Aanhef
Inleiding
De gemeente ontvangt regelmatig aanvragen van inwoners of ondernemers tot verkoop, verhuur of ingebruikneming van openbaar groen.
In 2019 is, als uitwerking van het Groenbeleidsplan 2017 – 2040, groenuitgiftebeleid opgesteld voor de uitgifte van openbaar groen met een looptijd van 5 jaar tot 2024. Dit groenuitgiftebeleid wordt gebruikt om de bewonersaanvragen te beoordelen.
Omdat de looptijd van het groenuitgiftebeleid ten einde liep, is dit beleid in 2024 geëvalueerd.
Naar aanleiding van deze evaluatie heeft een herziening plaatsgevonden van dit beleid, wat nu voor u ligt: Protocol uitgifte openbaar groen 2025-2030.
In het Groenbeleidsplan 2017-2040 is het beleidskader opgenomen voor de uitgifte van openbaar groen. Zowel landschappelijk-, hoofd-, als wijkgroen komen niet in aanmerking voor verkoop. Alleen buurtgroen komt, in bepaalde gevallen, in aanmerking voor verkoop. Onder buurtgroen wordt verstaan het kleinschalige groen in woonstraten en -erven. Dit betreft voornamelijk siergroen ten behoeve van de groene aankleding van de buurt.
Het protocol voor de uitgifte van openbaar groen vormt het toetsingskader waaraan getoetst moet worden of een perceel, liggend in buurtgroen, daadwerkelijk verkocht kan worden. Uitgangspunt bij deze toetsingskaders is dat het openbaar groen belangrijk is voor de kwaliteit van de leefomgeving en bijdraagt aan de biodiversiteit en klimaatadaptatie. Daarom zal er terughoudend worden omgegaan met de verkoop van openbaar groen en er zal sprake zijn van maatwerk.
Naast de aanvragen tot aankoop of huur van openbaar groen, zijn de afgelopen jaren steeds meer bewonersinitiatieven ontstaan. Deze variëren van de aanleg van een buurtmoestuin of een ontmoetingstuin tot aan een bloemenweide. Deze initiatieven worden door het college van Burgemeester en Wethouders gestimuleerd. De bewonersinitiatieven vinden vaak plaats in het openbaar groen. In dit document is daarom ook het protocol opgenomen voor verschillende uitgiftevormen die bij bewonersinitiatieven aan de orde zijn, zoals groenadoptie.
Het college besluit:
1Het protocol uitgifte openbaar groen 2025-2030 gewijzigd vast te stellen.
2Het groenuitgiftebeleid 2019-2024 in te trekken
Bijlage 1 – Uitwerking uitgangspunten verkoop
Ruimtelijke kwaliteit
Ook groenvoorzieningen die deel uitmaken van het buurtgroen kunnen van belang zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving. Zo kunnen kleinere groenvoorzieningen op zichzelf geen wezenlijke waarde hebben, maar in samenhang met overig nabijgelegen openbaar groen toch een functie hebben voor de kwaliteit van de groene leefomgeving. Eveneens kan in een omgeving met weinig groen die ene voorziening een behoudenswaardige 'oase' vormen. Bij een aanvraag of initiatief tot verkoop van openbaar groen blijft een kwalitatieve beoordeling daarom noodzakelijk. De aanwezigheid van bomen is onder andere één van de aspecten waarnaar gekeken wordt. Dit is maatwerk en zal per geval integraal afgewogen worden.
Aspecten waar onder andere naar wordt gekeken zijn:
-stedenbouwkundige opbouw wijk: er is een relatie tussen de stedenbouwkundige kenmerken van een wijk en de hoeveelheid uit te geven groen. We onderscheiden de volgende wijkkarakteristieken:
* centrumgebieden: de openbare ruimte is enigszins stenig en het openbaar groen ligt verspreid. Er is weinig samenhang in te vinden. Van oudsher is er weinig groen aanwezig; dit weinige groen dient behouden te blijven. Verkoop van groen in centrumgebieden is niet wenselijk.
