zijn eeuwenoude eiken gevonden, wat deze plek waardevol maakt. Langs de Ouddiemerlaan kunnen in de ondergrond nog resten worden aangetroffen van ontginningsnederzettingen uit de middeleeuwen.
Archeologieregime
Het archeologieregime wordt gerealiseerd door planologische maatregelen.
Archeologiecriteria
Slechts bij grondroerende werkzaamheden met een grotere oppervlakte (meer dan 500 m²) die de waardevolle archeologische bodemlagen zullen raken, dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van archeologische waarden.
B.2.6Het water van het IJsselmeer
Beschrijving (blauw)
In het IJsselmeer bestaat de kans op aanwezigheid van scheepswrakken op de bodem, zowel uit de middeleeuwen als uit de nieuwe tijd. Tevens is het mogelijk dat er nederzettingsresten uit de prehistorie in de IJsselmeerbodem aanwezig zijn. Al deze archeologische resten lopen grote risico's van beschadiging door werkzaamheden zoals buitendijks graafwerk, natuurbouw, aanplempingen, beschoeiingswerkzaamheden, het uitdiepen of verbreden van vaargeulen, het plaatsen van buitendijkse windmolens, enz.
Archeologieregime
Het verdient aanbeveling om ruimschoots voorafgaand aan dergelijke grondroerende werkzaamheden in de IJsselmeerbodem contact zoeken met het Nederlands Instituut voor Scheepsarcheologie (NISA) te Lelystad, met als doel om de meest effectieve wijze van het veiligstellen van archeologische waarden te bepalen.
Archeologiecriteria
Afhankelijk van de aard van het plan wordt de archeologie in het planproces geïntegreerd.
B.2.7Het overig gemeentelijk grondgebied
Beschrijving (geel)
Het overig gemeentelijk grondgebied betreft nog bestaand en voormalig landelijk gebied, waar in de twintigste eeuw woonwijken en bedrijventerreinen zijn aangelegd. Daarbij zijn ongetwijfeld archeologische vindplaatsen beschadigd of overbouwd geraakt. Toch bestaat ook daar nog steeds de kans, dat incidenteel archeologische waarden aanwezig zijn, die bij inbreiding of hernieuwing, dan wel vervanging van bebouwing alsnog verloren kunnen gaan. Aparte vermelding verdient de bodem van de Diemen waar zich archeologische resten kunnen bevinden.
Archeologieregime
Het archeologieregime wordt gerealiseerd door bij projectplannen, waarbij de gemeente initiatiefnemer dan wel betrokkene is, van begin af aan rekening te houden met de aanwezigheid van archeologische waarden.
Archeologiecriteria
Afhankelijk van de aard van het plan wordt de archeologie in het planproces geïntegreerd.
B.3Archeologische vondsten
De regelgeving met het oog op archeologische vondsten is als volgt: Indien onverwacht tijdens grondroerende werkzaamheden wordt gestuit op zaken, waarvan vermoed kan worden dat zij archeologisch van waarde zijn, dan moet de vondst volgens de Monumentenwet binnen drie dagen worden gemeld bij de burgemeester, die vervolgens de minister op de hoogte brengt. In de praktijk betekent dit dat de verantwoordelijke ambtenaar bij de gemeente de vondst direct meldt bij of het Provinciaal Depot voor bodemvondsten te Wormer, of, als aansluiting is gezocht bij Amsterdam, bij het Bureau Monumentenzorg en Archeologie.
B.4Toelichting op de te verwachten uitgaven met betrekking tot het archeologiebeleid.
De archeologische kosten van die in het kader van de planontwikkeling worden gemaakt, dienen in principe te worden opgenomen in de kosten van het betreffende plan of besluit.
De archeologische kosten kunnen bestaan uit:
❖ planaanpassingen
❖ beheersmaatregelen
❖ prospectief/indicatief onderzoek
❖ aanvullend/waardestellend opgravend onderzoek
❖ definitief/curatief opgravend onderzoek
Opgravend onderzoek brengt bovendien kosten met zich mee voor:
❖ vervaardigen Programma van Eisen en directievoering
❖ vondstenconservering
❖ deponeren vondsten en documentatie
❖ vervaardigen basisrapportage
Indien gebruik gemaakt gaat worden van de diensten van het Bureau Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam zullen over de financiële gevolgen hiervan met dat bureau van tevoren afspraken worden gemaakt en vastgelegd.
Van de kosten van archeologisch onderzoek is geen eenduidige indicatie te geven, omdat zij afhankelijk zijn van vele factoren. Duidelijk is dat indicatief onderzoek relatief het goedkoopst is, waardestellend onderzoek iets duurder en definitief opgravend onderzoek het duurst. De voor de verschillende vormen van onderzoek benodigde tijd kent een vergelijkbare verdeling.
