Gemeentelijke regelgeving

Nota reserves en voorzieningen 2024 gemeente Deventer

Gemeente Deventer · geldt sinds 14 maart 2025

1 Inleiding en begripsbepaling

Artikel 1.1 Begripsbepaling

In deze nota wordt verstaan onder:

a.Algemene reserve: Het deel van het eigen vermogen waar de raad geen bestemming aan heeft gegeven. De algemene reserve bestaat uit de specifieke en generieke weerstandsreserve.

b.Bespaarde rente: Over het eigen vermogen (totaal aan reserves en gerealiseerd resultaat) mag een rentevergoeding worden toegerekend aan taakvelden, de z.g. bespaarde rente. Het woord “bespaard” geeft aan dat door het eigen vermogen rentekosten voorkomen worden ten opzichte van het aantrekken van een lening. De gemeente heeft de keuze om deze rente als baten op te nemen in de begroting.

c.Bestemmingsreserve: Het deel van het eigen vermogen waar de raad een bestemming aan heeft gegeven.

d.Eigen vermogen: Het eigen vermogen van de gemeente op de balans bestaat uit het gerealiseerde resultaat, de algemene reserve en de bestemmingsreserves. Het eigen vermogen is het deel van de balanswaarde van alle bezittingen waar geen schulden tegenover staan.

e.Functies van reserves: Reserves kennen een vijftal functies: Financieringsfunctie, Bestedings-functie, Egalisatiefunctie en Bufferfunctie. Zie ook de algemene toelichting.

f.Kapitaallasten: dit zijn lasten als gevolg van het aanhouden van bezit (investeringen) en bestaan uit rente- en afschrijvingslasten.

g.Omslagrente: Dit is de rekenrente die wordt gebruikt om de werkelijk betaalde rente toe te rekenen aan de programma’s.

h.Reserve: Een reserve is een deel van het (eigen) vermogen, een waarde op de balans, waar geen verplichtingen tegenover staan.

i.Voorzieningen: Voorzieningen is een deel van het (vreemd) vermogen, een waarde op de balans, waar een verplichting, verlies of risico tegenover staat.

j.Weerstandsreserve: de algemene reserve is opgedeeld in twee weerstandsreserves, waarmee wordt aangegeven dat deze onderdeel zijn van het weerstandsvermogen tegen risico’s en tegenvallende ontwikkelingen.

2 Beleidsregels voor reserves

Artikel 2.1 Algemeen

1De raad is bevoegd tot het instellen, wijzigen en opheffen van reserves.

2Het college heeft de bevoegdheid tot besteding van de reserves binnen de door de raad vastgestelde bestemming en omvang;

3Een reserve mag niet negatief staan of geraamd worden.

4Mutaties in reserves worden aangemerkt als incidentele baten en lasten. Uitzondering hierop zijn de reserve dekking kapitaallasten en een deel van de algemene reserve als de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i.Maximaal 10% van het vrij besteedbare deel van de algemene reserve kan hiervoor worden bestemd;

ii.De solvabiliteitsratio is en blijft groter of gelijk aan 20%;

iii.Het weerstandsvermogen dient (naar het oordeel van de toezichthouder) voldoende te zijn, gebaseerd op een adequate risico-inventarisatie.

5Reserves worden niet gecompenseerd voor kostenstijgingen van de bestemming.

6Als er een rentevergoeding over het eigen vermogen (reserves) wordt berekend, dan is deze vergoeding maximaal het rentepercentage dat is gebaseerd op het gewogen samenstel van de (bruto) externe rentelasten over het totaal van de lang en kort aangetrokken financieringsmiddelen.

Artikel 2.2 Algemene reserve3Zie ook de nota risicomanagement.

1De algemene reserve bestaat uit de specifieke weerstandsreserve en de generieke weerstandsreserve.

2Voor de specifieke weerstandsreserve geldt het kader opgenomen in de Nota weerstandsvermogen en risicobeheersing.

3De generieke weerstandsreserve is een reserve met een algemene bufferfunctie, waarvoor géén andere bestemming is bepaald.

4De generieke weerstandsreserve wordt gevoed vanuit de egalisatiereserve weerstandsvermogen en via de resultaatbestemming.

Artikel 2.3 Bestemmingsreserves

1Een reserve wordt een bestemmingsreserve genoemd zodra de raad er een bestemming aan heeft gegeven.

2Het opheffen van een reserve gebeurt via een raadsbesluit. Resterende middelen vallen vrij ten gunste van de algemene middelen tenzij in het raadsbesluit anders wordt besloten.

Artikel 2.4 Instellen bestemmingsreserves

1Bij een voorstel voor het instellen van een bestemmingsreserve gaat het college in ieder geval in op:

i.De argumenten die aan de keuze voor een reserve ten grondslag liggen, met een onderbouwing waarom reservevorming wenselijk is en waarom niet voor dekking binnen de exploitatie is gekozen;

ii.Het beleidsdoel waarvoor de reserve wordt gevormd, de functie van de reserve en het (de) programma(s) waaronder de reserve valt;

iii.De voeding van de reserve. Waar de voeding wordt onttrokken uit de algemene reserve, wordt ook de stand van de algemene reserve na de mutatie(s) vermeld;

iv.De geraamde onttrekkingen over de verschillende jaren;

v.De maximale omvang (voor reserves met egalisatie- en bufferfunctie);

vi.De maximale looptijd gekoppeld aan het bereiken van de doelstelling (indien van toepas-sing).