* jaren ’60 en ’70 wijken: Proostdijland, Hofland-Zuid, Veenzijde I, Zuiderwaard, Westerheul I. Kenmerkend voor deze periode is de rechtlijnige structuur, zowel in straten als in watergangen. Het groen is gekoppeld aan watergangen en ontsluitingswegen (wijkgroen), en binnen clusters (hofjes) van woningen en kopgevelgroen langs straten (buurtgroen). De rechtlijnige structuur van de wijken maakt dat het kopgevelgroen een behoorlijke lengte en breedte kan hebben. Dit groen is dan ook als beeldbepalend te beschouwen en vormt een eenheid met de bebouwing. Het groen en de bebouwing versterken elkaar. Hierbij zijn er enige verschillen te zien tussen de wijken. Vooral Hofland Zuid, Veenzijde I, Proostdijland Zuid en Westerheul I zijn voorbeelden van wijken waar bebouwing en groen elkaar versterken, zodat groenuitgifte daar vrijwel niet mogelijk is.
* jaren ’80 wijken: Molenland, Twistvlied, Hofland Noord, Veenzijde II, Westerheul II. De wijken worden gekenmerkt door meanderende wegen en watergangen en het verspreid liggende gebruiksgroen in de vorm van trapvelden. In vergelijking met de jaren ’60 en ’70 wijken is er meer kleinschalig groen. Kopgevelstroken zijn smaller en dienen doorgaans als afscheiding van perceelgrenzen, maar ook om woonerven een groen karakter te geven. Dit groene karakter van de woonerven dient behouden te blijven en met de uitgifte van groen moet hiermee rekening worden gehouden.
* jaren ’90 en vanaf 2000: Wickelhof, Veenzijde IIIA, Kerkelanden. Deze nieuwere wijken zijn stedenbouwkundig dusdanig ingericht dat er weinig kleinschalig groen aanwezig is. Groenuitgifte is hier nauwelijks aan de orde.
-functie van het groen:
hoewel binnen buurtgroen vooral sprake is van verspreid liggend kleinschalig groen, heeft het soms wel een bepaalde functie. Bijvoorbeeld groen als verkeersbegeleiding (verkeersfunctie) of groen als afscherming/buffer van gevels (afschermende functie). In de praktijk komt het voor dat in een afschermende aaneengesloten groenstrook al delen zijn verkocht. Om logische grenzen te krijgen en een eenduidig beeld, kan in deze gevallen een uitzondering gemaakt worden en een perceel (met een afschermende functie) worden verkocht.
-beleving/uitstraling van het straatbeeld: groen, zowel particulier als openbaar groen, draagt bij aan de beleving van de straat. Of openbaar groen uitgegeven kan worden, hangt dus af hoeveel (particulier of openbaar) er aanwezig is in de straat. Zo is de beleving van een straat met voortuinen anders dan als de achterkanten grenzen aan de straat. Bij eventuele verkoop van een groenstrook is wel of geen groene erfafscheiding bepalend voor de uitstraling van het straatbeeld. Een groene erfafscheiding is dus een voorwaarde voor verkoop en is opgenomen in de overeenkomst.
Verkeersveiligheid
Verkoop van openbaar groen is ongewenst als daardoor onoverzichtelijke verkeerssituaties ontstaan. Gedacht moet worden aan een strook die is ingeplant met laag groen, en na uitgifte wordt ingericht met hoog groen of wordt voorzien van schuttingen, waardoor een onoverzichtelijke en dus gevaarlijke verkeerssituatie ontstaat. Hetzelfde kan zich voordoen bij stroken groen die direct grenzen aan de openbare weg. Verkoop van dat groen kan voor weggebruikers leiden tot gevaarlijke verkeerssituaties. Daar waar door verkoop de verkeersveiligheid in het geding kan komen, wordt niet tot verkoop overgegaan.