Het voordeel van vroegtijdig indicatief en eventueel waardestellend onderzoek naar archeologische waarden in een plangebied is, dat vooraf reeds veel over de mogelijk aanwezige waarden gezegd kan worden. Hierdoor kunnen bij de uitvoering van de werkzaamheden kosten bespaard worden en kunnen de kosten verwerkt worden in de grondexploitatie. Verder kunnen plannen worden aangepast en kan in de projectbegroting rekening worden gehouden met archeologisch onderzoek.
Bij grote projecten zullen de kosten voor archeologie naar verhouding niet snel worden ervaren als excessief. Maar een relatief kleine bodemingreep door een particulier kan leiden tot relatief kostbare opgravingen. Indien de gemeente bij planontwikkeling de uit te geven grond zelf in eigendom heeft, kunnen de kosten voor eventueel archeologisch onderzoek worden verdisconteerd in de uitgifteprijs. In andere gevallen kan op dit moment beter worden ingezet op goed overleg met alle betrokken partijen.
In vergelijking met bouwkundige monumenten is het bedrag op de rijksbegroting voor archeologische monumentenzorg slechts gering. Bovendien kan door gemeenten geen beroep meer worden gedaan op Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, aangezien deze reeds de Valletta-uitgangspunten (“de verstoorder betaalt”) hanteert als beleidslijn voor het Archeologisch Krediet.
De kosten voor het gemeentelijk archeologiebeleid kunnen niet volledig worden gedekt door bestaande gemeentelijke begrotingsposten of opname van archeologiekosten in projectbegrotingen.
B.5Beknopte lijst van archeologische terreinen
(Zie eveneens de bijgevoegde kaarten aan het einde van deze paragraaf.)
DIEM 1:
Ontginningsas Ouddiemerlaan
DIEM 2:
Historische boerderijplaats Land en zeezicht
DIEM 3:
Historische boerderijplaats Eindevreugd
DIEM 4:
Woonterp op het terrein van boerderij Zeldenrust (Ouddiemerlaan, Houtbosch 2), bewoningssporen uit de late twaalfde - begin dertiende eeuw (MLA263A). Aan te wijzen als gemeentelijk archeologisch monument.
DIEM 5:
Historische boerderijplaats Buitenrust
DIEM 6:
Historische kern Oud-Diemen (MLA264A)
DIEM 7:
Historische boerderijplaats Landlust
DIEM 8:
Historische boerderijplaats Kent u zelve
DIEM 9:
Historische boerderijplaats Niemand zonder vijand
DIEM 10:
Historische boerderijplaats Landzigt
DIEM 11:
Historische boerderijplaats Diemenvreugd
DIEM 12:
Diemerbrug, historische nederzetting
DIEM 13:
Trekvaart/jaagpad (Weespertrekvaart/Muiderstraatweg), aangelegd 1638-1640 (MLA035G, 149G, 150G)
DIEM 14:
Historische boerderijplaats
DIEM 15:
Historische boerderijplaats
DIEM 16:
De Steenen kamer
DIEM 17:
Historische boerderijplaats Altijdzorg en ten zuiden aangrenzende boerderijplaats
DIEM 18:
Historische boerderijplaats
DIEM 19:
Vestingwerk post nr. 21, bij het Weesper tolhek (begin negentiende eeuw - 1926) (MLA278A)
DIEM 20:
Historische boerderijplaats Vierhuizen of Ruimzicht
DIEM 21:
Vestingwerk post nr. 20, op de Snip (begin negentiende eeuw- 1926) (MLA277A)
DIEM 22:
Vestingwerk post nr. 19, bij Vierhuizen aan Weespertrekvaart (begin negentiende eeuw - 1926) (MLA279A)
DIEM 23:
Vestingwerk post nr. 18, aan de Vinkebrug, rechts en links van de Muider trekvaart (begin negentiende eeuw -1923) (MLA027G)
DIEM 24:
Historische boerderijplaats Schoonzigt en ten noorden gelegen molenplaats
DIEM 25:
Diemer bos
DIEM 26:
Noordelijke oeverwal van de Diem (MLA267A)
DIEM 27:
Zuidelijke oeverwal van de Diem (MLA270A)
DIEM 28:
Water Diem
DIEM 29:
Historische bebouwing. Binnen dit cluster van historische boerderijen liggen onder andere de Diemenhoeve en Ligttevrede.
