Aanhef
BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DEURNE:
gelet op het bepaalde in artikel : 4.81 Awb
b e s l u i t e n :
1Het vaststellen van 'Beleidsregels Erfgoed" ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie.
3 Erfgoed verankeren
3.3 Archeologische verwachtingen- en waarden
3.3.1 Wettelijk beschermde archeologische monumenten
Archeologische resten die vanuit nationaal of gemeentelijk oogpunt behouden dienen te blijven en daarom als monument beschermd zijn ingevolge de Erfgoedwet 2015 (voor Rijksmonumenten) of via een functietoedeling in het gemeentelijke omgevingsplan. Van deze gebieden staat op basis van archeologisch onderzoek of waarnemingen vast dat hier belangrijke archeologische resten in de grond zitten. De wettelijke bescherming verbiedt hier de meeste bodem verstorende activiteiten, tenzij de Minister van OCW hiervoor vooraf vergunning verleent. De gemeente Deurne telt vooralsnog geen beschermde archeologische monumenten. Op grond van de gemeentelijke Verordening Fysieke leefomgeving bestaat echter wel de mogelijkheid hieraan gemeentelijke archeologische monumenten toe te voegen. Gebieden die hiervoor in aanmerking zouden kunnen komen zijn bijvoorbeeld het Groot en Klein Kasteel van Deurne en de middeleeuwse kerk met begraafplaats van Deurne.
De laatmiddeleeuwse Sint-Willibrorduskerk in het centrum van Deurne met rondom de begraafplaats (foto: M. Verkuijlen, Wikimedia Commons).
3.3.2 Gebieden van archeologische waarde
Voor deze delen van de gemeente is het op basis van de reeds bekende archeologische gegevens en/of op basis van de landschappelijke of historische ligging van de terreinen vrijwel zeker dat er belangrijke archeologische waarden in de grond aanwezig zijn. Het betreft de delen van de gemeente, die op basis van de bekende archeologische waarnemingen, aantoonbaar vindplaatsen bevatten, of die vanwege hun ligging een zeer grote kans op het herbergen van een vindplaats hebben. De archeologische resten op deze terreinen zijn geconcentreerd in deze gebieden aanwezig waardoor kleine bodemingrepen reeds grote gevolgen kunnen hebben (denk aan middeleeuwse begraafplaatsen). Het valt te overwegen een aantal van deze terreinen in de toekomst op te nemen op de lijst van gemeentelijke archeologische monumenten.
Bij deze categorie ligt de vrijstellingsgrens van het totaal te vergraven gebied op een oppervlakte van 100 m2 én een diepte van 30 cm onder het maaiveld, aangezien het hier om waardevolle delen van het bodemarchief van Deurne gaat. Bij een aantal van deze terreinen zal echter overwogen moeten worden om ze aan te wijzen als gemeentelijk archeologisch monument, omdat het verstoren van 100 m2 funest is voor bijvoorbeeld een middeleeuwse begraafplaats.
Opgraving van de kannebuizen waterleiding bij de Huub van Doorneweg met rechts details van de genummerde waterleiding (bron: Deurnewiki).
3.3.3 Gebieden met een hoge archeologische verwachting - historische kernen
De historische kernen met een hoge verwachting betreffen de van oorsprong laatmiddeleeuwse gehuchten en historische woonlinten. In deze woonkernen is in ieder geval vanaf de Late Middeleeuwen tot heden geconcentreerde bebouwing aanwezig geweest. De archeologische resten bevinden zich dan ook op geringe diepte onder het huidige maaiveld. De meeste bebouwingsresten zijn te verwachten langs de oude straten maar ook op achterterreinen kunnen archeologische resten aanwezig zijn. Daarnaast weten we uit historische bronnen dat de kernen van de gehuchten door de tijd heen zijn verschoven, waardoor een grotere zone rondom de historische kernen als gebied met een hoge archeologische verwachting is aangegeven. De verwachting wordt bevestigd door de deels nog aanwezige historische bebouwing in de vorm van boerderijen.
Bij deze categorie is de vrijstellingsgrens van de oppervlakte van het totaal te vergraven gebied verruimd tot 250 m2, aangezien het risico op verlies van waardevolle informatie hier geringer is en grotere ingrepen hier meer kennisrendement geven. Hierdoor wordt de belasting voor betrokkenen beperkt, aangezien een groot deel van de aanvragen onder deze grens vallen. De vrijstellingsgrens van 30 cm diepte blijft gehandhaafd. De grens van 30 cm is gekozen, omdat onder deze diepte gemiddeld genomen nog volop informatie aanwezig is en omdat het bodemarchief in de regio door velerlei verstoringen al veel geleden heeft. Een diepere vrijstellingsgrens kan in kwetsbare gebieden tot onherstelbare schade leiden.
Historische lintbebouwing van de Haanenberg, Kranenmortel en de Zeilberg zijn aangeduid als zones met een hoge archeologische verwachting – historische kern (projectie Tranchot kaart 1802-1804).