Sociale veiligheid
Voor de leefbaarheid van de woonomgeving is een veilig gevoel voor de bewoners van groot belang. Dit gevoel kan overigens heel anders liggen dan de daadwerkelijke veiligheid. Vooral in de donkere periodes van avond en nacht kunnen onoverzichtelijke situaties leiden tot een onveilig gevoel. Dit soort situaties kan ontstaan door:
-hoge particuliere erfafscheidingen direct langs voet- en fietspaden;
-het aanbrengen van hoge dichte beplanting langs openbare gebieden;
-donkere plekken die ontstaan door slechte of ontbrekende verlichting;
-beperkt zicht vanuit de buurt in en op voet- en fietspaden;
Dergelijke problemen kunnen voorkomen worden door hiermee al bij het stedenbouwkundige ontwerp en de gedetailleerde inrichtingsplannen rekening te houden. Daarnaast kan sturing plaatsvinden door de keuze van het te voeren beheer te richten op het voorkómen van onoverzichtelijke situaties. Bij het beoordelen van een aanvraag voor de uitgifte van openbaar groen wordt bekeken of sociaal onveilige situaties kunnen ontstaan of kunnen worden opgeheven door verkoop. Als dergelijke onveilige situaties kunnen ontstaan, wordt niet overgegaan tot uitgifte van openbaar groen.
Beheerbaarheid
Als een perceel openbaar groen in aanmerking kan komen voor verkoop, letten wij er op of er eventueel delen openbaar groen overblijven. De maatvoering van het resterende openbaar groen is hierbij van belang, waarbij uitgangspunt is dat de beplanting zijn natuurlijke vorm kan ontwikkelen en het beheer met standaardmachines kan worden uitgevoerd. Als de verkoop van bijvoorbeeld een gedeelte van een beplantingsstrook leidt tot een onacceptabel beeld van het restant van de strook dan kan het noodzakelijk zijn om het resterende gedeelte openbaar groen te renoveren. De kosten die hierbij gemaakt moeten worden zijn een gevolg van de verkoop. In dat geval is het redelijk dat de aanvrager de kosten op zich neemt. Naast de maatvoering van het resterende openbaar groen is de bereikbaarheid van belang. Wij verkopen geen openbaar groen als daardoor ander openbaar groen onbereikbaar wordt voor onderhoud. Onder onbereikbaarheid verstaan wij de situatie waarin openbaar groen wel te voet, maar niet voor materieel bereikbaar is, terwijl dat wel nodig is.
Toekomstige ontwikkelingen
Een belangrijk aspect vormen eventuele toekomstige ontwikkelingen. Hierbij moet worden gedacht aan nieuwe bouwlocaties, verkeersontsluitingen, reconstructies van wegen of reserveringen ten behoeve van parkeren. Openbaar groen kan een strategische ligging hebben, waardoor het eventueel in de toekomst voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van belang is. Daarnaast dient gekeken te worden naar logische kadastrale grenzen. Verkoop van groen moet dus altijd een nieuwe rechte grens geven.
Bijlage 2 – Voorwaarden adoptie groenvak
Aan de adoptie van een groenvak zijn onderstaande voorwaarden verbonden:
1Het groenvak blijft eigendom van de gemeente;
2Bij adoptie van groenvakken/groenstroken is het een voorwaarde dat dit door meerdere bewoners (twee of meer) wordt gemeld en beheerd;
3Als de groenstrook direct grenst aan, of dichtbij tuinen van andere inwoners ligt, dient de adoptie eerst met hen besproken te worden;
4Het groenvak behoudt een openbaar karakter. Er kunnen op geadopteerd groen geen (reclame)objecten, omheining, bebouwing of materialen geplaatst worden;
5Het groenvak mag niet verhard worden. Eventuele al aanwezige verhardingen in of rondom het groenvak dienen in originele straat te blijven; mits anders is besproken met de gemeente.
