Gemeentelijke regelgeving

Programma externe veiligheid gemeente Deurne

Gemeente Deurne · geldt sinds 4 januari 2024

2 Wettelijk kader

2.2 Begrippenkader externe veiligheid

2.2.1 Omgevingsveiligheid

Onder de Omgevingswet wordt niet enkel van externe veiligheid gesproken, maar nieuw is het meer omvattende begrip omgevingsveiligheid. Externe veiligheid valt hieronder, maar omgevingsveiligheid is een breder begrip en gaat ook over rampen en crises en het voorkomen, beperken en bestrijden ervan, zelfredzaamheid en geneeskundige hulpverlening (artikel 5.2 Bkl). De veiligheidsregio’s hebben hier een adviserende rol (zie bijlage 3 - stappenplan). In het programma externe veiligheid van de gemeente Deurne worden deze zaken niet behandeld, daarom spreken we van externe veiligheid en niet van omgevingsveiligheid.

2.2.2 Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

Risicobronnen zijn onder de Omgevingswet milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s:

•Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (dit omvat verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal

1Dit zijn o.a. waterstof en/of LPG-tankstations, de voormalige BEVI-inrichtingen, propaantanks, PGS15-opslagvoorzieningen en Seveso-inrichtingen (voorheen de BRZO-inrichtingen)

) ;

•Het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (spoor, weg, water);

•Buisleidingen met gevaarlijke stoffen, welke zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;

•Windturbines;

•Luchthavens en defensieterreinen;

•Civiele en militaire munitieopslagen.

De MBA’s met externe veiligheidsrisico’s uit bijlage VII van het BKL zijn alle activiteit waar externe veiligheid moet worden beschouwd bij ruimtelijke ontwikkelingen. De grootte van de plaatsgebonden risicocontouren (PR10-6 ) en aandachtsgebieden (hierna uitgelegd) zijn in deze bijlage VII per activiteit bepaald. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:

•A: Activiteiten met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico zonder vergunningplicht

•B: Activiteiten met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico met vergunningplicht

•C: Activiteiten met bij ministeriële regeling vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico

•D: Activiteiten met te berekenen afstanden voor het plaatsgebonden risico zonder vergunningplicht

•E: Activiteiten met te berekenen afstanden voor het plaatsgebonden risico met vergunningplicht

De aard, omvang en het risicoprofiel bepaalt onder andere de categorie indeling van een activiteit. Bij de te berekenen PR10-6 contouren en aandachtsgebieden gaat het om de activiteiten met de grootste externe veiligheidsrisico’s.

De regels rondom het veilig beheer, gebruik en onderhoud van de MBA’s met externe veiligheidsrisico’s zijn opgesteld per activiteit en zijn terug te vinden in het Bal. Daarnaast dienen alle MBA’s met externe veiligheidsrisico’s uit bijlage VII van het Bkl te worden opgenomen in het Register Externe veiligheid (REV), de vervanger van de huidige Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS).

2.2.3 Plaatsgebonden risico

Dit is de kans dat één persoon per jaar overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt is dat deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats bevindt. De ruimtelijke waarden voor het plaatsgebonden risico zijn terug te vinden in het Bkl. Deze waarden worden vertaald in afstanden die tot locaties en gebouwen in acht moeten worden genomen of waarmee rekening moet worden gehouden. Hier hoort een plaatsgebonden risicocontour bij: binnen de contour is het risico groot, buiten de contour is het risico kleiner. Dit noemen we de PR 10-6 contour. De afstanden van het plaatsgebonden risico zijn vastgestelde afstanden, berekende afstanden en de kans die geaccepteerd is als veilig: één op de miljoen per jaar. Binnen deze PR 10-6 contour zijn geen nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toegestaan.

2.2.4 Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond locaties met milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s die inzichtelijk maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen kunnen er zich levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen voordoen. Er is onderscheid gemaakt tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk),

Figuur 1 (RIVM, 2021)

Daarom zijn er drie typen aandachtsgebieden gedefinieerd:

•Brandaandachtsgebied (BAG);

•Explosieaandachtsgebied (EAG);

•Gifwolkaandachtsgebied (GAG).