3.3.4 Gebieden met een hoge archeologische verwachting
De terreinen met een hoge verwachting buiten de dorpskernen liggen in zones van het landschap waar de meeste archeologische vindplaatsen verwacht mogen worden. De uitgestrektheid van het gebied met een hoge archeologische verwachting houdt een direct verband met de ligging van de regio op een groot aantal langgerekte vruchtbare dekzandruggen met de aanwezigheid van laaggelegen beemden en een uitgestrekt heidegebied. Deze ligging verklaart de verwachte grote archeologische rijkdom van de gemeente. Deze gebieden waren in het verleden geschikte locaties voor bewoning. Meestal gaat het hierbij om hogere zandruggen die relatief dicht bij de beken lagen. Vanaf de Late Middeleeuwen zijn deze terreinen vaak als akker gebruikt waarbij door plaggenbemesting de gronden langzamerhand zijn opgehoogd en een zogenaamd plaggen- of esdek is ontstaan. Dit ophogingspakket heeft oudere bewoningssporen vaak goed geconserveerd. Veel van de archeologische vondsten, die in het verleden zijn gedaan, zijn afkomstig van deze terreinen. Ook in naburige gemeenten is vastgesteld dat vergelijkbare gebieden vaak rijk zijn aan archeologische resten. De kans op het aantreffen van relatief goed bewaarde sporen van vroegere bewoners is derhalve vrij groot.
Bij deze categorie is de vrijstellingsgrens van de oppervlakte van het totaal te vergraven gebied, verruimd tot 500 m2, aangezien het risico hier geringer is dan in de eerdere categorieën, terwijl de belasting voor betrokkenen verminderd wordt. De huidige vrijstellingsgrens van 50 cm diepte kan gehandhaafd blijven, vanwege de aanwezigheid van de, veelal dikke, akkerdekken.
De open akker van Belgeren, met het dorp Vlierden aan de horizon, is een gebied met een hoge archeologische verwachting (foto: RAAP 2020).
3.3.5 Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting
Op de dekzandvlakten en in de beekdalen is de trefkans op archeologische waarden middelhoog. Deze gebieden waren in het verleden geschikt voor bewoning, maar werden ook voor andere activiteiten gebruikt. Deze gebieden zijn in het verleden niet zo sterk opgehoogd als de plaggendekken, waardoor eventuele resten minder goed beschermd zijn.
Bij deze categorie is de vrijstellingsgrens van de oppervlakte van het totaal te vergraven gebied verruimd tot 2500 m2, aangezien het risico hier geringer is dan in de eerdere categorieën, terwijl de belasting voor betrokkenen verminderd wordt. De huidige vrijstellingsgrens van 50 cm diepte blijft gehandhaafd.
Overgang van de dekzandrug naar de vlakte en het beekdal van de Astense Aa bij Baarschot: een zone met een middelhoge archeologische verwachting (foto: R. Berkvens 2020).
3.3.6 Gebieden met een lage archeologische verwachting
Binnen deze zones kunnen wel archeologische waarden aangetroffen worden. Echter, op basis van de geomorfologische en de bodemkundige kenmerken van het terrein (beekdal, beekeerd, vlakvaaggronden, e.d.) of vanwege het verwachte incidentele en extensieve gebruik van de zones (depositielocaties, veeweiden, grondstofwinning, e.d.) zijn dergelijke arealen moeilijker te detecteren vanwege de lagere dichtheid aan vindplaatsen. Recente inzichten wijzen er ook op dat vooral beekdalen in een zeer dunne spreiding bijzondere vondsten kunnen bevatten, welke echter wegens hun geringe aantal meestal alleen bij grootschalige werkzaamheden aangetroffen zullen worden.
In gebieden van deze categorie gelden geen beperkingen voor de activiteiten bouwen, slopen en aanleggen, in het kader van de omgevingsvergunning.
De jonge Peelontginningen zijn gebieden waar veelal een lage archeologische verwachting voor geldt (Topografische kaart 2009).
3.3.7 Gebieden zonder archeologische verwachting
Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart vallen onder gebieden zonder archeologische verwachting:
a.gebieden waar archeologisch vooronderzoek heeft plaatsgevonden en waarbij is vastgesteld door veldonderzoek dat de archeologische verwachting of archeologische waarde niet meer aanwezig is of door middel van archeologisch onderzoek is opgegraven;
b.gebieden waarvan is vastgesteld dat de bodem dermate verstoord is door ontgronding, (snel)wegen, ondergrondse leidingen, diepe sanering of diepe grondbewerking bij bepaalde gewasteelt, waardoor hier geen behoudenswaardige archeologie meer te verwachten is;
c.grootschalige aangelegde nieuwbouwwijken.
Archeologisch onderzoek is hier niet meer nodig. Alleen losstaande en diepe archeologische sporen als waterputten, zullen hier mogelijk nog aanwezig zijn.
