Aanhef
Collegebesluit 21 januari 2022
Zaaknummer Z.684056
Algemeen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a.de wet: de Participatiewet;
b.belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;
c.bijstand: algemene en bijzondere bijstand;
d.college: het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren
e.woning: een door belanghebbende zelf of zijn gezin bewoonde woning, woonwagen of woonschip met bijbehorend erf.
Artikel 2. Krediethypotheek
Indien bijstand wordt verleend aan een belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf heeft die bijstand met toepassing van artikel 48, 3e lid en artikel 50 van de wet de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek en wordt daartoe mede gerekend de eventuele bijstand in de kosten genoemd in artikel 3, derde lid van deze beleidsregel.
Artikel 3. Hoogte geldlening
1De geldlening bedoeld in artikel 2 heeft ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d. van de wet.
2Ter vaststelling van de waarde van de woning kan – mits de eigenaar daarmee akkoord gaat - de meest recente WOZ-waarde worden genomen. Gaat de eigenaar daar niet mee akkoord, dan vindt taxatie plaats door een beëdigd taxateur voor onroerende zaken die door het college in overeenstemming met de belanghebbende wordt aangewezen.
3De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, alsmede de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als algemene bijstand, tenzij aan de belanghebbende uitsluitend bijzondere bijstand wordt verleend.
Artikel 4. Voorwaarden geldlening
1Aan de geldlening wordt in elk geval verbonden de voorwaarden genoemd in de artikelen 5 en 6 van deze regeling.
2De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte.
Artikel 5. Aflossing geldlening
1Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende tien jaar.
2Indien de uitkering is toegekend aan gehuwden of daarmee gelijkgestelden, dan zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de aflossing van de geldlening.
3De aflossing vangt zo snel mogelijk aan doch uiterlijk zes maanden na het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats.
4Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor de periode van een jaar vastgesteld.
5Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.1, 3.2. en 3.3. van de wet, wordt een aflossing gevergd van 5% van de van toepassing zijnde norm.
6Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
7Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.
8Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
9Als belanghebbende gedurende tien jaar aan de opgelegde aflossingsverplichtingen heeft voldaan, dan wordt het eventuele restant van de geldlening kwijtgescholden.
Artikel 6. Rente geldlening
1Indien door toepassing van artikel 5, vierde lid tot en met zesde lid, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
2De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente voor niet handelstransacties, verminderd met drie procent.
3Indien belanghebbende naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, maar daarnaast niet meer toekomt aan de aflossing van de geldlening wordt het bedrag welke de belanghebbende wel kan betalen bij voorrang aangemerkt als aflossing.
De maandrente, die daardoor niet wordt betaald, wordt op geboekt als een verschuldigde renteverplichting.
5Over de rentevordering is geen rente verschuldigd.
Artikel 7. Verkoop of vererving woning
1Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 6, derde en vierde lid, bijgeschreven rente, terstond afgelost.
2Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.
3Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.
4Als er sprake is van een vrijwillige verkoop van de woning en een lopende geldlening met krediethypotheek of verpanding, dan dient de woning verkocht te worden op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering.
5Indien de opbrengst bij verkoop van de woning ontoereikend is als gevolg van schuldige nalatigheid van belanghebbende, dan kan het niet afgeloste deel van de geldlening worden teruggevorderd.
Artikel 8. Opnieuw recht binnen twee jaar
Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandverlening onder verband van hypotheek wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek.
Artikel 9. Opgave stand van geldlening en rentevordering
Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.
Artikel 10. Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking één dag na bekendmaking, onder gelijktijdige intrekking van de beleidsregels Krediethypotheek De Friese Meren vastgesteld op 8 december 2014.