6Het is verboden om chemische middelen gebruiken in het geadopteerde groen;
7Het beheer en onderhoud van de bomen blijft bij de gemeente;
8Aanpassing van de beplanting of de inrichting kan alleen in overleg met de gemeente. Kosten voor eventuele aanpassingen zijn voor rekening van de aanvrager. In het broedseizoen dient er rekening te worden gehouden met broedende vogels;
9De gemeente bepaalt de kwaliteit van het onderhoud. Als het groen onvoldoende wordt onderhouden, neemt de gemeente het onderhoud weer terug.
10De gemeente behoudt het recht om werkzaamheden in het groenvak uit te (laten) voeren, bijvoorbeeld bij werkzaamheden aan kabels en leidingen of bij een eventuele herinrichting, of de adoptie te beëindigen.
11De gebruiker mag in het groenvak niet dieper graven of laten graven dan 20 cm in verband met eventueel aanwezige kabels en leidingen. Wanneer de gebruiker planten wil gebruiken die dieper wortelen dan 20 cm dient dit overlegd te worden met de gemeente.
12De gebruiker mag het, in adoptie verkregen, openbare groenvak niet verhuren aan derden of laten gebruiken door derden.
13De gemeente is niet aansprakelijk voor enige vorm van schade of kosten als gevolg van het onderhoud en/of gebruik van het openbare groenvak.
14Bij verhuizing of als de aanvrager het onderhoud wil stopzetten, dient dit bij de gemeente gemeld te worden. Eerst zal gekeken moeten worden of de tweede aanvrager het onderhoud wil overnemen.
Bijlage 3 – Voorwaarden adoptie boomspiegel
Aan de adoptie van een boomspiegel zijn onderstaande voorwaarden verbonden:
1De boomspiegel en de boom blijven eigendom van de gemeente;
2Het is niet toegestaan aanwezige bomen te verwijderen. Ook de boomwortels mogen niet beschadigd worden;
3De gemeente verzorgt het onderhoud van de boom;
4Als om de boom een rand zit om water te geven, mogen daarbinnen geen planten worden geplaatst;
5Dode planten moeten vervangen worden, struiken gesnoeid en onkruid verwijderd;
6Bij langdurige droogte moeten de planten extra water krijgen;
7Het is niet toegestaan klimplanten of grotere sierheesters te planten. De boomspiegel dient vrij te blijven van soorten die sterk woekeren (uitzaaien, ondergronds e.d.), planten die irritatie veroorzaken, giftig zijn of verwondingen opleveren bij aanraking, zoals brandnetels, distels en bramen. Vaste planten, kruidachtigen, eenjarigen en/of bollen zijn wel toegestaan;
8(Zwerf)afval dient verwijderd te worden;
9Het is verboden om chemische middelen gebruiken in het geadopteerde groen;
10De gemeente en nutsbedrijven hebben altijd toegang tot kabels en leidingen die onder de grond liggen;
11Er mag geen extra grond worden aangebracht. Het ophogen van de grond is slecht voor de boom;
12De grond mag niet boven de bestaande rand van de boomspiegel uitkomen en er mag niet zelfstandig een eigen rand (of andere afscheiding, zoals een hekje) om de boomspiegel gebouwd worden;
13De beplanting in de boomspiegel mag niet overhangen, zodat er overlast ontstaat voor gebruikers van de openbare ruimte;
14Als de plek het toelaat, kan de boomspiegel vergroot worden. Overleg hierover met de groenbeheerder van de gemeente.
15De gebruiker mag in de boomspiegel niet dieper graven of laten graven dan 20 cm in verband met eventueel aanwezige kabels en leidingen en boomwortels. Wanneer de gebruiker planten wil gebruiken die dieper wortelen van 20 cm dient dit overlegd te worden met de gemeente.