De in 2023 bloot gelegde betonnen loopgraaf uit de Tweede Wereldoorlog aan de Meistraat in Neerkant. Deze werden niet gevonden bij het archeologisch proefsleuvenonderzoek, omdat ze niet herkend zijn als relevante sporen, maar wel bij het nadien uitgevoerde explosievenonderzoek (foto BAAC).
3.5 Nadere beleidsafwegingen archeologie
3.5.1 Plangebied versus bodemverstorende ingreep12 Van de Water 2016.
Bij wijzigingen van het omgevingsplan dient steeds het gehele plangebied onderzocht te worden, ongeacht de -vermoedelijke- bodemroering. Dit principe wordt gehanteerd om bij het aantreffen van (behoudenswaardige) archeologische resten planaanpassing door bijvoorbeeld verplaatsen van de bodemverstorende ingrepen mogelijk te maken zonder dat bijkomend onderzoek op de nieuwe verstoringslocatie noodzakelijk is.
Bij concrete plannen (omgevingsvergunningen diverse activiteiten) dient uitgegaan te worden van de omvang van de feitelijke bodemverstoring in het plangebied. Overschrijdt deze de oppervlakteondergrens én de diepte-ondergrens niet, dan is er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Worden beide gestelde ondergrenzen overschreden, dan dient het gehele plangebied middels een vooronderonderzoek (doorgaans een bureau- en booronderzoek) onderzocht te worden. In het kader van eventueel vervolgonderzoek (proefsleuvenonderzoek en/of opgraving) dient het onderzoeksgebied afgestemd te worden op het verstoringsgebied (wat kleiner kan zijn dan het plangebied).
Bij het berekenen van het verstoringsoppervlak, wordt boven het te bebouwen oppervlak een marge 510 % opgeteld om de feitelijke omvang van de bouwput, de aan te leggen kabels en leidingsleuven en dergelijke, qua verstoring mee te rekenen.
Op plangebieden, waarvoor een bepaalde archeologische waarde geldt, maar die qua bodemingreep beneden de vrijstellingsdrempel voor onderzoek vallen, blijft de aanduiding archeologie met maatwerkregels onverminderd van kracht. Indien uit (voor)onderzoek is gebleken dat geen archeologische waarden in het (plan)gebied meer te verwachten zijn, kan de aanduiding WaardeArcheologie uit het omgevingsplan verwijderd worden.
3.5.2 Bodemingrepen met een geleidelijk effect
Een aparte categorie vormen de bodemingrepen, die een geleidelijk effect hebben op de dieper liggende archeologische resten. Het betreft dan met name bodemingrepen, die de afvoer van grond met zich meebrengt, die niet opnieuw wordt aangevuld. Hierbij kan gedacht worden aan het afplaggen van heide of verschralen van bemeste landbouwgronden in het kader van natuurbeheer en ontwikkeling, (laan)bomenteelt en graszodenteelt. Maar ook activiteiten die kunnen leiden tot een cumulatief aantasten van het archeologische bodemarchief. Hierbij kan gedacht worden aan:
diepploegen, aspergeteelt, drainagesystemen aanleggen, boomkweek enz. Deze ingrepen kunnen leiden tot een ongeziene en ongewenste verstoring van de archeologische resten. Door het afgraven van de bovengrond kunnen archeologische resten, die net onder het nieuwe oppervlak aanwezig zijn, binnen enkele jaren door natuurlijke processen worden vernietigd, omdat de bodem als beschermde deken boven deze archeologisch vindplaatsen is afgegraven.
In dergelijke gevallen is het belangrijk, in het kader van een omgevingsvergunning, eerst vast te stellen wat het effect van de ingreep (op de langere termijn) kan zijn op de eventueel aanwezige archeologische ondergrond. Dit kan gebeuren door bijvoorbeeld het bestuderen van bewijsvoering om historische verstoringen vast te stellen of het vaststellen van de dikte van de bouwvoor of het beschermende akkerdek en de diepteligging van de archeologisch relevante laag met behulp van verkennende boringen en/of profielputjes. In het kader van de vergunningaanvraag of omgevingsplanwijziging dient dan ook telkens afgewogen te worden of het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek wenselijk dan wel noodzakelijk is. Het primaire doel van het archeologisch onderzoek is om eventuele archeologische waarden in kaart te brengen en te waarderen, pas daarna kan de keuze worden gemaakt om behoudenswaardige archeologische waarden op te graven, dan wel de plannen zodanig aan te passen dat archeologisch erfgoed in situ bewaard blijft
3.5.3 Plangebied met verschillende archeologische waarden
Indien binnen een plangebied, waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd volgens de archeologische beleidskaart verschillende archeologische waarden voorkomen, dan geldt de hoogste aanwezige waarde met bijbehorende vrijstellingsdrempel ter bepaling van de onderzoeksverplichting. Slechts als de hoogste waarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10 %), kan na afweging worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied.
