Aanhef
1De “Nota activeren, waarderen en afschrijven 2025” vast te stellen en de “Nota activeren, waarderen en afschrijven 2020-2024” in te trekken.
2 - Het activeren van activa
2.2 - Landelijke kaders
2.2.1 - Soorten activa
In het BBV (artikel 33) wordt bij de vaste activa onderscheid gemaakt in:
1Immateriële vaste activa;
2Materiële vaste activa;
3Financiële vaste activa.
Voor deze onderdelen gelden verschillende regels bij het al dan niet activeren.
1Immateriële vaste activa
De immateriële vaste activa bestaan volgens artikel 34 van het BBV uit:
A. Kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio;
B. Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaalde investering (actief);
C. Bijdragen aan activa in eigendom van derden.
2Materiële vaste activa
Volgens artikel 35 van het BBV bestaan er twee soorten materiële vaste activa:
A. Investeringen met een economisch nut;
B. Investeringen met een maatschappelijk nut.
Beide soorten investeringen moeten apart zichtbaar gemaakt worden op de balans.
2A. Investeringen met economisch nut
Dit zijn de investeringen die bijdragen aan de mogelijkheid middelen te verwerven en/ of verhandelbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn investeringen in gebouwen, vervoermiddelen, installaties, automatisering en ook investeringen in afvalstoffeninzameling en riolering. Het gaat nadrukkelijk om de mogelijkheid middelen te verwerven. De gemeente kan er zelf voor kiezen om ergens geen of geen kostendekkend tarief te rekenen, maar die keuze is niet van invloed op de vraag of het actief economisch nut heeft en moet worden geactiveerd. Eenzelfde redenering geldt voor de verhandelbaarheid.
De volgende regels zijn van toepassing:
•De investeringen moeten worden geactiveerd (artikel 59, lid 1 van het BBV). Een uitzondering wordt gemaakt voor kunstvoorwerpen met cultuurhistorische waarde, zoals een schilderij van een beroemd kunstenaar. Deze worden niet geactiveerd (artikel 59, lid 2 van het BBV);
•Directe kosten van software vallen ook onder materiele vaste activa en kunnen worden geactiveerd (stellige uitspraak BBV);
•Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief moeten in mindering gebracht op de investering. Deze netto-methode is verplicht voor alle investeringen (artikel 62, lid 2 van het BBV).
2B. Investeringen met maatschappelijk nut
Dit betreft investeringen in de openbare ruimte, zoals wegen, bruggen en openbaar groen. Deze investeringen genereren geen middelen en er is geen markt voor. Het BBV bepaalt in artikel 59 lid 1 dat ook deze investeringen moeten worden geactiveerd. De volgende regels zijn van toepassing:
•De investeringen moeten worden geactiveerd (artikel 59, lid 1 van het BBV);
•Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief moeten, zodra deze onherroepelijk zijn, in mindering gebracht op de investering. Deze netto-methode is verplicht voor alle investeringen (artikel 62, lid 2 van het BBV).
Om deze reden zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:
Uitgangspunt 1: Alle materiele vaste activa (zowel economisch als maatschappelijk nut) worden geactiveerd.
Uitgangspunt 2: Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief worden, zodra zij onherroepelijk zijn, in mindering gebracht op de investering.
3Financiële vaste activa
De financiële vaste activa bestaan volgens artikel 36 van het BBV uit:
•Kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen, gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen;
•Leningen aan openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden, woningbouwcorporaties, deelnemingen en overige verbonden partijen;
•Overige langlopende leningen;
•Uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rente typische looptijd van één jaar of langer;
•Uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rente typische looptijd van één jaar of langer;
•Overige uitzettingen met een rente typische looptijd van één jaar of langer;
Bovenstaande onderdelen moeten altijd worden geactiveerd. Een eventuele duurzame waardevermindering wordt door een extra afschrijving tot uitdrukking gebracht.
Om deze reden is het volgende uitgangspunt van toepassing:
Uitgangspunt 3: Alle financiële vaste activa wordt geactiveerd.
