Aanhef
Besluit
Het handboek kabels en leidingen 2025 vaststellen onder gelijktijdige intrekking van het handboek kabels en leidingen 2019.
De begripsbepalingen van de VOID 2019 zijn van toepassing.
5. AANSPRAKELIJKHEID, SCHADE, VERZEKERINGEN EN VEILIGHEID
5.2. Schade
5.2.1. Vergoeding van herstelkosten
1Indien vooraf tussen het college en de grondroerder de afspraak is gemaakt dat het college zelf zorg draagt voor de herstelwerkzaamheden van verharding of groenvoorzieningen brengt het college de marktconforme kosten in rekening bij de grondroerder. Hierin is begrepen inboet, degeneratie, toezicht en onderhoud door het college.
2Indien het college conform hoofdstuk 6 van dit Handboek handhavend optreedt, warden alle kosten die daaruit voortvloeien in rekening gebracht bij de grondroerder.
3De grondroerder draagt de kosten voor herstel- en/of degeneratie- en beheerskosten die berekend warden conform de vigerende hersteltarieven. Nadat de toezichthouder de hoeveelheid hersteld straatwerk of te herstellen asfalt heeft vastgelegd, ontvangt de netbeheerder een factuur voor de vastgestelde kosten. Het hersteltarievenblad wordt jaarlijks ge'indexeerd.
4Alie (extra) kosten
1Onder andere kosten van: specifiek herstel van bijzondere (sier)bestrating; extra werkzaamheden t.b.v. het herstel van straatwerk jonger dan 5 jaar; de uitvoering van het Bouwprocesbesluit Arbeidsomstandigheden; verwijderen van verlaten kabels op verzoek van de gemeente; verwijderen van graffiti, posters etc. van bovengrondse voorzieningen; het aanbrengen van anti graffitivoorzieningen op bovengrondse voorzieningen; extra aan te planten groen nabij bovengrondse voorzieningen t.b.v. inpassing in de omgeving; noodzakelijke werkzaamheden aan groenvoorzieningen en bomen; vervanging en herplanten van groenvoorzieningen en bomen; het afvoeren, tijdelijke opslag en terugplaatsen van bouwstoffen; inboet en het leveren van extra bouwstoffen; afvoeren incl. de stortingskosten van (vervuilde) grond, puin, vrijgekomen asfaltmaterialen; definitief herstel asfaltverhardingen; leveren, aanbrengen en opruimen van tijdelijke (verkeers-)voorzieningen en verkeersmaatregelen en bronbemaling; herstel van verborgen gebreken; het opnieuw aanbrengen c.q. aanwijzen van peilen en hoofdafmetingen; het nemen van maatregelen t.a.v. de bereikbaarheid van andere kabels of leidingen of percelen; het tijdelijk verwijderen en terugplaatsen van bovengrondse obstakels (lichtmasten, verkeersborden); gevolgen voortvloeiend uit het breekverbod; verzekeringen; enzovoort.
die door de grondroerder of het college gemaakt moeten warden vanwege werkzaamheden m.b.t. kabels of leidingen, calamiteiten of een gevolg zijn van de voorwaarden en eisen die zijn opgenomen in de vigerende Verordening Fysieke Leefomgeving, de nadere regels, het instemmingsbesluit of in de vergunning komen altijd voor rekening van de grondroerder c.q. de netbeheerder.
5.4. Veiligheid en Calamiteiten
5.4.1. Bodemkwaliteit
1Bij werkzaamheden in de grand en water is de Omgevingswet (Ow), het daarbij behorende Besluit Actieviteiten Leefomgeving (BAL) en het gemeentelijke Omgevingsplan onverkort van toepassing. Het CROW heeft hiervoor de richtlijn "Werken in of met verontreinigde grand en/of verontreinigd (grond)water" (publicatie 400). Om aan de vigerende wet- en regelgeving te voldoen dienen initiatiefnemer en grondroerder in elk geval altijd volgens de meest actuele versie van deze regels en richtlijnen te werken.
2Afhankelijk van de lokale bodemkwaliteit neemt de grondroerder passende maatregelen om negatieve gevolgen voor de medewerkers en de omgeving (passanten, omwonenden enzovoort) te voorkomen. Dit kan alleen als van te voren voldoende bekendheid is over de lokale bodemkwaliteit, hetgeen wordt bereikt door middel van een voorafgaand bodemonderzoek, zoals bedoeld op paragraaf 5.2.2 van het Besluit Activieten Leefomgeving (BAL). De grondroerder legt de risico's ten aanzien van de veiligheid en gezondheid van de medewerkers en de omgeving en de wijze waarmee daarmee wordt omgegaan vast in het VG&M plan (zie oak artikel 5.4. tweede lid van het Handboek).