2Voor een aantal bestemmingsreserves gelden aanvullend de artikelen 2.5 t/m 2.7 van deze beleidsregels.

Artikel 2.5 Reserve dekking kapitaallasten

1De volgende voorwaarden gelden voor reserves dekking kapitaallasten:

a.De hoogte is gelijk aan de totale afschrijvingslast over de gehele afschrijvingsperiode.

b.De looptijd is gelijk aan de afschrijvingstermijn van het actief.

c.Elk jaar wordt (bespaarde) rente berekend over en toegevoegd aan de reserve waarmee de jaarlijkse rentelast wordt gedekt.

d.Deze reserve wordt niet gebruikt voor investeringen die na afloop van de gebruiksduur vervangen worden.

2Bij een voorstel gaat het college in ieder geval in op:

a.De afschrijvingstermijn van het actief.

b.De gevolgen van de bespaarde rente op de omslagrente.

Artikel 2.6 Reserve met een egalisatiefunctie

1Bij een voorstel gaat het college in ieder geval in op

i.De specifieke budgetten waarmee de reserve egaliseert. De saldi van deze budgetten worden bij de jaarrekening ten gunste of ten laste van een deze egalisatiereserve gebracht.

3 Beleidsregels voor voorzieningen

Artikel 3.1 Algemene beleidsregels voor voorzieningen

1Voorzieningen worden ingesteld voor verplichtingen, risico’s en verliezen die al zijn voorzien, maar waarvoor de uitgaven of realisatie pas in de toekomst zullen plaatsvinden.

2Raad is bevoegd tot instellen, wijzigen en opheffen van voorzieningen.

3Een voorziening kan niet worden opgeheven of voor andere doelen ingezet zolang aan de (wettelijke) verplichting moet worden voldaan.

4Het college is bevoegd tot het doen van uitgaven (binnen de door de raad geautoriseerde allocatie) en legt verantwoording af over de uitgaven bij de jaarrekening;

5De hoogte van de voorziening wordt bij het instellen en in de jaarrekening getoetst en indien nodig aangepast.

6In de begroting worden de geplande toevoegingen aan en onttrekkingen uit de voorzieningen opgenomen. De ramingen moeten zijn gebaseerd op een adequate onderbouwing.

Artikel 3.2 Instellen van een voorziening

1Het instellen van voorzieningen vindt plaats op grond van criteria genoemd in het BBV, namelijk:

i.Verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;

ii.Risico's (op de balansdatum bestaand) ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;

iii.Kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;

iv.Bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen van investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven.

v.Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden.

2Voorzieningen moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

i.De omvang van voorzieningen dient dekkend te zijn voor de achterliggende verplichtingen en/of risico’s. Ze mogen niet groter of kleiner zijn dan de verplichtingen of risico’s waarvoor ze zijn ingesteld. Een voorziening mag daarom ook niet negatief staan.

ii.Indien sprake is van een schatting van de onderliggende verplichting of risico, dan moet deze schatting betrouwbaar zijn.

iii.Het is niet toegestaan rente toe te rekenen aan voorzieningen met uitzondering van voorzieningen op basis van de contante waarde van de toekomstige verplichting.

iv.Als een rentevergoeding over de voorzieningen wordt berekend, dan is deze vergoeding maximaal het rentepercentage dat is gebaseerd op het gewogen samenstel van de (bruto) externe rentelasten over het totaal van de lang en kort aangetrokken financieringsmiddelen.

3Per voorziening wordt bij het instellen vastgelegd (voor zover van toepassing):

–De naamstelling van de voorziening;

–De reden van instelling;

–Het doel van de voorziening;

–Van elke voorziening moet een financiële onderbouwing aanwezig zijn. Indien voorzieningen zijn gevormd om een gelijkmatige verdeling van lasten over begrotingsjaren te bewerkstellingen, dan dienen actuele beheerplannen of (meerjaren) berekeningen aanwezig te zijn.

–De omvang en de wijze van stortingen en bestedingen (structureel of incidenteel), inclusief onderbouwing daarvan.

–De verwachte looptijd.

4Voorzieningen voor het egaliseren van lasten van groot onderhoud is geen verplichting, tenzij het achterstallig onderhoud betreft. Deze voorziening mag alleen worden ingesteld op basis van een actueel beheerplan.

5Verliesvoorziening grondexploitaties dekt een geprognosticeerd verlies op de grondexploitatie, ter grootte van het volledige verlies. Deze voorziening wordt jaarlijks verhoogd met de disconteringsvoet voor het berekenen van de contante waarde die wordt vastgesteld door de commissie BBV.