2.2.2 - Criteria voor het activeren van activa
Om praktische redenen verdient het niet de voorkeur om de investeringen die in aanmerking komen voor activeren in alle gevallen ook daadwerkelijk te activeren. De commissie BBV doet in een notitie rondom verkrijging en vervaardiging van kapitaalgoederen vanuit efficiency oogpunt de aanbeveling om een minimale waarde te hanteren. Hierdoor wordt de staat van activa niet belast met veel kleine investerings- en afschrijvingsbedragen.
Er gelden de volgende “algemene” criteria voor het activeren:
•Er dient sprake te zijn van een meerjarig nut;
•Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd
•In mei 2007 heeft de Commissie BBV de Notitie verkrijging/vervaardiging en onderhoud van kapitaalgoederen uitgebracht. Daarin is de volgende uitspraak over onderhoud opgenomen: "De kosten van (klein en groot) onderhoud zijn niet levensduur verlengend en mogen niet worden geactiveerd".
•Levensduur verlengende investeringen worden gezien als vervangingsinvesteringen.
•Bij het treffen van investeringen binnen een grondexploitatie verhaalt de gemeente de kosten van de voorzieningen door middel van opbrengsten uit grondverkopen. Binnen de exploitatieopzetten wordt de openbare aanleg van gemeenschapsvoorzieningen gerealiseerd, denk hierbij aan de aanleg van wegen, riolering, openbare verlichting, openbaar groen. De aanschaf/aanleg van deze investeringen worden wel geactiveerd onder voorraden en niet geactiveerd onder materiele vaste activa. Op het moment dat een exploitatieopzet wordt afgesloten, valt het onderhouden en vervangen van deze voorzieningen onder het reguliere regels van activeren, waarderen en afschrijven.
De volgende uitgangspunten van toepassing:
Uitgangspunt 4: Er dient sprake te zijn van meerjarig nut (>2 jaar)
Uitgangspunt 5: Kosten voor klein en groot onderhoud worden niet geactiveerd.
Uitgangspunt 6: De eerste aanleg van investeringen (riolering/wegen/plantsoenen e.d.) binnen een grondexploitatie worden niet geactiveerd onder materiele vaste activa.
2.3 - Lokale kaders
2.3.1 - Criteria voor het activeren van activa
Conform bestaand financieel beleid van Gemeente De Ronde Venen worden de kosten voor Immateriële activa ten laste van de exploitatie gebracht. Om deze reden is het volgende uitgangspunt van toepassing:
Uitgangspunt 7: De kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio, kosten van onderzoek en ontwikkeling en bijdragen aan activa van derden worden ten laste van de exploitatie gebracht. Uitzondering zijn de investeringen in de activa van derden hoger dan € 100.000 deze worden wel geactiveerd (mits deze derde het in mindering heeft gebracht op het activum), tenzij er een specifiek ander raadsbesluit is genomen.
Daarnaast worden activa met een gebruiksduur van minder dan twee jaar of met een aanschafwaarde van minder dan € 25.000, direct ten laste van de exploitatie gebracht.
Uitgangspunt 8: Activa met een (bedrijfseconomische) waarde <€ 25.000 worden niet geactiveerd, met uitzondering van gronden en terreinen.
3 - Het waarderen van activa
3.2 - Landelijke kaders
3.2.1 - Waarderingsgrondslagen/ financiële waarde
In lid 1 van artikel 62 van het BBV is bepaald dat alle vaste activa worden geactiveerd voor het bedrag van de investering. In lid 2 en lid 3 wordt echter een uitzondering gemaakt, namelijk:
•Bijdragen van derden (bijvoorbeeld een subsidie) die in directe relatie staan met een actief worden, zodra zij onherroepelijk zijn, bij de waardering in mindering gebracht (zie paragraaf 2.2);
•Voorzieningen, bedoeld als toekomstige vervangingsinvestering, waarvoor een heffing wordt geheven.
•Artikel 63 van het BBV geeft een nadere omschrijving van kosten die geactiveerd mogen worden:
o Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs;
o De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten;
o De vervaardigingsprijs omvat de aanschafkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd;
o Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde;
o Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans opgenomen;
o Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met uitzondering van voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd;
o Eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid worden met de boekwaarde van leningen en vorderingen verrekend.