DIEM 30:
Huisterp (Overdiemerweg 7) (MLA272A)
DIEM 31:
Huisterp (Overdiemerpolder) (MLA274A)
DIEM 32:
Mogelijke huisterp (Overdiemerpolder; Hoogestuk) (MLA273A)
DIEM 33:
Historische boerderijplaats en molenplaats
DIEM 34:
Historische bebouwing
DIEM 35:
Bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen (Kapelleland) (MLA271A)
DIEM 36:
Historische boerderijplaats
DIEM 37:
Fort Diemerdam (MLA020G)
DIEM 38:
Historische boerderijplaats De stenen beer
DIEM 39:
Diemerzeedijk, aangelegd in de dertiende eeuw (MLA265A)
DIEM 40:
Water IJsselmeer
DIEM 41:
Historische boerderijplaats Hooibrug en woonhuizen aan zuidelijke zijde van de trekvaart
DIEM 42:
Historische boerderijplaats Houtbosch
DIEM 43:
Huisterp “de verdolven werf” (MLA282A)
DIEM 44:
Oeverwal Gaasp en bovengelegen Stammerdijk
DIEM 45:
Historische boerderijplaatsen Overbijlmer en Dobbelust
DIEM 46:
Terp (Gemeenschapspolder; De Goede Hoop, Stammerdijk 45) (MLA289A)
DIEM 47:
Historische boerderijplaats
DIEM 48:
Historische boerderijplaats Lusthoop
DIEM 49:
(gedeeltelijk) Molenplaats De Venzer windmolen westelijke zijde op grondgebied van de gemeente Amsterdam
BIJLAGE C
Rijks- en provinciale Monumenten in Diemen (2002)
Rijksmonumenten
1De voormalige schuilkerk De Hoop aan de Hartveldseweg 23
Op 27 februari 1998 opende mr. Pieter van Vollenhoven de gerestaureerde Hoop. Het enige houvast voor de restauratie waren twee foto’s van rond 1900. Na historisch onderzoek bleek dat er in dezelfde tijd als De Hoop twee andere katholieke kerken in Amsterdam gebouw waren: De Liefde en de kapel van het Maagdenhuis. Deze drie kerken hebben een sterke verwantschap gehad. Door de prenten van deze bedehuizen te gebruiken kon het interieur van De Hoop gereconstrueerd worden. De Hoop heeft een nieuwe functie als cultureel centrum, in een unieke locatie.
2De RK kerk St. Petrus Banden met pastorie aan de Hartveldseweg 24/25;
Gebouwd in 1910 in neo-romaanse stijl. Een driehoekig kerkgebouw op een rechthoekig grondplan onder zadeldak. Voor het brede middenschip is een hoog dwarspand opgetrokken waarvan het zadeldak in het midden onderbroken wordt door een op dit ‘westwerk’ geplaatste toren. De daken zijn gedekt met rode tuiles du nord.
3De Nederlands Israëlitische begraafplaats aan de Ouddiemerlaan 146:
Bestaande uit vier onderdelen: begraafplaats, woning, bergplaats en Metaheerhuis. Aangelegd in 1913-1914 naar architect E.M. Rood. Vanaf 1914 tot 1940 werden ongeveer 500 mensen per jaar begraven. Het ging om overwegend Joden uit de lagere bevolkingsgroepen. Het terrein werd door een spoorwegdoorsnijding in 1925-1928 gesplitst. Op het oostelijk deel werd in 1931 een Metaheerhuis (of lijkenhuis) gebouwd. Na 1945 bleef de begraafplaats in gebruik. Tot op heden vinden er enkele begravingen per jaar plaats.
4De voormalige dienstwoning van Rijkswaterstaat de Ouddiemerlaan 553;
Gebouw in 1839 door Rijkswaterstaat met als omschrijving in de bouwaanvraag: ‘woning voor een brugwachter en knecht, woning voor een poortwachter, sluiswachter of overtoomwachter’. In neorenaissance stijl gebouwd op een rechthoekige plattegrond met achteraanbouw opgetrokken in één bouwlaag en kapverdieping. Een gaaf voorbeeld van een laat negentiende- eeuwse dienstwoning door de vormgeving, de gaaf bewaard gebleven hoofdvorm en de detaillering.
5De grenspaal ter hoogte van de Ouddiemerlaan 553:
Grenspaal uit 1898. Een zeldzaam geworden voorbeeld van een gietijzeren grenspaal uit de laat negentiende eeuw. Bovendien van belang als een van de zeer zeldzame (waarschijnlijk twee) nog in situ aanwezige grenspalen van de hoofdstad Amsterdam.
6De uitwateringssluis tussen de Tweede Diem en het Amsterdam Rijnkanaal:
Keersluis gebouwd in 1937-1938 door Rijkswaterstaat directie Utrecht als onderdeel van de werken aan het Amsterdam Rijnkanaal. De sluis komt overeen met die in het Nieuw Diep (gemeente Amsterdam).
De sluis bevindt zich in de zuidelijke kanaaldijk op de aansluiting met de voormalige rivier De Diem nabij kilometeraanduiding 5. De betonnen onderbouw van de sluis en de weg over de sluis werden in 1987/88 hersteld. De sluis is van belang als voorbeeld van een keersluis in beton en staal uit de eerste helft van de twintigste eeuw en vanwege de keerschuifconstructie.