Figuur 2 (Oostkracht 10, 2022)

De grenswaarden van de aandachtsgebieden zijn geregeld in het Bkl. Voor de bepaling ervan is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en rampenbestrijding bieden. De aard en de omvang van een aandachtsgebied wordt bepaald door de effecten van een scenario, niet door de kans. Een aandachtsgebied kan kleiner worden door het toepassen van de best beschikbare technieken (BBT) bij de risicovolle activiteit. Voor een overzicht van de vaste afstanden van aandachtsgebieden bij enkele milieubelastende activiteiten, zie de tabel in bijlage 2 (RIVM, 2021).

2.2.5 Externe veiligheidsafstanden

Voor een groot aantal activiteiten met externe veiligheidsrisico’s gelden vaste afstanden. Deze zijn te vinden in het Bal of in het Bkl. De veiligheidsafstanden uit het Bal gelden vanaf het bij de activiteit aangegeven meetpunt tot de begrenzing van de locatie waar de activiteit plaatsvindt. Onder bepaalde voorwaarden gelden de afstanden in plaats daarvan tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in de omgeving (bijvoorbeeld de gevel van een gebouw). De begrenzingen staan vermeld in artikel 5.9 van het Bkl. De afstanden uit het Bkl gelden vanaf het bij de activiteit in bijlage VII aangegeven meetpunt(en) tot (zeer / beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties in de omgeving.

2.2.6 Voorschriftengebieden

Het bevoegd gezag kan op grond van artikel 5.14 Bkl besluiten of een (deel van het) brand- of explosieaandachtsgebied wordt aangewezen als brand- of explosievoorschriftengebied. In het voorschriftengebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen, of gelijkwaardige maatregelen. De aanvullende bouweisen staan in artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het doel van deze maatregelen is om mensen binnenshuis beter te beschermen tegen de gevolgen van een brand of explosie, veroorzaakt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Op grond van artikel 5.14 lid 3 Bkl kan de gemeente afwijken van het aanwijzen van een brand- of explosievoorschriftengebied. De gemeente kan zelf beslissen of het een aandachtsgebied aanwijst als voorschriftengebied, het voorschriftengebied expliciet niet aanwijst of kleinere voorschriftengebieden aanwijst.

Aanvullende regels:

•Een brandaandachtsgebied vanuit de Regeling Basisnet moet verplicht worden aangewezen als voorschriftengebied als daar vanuit de Regeling Basisnet een plasbrandaandachtsgebied geldt;

•Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen (ook de functiewijziging van bestaande gebouwen naar zeer kwetsbaar gebouw) binnen een aandachtsgebied moeten verplicht worden aangewezen als voorschriftengebieden. Dit heeft met name voor brand- en explosieaandachtsgebieden waar men zeer kwetsbare gebouwen wil realiseren grote bouwkundige (en financiële) consequenties.

2.2.7 Groepsrisico

Dit is de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Binnen aandachtsgebieden moet het bevoegd gezag rekening houden met het groepsrisico. Dit gebeurt bij het ontwikkelen van nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. “Rekening houden met” betekent dat het bevoegd gezag afwegingsruimte heeft over hoe ze omgaat met de omgeving van een risicovolle bron met de kans op maatschappelijke ontwrichting. Het doel is een integrale afweging van alle betrokken belangen. Het gaat hierbij ook om milieu en gezondheid. De centrale vraag luidt: wat acht het bevoegde gezag voldoende veilig en hoe motiveert ze dit? Het stappenplan dat onderdeel uitmaakt van dit programma kan gebruikt worden om deze afwegingen te maken.

2.2.8 Kwetsbaarheid van gebouwen en locaties

In bijlage VI van het Bkl staan drie categorieën gebouwen en locaties waarvoor de regels bescherming bieden:

1Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen)

2Kwetsbaar (gebouwen en locaties)

3Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties)

In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op ter bescherming van deze gebouwen en locaties vanwege externe veiligheidsrisico’s. De volgende zaken komen aan de orde bij het bepalen van de kwetsbaarheid van locaties en gebouwen: het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen. De gebouwen worden alleen beschermd voor de gebruikersfunctie van het gebouw. Deze moet blijken uit het omgevingsplan of uit de omgevingsvergunning waarbij die functie mogelijk wordt gemaakt.