Om deze reden zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:
Uitgangspunt 9: De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. Bij de vervaardigingsprijs van investeringen wordt rekening gehouden met een redelijk deel van de indirecte kosten, met rente wordt geen rekening gehouden (over het tijdvak dat aan vervaardiging van het actief kan worden toegerekend). Een uitzondering hierop zijn de bouwgronden in exploitatie waar indirecte kosten en rente wel worden geactiveerd.
3.2.2 - Afwaarderen activa
Artikel 65 van het BBV geeft de voorschriften weer voor afwaardering van activa:
•Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen;
•Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs;
•Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde.
Het eerste en tweede lid van artikel 65 BBV hebben betrekking op waardeverminderingen die naar verwachting duurzaam zijn. Het is niet te voorzien dat de waardevermindering zal ophouden te bestaan. Gedacht kan worden aan nieuwe inzichten in de technische en/of de economische levensduur van activa of de aantasting van het vermogen van deelnemingen. Een afwaardering op grond wegens een duurzame waardevermindering, bijvoorbeeld bodemvervuiling, is mogelijk.
In het derde lid wordt voorgeschreven dat van een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, waarvan de restwaarde lager is dan de boekwaarde, wordt afgeschreven tot de restwaarde. Bij een volledige buitengebruikstelling dient het actief uiteraard te worden afgewaardeerd tot nul, hetzij tot de restwaarde, die redelijkerwijs verwacht kan worden. Dit is bijvoorbeeld van toepassing bij ons gemeentelijk vastgoed.
Wanneer een actief gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld, dient het actief proportioneel te worden afgewaardeerd. Duurzame waardevermindering van vaste activa wordt onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen.
Om deze reden is het volgende uitgangspunt van toepassing:
Uitgangspunt 10: Duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar verwerkt; voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs; een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde.
3.2.3 - Desinvesteren activa
Op het moment dat een desinvestering (verkoop van het actief) plaatsvindt wordt de boekwinst of het boekverlies incidenteel ten gunste/ ten laste van het resultaat van het betreffende jaar gebracht. De mogelijke boekwinst wordt niet in mindering gebracht op een nieuwe investering. Dat is niet toegestaan op grond van het BBV (notitie verkrijging/vervaardiging en onderhoud van kapitaalgoederen).
Om deze reden is het volgende uitgangspunt van toepassing:
Uitgangspunt 11: Een desinvestering (verkoop van het actief) wordt niet verrekend met een nieuwe investering; maar komt ten gunste/ ten laste van het resultaat van het betreffende boekjaar.
3.2.4 - Componentenbenadering
Bij het activeren van (omvangrijke) investeringen kan het voorkomen dat een componentenbenadering kan worden toegepast. Door een componentenbenadering toe te passen, worden samenstellende delen van een materieel vast actief, afzonderlijk gewaardeerd en afgeschreven op basis van het waarde verloop van die individuele delen. Per onderdeel kan de (economische) gebruiksduur namelijk verschillen. Bij toepassen van deze benadering, worden afzonderlijke vervangingen opnieuw geactiveerd.
In onderstaand voorbeeld wordt de componentenbenadering uitgelegd: De toepassing van de componentenbenadering kan worden geïllustreerd aan de hand van het verkrijgen van een sporthal:
•Grond
-> niet afschrijven;
•Gebouw
-> afschrijving in 50 jaar;
•Installaties (bijvoorbeeld verwarming)
-> afschrijving in 15 jaar;
•Inventaris
-> afschrijving in 10 jaar.
3.3 - Lokale kaders
3.3.1 - Waarderingsgrondslagen/ financiële waarde
Conform bestaand financieel beleid van Gemeente De Ronde Venen worden de kosten voor de diverse onderdelen (grond/gebouw/ installaties/ inventaris) worden op basis van bovenstaande verdeling afzonderlijk afgeschreven, maar hebben een minimale afzonderlijke waarde van € 50.000.