7De transformatorzuil (ook wel peperbus genoemd) aan de Kanaaldijk ter hoogte van de Overdiemerweg;
Gebouwd in 1911. Zeldzaam wordend vroeg type transformator voor de openbare stroomvoorziening. Gaaf bewaard gebleven vormgeving en constructie. Van waarde ook als element uit de geschiedenis van de energiedistributie in de hoofdstad.
8De dwarshuisboerderij Jacht en Vislust, Overdiemerweg 13:
Bestaande uit een dwarsboerderij en een stal. Het dwarshuis vormt het oudste gedeelte en dateert in de kern uit de achttiende eeuw. Omstreeks 1870 en 1915 werd de boerderij ingrijpend gewijzigd, waarbij het zuidelijk deel van het voorhuis en het achterliggende stalgedeelte opnieuw werden opgetrokken. De boerderij ligt centraal binnen het complex. De boerderij is een belangrijk voorbeeld van een dwarshuisboerderij uit de tweede helft van de negentiende eeuw met oudere achttiende-eeuwse kern. (De ondergrond van deze boerderij is archeologisch van belang).
9Het benzinestation De Blokhut aan de Muiderstraatweg 59:
Benzinestation annex woningen, gebouwd in expressionistische trant voor pomphouder F.J. Smits in 1938-1939. Het betreft het oudste nog functionerende benzinestation in Nederland. Gebouwd op een langgerekte rechthoekige plattegrond en opgetrokken in gepleisterde baksteen en beton, tegen het talud van de weg. De voorzijde bestaat uit één bouwlaag, de achterzijde bestaat uit twee bouwlagen. De combinatie benzinestation en woning is zeer uitzonderlijk.
Provinciale monumenten
Het fort Diemerdam is met kringenwetboerderij de Zeehoeve (een niet-militair gebouw in de omgeving van het fort) beschermd als provinciaal monument. Het maakt deel uit van de Stelling van Amsterdam, een grote verdedigingslinie, die tevens geplaatst is op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.
BIJLAGE D
Selectiecriteria
1Het belang van Architectuurhistorische waarden van het object:
❖ voor de geschiedenis van de architectuur en/of bouwtechniek
❖ voor het oeuvre van een bouwmeester of architect
❖ wegens innovatieve waarde of pionierskarakter
2Het belang van de Historisch-geografisch waarde van het object:
❖ als essentieel onderdeel van een groter geheel, dat cultuurhistorisch, architectuurhistorisch en stedenbouwkundig van (inter)nationaal belang is
❖ wegens de situering, verbonden met de ontwikkeling/uitbreiding van een streek, stad, dorp of wijk
❖ wegens de wijze van verkaveling/inrichting/voorzieningen
❖ voor het aanzien van een streek/stad/dorp of wijk
❖ wegens de hoogwaardige kwaliteit van de bebouwing en de historisch ruimtelijke relatie met groenvoorzieningen, wegen, water en/of bodemgesteldheid
3Het belang van de Sociaal-economische waarde van het object:
❖ als bijzondere uitdrukking van een culturele, sociaal economische en/of geestelijke ontwikkeling
❖ als bijzondere uitdrukking van een geografische, landschappelijke of bestuurlijke ontwikkeling
❖ als bijzondere uitdrukking van een technische en/of typologische ontwikkeling
4Het belang van de Stedenbouwkundige waarde van het object:
❖ wegens de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp
❖ wegens de bijzondere markante ligging
❖ wegens het bijzonder materiaalgebruik en/of ornamentiek
❖ wegens de bijzondere samenhang tussen exterieur en interieur of onderdelen
5Het belang van de Ambachtelijk industriële waarde van het object:
❖ wegens een bijzonder type gebouw
❖ wegens het aflezen van de functie van het gebouw aan de buitenkant
❖ wegens bepaalde (bouw)technieken die heden ten dage niet meer in gebruik zijn (bepaald soort metselwerk, glasbewerking, houtsnijwerk of anderszins)
6Het belang van Gaafheid/herkenbaarheid/zeldzaamheid van het object:
❖ wegens de architectonische gaafheid/authenticiteit van ex- en/of interieur
❖ wegens de hoogwaardige architectonische kwaliteit van de samenstellende onderdelen (hoofd- en bijgebouwen, hekwerken en tuinaanleg e.d.)