16De boomspiegel behoudt een openbaar karakter. Er kunnen geen (reclame)objecten, omheining, bebouwing of materialen geplaatst worden;
17De boomspiegel mag niet verhard worden;
18De gebruiker mag de boomspiegel niet verhuren aan derden of laten gebruiken door derden.
19De gebruiker kan de gemeente op geen enkele wijze aansprakelijk stellen voor enige vorm van schade als gevolg van het onderhoud en/of gebruik van de boomspiegel.
20Bij verhuizing of als de aanvrager het onderhoud wil stopzetten, dient dit bij de gemeente gemeld te worden.
Bijlage 4 – Voorwaarden aanleg geveltuinen
Voor het aanleggen van een geveltuin gelden de volgende voorwaarden:
Algemeen
1Een geveltuin is toegestaan aan de voorgevel en zijgevel van woningen welke direct aan een openbaar trottoir/voetpad grenzen.
2De grond is en blijft eigendom van de gemeente.
3De eigenaar van de woning waar de geveltuin wordt aangelegd moet met de aanleg akkoord zijn. Indien er dus sprake is van een huurwoning dient schriftelijke toestemming verleend te worden door de eigenaar van de woning.
Inrichting
4De toegestane diepte van de geveltuin bedraagt maximaal 45 cm, oftewel 1,5 trottoirtegel, inclusief opstaande rand. Elementverhardingen met een lengte of breedte van meer dan 45 cm mogen niet verwijderd worden.
5De verharding (stenen of tegels) dient door de aanvrager te worden bewaard. Bij opheffing van de geveltuin moet de verharding teruggeplaatst worden en het openbare trottoir/voetpad in oude staat terug worden gebracht.
6Er dient na aanleg van de geveltuin op het trottoir een vrije doorgangsruimte van minimaal 1,50 meter te resteren. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van bomen, lichtmasten en ander straatmeubilair, alsmede met overhangende takken.
7Om te voorkomen dat de overige bestrating uit zijn verband raakt, moeten de uitgenomen stenen haaks in de grond worden gezet. Zij dienen dan als kantopsluiting voor de geveltuin;
8Er mogen bij de aanleg alleen opsluitbanden met een maximale hoogte van 30 cm worden gebruikt. Hekwerken, afrasteringen en (reclame)borden zijn niet toegestaan.
9In verband met eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen is het niet toegestaan dieper te graven dan 30 cm. Dit betekent dat het gebruik van een graafmachine, dan wel ander diepgravende apparatuur, niet is toegestaan.
10Bomen en diep wortelende heesters zijn niet geschikt voor een geveltuin. Deze worden te groot en kunnen schade veroorzaken aan het riool, kabels en leidingen en zelfs funderingen. De geveltuin dient vrij te blijven van soorten die sterk woekeren (uitzaaien, ondergronds e.d.), planten die irritatie veroorzaken, giftig zijn of verwondingen opleveren bij aanraking, zoals brandnetels, distels en bramen. Ondergrondse en bovengrondse schade door onjuiste beplantingskeuze komen voor rekening van de aanvrager.
11De geveltuin mag geen overlast, gevaar, schade of hinder voor de omgeving opleveren, bijvoorbeeld door overhangend groen.
12De geveltuin moet in een verzorgde staat van onderhoud verkeren. De aanleg, het onderhoud en de aanschaf van beplanting komt geheel voor rekening van de aanvrager.
Schade
13De gemeente heeft geen enkele aansprakelijkheid, van welke aard ook, die uit de aanleg, het gebruik of herstel van de geveltuin voortvloeit.
14De melder kan op geen enkele wijze aanspraak maken op enige vorm van schadevergoeding.
15Bij eventuele aanwezigheid van kabels, leidingen en rioolaansluitingen e.d. dient de melder de gemeente en de kabelexploitanten te allen tijde de gelegenheid te geven onderhoud te verrichten aan bedoelde kabels en leidingen. Indien de geveltuin daarvoor moet worden verwijderd of beschadigd raakt, kunnen de gemeente en de kabelexploitanten niet aansprakelijk worden gesteld voor die schade.