Het volgende uitgangspunt is van toepassing:
Uitgangspunt 12: De componentenbenadering kan worden toegepast maar de afzonderlijke componenten hebben een waarde van minimaal € 50.000. Als de componentenmethode wordt toegepast zal dit door middel van een raadsbesluit worden toegelicht (bijvoorbeeld bij omvangrijke investeringen).
Daarnaast is bestuurlijk is toegezegd om in deze nota aandacht te besteden aan voorbereidingsbudgetten voor het uitvoeren van investeringen. Tot aan € 50.000 is het college bevoegd om een voorbereidingsbudget beschikbaar te stellen. Voor hogere bedragen moet de raad een besluit nemen. Deze werkwijze sluit aan bij de financiële verordening.
Het volgende uitgangspunt is van toepassing:
Uitgangspunt 13: Een voorbereidingsbudget kan tot € 50.000 door het college beschikbaar worden gesteld, daarboven moet de raad een besluit nemen.
4 - Het afschrijven van activa
4.2 - Landelijke kaders
4.2.1 - Methoden van afschrijven
In artikel 64 lid 3 van het BBV, is bepaald dat op de vaste activa met een beperkte gebruiksduur in beginsel jaarlijks wordt afgeschreven, volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. De te hanteren afschrijvingsmethode is daarmee niet specifiek voorgeschreven. De meest voorkomende afschrijvingsmethoden zijn de lineaire afschrijvingsmethode, de afschrijving door middel van jaarlijkse gelijkblijvende annuïteiten en de optie om progressief of degressief af te schrijven.
Lineaire methode
Bij de lineaire afschrijvingsmethode worden jaarlijks gelijkblijvende bedragen afgeschreven. Het afschrijvingsbedrag is dan te berekenen met behulp van een vast percentage van het af te schrijven bedrag, zijnde de verkrijgingsprijs. Door de jaarlijks aflopende boekwaarde wordt de rente steeds lager, dus ook het totaal van afschrijving en rente (kapitaallasten).
Annuïteitenmethode
Bij de annuïteitenmethode vormen de afschrijving met de rente over de investering samen - gedurende de looptijd - een jaarlijks vast bedrag. Het BBV geeft aan dat de annuïteitenmethode niet meer mogelijk is.
Progressief of degressief afschrijven.
Bij deze methode wordt elk jaar een hoger (progressief) of lager (degressief) bedrag afgeschreven. In een aantal gevallen wordt dit afhankelijk gesteld van het resultaat van het boekjaar.
Het BBV geeft aan in artikel 64 lid 1 en 2 aan dat afschrijvingen onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar moeten geschieden (lid 1) en dat afschrijvingen slechts om gegronde redenen mogen afwijken van het vorige jaar.
Daarnaast bepaald artikel 64 BBV over afschrijven het volgende:
1De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar.
2Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar.
4.2.2 - Restwaarde
De restwaarde is de schatting, tegen het prijspeil van het moment van ingebruikname, van de opbrengst die na de gebruiksduur nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief. Er wordt bij de bepaling van de restwaarde dus geen rekening gehouden met mogelijke waardeveranderingen vanwege inflatie of deflatie, veranderende marktomstandigheden en dergelijke.
–De restwaarde dient reëel en per actief te worden geschat, niet op basis van een %
–De restwaarde mag niet zodanig hoog worden geschat, dat feitelijk geen of te weinig afschrijving plaatsvindt.
–Indien een pand en de grond (vanuit het verleden) als één actief zijn geactiveerd, kan alleen een restwaarde op het pand worden gehanteerd. Aan de grond kan niet alsnog een (rest)waarde toegekend worden.
–Aan het eind van de afschrijvingsperiode kan hooguit een boekwaarde overblijven ter grootte van de geschatte restwaarde op basis van het prijspeil op het moment van ingebruikname.
In de praktijk zal veelal worden afgeschreven naar een boekwaarde van € 0, omdat activa gedurende de afschrijvingsperiode technisch en economisch slijten c.q. verouderen. Hiervan is sprake als het voornemen bestaat de activa tot het einde van de mogelijke gebruiksduur te benutten. Bij het bepalen van een restwaarde mag geen rekening worden gehouden met voorgenomen, dus nog niet besloten, toekomstige bestemmingswijzigingen.