❖ in relatie tot de structurele en/of visuele gaafheid van de stedelijke, dorpse of landschappelijke omgeving
❖ wegens architectuurhistorische bouwtechnische, typologische en functionele zeldzaamheid, eventueel verbonden met een bijzondere ouderdom
❖ als voorbeeld van krijgsbouwkunst
7Het belang van de Archeologische waarde van het object bij het aanwijzen van archeologische monumenten:
❖ wegens de belevingswaarde, met name de zichtbaarheid
❖ wegens de informatiewaarde, bepaald door de gaafheid, representativiteit en zeldzaamheid
❖ wegens de ensemblewaarde, waarbij het gaat om de combinatie met andere archeologische (of historisch-geografische/historisch-bouwkundige) objecten en/of structuren
8De Archeologische waarde bij het beoordelen van behoudenswaardigheid:
De archeologische waarde speelt niet alleen een rol bij het aanwijzen van archeologische monumenten, maar ook bij het nemen van selectiebesluiten door het gemeentebestuur in het kader van Ruimtelijke Ordeningsprocessen. Voor een gedegen selectie ter beoordeling van de behoudenswaardigheid van archeologisch waardevolle terreinen is een onderzoekskader nodig. De waarde van een archeologische vindplaats neemt immers toe naarmate deze beter in staat is om antwoord te geven op vragen over het verleden. Onderzocht zal worden of daarbij aangesloten kan worden bij het onderzoekskader van het Bureau Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam.
De volgende vragen vormen daarbij een eerste uitgangspunt, naarmate er meer resultaten van archeologisch onderzoek in de gemeente Diemen beschikbaar komen, kan het onderzoekskader worden bijgesteld.
Inhoudelijke archeologische vraagstellingen in de gemeente Diemen betreffen met name:
❖ de vaststelling van de aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem van bepaalde terreinen
❖ de aard, de gaafheid en overige kwaliteit van deze resten
❖ informatie over de prehistorische en vroegmiddeleeuwse bewoning
❖ de ontginnings- en agrarische geschiedenis van de veengebieden
❖ de ontstaansgeschiedenis van de historische kern Oud-Diemen
❖ informatie over de materiële cultuur: vullingen van gedempte grachten en sloten, gebruiksvoorwerpen, afvalkuilen, waterputten, beerputten en watergangen.
❖ de verschillen in materiële cultuur tussen de diverse bevolkingsgroepen in het verleden.
❖ militair-strategische geschiedenis; informatie over de verdedigingswerken, zoals de aanwezigheid van oudere fasen, de opbouw van wallichamen, grondsporen van niet meer zichtbare verdedigingswerken als palissades en loopgraven, overige sporen als waterputten, afvalkuilen etc. en daarnaast de militaire materiële cultuur.
BIJLAGE E
Historisch-geografische waarden op de Cultuurhistorische Waardenkaart
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Holland zijn de volgende elementen en structuren aangegeven.
1Werk aan het IJ voor Diemerdam, fort Diemerdam
Verdedigingswerk van de Stelling van Amsterdam (Kustbatterij). Aangelegd in de periodes 1787 en 1880 – 1920. Unesco monument.
De Stelling van Amsterdam heeft een belangrijke rol gespeeld in de verdediging van de hoofdstad. Al in 1787 is op deze locatie een batterij aanwezig. Tussen 1880 en 1920 is het ten behoeve van de Stelling van Amsterdam aangepast. Het Werk aan het IJ voor Diemerdam is nog goed herkenbaar. De ruimtelijke samenhang met het Zuiderzee/IJ-meer is nog duidelijk aanwezig, evenals de ruimtelijke en genetische samenhang met Het werk aan het IJ op het Vuurtoreneiland voor Durgerdam en het eiland Pampus. Kustbatterijen zijn zeldzaam (Overdiemerweg 37, 1111 PP, Over-Diemen)
2Diemerbos: Gemeenschapspolder-Overdiemerpolder
Opstrekkende veenontginningen ontstaan in de Volle Middeleeuwen.
Rond Diemen is het veengebied ontgonnen vanuit veenriviertjes. De aanzet van de ontginningen, de regelmatige strookvormige smalle kavels, zijn zichtbaar. De verkaveling is nu sterk versnipperd door het Amsterdam-Rijnkanaal, spoorlijnen, snelwegen en het recreatiegebied het Diemerbos. De samenhang de ontginningsassen de Gaasp en de Diemen en de verkaveling is daardoor op veel plaatsen verdwenen. Dergelijke kavels zijn niet zeldzaam.
3Post nr. 18
Verdedigingswerk van de Stelling van Kraayenhoff Aangelegd in de periode 1806 - 1810
De Stelling van Kraayenhoff was eveneens belangrijk in de verdediging van Amsterdam. Post nr. 18 is nog herkenbaar als grondlichaam aan weerszijden van Muiderstraatweg. De ruimtelijke samenhang met Muiderstraatweg is nog aanwezig. Dergelijke batterijen zijn nu zeldzaam in Noord-Holland en Nederland.