3.5.4 Doorschuiven van de archeologische onderzoeksplicht
Wanneer een omgevingsplan toekomstige ontwikkelingen mogelijk maakt, zal veelal een waarderend archeologisch onderzoek (bijvoorbeeld proefsleuven) plaats moeten vinden om zeker te zijn dat de bestemmingen concreet haalbaar en wenselijk zijn. Voordat concrete functies aan een locatie toegewezen kunnen worden, zal moeten blijken of deze, ook vanuit archeologisch oogpunt, haalbaar zijn. Hierdoor worden financiële lasten bij werkzaamheden zoveel mogelijk voorzien en vermeden. Ook maakt dit het mogelijk om door middel van een vergunningenstelsel voorwaarden in het plan op te nemen, die de bescherming van archeologische waarden kunnen waarborgen, wat soms een verzwaring van de ondergrens in oppervlakte en diepte betekent. In de praktijk komt het echter vaak voor dat het waarderende proefsleuvenonderzoek pas plaats vindt na vaststelling van het omgevingsplan, bijvoorbeeld omdat het plangebied nog niet toegankelijk is voor een proefsleuvenonderzoek, wat gevolgen kan hebben voor de mogelijkheid om vast te stellen of in het gebied archeologische waarden aanwezig zijn.
Als er dan bij het waarderende proefsleuvenonderzoek een waardevolle vindplaats wordt aangetroffen en de oppervlaktegrens blijft bijvoorbeeld staan op de eerder van de gemeentelijke verwachtingenkaart overgenomen 250 m2, dan kan er vervolgens bij de aanvraag van de bouwvergunning geen archeologisch onderzoek meer worden afgedwongen, omdat de bouw van een huis meestal niet boven de 250 m2 komt. Als er dan archeologische waarden tevoorschijn komen, is niet de vergunning vrager verantwoordelijk, maar is de gemeente aan zet en draait op voor de kosten van archeologisch onderzoek. Om dit te voorkomen zal bij het doorschuiven van het waarderend archeologisch onderzoek naar de aanvraag van een bouw- of aanlegvergunning, in het vast te stellen nieuwe omgevingsplan altijd de stringentere oppervlaktemaat van 100 m2 als ondergrens voor archeologisch onderzoek aangehouden moeten worden, ongeacht de ondergrens zoals aangeduid op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart. Daarnaast kan ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen worden in het omgevingsplan om te borgen dat archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd.
Zilveren daaldermunt van Philips II (155-1598) die in Deurne is gevonden met een metaaldetector (foto: Portable-antiquities.nl).
3.5.5 Toevalsvondsten13 Toevalsvondsten zijn onder de Omgevingswet ondergebracht in hoofdstuk 19: bevoegdheden in bijzondere omstandigheden.
In plangebieden die niet onderzoeksplichtig zijn of waar de initiatiefnemer heeft voldaan aan de onderzoeksverplichting, hetzij van alleen inventariserend onderzoek, hetzij ook van een opgraving of begeleiding, kan de gemeente vergunning verlenen voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. Desondanks kunnen bij graafwerkzaamheden ‘toevalsvondsten’ worden gedaan, zoals crematie- of inhumatiegraven die door hun beperkte omvang en diepteligging meestal niet voorspelbaar zijn. In zo’n geval kan de initiatiefnemer niet gehouden worden aan het veroorzakersprincipe. Op basis van een selectiebesluit van de gemeente mocht het initiatief immers zonder (verdere) archeologische verplichtingen worden gerealiseerd. Dergelijke vondsten dienen op grond van art. 19.8 Omgevingswet bij het college van burgemeester en wethouders gemeld te worden. Het college stelt vervolgens de minister van OCW op de hoogte (in de praktijk de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het niet melden is een strafbaar feit.
Soms kunnen dergelijke vondsten van groot belang zijn. De Omgevingswet regelt in dat geval dat niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bevoegd is om bodem verstorende werkzaamheden stil te leggen. Ook komt het voor dat onder druk van de publieke opinie alsnog na overleg tussen betrokkenen een onderzoek ingesteld wordt, ook al kan de gemeente niet meer terugkomen op de verleende vergunning. Bij het stilleggen van werk door de gemeente of het Rijk komen de kosten niet ten laste van de verstoorder, maar ‘in redelijkheid’ van de gemeente dan wel de Minister, waarbij van de gemeente verwacht mag worden, dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming evident is. Onder druk van de publieke opinie ontstaat meestal tussen alle betrokkenen een onderhandelingssituatie met hoge tijdsdruk, waarbij kosten voor de gemeente te verwachten zijn.
Reconstructie van de watermolen van Belgeren, gemaakt naar aanleiding van archeologisch onderzoek door RAAP bij de hermeandering van de Astense Aa (bron: Mikko Kriek, BCL Archaeological Support).