16Schade aan huisaansluitingen als gevolg van de (aanleg van een) geveltuin wordt op de veroorzaker verhaald.
Beëindiging
17Indien bij reconstructie van het openbaar gebied de vrije doorgangsruimte smaller wordt dan de vereiste 1.50 meter dient de geveltuin te worden verwijderd.
18Indien de melder verhuist, is de melder verplicht dit schriftelijk bij de gemeente te melden en moet de melder aangeven of: a) de ter beschikking gestelde grond in de oorspronkelijke staat wordt hersteld of dat b) de nieuwe bewoner een nieuwe melding doet.
19Bij beëindiging van het gebruik moet het trottoir in de oorspronkelijke staat, een en ander ter beoordeling van de gemeente, worden opgeleverd, waarbij geen aanspraak kan worden gemaakt op enigerlei schadevergoeding.
20Mocht aan één of meerdere van bovengenoemde voorwaarden niet worden voldaan, dan bestaat de mogelijkheid om een sanctie op te leggen. Als de melder in gebreke blijft, wordt de melder hier schriftelijk op aangesproken. Als de gemeente de melder hier twee keer schriftelijk op heeft aangesproken dan is de gemeente bevoegd om op kosten van de melder de beplanting te (laten) verwijderen en/of de bestrating te (laten) herstellen.
21De gemeente behoud te allen tijde het recht om de geveltuin ongedaan te maken.
Bijlage 5 – Voorwaarden adoptie hanging baskets
Aan de adoptie van hanging baskets zijn onderstaande voorwaarden verbonden:
•De hanging basket blijkt eigendom van de gemeente.
•Bij adoptie van hanging baskets is het een voorwaarde dat dit door meerdere bewoners (twee of meer) wordt gemeld en beheerd.
•De aanvrager zal de hanging baskets en de beplanting goed onderhouden. De gemeente bepaalt de kwaliteit van het onderhoud. Als de hanging basket onvoldoende wordt onderhouden, wordt de hanging basket verwijderd.
•Het is niet toegestaan om chemische bestrijdingsmiddelen te gebruiken of te laten gebruiken in de hanging basket.
•In het najaar (okt./nov.) dienen de baskets van de lichtmasten te worden verwijderd door de aanvrager en opgeslagen te worden voor het volgende seizoen (dit in verband met eventuele vorst- en vuurwerkschade). Indien hier geen gehoor aan wordt gegeven en de hanging basket is beschadigd, dient deze vervangen te worden op kosten van de aanvrager.
•De aanschaf van de beplanting voor het nieuwe seizoen is voor rekening van de aanvrager.
•De gemeente kan ondersteuning bieden met het ophangen van de hanging basket en advies geven over de beplantingskeuze.
•De hanging basket dient op een hoogte van minimaal 2,50 meter te worden gehangen.
•De lichtopbrengst van de armatuur moet gegarandeerd blijven.
•Zicht op verkeersborden en straatnaamborden wordt niet ontnomen door de hanging baskets
•De gemeente verzorgt het onderhoud van de lichtmasten. De gemeente behoudt het recht om werkzaamheden aan de lichtmast uit te (laten) voeren, of de adoptie te beëindigen.
•Alvorens een hanging basket wordt opgehangen aan een lichtmast, dient gecheckt te zijn of de betreffende lichtmast geschikt is. Indien de lichtmast niet geschikt is, kan de hanging basket daaraan niet worden opgehangen.
•De gemeente is niet aansprakelijk voor enige vorm van schade of kosten als gevolg van het onderhoud en/of gebruik van de hanging basket.
•Bij verhuizing of als de aanvrager het onderhoud wil stopzetten, dient dit bij de gemeente gemeld te worden. Eerst zal gekeken moeten worden of de tweede aanvrager het onderhoud wil overnemen.