Een gebouw is zeer kwetsbaar als de aanwezige personen zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen (niet of verminderd zelfredzame personen). Bijvoorbeeld: een basisschool, gevangenis en een woonfunctie voor 24-uurszorg.

Voorbeelden van kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie en alle locaties waar grote evenementen (> 5000 personen) of recreatief nachtverblijf voor meer dan vijftig personen plaatsvindt. Gebouwen en locaties zijn kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn: sportfunctie, kantoorfunctie, hogescholen.

Alle overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar.

Rondom de kwetsbaarheid van de populatie buitenshuis is er een handleiding Omgevingsveiligheid mensen op buitenlocaties op 12 december 2019 gepubliceerd door de ‘Werkgroep Risico’s mensen buiten’

2Deze werkgroep bestaat uit afgevaardigden van de Brandweer NL, GGD/GHOR en Omgevingsdiensten

. De handleiding wordt door de VRBZO gebruikt voor de advisering aan de gemeente Deurne, bij de voorbereiding, planning en uitvoering van activiteiten in de buitenlucht in de nabijheid van een risicobron.

In de Omgevingswet ontbreekt een dergelijk landelijk afwegingskader voor mogelijke maatregelen om de veiligheid voor mensen op buitenlocaties te verhogen, zowel voor kleine als grote incidenten met gevaarlijke stoffen. Mensen op buitenlocaties zijn niet beschermd door een gebouw en worden daarom blootgesteld aan meer warmtestraling, overdruk en hogere concentraties giftige stoffen. Bij het realiseren voor buitenlocaties waarbij beperkt kwetsbare locaties en kwetsbare locaties worden gerealiseerd dient er rekening gehouden te worden met eventuele attentie- en/of aandachtsgebieden. Om de afweging te maken of een ontwikkeling van een buitenlocatie veilig kan worden ingericht dient het ‘Stappenplan veiligheid mensen op buitenlocaties’, gepubliceerd in de ‘Handleiding Omgevingsveiligheid Mensen op Buitenlocaties’, versie 3.1, 12 december 2019, gebruikt te worden.

3 Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

3.3 Buisleidingen

3.3.1 Hogedruk aardgasleidingen

Door de gemeente Deurne lopen enkele hogedruk aardgasleidingen. Er lopen twee Z-leidingen (Z-541-16, Z-541-25) en een A-leiding (A-585) door de gemeente Deurne. Deze Z-leidingen hebben een werkdruk van 40 bar. Bij Z-buisleidingen geldt een belemmeringenstrook van 4 meter. De A-leiding heeft een werkdruk van 66 bar. De belemmeringenstrook bedraagt voor deze leiding 5 meter. Binnen de belemmeringenstrook mogen geen bouwwerken worden opgericht, aangezien de ruimte is gereserveerd voor onderhoud aan de leidingen. De PR 10-6 contour en de aandachtsgebieden moeten op grond van het Bkl, bijlage VII onder D2 berekend worden voor buisleidingen. De leidingbeheerder levert deze aan het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV).

3.3.2 Productleidingen

Er lopen twee zogenaamde productleidingen door de gemeente Deurne. Dit betreffen RRP-leidingen (Rotterdam-Rijn-Pijpleiding). Door deze buisleidingen worden ontvlambare vloeistoffen getransporteerd. Deze buisleidingen hebben allen een belemmeringsstrook van 5 meter. Hierbinnen mogen geen bouwwerken worden opgericht, aangezien de ruimte is gereserveerd voor onderhoud aan de leidingen. De PR 10-6 contour en de aandachtsgebieden moeten op grond van het Bkl, bijlage VII onder D2 berekend worden voor buisleidingen. De leidingbeheerders leveren deze aan het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV).

3.3.3 Structuurvisie buisleidingen

De gemeente Deurne wordt doorsneden door een leiding tracé van de structuurvisie buisleidingen.