4Ouddiemerlaan
Weg, aangelegd in de Middeleeuwen
In veengebieden zijn rechte en slingerende wegen over kaden en dijken aangelegd. De Ouddiemerweg is vermoedelijk op de ontginningsbasis van de Polder Bovenkerk aangelegd. De weg is nog goed herkenbaar en volgt nog altijd hetzelfde tracé. De samenhang met het omliggende land is echter verdwenen door de bouw van woonwijken
5Polderkaden de Diemen-Gaasp-Weespertrekvaart
Polderkade aangelegd in de Late Middeleeuwen
Kenmerkend voor de ontwikkelingen in de waterstaat zijn de aanleg van kaden langs de veenstroompjes. Dit werd noodzakelijk door de steeds voortschrijdende bodemdalingen van de aanliggende (veen)landbouwgronden. Het verschil tussen de hoogteligging van het maaiveld en het peil van de veenstroompjes werd steeds groter. De hoogte van de kaden is voortdurend vergroot.
De herkenbaarheid is door de hogere ligging ten opzichte van het omliggende land groot. De kaden hebben een ruimtelijke samenhang met de verkeerswegen. Deze volgden de hogere en dus drogere delen van het landschap. De polderkaden volgen de ontginningsassen van waaruit het gebied ontgonnen is. Polderkaden zijn niet zeldzaam.
6Stammerdijk ; Overdiemerweg
Weg langs voormalige ontginningsas, aangelegd in de Volle Middeleeuwen
In veengebieden zijn rechte en slingerende wegen over kaden en dijken aangelegd. De grenzen van de middeleeuwse ontginningsblokken: rechte en slingerende ontginningsassen en rechte zij- en achterkaden vormden vaak de basis van het wegenpatroon. De slingerende Stammerdijk en de Oeverdiemerweg komen voort uit een ontginningsas van de Overdiemerpolder en de Gemeenschappolder. De wegen zijn duidelijk herkenbaar. De wegen hebben een ruimtelijke samenhang met de kaden langs de Gaasp, de Weespertrekvaart en de Diemen. Dergelijke wegen zijn niet zeldzaam.
7Kaden langs het Amsterdam-Rijnkanaal, Kanaaldijk
Kaden aangelegd in de twintigste eeuw
Kaden langs waterwegen zijn zeer kenmerkend voor laaggelegen gebieden als Meerlanden- Amsterdam. Over de kaden lopen vaak wegen. Deze kaden zijn goed herkenbaar. Er is een duidelijke samenhang met het kanaal en de wegen op de kaden. Dergelijke kaden zijn niet zeldzaam.
8Amsterdam-Rijnkanaal
Kanaal, aangelegd in de negentiende en vroeg twintigste eeuw
Het Amsterdam-Rijnkanaal is kenmerkend voor de ontwikkelingen in de verkeersfunctie in (inter)nationaal verband: de vele pogingen voor de tot stand brengen van een goede waterverbinding tussen Amsterdam, de Rijn en Duitsland. Het kanaal is duidelijk herkenbaar. Een dergelijke grootschalige ingreep is niet zeldzaam.
9Over-Diemen
Lineaire bewoning, ontstaan in de elfde en twaalfde eeuw
Zeer kenmerkend voor de bewoningsgeschiedenis van veengebieden is de lineaire bewoning langs de oorspronkelijke ontginningsas. Een verdichting van de bewoning in de Overdiemer en Gemeenschapspolder is duidelijk herkenbaar in Overdiemen. De ruimtelijke en genetische samenhang met de ontginningsas de Diemen en de strokenverkaveling van de veenontginningen is aanwezig. Dergelijke nederzettingen zijn niet zeldzaam. Overdiemen heeft een tijd lang een geheel gevormd met Diemerdam. Deze laatste nederzetting is ontstaan bij de aanleg van de Diemerzeedijk en de afdamming van de Diemen in de twaalfde eeuw. In Overdiemen woonde tot in zeventiende eeuw verschillende vissers en walvisvaarders. In de negentiende eeuw zijn Overdiemen en Diemerdam van elkaar gescheiden door de aanleg van het Merwedekanaal, nu Amsterdam-Rijnkanaal.
10Muiderstaatweg
Voormalig jaagpad, aangelegd in de zeventiende eeuw.
De aanleg van een goed georganiseerd trekvaartennetwerk en jaagpaden is zeer kenmerkend voor ontwikkelingen in de verkeersfunctie in de zeventiende eeuw. De Muiderstraatweg is aangelegd als jaagpad langs de gegraven Muidertrekvaart. De weg functioneerde al snel als doorgaande landweg tussen het Gooi en Amsterdam.
Ondanks de voordurende verbredingen is de weg herkenbaar gebleven, de Muidertrekvaart is echter door deze verbredingen gedempt. De weg heeft een ruimtelijke en genetische samenhang met de Weespertrekvaart en de nederzetting bij de Diemerbrug. Dergelijke wegen zijn in laag Nederland niet zeldzaam.