3.6 Cultuurhistorische waarden
3.6.1 Historische bouwkunst
Met historische bouwkunst worden ‘onroerende zaken’ bedoeld. Voorbeelden zijn: boerderijen, woonhuizen, fabrieken, molens, kerken en kastelen. Maar ook: bruggen, grenspalen, standbeelden, etc. Als criteria voor opname op de Cultuurhistorische waardenkaart zijn gebruikt de wetenschappelijke en/of cultuurhistorische betekenis, schoonheid, en ouderdom.
Voor de (voorbeschermde) rijks- en gemeentelijke monumenten en de bouwkunst met zeer hoge en hoge cultuurhistorische waarde zullen in het omgevingsplan maatwerkregels worden opgenomen. De instandhouding van de hoofdvorm, kan met een omgevingsvergunning voor het slopen worden beschermd. Ook kunnen andere voor het gebied of voor het gebouw specifieke karakteristieke kenmerken zoals nokrichting, ligging, bebouwingsstructuren en maatvoering worden beschermd. Dit is mogelijk door het stellen van regels in het omgevingsplan. De grondslag hiervoor is te vinden in artikel 13.6 Bal.
Voor de wettelijke bescherming van rijksmonumenten is het niet nodig om ze op te nemen in het omgevingsplan. Gemeenten kunnen de locatie van een rijksmonument wel de functie ‘rijksmonument’ toedelen. De gemeente kan er verder voor kiezen om in het belang van het behoud van rijksmonumenten in het omgevingsplan aanvullend maatwerkregels op te nemen. Deze maatwerkregels kunnen bijvoorbeeld een meldingsplicht inhouden om vergunningvrije inpandige wijzigingen aan een (voorbeschermd) rijksmonument tevoren te melden bij de gemeente. Of een regel die het afsteken van vuurwerk in de omgeving van bepaalde rijksmonumenten verbiedt, bijvoorbeeld molens. Bij dit laatste voorbeeld gaat het om de nadere invulling van de specifieke zorgplicht om beschadiging en vernieling van rijksmonumenten te voorkomen.
Gemeenten zijn daarnaast verplicht om aantasting van de omgeving van (voorbeschermde) rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, te voorkomen, als die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd. Daarbij gaat het zowel om de omgeving van (voorbeschermde) rijksmonumenten, als om (voorbeschermde) gemeentelijke monumenten en provinciale monumenten, als die laatste in het omgevingsplan worden beschermd.
Naast het voorkomen van achteruitgang gaat het ook om het verbeteren van de kwaliteit van de omgeving, zodat het monument beter wordt beleefd of gewaardeerd.
De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Deurne bevat bijna 780 “gebouwde” objecten (waaronder ook hekwerken, herinneringsmonumenten, kunst in de openbare ruimte), waarvan zo’n 120 objecten zijn beschermd: 60 rijksmonumenten en 60 gemeentelijke monumenten. Dat betekent dat 657 objecten in de kaart zijn weergegeven, die geen rijks- of gemeentelijke monumentenstatus bezitten. De objecten met een hoge en zeer hoge waarde op de cultuurhistorische waardenkaart omvatten objecten met een hoge waarde, waarvan de kans groot is dat ze na nader onderzoek en toetsing voldoende waarden blijken te bezitten voor een aanwijzing als gemeentelijk monument. In de gemeente Deurne gaat het om 42 objecten met een zeer hoge waarde en 189 met een hoge waarde. Van 308 objecten is geconcludeerd dat ze een beeldbepalende erfgoedwaarde bezitten. Dit zijn karakteristieke objecten die vanwege de voornamelijk hoge én positieve ruimtelijke, historische en objectwaarden van grote betekenis zijn voor de gemeente Deurne en de daarin gelegen karakteristieke gebieden.
Voor de objecten en gebieden met een zeer hoge en hoge cultuurhistorische waarde zal een planologische bescherming opgenomen moeten worden in het omgevingsplan. Voor de objecten en gebieden met beeldbepalende waarde is het wenselijk het gevelbeeld en/of hoofdvormen in stand te houden. Bescherming kan door het opnemen van maatwerkregels in het omgevingsplan, zoals regels over:
•ontsiering, verplaatsing, beschadiging of sloop van beschermde monumenten;
•gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
•onderhoud die voor de instandhouding van de karakteristieke waarden noodzakelijk is;
•aantasting van de omgeving van een beschermd monument.
Aan een omgevingsvergunning kunnen vervolgens voorschriften worden verbonden in het belang van het behoud van de cultuurhistorische waarden.
Het oude raadhuis, Vlierdenseweg 190, in Vlierden is een gemeentelijk monument (foto: Deurnewiki).
Rijksmonument de Emmahoeve aan de Helenavaart, in de veenkolonie Helenaveen (foto: RAAP 2020).