Dit is een netwerk van hoofdverbindingen dat zoveel mogelijk ruimte geeft aan nieuwe ontwikkelingen door efficiënt om te springen met de ruimtelijke reserveringen voor nieuwe buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Dit betreft dus een zogenaamde reserveringsstrook waar rekening mee gehouden moet worden bij toekomstige ontwikkelingen.

Figuur 4. Structuurvisie buisleidingen (paars) ter plaatse van de gemeente Deurne

De reserveringsstrook heeft een breedte van 70 meter en is bestemd voor maximaal 12 leidingen. De leidingbeheerder moet ervoor zorgen dat het plaatsgebonden risico van toekomstige leidingen niet buiten de reserveringsstrook komt te liggen. De strook sluit zoveel als mogelijk aan bij reeds bestaande buisleidingen.

3.4 Basisnet: rijkswegen en spoor

3.4.1 Rijksweg A67 (wegvak B112)

De Rijksweg A67 loopt aan de zuidelijke kant door de gemeente Deurne. Deze rijksweg is opgenomen in de Regeling Basisnet. Wegvak B112 (afrit 35 Someren - afrit 38 Helden) kent een PR10-6 contour van 32 meter. Dit wegvak kennen een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter (zie figuur 4). Ook gaat dit wegvak een gifwolkaandachtsgebied krijgen. De omvang van dit gebied wordt nog nader bepaald door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

Figuur 5. Risicobron Basisnet in de gemeente Deurne: Rijksweg A67 en spoorlijn Helmond - Venlo, de weg en het spoor hebben beiden een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200m.

3.4.2 Provinciale wegen en gemeentelijke (doorgaande) wegen

Onder de omgevingswet worden de provinciale wegen en gemeentelijke wegen niet gezien als zijnde MBA met externe veiligheidsrisico. Dit betekent dat mogelijke risico’s rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen niet meer afgewogen hoeven te worden bij het realiseren van nieuwe ontwikkelingen.

3.4.3 Spoorlijn Helmond – Venlo (spoorvakken BH, BI, BJ)

De spoorlijn Helmond – Venlo loopt dwars door de gemeente Deurne. Deze spoorlijn heeft een brandaandachtsgebied van 30 meter.

Ook heeft dit spoor een explosieaandachtsgebied van 200 meter.

Dit spoor kent een PR 10-6 – contour van 0 meter.

Bij dit spoor zal in de toekomst nog een gifwolkaandachtsgebied worden vastgesteld.

4 Beleidskeuzes

4.2 Uitgangspunten rondom bestaande milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

4.2.1 Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor

Een bijzonder aandachtspunt in het kader van de gebiedsgerichte aanpak is de aanwezigheid van infrastructuur waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze vervoersassen zijn niet als een afgebakend gebied te beschouwen omdat ze verschillende gebieden doorsnijden. Denk bijvoorbeeld aan woonwijken, buitengebieden en bedrijventerreinen. Hierdoor wordt het lastig om uniforme eisen te verbinden aan de mogelijkheid om ontwikkelingen te laten plaatsvinden in de nabijheid van diezelfde infrastructuur.

Gebieden die als ‘risicovolle infrastructuur’ worden beschouwd, betreffen locaties die binnen het aandachtsgebied van een weg vallen. In de gemeente Deurne is dat bijvoorbeeld de Rijkswegen A67.

Maar ook het spoor Helmond - Venlo heeft een brand- en explosieaandachtsgebied.

De risico’s die voortvloeien bij de A67 en de spoorlijn Helmond – Venlo hebben betrekking op het transport van gevaarlijke stoffen. Op de aard en omvang hiervan heeft de gemeente weinig invloed. Daarom kiest de gemeente Deurne om de omgang met deze risico’s te verbinden aan de voorwaarden van de gebiedstypes uit hoofdstuk 5.

In hoofdstuk 5 wordt een omschrijving van de gebiedstypen gegeven en worden de consequenties voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico besproken.