11Molenwetering Gemeenschapspolder
Molenwetering, aangelegd in de achttiende eeuw.
Kenmerkend voor de ontwikkelingen in de waterstaat zijn de vorming van molenweteringen. In de zeventiende eeuw vond een proces van schaalvergroting plaats dat leidde tot de samenvoeging van kleine polderblokken. De afwatering van de ontstane grote polder werd en wordt centraal geregeld. Het net van lange molenweteringen voerde het overtollige water naar de gemalen aan de Gaasp. Het net van molenweteringen van de Gemeenschapspolder is sterk aangetast door infrastructurele werken en de aanleg van het Diemerbos. Molenweteringen zijn niet zeldzaam.
12Muidertrekvaart
Trekvaart, aangelegd in de zeventiende eeuw
De aanleg van een goed georganiseerd netwerk van trekvaarten is zeer kenmerkend voor de ontwikkelingen in de verkeersfunctie in de zeventiende eeuw. Delen van de vaart zijn in de loop der jaren gedempt. De Muidertrekvaart heeft een ruimtelijke en genetische samenhang met de wegen langs de vaart, de vroegere jaagpaden. Trekvaarten zijn in laag Nederland niet erg zeldzaam.
13Diemerzeedijk
Zeewaterkerende dijk aangelegd vanaf de dertiende eeuw.
Zeedijken zijn zeer kenmerkend voor de landschapsontwikkeling van vrijwel geheel Noord- Holland geweest. De dijkring langs het IJ en de Zuiderzee moest het steeds lager liggende veenland beschermen tegen overstromingen van de zee. Dat dit niet altijd succesvol verliep is te zien in het grillige verloop van de dijk. Verscheidene keren is de dijk doorgebroken. De dijk is dan hersteld of een stukje verlegd. De Diemerzeedijk is duidelijk herkenbaar en de samenhang met IJ-meer, een deel van de vroegere Zuiderzee is aanwezig. De Diemerzeedijk heeft tot de aanleg van het netwerk van trekvaarten en jaagpaden een belangrijke functie gehad als weg tussen het oosten en Amsterdam. Zeewaterkerende dijken zijn niet zeldzaam.
14Weesperstraat-Prins Hendrikkade-Venserkade
Voormalig jaagpad, aangelegd in de zeventiende eeuw.
De aanleg van een goed georganiseerd trekvaartennetwerk en jaagpaden is zeer kenmerkend voor ontwikkelingen in de verkeersfunctie in de zeventiende eeuw. De Weesperstraat is aangelegd als jaagpad langs het gegraven deel van de Weespertrekvaart. De weg maakte al snel deel uit van de doorgaande weg van Amsterdam naar Weesp. De weg heeft een ruimtelijke en genetische samenhang met de Diemerbrug. Dergelijke wegen zijn in laag Nederland niet zeldzaam.
15Weespertrekvaart
Trekvaart, aangelegd tussen 1638 en 1640.
De aanleg van een goed georganiseerd netwerk van trekvaarten is zeer kenmerkend voor de ontwikkelingen in de verkeerfunctie in de zeventiende eeuw. Het eerste deel van het traject van de trekvaart van Amsterdam naar Weesp valt samen met de ringvaart van de Watergraafsmeer. Tot de "Korte Diem" is de vaart gegraven, daarna valt de trekvaartverbinding samen met de voormalige "Bijlmerringvaart". Met name het gegraven deel is duidelijk herkenbaar. De Weespertrekvaart heeft een ruimtelijke en genetische samenhang met de wegen langs de vaart, de vroegere jaagpaden. Een ruimtelijke samenhang bestaat met een deel van de ringvaart van de Watergraafsmeer. Ook is een genetische samenhang aanwezig met de nederzetting Diemerburg die is ontstaan bij de samenkomst van de Weespertrekvaart en de omstreeks 1930 gedempte Muidertrekvaart. Trekvaarten zijn in laag Nederland niet erg zeldzaam.
16Bewoning aan de Stammerdijk
Lineaire bewoning, ontstaan in de Volle Middeleeuwen
Zeer kenmerkend voor de bewoningsgeschiedenis van veengebieden is de lineaire bewoning langs de oorspronkelijke ontginningsas. De verspreide bewoning langs de Stammerdijk is goed herkenbaar. De ruimtelijke en genetische samenhang met de ontginningen van de Gemeenschapspolder is nog enigszins aanwezig.
BIJLAGE F
Tabel Archeologische perioden
PERIODE
DATERING
Paleolithicum
Tot 8800 v. Chr.
Mesolithicum
8800 – 4900 v. Chr.