3.6.2 Historische stedenbouw
Historische stedenbouw is de combinatie van de historisch gegroeide ruimtelijke structuur en de historische bebouwing. Het kan gaan om een buurtschap, een oude dorpskern, een woonwijk, een religieus complex of een industrieel complex. Selectie en waardering heeft plaatsgevonden op basis van de representativiteit voor de historisch stedenbouwkundige ontwikkeling van de verschillende soorten stedenbouwkundige structuren in de gemeente en de samenhang met de historischlandschappelijke omgeving.
Ook voor de historische stedenbouw met cultuurhistorische waarde zullen in het omgevingsplan maatwerkregels opgenomen moeten worden. In bepaalde gebieden is sprake van een bebouwingsstructuur die sinds jaar en dag op een bepaalde manier is opgebouwd. Per gebied zijn hierin verschillende kenmerken en karakteristieken te onderscheiden. Het is belangrijk om de ruimtelijke opbouw van het gebied te behouden. Er kan sprake zijn van verspreide of dichte tot half open bebouwingsstructuren. Een bebouwingsstructuur kan worden vastgelegd door middel van het vastleggen van de plaats van de bebouwing in bouwvlakken en het werken met gevellijnen. Op open plekken in de structuur wordt dan geen bouwvlak gelegd of krijgen de gronden een bestemming waarbinnen bebouwing niet is toegestaan.
De gemeente Deurne heeft één rijksbeschermd dorpsgezicht en wel dat van Helenaveen. Dit rijksbeschermd dorpsgezicht is aangewezen met een instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid van de Omgevingswet. De instructie heeft tot strekking dat in het omgevingsplan de functie-aanduiding van rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht aan het desbetreffende gebied moet worden gegeven en dat voorzien moet worden in de bescherming daarvan. Het omgevingsplan moet onder andere voorzien in een verbod tot het slopen van bouwwerken dat is afgestemd op de karakteristieken van het stads- of dorpsgezicht.
Voor de gebieden met een hoge en zeer hoge waarde zal een planologische bescherming opgenomen moeten worden in het omgevingsplan door het gebied te beschermen als cultuurlandschap. In het omgevingsplan kunnen bijvoorbeeld regels worden opgesteld, gericht op het reguleren van bouw-, sloop-, aanleg- of kapactiviteiten, ter voorkoming van aantasting van het karakter van het beschermde cultuurlandschap. Dit kan variëren van algemene regels, een meldings- of vergunningplicht tot een (binnenplans) verbod.
Het oude gehucht Vreekwijk in 1955, bij de kruising Oude Stappad-Sint Jozefstraat, bestaande uit een cluster boerderijen en een voormalige brouwerij in een uitgesproken groene context (foto Deurnewiki, collectie Hennie Slaats).
3.6.3 Historisch cultuurlandschap
Historisch cultuurlandschap is de ruimtelijke neerslag van de aanpassingen die de mens in de loop der eeuwen heeft gedaan aan de natuurlijke omgeving. Onder cultuurlandschap met een cultuurhistorische waarde vallen verschillende thema’s, zoals: infrastructuur, akkers en gehuchten. Voorbeelden zijn oude akkercomplexen (“bolle akkers” met esdekken), heidevelden, jonge ontginningen en landgoederen. Het hedendaagse landschap is het historisch gegroeide resultaat van een eeuwenlange ontwikkeling. Deze kaartlaag bevat een selectie van de gebieden die deze historisch groei nog goed illustreren. Selectie en waardering heeft plaatsgevonden op basis van de representativiteit voor de historische ruimtelijke ontwikkeling van verschillende regio’s in de gemeente en de landschappelijke samenhang binnen en tussen verschillende gebieden.
In het omgevingsplan kunnen regels worden opgesteld ter voorkoming van aantasting van het karakter van het beschermde cultuurlandschap. Voor de gebieden met een hoge en zeer hoge waarde is aanbevolen om een planologische bescherming op te nemen. Afhankelijk van de aanwezige kwaliteiten kunnen bepaalde beschermende maatwerkregels worden opgelegd. Dit kan variëren van algemene regels, een meldings- of vergunningplicht tot een (binnenplans) verbod. Daarnaast kan een vergunningplicht worden gekoppeld aan gespecificeerde ingrepen in planologisch beschermde gebieden, met de verplichting aan te tonen dat de ingrepen de bestaande cultuurhistorische waarden niet onevenredig schaden. Indien dat wel het geval is, dan is het aan het college om een afweging te maken t.o.v. andere belangen. Voorbeelden van ingrepen kunnen zijn:
•toevoegen of verwijderen bebouwing
•toevoegen of verwijderen houtige gewassen
•dempen van sloten of andere vormen van graafwerkzaamheden
•etc.
Door middel van de geformuleerde regels kan ook bepaald worden welke zaken wel/niet onder de vergunningplicht vallen.
Het nog gave open akkercomplex bij Liessel-Leensel.
De Nieuwe Wittendijk, een bewaard gebleven ruilverkavelingsweg in de Heiakker (foto: RAAP 2020).
