Aanhef
Burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder;
gelet op artikel 9 van de Afvalstoffenverordening 2018
besluiten vast te stellen de volgende beleidsregels:
Uitgangspunten voor de locatiekeuze ondergrondse glascontainers in Den Helder
Artikel 1 .Algemeen
1De locatie (2,5 meter x 2,5 meter) dient vrij te zijn van kabels en leidingen.
2Voor de eerste inventarisatie van mogelijke locaties voor ondergrondse restafvalcontainers-op-afstand, zal voor de aanwezigheid van kabels en leidingen gebruik worden gemaakt van de KLIC-kaarten van de ondergrond. Wanneer de locaties definitief zijn bepaald, kan - indien er twijfel bestaat - door middel van proefsleuven de daadwerkelijke situatie ter plaatse met betrekking tot kabels en leidingen worden vastgesteld.
3De containers worden niet geplaatst op locaties waar lediging betekent dat hoofdroutes van verkeer volledig geblokkeerd worden.
4Hulpdiensten mogen nooit belemmerd worden doordat er een lediging van een container plaatsvindt (uitzonderingen dienen in kaart gebracht te worden).
Artikel 2 . Gebruikers
1Een dichtheid van één ondergrondse glascontainers op circa 750 woonhuisaansluitingen.
2De locatie mag niet belemmerend zijn voor de doorgang van weggebruikers (zoals rolstoelgebruikers, kinderwagens, etc.).
3De locatie mag niet belemmerend zijn voor de doorgang van fietsers, zodoende moet plaatsing bij fietsstroken voorkomen worden. Indien er sprake is van een fietssuggestiestrook geldt dit niet.
4De locatie moet altijd bereikbaar zijn voor onder andere rolstoelgebruikers en ouderen.
Artikel 3. Omgeving
1De afstand tussen het hart van de inzamelvoorziening en de voorgevel van een gebouw dient tenminste 6 meter te zijn.
2De afstand tussen de inzamelvoorziening en een blinde zijgevel van een gebouw dient tenminste 3 meter te zijn, tenzij dat door de fysieke omstandigheden ter plekke niet mogelijk is; in dat geval geldt een minimale afstand van 1 meter.
3Tussen de inzamelvoorziening en de groenvoorziening moet een strook van 60 cm verharding worden aangebracht.
4Het rijden over de inzamelvoorziening door motorvoertuigen dient voorkomen te worden door middel van een belemmering.
5Binnen een straal van 1 meter van de inzamelvoorziening mag geen gelegenheid zijn tot het parkeren van motorvoertuigen of andere voertuigen die een belemmering kunnen vormen voor het legen van de inzamelvoorzieningen.
6Bij de bepaling van geschikte containerlocaties wordt het opofferen van parkeerplaatsen zoveel mogelijk voorkomen.
7Er mogen geen hoge objecten zoals bomen, lichtmasten en dergelijke aanwezig zijn die een belemmering kunnen vormen voor het legen van de inzamelvoorzieningen.
8Bij plaatsing van containers worden bomen en groen ontzien.
9Voor bomen geldt dat er niet gegraven mag worden binnen de kroonprojectie met daarbij een minimale graafafstand vanaf de stam van 2,5 m. Hiermee wordt onherstelbare schade voorkomen en kunnen we ook in de toekomst voldoende stabiliteit voor de boom garanderen.
Artikel 4. Legen
1De inzamelvoorziening moet zodanig gelegen zijn dat het inzamelvoertuig altijd in voorwaartse richting kan aan- en wegrijden (bij een doodlopende weg moet het eind zijn voorzien van een draaipunt ten behoeve van het inzamelvoertuig).
2De inzamelvoorziening dient niet in een scherpe of onoverzichtelijke bocht geplaatst te worden.
3De inzamelvoorziening is niet op of direct bij een kruising gelegen. De situatie dient in ieder geval verkeersveilig te zijn.
4De inzamelvoorziening moet zodanig gelegen zijn dat het inzamelvoertuig niet over geparkeerde wagens kraant.
5De afstand van de zijkant van het inzamelvoertuig tot het hart van de container mag maximaal 5 meter zijn.