4.2.2 Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (risicovolle bedrijven)

Voor bestaande risicovolle bedrijven geldt dat de risicocontouren van bestaande (vergunde) en mogelijke uitbreiding zoveel mogelijk wordt beperkt om inefficiënt ruimtegebruik tegen te gaan. Dit wordt gedaan door een gerichte inzet van Best Beschikbare Technieken (BBT), waarbij de PR 10-6 contour (zoveel mogelijk) wordt teruggebracht binnen de eigen perceelgrenzen. Hiermee worden beperkingen voor de aangrenzende percelen opgeheven.

4.2.3 Hogedruk aardgasleidingen

Er lopen twee Z-leidingen (Z-541-16 en Z-541-25) en een A-leiding (A-585) door de gemeente Deurne. Het maatgevend scenario voor aardgastransportleidingen is een fakkelbrand en/of explosie als gevolg van breuk van de leiding (door een externe oorzaak, bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Afhankelijk van de leidingdiameter en gasdruk kan er een fakkel ontstaan van 55 tot 400 meter hoog. Door de Gasunie zijn op basis van dit mogelijke scenario de effectafstanden voor verschillende leidingdiameters en drukken bepaald (Scenarioboek externe veiligheid).

Bij het realiseren van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties in aandachtsgebieden van hogedruk aardgasleidingen moet door middel van het verantwoordingskader uit hoofdstuk 7 blijken welke maatregelen er getroffen dienen te worden. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen worden op voorhand uitgesloten binnen brand- en explosieaandachtsgebieden (zie 4.4).

4.2.4 Product-leidingen (RRP)

Er lopen twee productleidingen door Deurne voor het transport van Nafta (brandbare vloeistof).

Bij het realiseren van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties in aandachtsgebieden van een RRP-leiding moet door middel van het verantwoordingskader uit hoofdstuk 7 blijken welke maatregelen er getroffen dienen te worden. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen worden op voorhand uitgesloten binnen brand- en explosieaandachtsgebieden (zie 4.4).

5 Gebiedsgerichte risicoprofielen

5.1 Risicoluw gebied

5.1.1 Centrum en woonwijken

Het centrum is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals detailhandel, horeca en kleine bedrijvigheid. De risicoruimte van eventueel aanwezige risicovolle inrichtingen worden zoveel mogelijk beperkt. Nieuwe risicovolle inrichtingen zijn uitgesloten.

Woonwijken zijn locaties die worden gekenmerkt door hoge dichtheden van personen en activiteiten zoals wonen, scholen en zorginstellingen. In de woonwijken zijn alle risicovolle activiteiten uitgesloten, tenzij dit noodzakelijk is voor het functioneren van de woonwijk. Hiermee wil de gemeente Deurne niet per definitie ontwikkelingen rondom energietransitie (bijvoorbeeld buurtbatterijen, oplaadstations voor elektrische auto’s) uitsluiten. Er moet een voldoende maatregelenniveau worden gerealiseerd, inclusief een verantwoording van het groepsrisico volgens het verantwoordingskader.

5.2 Buitengebied

5.2.1 Buitengebied

Het gebiedstype Buitengebied is minder eenduidig dan de andere gebiedstypes. In dit gebied wordt de aanwezigheid van bepaalde milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s als vanzelfsprekend gezien. Door historische ontwikkelingen heeft er een mengeling van verschillende activiteiten plaatsgevonden. Er zijn veel (agrarische) bestaande risicovolle activiteiten binnen dit gebied, waarbij ook vele woonlocaties zijn gevestigd binnen dit gebiedstype. Nieuwe (agrarische) risicovolle activiteiten zijn toegestaan binnen dit gebiedstype. Alle andere industriële (niet passend in het beeld van het buitengebied) risicovolle activiteiten, met uitzondering van propaantanks, zijn niet toegestaan binnen dit gebiedstype. Ook de uitbreiding van agrarische bestaande risicovolle activiteiten is mogelijk. Daarnaast is het mogelijk om ook (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties mogelijk te maken, wanneer deze buiten brand- en explosieaandachtsgebieden van een risicovolle activiteit zijn gelegen. Ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle activiteiten (in aandachtsgebieden) zijn eveneens toegestaan, mits voldaan wordt aan de verantwoordingsplicht uit hoofdstuk 7. Dit geldt niet voor zeer kwetsbare gebouwen. Deze worden uitgesloten binnen brand- en/of explosieaandachtsgebieden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend belang voor de realisatie hiervan. Bij de realisatie van zeer kwetsbare gebouwen binnen een aandachtsgebied wordt verplicht een voorschriftengebied aangewezen. Daarnaast moet altijd worden aangetoond dat er een voldoende bescherming wordt gerealiseerd volgens het verantwoordingskader.