Neolithicum
5300 – 2000 v. Chr.
Bronstijd
2000 – 800 v. Chr.
IJzertijd
800– 12 v. Chr.
Romeinse tijd
12v. Chr. – 450 n. Chr.
Middeleeuwen
450– 1500 n. Chr.
Vroege Middeleeuwen
450– 1050 n. Chr.
Vroege Middeleeuwen A
450– 525 n. Chr.
Vroege Middeleeuwen B
525– 725 n. Chr.
Vroege Middeleeuwen C
725– 900 n. Chr.
Vroege Middeleeuwen D
900– 1050 n. Chr.
Late Middeleeuwen
1050 – 1500 n. Chr.
Late Middeleeuwen A
1050 – 1250 n. Chr.
Late Middeleeuwen B
1250 – 1500 n. Chr.
Nieuwe tijd
1500 - heden
Nieuwe tijd A
1500 – 1650 n. Chr.
Nieuwe tijd B
1650 – 1850 n. Chr.
Nieuwe tijd C
1850 - heden
BIJLAGE G
Adreslijst
Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Provincie Noord-Holland
Gebouw Mercurius Veerdijk 32
1531 MS Wormer
voor vondstmeldingen: dhr. W. Blazer tel. 075-6474514
e-mail: blazerw@noord-holland.nl
Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek Kerkstraat 1
3811 CV Amersfoort
Postbus 1600
3800 BP Amersfoort
Tel. 033-422 77 77
Fax: 033 422 77 79
e-mail: info@archis.nl
Nederlands Instituut voor Scheepsarcheologie Oostvaardersdijk 1-4
8242 PA Lelystad
Postbus 510
8200 AM Lelystad
Tel. 0320-269700
Fax 0320-269750
Bureau Monumenten en Archeologie Noordermarkt 45
1015 NA Amsterdam
Tel. 020 5524795 / 622967
BIJLAGE H
Literatuur en andere bronnen
❖ Baart, J.M., 1991. “Diemen: Oud-Diemen”, AKNH 1990, in Holland 1991, pp. 315-316.
❖ Baart, J.M., 1991. “Dorpsheuvel Oud-Diemen geeft geheimen prijs”, in : Ons Amsterdam 43-2, pp. 30-33.
❖ Baart, J., 1993. Nota Archeologisch Monumentenbeleid gemeente Diemen.
❖ Afdeling Archeologie, Stedelijk Beheer Amsterdam.
❖ Beek, P.J. ter, 1957. Historie van Diemen.
❖ Datema, R.R., 1987. Amstelland, een archeologische kartering, inventarisatie en waardering. RAAP-rapport 4. Amsterdam.
❖ Datema, R.R., 1988. Een inventarisatie van archeologische elementen ten behoeve van het intentieprogramma bodembescherming in de provincie Noord-Holland. RAAP-rapport 29. Amsterdam.
❖ Geel, B. van et al., 2003. (in prep.) European oaks, the sun and the climate disaster during the first millennium BC.
❖ Geel, B. van, Jansma, E., Plicht, H. van der, 2003 (in prep.). Het “oerbos” van Diemen en de gevolgen van afgenomen zonneactiviteit rond 850 v. Chr.
❖ Grote Historische Provincie Atlas 1:25.000. Noord-Holland 1849-1859.
❖ Haartsen, A., Lenten, J., & Ten Oever-van Dijk, C., 2001. Cultuurhistorische Waardenkaart Noord- Holland. De cultuurhistorie van Meerlanden en Amsterdam. Provincie Noord-Holland.
❖ Heddes, F., (red.), 1999. Nota Belvedère. Beleidsnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. Den Haag. [Twee delen].
❖ Historische Kring Diemen: website www.historischekringdiemen.nl
❖ Hoogers, P., “Diemen: Oud-Diemen”, AKNH 1999, in: Holland 2000, pp. 313.
❖ Kienhuis, H.I., “Het verhaal van kosten van archeologisch onderzoek” In: De Gemeentestem 151, p. 453-459.
❖ Kuyper, J. 1869. Gemeente atlas van de provincie Noord-Holland. Monumentenwet 1988.
❖ Touwen, C., 2002. “Juridisch koffiedik kijken met nieuwe archeologiewet”, in: ROM 5, p. 5
❖ Stichting Menno van Coehoorn, 1986. Historische vestingwerken in Nederland, deel IIIb, provincie Noord-Holland.
COLOFON
Stichting Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland Veerdijk 32, Postbus 40, 1531 AA WORMER, 075 – 6474513
In opdracht van het Bestuur van de Gemeente Diemen.
In samenwerking met:
Mevrouw H. Caro, gemeente Diemen
Opgesteld door:
Foto’s:
Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland: E.M. den Breejen, J.M. van der Veen Archeologische dienst Gemeente Amsterdam