S.S.Peilen en hoofdafmetingen
1Het op de graaflocatie aangeven van peilen en hoofdafmetingen door de toezichthouder beperkt zich tot het eenmalig aangeven van hoofdmeetpunten en eventueel extra punten in bochten en dergelijke. De grondroerder kan daarna zelf d.m.v. eenvoudig meetwerk, zowel qua horizontale als verticale maatvoering, het trace in detail uitzetten. Het college treedt slechts toetsend c.q. controlerend op. Het gewenste tijdstip van aanwijzing wordt door de grondroerder tenminste 2 weken van te voren aan de toezichthouder kenbaar gemaakt..
2Bij de aanleg van kabels of leidingen in een nieuwbouwplan, waarbij (nog) geen woningen etc. aanwezig zijn om als vast punt voor maatvoering te dienen, zal het college een aantal maten middels piketpaaltjes of krijtmarkeringen aangeven op verzoek van de grondroerder. De grondroerder vraagt dit 2 weken voor aanvang aan bij het college. Dit geldt alleen voor gronden die eigendom zijn van de gemeente. Bij graafwerk in particulier eigendom maakt de grondroerder met betreffende grondeigenaar of projectontwikkelaar rechtstreeks afspraken; het college is hierin geen partij.
3Het in stand houden (borgen/verklikken) van de eenmalig door de toezichthouder aangegeven peilen en hoofdafmetingen vallen onder de verantwoordelijkheid van de grondroerder.
7. RICHTLIJNEN TEN BEHOEVE VAN DE (TRACE)ENGINEERING
7.2. Trace bepaling t.b.v. de aanleg van kabels of leidingen
7.2.2. Horizontale ligging
1Het kabel- en leidingentrace wordt in h ,t algemeen en bij voorkeur in het trottoir gesitueerd.
2In het overig deel van de openbare weg wordt de riolering en transportleidingen gesitueerd.
3De minimale afstand tussen het kabel- en leidingentrace en perceelgrens is situatie afhankelijk. De algemene profielen staan in hoofdstuk 10, bijlage 10.1 van het handboek.
4Bij de plaatsbepaling van kabels of leidingen in de nabijheid van bomen wordt de afstand tussen het kabel- en leidingentrace en de stam van de boom bepaald door onderstaande minimale afstanden. Zie oak bomenposter hoofdstuk 10, bijlage 10.2. van het handboek.'De leidraad staat in onderstaande tabel:
Stam (2)
Minimale graafafstand vanuit het hart
van de stam\Oet
Eenzijdige
wortelontwikkeling
of scheefstande boom (trekzijde)
20cm
> 1,25 m
2,00 m
40cm
> 1,50 m
2,50 m
60cm
> 1,75 m
3,00 m
80cm
> 2,25 m
3,50 m
100cm
> 2,50 m
4,00 m
150cm
> 3,50 m
5,00 m
5Binnen het kabel- en leidingentrace warden de kabels of leidingen qua horizontale maatvoering volgens een vaste volgorde ten opzichte van elkaar ingedeeld. De horizontale indeling is weergegeven in de algemene profielen, zie bijlage 10.1.
6In bermen langs wegen dient de afstand van ligging van de kabels of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk te zijn aan de diepteligging ervan, tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder.
7Het bovengenoemde basisprincipe wordt zoveel mogelijk nagestreefd. In bijzondere gevallen kan het college een andere indeling toestaan c.q. voorschrijven.
8Handholes c.q. distributiepunten mogen niet aangebracht warden in kabel- en leidingtraces, rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in of uitritten van percelen en binnen een afstand van 5,00 m vanaf bomen en niet binnen de kroonprojectie. De handholes c.q. distributiepunten warden bij voorkeur geplaatst in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen. In overleg met de toezichthouder kunnen andere afspraken warden gemaakt over deze voorschriften.
9De grondroerder vraagt vooraf aan het college toestemming om (mede)gebruik te maken van voorzieningen die eigendom zijn van de gemeente. Bijvoorbeeld voor het gebruik van mantelbuizen, kabelgoten of holle ruimten die onder een weg of in een kunstwerk (b.v. bruggen, tunnels, viaducten en dergelijke) van de gemeente aanwezig zijn.
7.2.3. Aanvullende eisen horizontale ligging
1Werkzaamheden aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen warden zoveel mogelijk vermeden. Hiermee wordt bij de engineering terdege rekening gehouden en waar mogelijk warden bij voorkeur alternatieve routes gekozen. Is het werken aan- of bij bomen of andere groenvoorzieningen toch onvermijdelijk dan wordt er eerst overleg met de toezichthouder gevoerd.
2Voorafgaand aan de engineering wordt door de grondroerder bij het college de (digitale) bomenkaart opgevraagd. Indien er zich in het trace te handhaven (monumentale) bomen bevinden warden die, inclusief kroonprojectie) op de instemmings- of vergunningstekening weergegeven.
3Wegkruisingen die d.m.v. een persing of gestuurde boring warden gerealiseerd warden op minimaal 5,00 m vanaf de stam van een boom gesitueerd.