Rondom de volgende activiteiten worden extra beleidskeuzes vastgelegd binnen dit gebiedstype:

Agrarische inrichtingen

Vestiging of uitbreiding van agrarische inrichtingen met risicobronnen is mogelijk, vanuit het oogpunt van externe veiligheid bezien. Deze uitzondering wordt gemaakt omdat deze bedrijven en activiteiten op grond van hun typering van oudsher in het buitengebied passen. De risico’s van dit soort bedrijvigheid hangen bovendien samen met de plaatsing van propaantanks. Deze zijn sowieso toegestaan, omdat een fijnmazig gasdistributienet in het buitengebied ontbreekt en hiervoor reeds adequate veiligheidsvoorzieningen zijn opgenomen in de betreffende wet- en regelgeving (Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)).

LPG-tankstations/Waterstof-stations

De vestiging van nieuwe LPG-tankstations in het buitengebied wordt juist wel toegestaan. Deze industriële activiteiten van dergelijke inrichtingen hangen vaak nauw samen met de ligging van de doorgaande wegen in Deurne. Bovendien is het uit oogpunt van externe veiligheid verstandig om nieuwe LPG-tankstations zoveel mogelijk buiten bebouwde gebieden te vestigen. Dit geldt ook voor Waterstof-stations, die mogelijk door de energietransitie ook haar intrede kunnen maken binnen de gemeente Deurne. Locaties die ingericht zijn voor het afleveren van LPG zijn in de toekomst uitermate geschikt voor het huisvesten van inrichtingen voor het afleveren van risicovolle brandstoffen, zoals bijvoorbeeld waterstof of een combinatie van verschillende brandstoffen (zoals voorkomt bij multifuel-tankstations), door de historisch gecreëerd afstand tussen kwetsbare gebouwen en de risicovolle activiteit.

6 Borging externe veiligheid bij besluitvorming

6.2 Externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen

6.2.1 De bouw (of uitbreiding) van een (nieuwe) risicobron

Bij het initiatief voor een nieuwe risicobron of uitbreiding van een bestaande risicobron, moet worden bepaald wat de omvang van het aandachtsgebied is. De omvang van het aandachtsgebied wordt bepaald aan de hand van bijlage VII van het Bkl. Hierin staan vaste afstanden waar rekening mee gehouden dient te worden of wanneer deze afstanden berekend dienen te worden. Wanneer de omvang van het aandachtsgebied is bepaald, moet worden beoordeeld of het aandachtsgebied past in het omgevingsplan. Dit is het geval als de gemeente in het omgevingsplan ruimte heeft gereserveerd voor toekomstige risicovolle activiteiten en aandachtsgebieden, zoals bij de gebiedstypes bedrijventerrein intensief en buitengebied. Wanneer een initiatiefnemer een activiteit wil aanvragen die niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Ook het Rijk en de provincie hebben de mogelijkheid om via een projectbesluit direct aanpassingen te maken in het omgevingsplan.

6.2.2 De bouw van een (beperkt/zeer) kwetsbaar gebouw of locatie

Bij het initiatief voor een (beperkt/zeer) kwetsbaar gebouw of locatie moet beoordeeld worden of de ontwikkeling past in het omgevingsplan. Passen betekent in eerste instantie dat het omgevingsplan de ruimtelijke ontwikkeling (bijv. woningen of een school) toestaat in het betreffende gebied. Daarnaast kunnen er voorwaarden zijn gesteld aan de bouw van het kwetsbaar gebouw op het gebied van bescherming, zoals bijvoorbeeld geldt voor het bouwen van zeer kwetsbare gebouwen in een aandachtsgebied (voorschriftengebied).