3.6.4 Molenbiotoop
Molenbiotopen betreffen cirkelvormige zones rond windmolens, die van belang zijn voor de windvang en voor de landschappelijke uitstraling. Op de kaart is rond elke traditionele windmolen een dergelijke biotoop weergegeven, met een straal van 400 meter, onafhankelijk van de huidige staat van de molen en van de mate van verstoring van de windvang. In de gemeente Deurne gaat het om vier molenbiotopen (Zeilberg, Liessel, Vlierden en Deurne).
Voor de molenbiotopen zullen in het omgevingsplan maatwerkregels opgenomen moeten worden. De molenbiotopen dienen zorgvuldig te worden ingericht (toetreding van wind), en in het geval van grondzeilers zelfs grotendeels te worden vrijgehouden van bebouwing.
Holten’s Molen in Deurne (foto: www.molendatabase.nl).
3.6.5 Historisch Groen
De groenelementen en structuren zijn veelal door ingrepen van de mens ontstaan. Meestal zijn deze omwille van de functionaliteit ontstaan, denk maar aan houtwallen, heggen, hakhout, ontginningsbossen en bomenrijen. Vaak worden deze nu als natuur beschouwd. Daarnaast zijn er ook groenelementen die uit esthetische/culturele overwegingen zijn ontstaan, zoals diverse parken, pastorietuinen, dreven en bepaalde solitaire bomen. Op de Cultuurhistorische waardenkaart is een onderscheid gemaakt tussen monumentaal en waardevol.
In het omgevingsplan kunnen regels worden gesteld ter voorkoming van aantasting van het historisch groen. Dit kan variëren van algemene regels, een meldings- of vergunningplicht tot een (binnenplans) verbod. Daarnaast kan een vergunningplicht worden gekoppeld aan gespecificeerde ingrepen met de verplichting aan te tonen dat de ingrepen de bestaande cultuurhistorische waarden niet onevenredig schaden.
3.6.6 Historische geografie
Historische lijnen zijn bijvoorbeeld turfvaarten, patronen van wegen (waaronder zandwegen, klinkerwegen en kasseiwegen), wallen en paden, patronen van waterlopen, kanalen en sloten. Selectie en waardering heeft plaatsgevonden op basis van de representativiteit voor de historische ruimtelijke ontwikkeling binnen en tussen verschillende gebieden.
In het omgevingsplan kunnen regels worden gesteld ter voorkoming van aantasting van de historisch geografische waarden. Dit kan variëren van algemene regels, een meldings- of vergunningplicht tot een (binnenplans) verbod. Daarnaast kan een vergunningplicht worden gekoppeld aan gespecificeerde ingrepen met de verplichting aan te tonen dat de ingrepen de bestaande cultuurhistorische waarden niet onevenredig schaden.
3.6.7 Cultuurhistorische gebieden van Provinciaal belang
De bescherming van cultuurhistorische waarden is belangrijk omdat deze onvervangbaar zijn. In de provinciale omgevingsverordening zijn daarom de, vanuit provinciale optiek, cultuurhistorisch waardevolle gebieden met gebouwen en/of complexen van bebouwing en/of historisch geografische elementen, patronen en structuren opgenomen. Voor de aangeduide gebieden zijn de waarden en kenmerken beschreven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. De aangeduide gebieden overlappen soms deels met het Stedelijk gebied. Het gaat om:
•Vervening 't Zinkske
•Kasteel Deurne
•Neerkantse Bossen
•Akkercomplex Schelm
•Vervening Deurnese Peel
•Jonge ontginning De Polder
•Jonge ontginning 't Molentje
•Veenkolonie Helenaveen
De verordening schrijft via instructieregels voor:
-dat de gemeente beschermende regels moet opnemen in het omgevingsplan zodat de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden blijven behouden.
-dat bij ontwikkelingen hiermee rekening gehouden wordt zodat de waarden en kenmerken niet worden aangetast.
In gebieden waar door een gemeente stedelijke ontwikkeling wordt overwogen, betekent dit, dat vroegtijdig overleg noodzakelijk is, zodat deze provinciale belangen vanaf het begin in de planontwikkeling worden betrokken.
Cultuurhistorisch vlak van provinciaal belang, de Neerkantse Bossen (foto: Land van de Peel).
3.6.8 Aardkundige waarden
De provincie wil gebieden met onvervangbare aardkundige waarden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. De provincie Noord-Brabant heeft in Deurne drie aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Deze zijn opgenomen in de omgevingsverordening van NoordBrabant. De waarden in deze gebieden moeten worden beschermd. Samen met andere overheden, aardwetenschappelijke organisaties en natuur- en milieuverenigingen werkt de provincie aan het behoud en beheer in deze gebieden.
Het gaat in Deurne om :
•de Groote Peel, Zinkske, Deurnese Peel;
•Peelrandbreuk, Maashorst;
•Oostappensche Heide.