4Bij wegkruisingen bij gescheiden rijbanen of fietspaden met tussenliggende groenstroken bestaat de mantelbuis (indien mogelijk) uit een lengte. De mantelbuizen warden alleen aangebracht buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten van wegen, niet in de kruisingsvlakken van wegen.
5Als het onvermijdelijk is dater in de nabijheid van bomen of andere groenvoorzieningen moet warden gewerkt, dan warden er een aantal voorzorgsmaatregelen getroffen (Hoofdstuk 9) dat schade aan de betreffende boom, groenvoorziening en aan de te leggen kabel of leiding voorkomt. Indien de afstand tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.2.1 vierde lid warden er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast of er warden (gestuurde) boringen gemaakt.
7.2.4. Verticale ligging
1Binnen het kabel- en leidingentrace warden de kabels of leidingen ten opzichte van het maaiveld qua verticale maatvoering volgens een vaste volgorde ingedeeld. De verticale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel, zie hoofdstuk 10, bijlage 10.1
2Uitgangspunten bij verticale ligging:
Distributiekabels en -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen; Vrijverval leidingen hebben voorrang boven drukleidingen;
Kabels of leidingen warden niet binnen het ontgravingsprofiel van de riolering aangelegd. Het ontgravingsprofiel is bekend bij de rioolbeheerder van de gemeente; Bij kruisingen van kabels of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m;
Er wordt een strook tussen 0,60 m -mv en 1,0 -mv vrijgehouden i.v.m. kruisende vrijverval rioolaansluitingen.
3Het bovengenoemde basisprincipe wordt zoveel mogelijk nagestreefd, mede in verband met kruisende rioolaansluitingen. In bijzondere gevallen kan de gemeente een andere verticale ligging toestaan c.q. voorschrijven.
7.2.5. Aanvullende eisen voor verticale ligging
1Bij boringen/persingen, in welke vorm oak, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De minimale verticale afstand ten opzichte van de te kruisen kabels of leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding dient te worden gevoerd.
2Bij het kruisen van watergangen wordt een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte van de bodem van de watergang aangehouden.
3Indien de aanwezige bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte wordt een gronddekking van 1,00 m tenopzichte van de aanwezige bodem aangehouden.
4Indien het onvermijdelijk is dat een kabel of leiding door een groenvoorziening wordt gelegd of er onderdoor wordt geperst dan bedraagt de gronddekking van die kabel of leiding (of mantelbuis) minimaal 1,00 m.
5Kabels of leidingen mogen alleen onder een overbouwing worden gesitueerd, indien de verticale afstand tussen de onderzijde van de overbouwing en het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil minimaal 2,50 m bedraagt. Dit in verband met de benodigde werkruimte voor mechanisch- en ander materieel.
6Kabels of leidingen worden alleen boven een onderbouwing (kelder, duiker etc.) gesitueerd, indien de verticale afstand tussen de bovenzijde van de onderbouwing en het ter plaatse vastgestelde maaiveld ten minste 1,00 m bedraagt. Dit in verband met benodigde gronddekking voor de kabels of leidingen.
7Koppelbalken t.b.v. funderingen worden alleen gekruist als de verticale afstand tussen de bovenkant van de koppelbalken en het maaiveld ten minste 1,00 m bedraagt en de te overbruggen ruimte tussen de koppelbalken is voorzien van een gewapende betonplaat waarboven de kabels of leidingen een veilige ligging verkrijgen.
10 BIJLAGEN
10.1Hoofdwegen (artikel 3.2 lid 3)
•Milheezerweg
•Bakelseweg
•Houtenhoekweg
•Heuvelstraat
•Lage kerk
•Hogeweg
•Europastraat
•Dunantweg
•Haageind
•Molenstraat tussen rotonde Europaweg en Zeilbergseweg
•Zeilbergsestraat
•Blasiusstraat
•Griendtveenseweg
•Amstel
•Hagelkruisweg
•Toon Kortooms
•Liesselseweg
•Theo van Doesburgstraat
•Loon
•Hoofdstraat
•Neerkantseweg
•Vlierdensedreef
•Vlierdenseweg
•Binderendreef
•Knoflookpad
•Helmondeweg tussen rotonde Houtenhoekweg en Binderendreef
•Biezendreef
•Snoertsebaan
•Kanaalstraat
•Oude Peelstraat
•Heitrak
•Dorpsestraat
•Keulsebaan
•Mgr. Berkvensstraat
•Leenselweg
10.2Algemene profielen Gemeente Deurne (artikel 7.2.1 lid 3)
10.3Centrumgebied kern Deurne (artikel 8.1 lid 17)
10.4Overige centrumgebieden {artikel 8.1 lid 17)
10.5Bomenposter werken rond bomen (artikel 9.2, lid 1)
10.6 Contactgegevens
Gemeente Deurne
Bezoekadres
Markt 1
Postadres
Postbus3
5750 AA Deurne
Telefoon
0493-387771
info@deurne.nl
Website
www.deurne.nl
Coordinator K&L
Danny Passon
Telefoon
0493-397347
d.passon@deurne.nl