Wanneer het omgevingsplan de bouw van het betreffende type gebouw toestaat, moet worden nagegaan of het gebouw in een aandachtsgebied is beoogd en of dit aandachtsgebied is aangewezen als voorschriftengebied. Het voorschriftengebied moet worden aangewezen voor zeer kwetsbaar gebouwen (zoals een ziekenhuis of kinderdagverblijf) wanneer deze in een brand- of explosieaandachtsgebied zijn voorzien.

Als het voorschriftengebied is aangewezen, betekent dit dat er aanvullende bouweisen gelden voor het te bouwen gebouw (artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl, zie stappenplan voldoende bescherming). Wanneer geen voorschriftengebied is aangewezen, gelden voor (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties niet direct de aanvullende bouweisen. Wel dient het stappenplan voldoende bescherming doorlopen te worden. Hieruit kan alsnog volgen dat er aanvullende bouweisen (of andere maatregelen) gelden.

Naast de aanwijzing van een voorschriftengebied, kan het omgevingsplan andere doel- en of middelvoorschriften bevatten waaraan de initiatiefnemer moet voldoen om de vergunning verleend te krijgen. Wanneer de initiatiefnemer in zijn plan kan aantonen aan de voorwaarden uit het omgevingsplan te kunnen voldoen, kan de omgevingsvergunning worden verleend. Wanneer een initiatiefnemer een activiteit wil aanvragen die niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden beoordeeld of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan.

6.3 Externe veiligheid en vergunningverlening

6.3.1 Rekening houden met Omgevingsplan

Bij het beoordelen bij een vergunningaanvraag wordt door de gemeente Deurne rekening gehouden met het omgevingsplan (8.9, derde lid, Bkl). Wanneer de activiteit niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Het kan hierbij zowel gaan om de aanvraag van een vergunning voor een risicobron als van een (beperkt, zeer) kwetsbaar gebouw of locatie.

Als de activiteit past in het omgevingsplan, dient bepaald te worden of er een PR 10-6 contour en/of een aandachtsgebied is (vaste afstand uit bijlage VII Bkl of berekenen).

6.3.2 Actualiseren vergunning

Bij een nieuwe vergunning worden bestaande rechten in stand gehouden tenzij actualisatie nodig is. Artikel 5.38 Omgevingswet verplicht de gemeente Deurne om regelmatig de toereikendheid van de vergunning te bezien (actualiseren). Dit biedt de gemeente Deurne de mogelijkheid de vergunning te actualiseren wanneer deze bijvoorbeeld niet meer voldoet aan de laatste stand der techniek (artikel 4.22 lid 2 onder c). Met deze mogelijkheid kan de gemeente Deurne bronmaatregelen afdwingen om zo de bestaande of nieuwe omgeving te beschermen tegen eventuele effecten van een calamiteit bij een MBA met externe veiligheidsrisico’s.

6.3.3 Bescherming van bestaande bedrijven na vergunningverlening tegen de gevolgen van een veranderende omgeving

Alle activiteiten (dus ook nieuwe woonbebouwing) dienen te passen binnen de gestelde grenzen van het omgevingsplan (8.9, derde lid, Bkl). Wanneer dat niet het geval is, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Als er al een bestaand aandachtsgebied is zal het bevoegd gezag daar rekening mee moeten houden in de aanpassing van het omgevingsplan (5.3 en 5.15 Bkl).

Als het omgevingsplan wordt aangepast moet de gemeente Deurne bij vergunningverlening aan een bedrijf rekening houden met het (aangepaste) omgevingsplan.