4.2.3 - Ingangsmoment van de afschrijvingen
De commissie BBV doet de aanbeveling om op te nemen wanneer met het afschrijven van een nieuwe investering wordt begonnen. Mogelijke keuzes hierbij zijn:
1) In het jaar waarin de investering gereedkomt/verworven wordt en vanaf het moment dat het door de gemeente in gebruik kan worden genomen;
2) Medio het begrotingsjaar waarin het gereed komt/verworven wordt
3) In het begrotingsjaar dat volgt op het jaar waarin het gereed komt/verworven wordt
Het volgende uitgangspunt is van toepassing:
Uitgangspunt 14: Met afschrijven wordt begonnen in het begrotingsjaar wat volgt op het gereedkomen/ de verwerving.
4.2.4 - Afschrijvingstermijnen
Vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige economische gebruiksduur.
De afschrijvingstermijn dient zo goed mogelijk aan te sluiten op de feitelijke waardedaling dan wel het feitelijke gebruik van het actief. De verwachte levensduur van activa is de bepalende factor voor de te hanteren afschrijvingstermijn. Indien activa is afgeschreven, wordt bekeken of de technische staat nog voldoende is of dat vervanging noodzakelijk is.
Bij het bepalen van de afschrijvingstermijn is het belangrijk de grondslag eenduidig te bepalen. Dit houdt in dat de gemeente zoveel mogelijk van het ene op het andere jaar dezelfde grondslagen gebruikt. Alleen als er gegronde redenen zijn mag de wijze van waarderen en afschrijven worden veranderd. Verder houdt dit vereiste in dat gelijksoortige activa op dezelfde wijze worden gewaardeerd en afgeschreven. Dit komt tot uitdrukking in een tabel met te hanteren afschrijvingstermijnen.
4.3 - Lokale kaders
4.3.1 - Methoden van afschrijven
Uitgangspunt 15: Voor afschrijving wordt de lineaire methode toegepast. Als voorgesteld wordt om een andere afschrijvingsmethode toe te passen zal dit door middel van een specifiek raadsvoorstel worden gedaan.
4.3.2 - Restwaarde
De restwaarde van een actief aan het eind van de gebruiksperiode is van tevoren vaak lastig in te schatten. Op grond van het voorzichtigheidsprincipe wordt ervan uit gegaan dat de restwaarde nihil is.
Het volgende uitgangspunt is van toepassing:
Uitgangspunt 16: Activa worden afgeschreven naar een boekwaarde van nihil. Er wordt geen rekening gehouden met een restwaarde.
4.3.3 - Ingangsmoment van de afschrijvingen
De gemeente hanteert binnen de mogelijke keuzes het volgende uitgangspunt:
Uitgangspunt 17: Met afschrijven wordt begonnen in het begrotingsjaar wat volgt op het gereedkomen/ de verwerving.
4.3.4 - Afschrijvingstermijnen
De afschrijvingstermijn dient zo goed mogelijk aan te sluiten op de feitelijke waardedaling dan wel het feitelijke gebruik van het actief. De verwachte levensduur van activa is de bepalende factor voor de te hanteren afschrijvingstermijn.
Het volgende uitgangspunt is van toepassing:
Uitgangspunt 18: We hanteren afschrijvingstermijnen zoals deze zijn opgenomen in het hoofdstuk “Het afschrijven van activa” van deze Nota. De tabel is niet limitatief en kan aangevuld worden met nieuwe soorten activa.
De afschrijvingstermijnen zijn richtinggevend. Wanneer wordt afgeweken van de aangegeven afschrijvingstermijnen dient dit (bij raadsbesluit) te worden gemotiveerd.
Soort investering
Afschrijvingstermijn
Afschrijvingstermijn
Huidig
Nieuw per 2025
Immateriële vaste activa
(Dis) agio
N.V.T.
Kosten van onderzoek en ontwikkeling
N.V.T.
Bijdragen aan activa in eigendom van derden
(1)
Materiële vaste activa
Gronden en Terreinen:
Gronden - aanschaf
N.V.T.