Bijlage 1 Verwijzingen naar het Besluit begroting en verantwoording (BBV)

1Reserves

Artikel 42

1Het eigen vermogen bestaat uit de reserves en het gerealiseerde resultaat volgend uit het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening.

2Het in het eerste lid bedoelde resultaat wordt afzonderlijk opgenomen als onderdeel van het eigen vermogen.

Artikel 43

1In de balans worden de reserves onderscheiden naar:

a.de algemene reserve;

b.de bestemmingsreserves.

2Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan raad respectievelijk de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven.

2Voorzieningen

Artikel 44

1Voorzieningen worden gevormd wegens:

a.verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;

b.op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;

c.kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;

d.de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b

12Artikel 35In de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:(…)b. investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven;(…)

.

2Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49, onderdeel b.

3Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.

Artikel 45

Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan.

Bijlage 2 Reserves en voorzieningen in de P&C documenten

Artikel 4.1 Presentatie reserves in de begroting

1In de begroting wordt (conform artikel 17, onderdeel d – BBV) in het overzicht van baten en lasten de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma gepresenteerd;

2In de toelichting op het overzicht van baten en lasten bevat een overzicht van de structurele toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves (artikel 19, onderdeel d - BBV);

3Bij de uiteenzetting van de financiële positie wordt de stand en het verloop van de reserves gespecificeerd (artikel 20, onderdeel d – BBV).

4De meerjarenbegroting bevat een overzicht per jaar van de beoogde structurele toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves (artikel 23, onderdeel c – BBV).

5In het kader van het begrotingsevenwicht worden mutaties ten gunste van onderhoudsvoorzieningen als structureel aangemerkt en mutaties in bestemmingsreserves onderhoud als incidenteel.

Artikel 4.2 Presentatie reserves in de jaarrekening

1De jaarrekening bevat het overzicht van baten en lasten met daarin de werkelijke toevoegingen en onttrekkingen aan reserves (artikel 27, onderdeel d – BBV);

2De toelichting op het overzicht van baten en lasten bevat een overzicht van de structurele toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves (artikel 28, onderdeel d – BBV);

3In de toelichting op de balans worden de aard en reden van elke reserve en de toevoegingen en onttrekkingen daaraan toegelicht (artikel 54, lid 1 – BBV);

4Per reserve wordt het verloop gedurende het jaar in een overzicht weergegeven (artikel 54, lid 2 –BBV). Daaruit blijkt;

i.het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;

ii.de toevoegingen en onttrekkingen uit het voorgaande boekjaar;

iii.de toevoegingen of onttrekkingen bij het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening;

iv.de verminderingen in verband met afschrijvingen op activa waarvoor een specifieke bestemmingsreserve is gevormd;

v.het saldo aan het einde van het begrotingsjaar.

Artikel 4.3 Presentatie reserves tussentijdse rapportage

In tussentijdse rapportages wordt over mutaties in de reserves gerapporteerd.

Artikel 4.4 Overige (technische) bepalingen

1Overboekingen tussen bestemmingsreserves binnen hetzelfde programma kunnen rechtstreeks plaatsvinden (via een begrotingswijziging).

2Overboekingen tussen bestemmingsreserves van verschillende programma's moeten via de resultaatbestemming worden verwerkt. Dit geldt ook voor overboekingen van en naar de algemene reserve.

3Mutaties in reserves kunnen alleen plaatsvinden op basis van raadsbesluiten, of voor egalisatiereserves op basis van de regels opgenomen in deze nota..

Artikel 4.5 Presentatie voorzieningen

1In de toelichting op de balans worden de aard en de reden van elke voorziening en de wijzigingen daarin toegelicht (artikel 55, lid 1 – BBV);

2Per voorziening moet het verloop worden weergegeven (artikel 55, lid 2 – BBV). Daaruit moet blijken:

–Het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;

–De toevoegingen;

–Ten gunste van de rekening van baten en lasten vrijgevallen bedragen;

–De aanwendingen;

–Saldo aan het einde van het begrotingsjaar.

3Verliesvoorzieningen worden op de balans niet apart getoond maar gesaldeerd met de actiefpost waar ze betrekking op hebben. Dit betreffen;

–Voorzieningen wegens oninbaarheid van leningen en vorderingen (artikel 63, lid 8 – BBV).

–Voorzieningen wegens incourantheid van voorraden of wegens verwachte verliezen op grondexploitaties.

4Voorziening voor nog te maken kosten worden apart getoond als passiva op de balans.

5Van de omvang van de voorziening moet een betrouwbare en onderbouwde inschatting worden gemaakt. Kan dat niet, dan moet de post als niet uit de balans blijkende verplichting worden opgenomen.

6Als het bedrag van een bestaande verplichting vaststaat (dus niet onzeker is) moet een schuld in de balans worden opgenomen en niet als voorziening;

7Wanneer de tijdstippen van geschatte toekomstige uitgaven onzeker zijn kan de contante waarde niet voldoende betrouwbaar worden vastgesteld. Dan is enkel waardering tegen nominale waarde toegestaan.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.