Bijlage 1 Afkortingenlijst

Afkorting

Betekenis

ODZOB

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant

VRBZO

Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost

MBA

Milieubelastende activiteit

EV

Externe veiligheid

OW

Omgevingswet

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

Bal

Besluit activiteiten leefomgeving

Bbl

Besluit bouwwerken leefomgeving

PR

Plaatsgebonden risico

GR

Groepsrisico

ZKG

Zeer kwetsbaar gebouw

PGS

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

DSO

Digitaal Stelsel Omgevingswet

BOPA

Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit

BBT

Best beschikbare technieken

Bijlage 4 Tabel vastgestelde aandachtsgebieden

Voor enkele activiteiten met externe veiligheidsrisico’s gelden vaste afstanden tot aandachtsgebieden. Deze zijn te vinden in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de tabel hieronder staan de activiteiten met vaste afstanden in een duidelijk overzicht. De overige afstanden van de brand- en explosieaandachtsgebieden bij activiteiten uit bijlage VII van het Bkl dienen berekend te worden.

Voor het gifwolkaandachtsgebied geldt een beleidsmatige afkapping van maximaal 1,5 kilometer.

Bij Seveso-bedrijven wordt het gifwolkaandachtsgebied afgekapt op 300 meter.

Brandaandachtsgebied

Explosieaandachtsgebied

Basisnet

30meter

200meter

Tanken van LPG

60meter

160meter

Opslagtank voor propaan > 13m3

60meter

160meter

Opslaan van propaan < 5m3

20meter

30meter

Opslaan van propaan > 5m3

20meter

50meter

Opslaan van propaan > 5 bevoorradingen per jaar

60meter

160meter

Waterstof: opslag- en transport, groothandel, containeroverslag en tankstation

55meter

nvt

LNG: opslag- en transport, groothandel en containeroverslag en tankstation

Tussen 50 en 200 meter (tabel E.10 bijlage VII Bkl)

nvt

Bijlage 5 Stappenplan Omgevingsveiligheid VRBZO

Collectieve advisering omgevingsveiligheid Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost in het kader van art. 5.11 en 5.15 Bkl

1Iedere activiteit, gebouw en evenement dat in een aandachtsgebied (brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied) of attentiegebied wordt aangevraagd.

2Iedere activiteit, gebouw en evenement dat in de directe omgeving van een natuurgebied wordt aangevraagd.

o Hier wordt nog nadere invulling aan gegeven.

3Initiatieven met betrekking tot het regionaal risicoprofiel, waaronder:

o Windturbines

o Gevolgbeperking overstroming en klimaatadaptatie

o Evenementen

o Gebruik van gebouwen

o Voorkomen rookoverlast binnen-opslag en buitenopslag

o Risicocommunicatie

o Milieu

4Initiatieven met betrekking tot de energietransitie (o.a. zonneparken, trafohuisjes, Energie opslag Systemen (EOS)) en nieuwe technieken/ technologieën/activiteiten waarvan risico’s m.b.t. fysieke veiligheid en gezondheid nog onbekend zijn;

5Basisadvisering repressieve voorzieningen: De veiligheidsregio wil adviseren bij alle objecten waarbij afgeweken wordt van de uitgangspunten uit de ‘Handreiking bereikbaarheid en bluswater’

6https://www.vrbzo.nl/wp-content/uploads/2021/02/Beleidsregels-Bereikbaarheid-en-Bluswatervoorziening-Brabant-DEFINITIEF-herzien-25-6-2019.pdf

en/of de ‘bruidsschatregels’ ten aanzien van bluswater en bereikbaarheid. Bij de overige ontwikkelingen dient de handreiking te worden overgenomen en kan advies worden gevraagd bij de veiligheidsregio.

Daarnaast wil de veiligheidsregio adviseren over repressieve voorzieningen die worden geplaatst bij (complexe) gebouwen die het brandweeroptreden mogelijk moeten maken. Dit geldt in ieder geval voor de volgende objecten:

o Gebouwen hoger dan 20 meter;

o Gebouwen met meervoudig ruimtegebruik (bijv. woongebouw boven tunnel of parkeergarage);

o Gebouwen met een inzetdiepte van meer dan 60 meter;

Ontwikkelingen die invloed hebben op bereikbaarheid voor hulpdiensten, zoals publieks- en/of verkeer aantrekkende voorzieningen (bijv. een evenemententerrein, een schouwburg, scholen, bioscopen, stadion, de grotere stations voor openbaar vervoer, evenementenhal, etc.), bouwwerkzaamheden en/of tijdelijke of permanente wegafsluitingen;

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.