Woonruimten:
Woning – Nieuwbouw / restauratie
40jaar
Woning – Renovatie / aanpassing
20jaar
Bedrijfsgebouwen:
Bedrijfsgebouw – Nieuwbouw
40jaar
50jaar
Bedrijfsgebouw – Renovatie / aanpassing
20jaar
25jaar
Tijdelijke bouwwerk – Aanschaf (3)
15jaar
Max 15 jaar
Grond- weg- en waterbouwkundige werken:
Herinrichting Openbare Ruimte (straat, fiets & voetpad, parkeer & busstrook) – aanleg of reconstructie
30jaar
Kunstwerken (rotonde) - aanleg
30jaar
Kunstwerken (brug) - hydraulische installatie
25jaar
Kunstwerken (brug) - slagboom
25jaar
15jaar
Kunstwerken (brug) - elektrische installatie
20jaar
Kunstwerken (brug) – Mechanische aandrijving (motor, tandwiel)
50jaar
25jaar
Kunstwerken (brug) – constructie staal
50jaar
Kunstwerken (brug) - renoveren hout
10jaar
15jaar
Kunstwerken (brug) - hout brugdek en slijtlaag
20jaar
15jaar
Kunstwerken (brug) - aanleg hout
25jaar
Kunstwerken (brug) - aanleg staal onderbouw en niet beweegbare bovenbouw
N.V.T.
Kunstwerken (brug) – constructie beton
60jaar
80jaar
Kunstwerken (brug) – composiet
80jaar
Kunstwerken (geluidsscherm) - aanleg hout
20jaar
Kunstwerken (geluidsscherm) - aanleg staal
50jaar
Kunstwerken (geluidsscherm) - aanleg beton
60jaar
80jaar
Plantsoen, park - aanleg
15jaar
Verkeersregelinstallaties
15jaar
Grassportvelden – aanleg toplaag
15jaar
10jaar
Grassportvelden – aanleg onderlaag
30jaar
Kunstgrasveld – aanleg toplaag
10-12 jaar
Kunstgrasveld – aanleg middenlaag
10-20 jaar
Kunstgrasveld – aanleg onderlaag
30jaar
Openbare verlichting – Lantaarnpalen, Lichtmasten
40jaar
Openbare verlichting - Armaturen
20jaar
Speelterrein - aanleg
10jaar
Hekwerk
15jaar
Riolering:
Vrijvervalriolering – bergbezinkvoorzieningen – gemalen (bouwkundig) – persleidingen – drukriolering (bouwkundig)
35jaar
IBA’s (individuele behandeling van afvalwater)
30jaar
Gemalen + drukriolering (mechanisch/ elektrisch)
15jaar
Grondwatermaatregelen
10jaar
Vervoermiddelen:
Vervoermiddel Specifiek (vrachtwagen)
10-15 jaar
Vervoermiddel Niet-specifiek (personenauto, bedrijfswagen)
8-10 jaar
Vervoermiddel Overig (veegwagen, zoutstrooier, heftruck, fiets)
5-7 jaar
Machines, apparaten, installaties en overige:
Zwembadinstallatie – aanleg
15jaar
Gebruik specifieke installatie - aanleg (o.a. 1e inrichting onderwijs)
15jaar
Kantoormeubelen (bijv zit-sta bureau’s)
10jaar
Technische installatie (telefooninst., geluidsinst. postregistratie, klantvolg., airco’s)
5jaar
Technische Apparaten (kopieer- & keukenapp, stem- & frankeermachine)
5jaar
Materieel gemeentewerken (houtversnipperaar, maai- & snijmachine)
5jaar
5-10 jaar
Automatiseringsapparatuur (computerhardware, printers)
5jaar
Automatiseringsapparatuur (AV systemen in vergaderruimten, roompanels)
3jaar
Noodstroomvoorziening
10jaar
Voetnoten:
(1) De bijdragen aan activa van derden volgen eenzelfde afschrijvingsregime als eigen activa.
(2) De afschrijvingstermijn voor tijdelijke bouwwerken mag niet langer zijn dan de beoogde gebruiksduur met een maximum van 15 jaar.