De Groote Peel, Zinkske, Deurnese Peel bestaat uit unieke en uitgestrekte overblijfselen van de vroeger heel uitgestrekte hoogveengebieden, op de waterscheiding tussen Noord-Brabant en Limburg. De Peelrandbreuk is een uniek typevoorbeeld van een actieve breuk in los ˜gesteente”, met duidelijk zichtbare wisselwerking met hydrologie en vegetatie (voorkomen wijstgronden). Ook in de rest van het gebied heeft de breukwerking invloed op het landschap. De Oostappensche Heide bestaat uit hoge en lage landduinen in heidegebied met een vrij natuurlijke, gave en markante overgang naar het beekdal van de Astensche Aa.
Het archeologisch en aardkundig bodemarchief, dat bewaard is gebleven onder het maaiveld, is gevoelig voor grootschalige graaf- of plagwerkzaamheden in het kader van natuurontwikkeling en beheer. Voor de aardkundige waarden zal in het omgevingsplan een beschermende regeling opgenomen moeten worden. Het gaat om instructieregels vanuit de provinciale omgevingsverordening.
Aardkundig waardevol gebied de Deurnese Peel (foto: Deurnewiki).
3.8 Nadere beleidsafwegingen cultuurhistorie
3.8.1 Onevenredige aantasting
Beschermen van erfgoed betekent niet dat er niks meer mag veranderen aan een beschermd of waardevol object; integendeel. Als de cultuurhistorische of monumentale waarden van een object of pand worden gerespecteerd is het geen probleem om wijzigingen aan te brengen. In het licht van de Omgevingswet moet voor de gebruiker (burgers / bedrijven) ook duidelijk zijn wáár die informatie te vinden is. De gemeente zal dus moeten voorzien in adequate informatieverstrekking. Bij een vergunningaanvraag wordt getoetst of deze waarden niet onevenredig worden aangetast. Als dat wel het geval is, vind een belangenafweging plaats, waarbij wordt gekeken of de andere belangen dermate zwaarwegend zijn dat zij aantasting van de cultuurhistorische waarden rechtvaardigen.
Bij gebouwde rijks- of gemeentelijke monumenten geldt de vergunningsplicht niet alleen voor de buitenzijde (gevels en daken), maar ook voor het interieur. Het betekent echter niet dat alles aan of in een monument historische waarde heeft. De gemeente kan vragen om een bouwhistorisch onderzoek om te zien welke delen van het monument wegens hun historische waarde bescherming behoeven. Bij de vergunning kunnen dan voorschriften worden opgenomen om die monumentale delen te beschermen.
3.8.2 Vergunningsplichtig of Vergunningsvrij
De bepalingen over vergunningsvrije bouwwerken zijn opgenomen in artikelen 2.25, 2,26 en 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Met de bruidsschat is aan het omgevingsplan van rechtswege een algemeen verbod toegevoegd op het ’zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken’. Deze artikelen wijzen categorieën van (bouw)activiteiten aan waarvoor dit verbod niet geldt. De overige regels van het omgevingsplan blijven echter onverminderd op deze bouwwerken van toepassing. Bij deze vrijstelling gelden wel randvoorwaarden over maatvoering, plaatsing etc. In artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn specifieke randvoorwaarden opgenomen met betrekking tot (voor)beschermde monumenten en door het Rijk aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten.
Voor gewoon onderhoud, gericht op het behouden van wat er is, en minder omvangrijke activiteiten aan monumenten is geen omgevingsvergunning nodig. Dit betreft normaal onderhoud waarbij materiaalsoort, kleur, vormgeving, detaillering en profilering niet wijzigen. Bijvoorbeeld:
•het schilderen in dezelfde kleur/verfsysteem
•het vervangen van kapotte ruiten of kozijnen door hetzelfde type/materiaalsoort
•het opstoppen van rieten daken
•het vervangen van enkele dakpannen.
Verder is het bouwen in, aan of op een monument (rijks, provinciaal of gemeentelijk) niet vergunningsplichtig mits het om onderdelen gaat die uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde hebben. Ook voor het bouwen in rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten en voor inpandige veranderingen en bepaalde activiteiten op achtererven is geen vergunning meer nodig. Waar precies de grenzen liggen, is te vinden op de op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
15Zie https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2018/01/01/vergunningvrij.
Als de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder vergunning, geldt nog steeds dat een beschermd monument niet beschadigd of te vernield mag worden: “vergunningsvrij is dus niet vogelvrij”. Dit valt onder de instandhoudingsplicht beschermd cultureel erfgoed (Omgevingsbesluit artikel 1.3 en meer specifiek voor rijksmonumenten Besluit activiteit leefomgeving artikel 13.11).
De Maria van Binderenkapel staat sinds augustus 1941 aan de Hazeldonkseweg nabij hoeve Ruth (foto: Mariakapellen.nl).