Gemeentelijke regelgeving

Nadere regels en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning De Bilt 2023

Gemeente De Bilt · geldt sinds 21 september 2023

Aanhef

Nadere regels en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning De Bilt 2023

Het college van burgemeester en wethouders van De Bilt;

Gelezen het voorstel d.d. 29-08-2023 nr. 713608 met als onderwerp Vaststellen WMO beleidsregels 2023;

gelet op

de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning De Bilt 2023;

BESLUIT:

vast te stellen de navolgende:

Nadere regels en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning De Bilt 2023

5. Eigen kracht en sociale omgeving

5.9. Mantelzorg

5.9.1. Ondersteuning mantelzorgers

Gezien de intensiviteit van de ondersteuning en de vaak hoge mate waarin de inwoner afhankelijk is van de ondersteuning, is het met name bij mantelzorg van belang om inzicht te krijgen in de belastbaarheid van de mantelzorger. Samen met de mantelzorgconsulent van het Steunpunt Mantelzorg wordt de belastbaarheid bekeken. Als de belasting te groot is, wordt gekeken naar mogelijkheden ter ondersteuning van de mantelzorger door middel van voorliggende voorzieningen. Het Steunpunt Mantelzorg organiseert een aantal activiteiten die kunnen bijdragen aan de ontlasting van de mantelzorger waaronder:

a.het bieden van individuele ondersteuning;

b.het organiseren van informatie-, deskundigheidsbijeenkomsten;

c.het organiseren van lotgenotencontact.

d.Mantelzorgcompliment

Als voorliggende voorzieningen de mantelzorger niet voldoende ontlasten, kan (tijdelijk) een maatwerkvoorziening ingezet worden ten behoeve van het in stand houden van de mantelzorg.

Respijtzorg is het tijdelijk overnemen van de zorg om de mantelzorger te ontlasten. Dit kan gebeuren in de vorm van hulp bij het voeren van een huishouden, ondersteuning thuis, dagbesteding en kortdurend verblijf.

5.9.2. Mantelzorgplan

Bij mantelzorg kan het van belang zijn om samen met de inwoner en de mantelzorger een plan op te stellen over de inzetbaarheid van mantelzorg en welke ondersteuning de mantelzorger nodig heeft om de mantelzorgtaken vol te kunnen houden.

Ondersteuning kan bestaan uit:

a.informatie en advies over voorzieningen en regelingen die belangrijk zijn voor mantelzorgers waaronder een actieve verwijzing naar het Steunpunt Mantelzorg;

b.hulp bij het aanvragen van zorg en voorzieningen ten behoeve van de inwoner of de mantelzorger;

c.praktische ondersteuning, zoals wanneer de mantelzorger tijdelijk de zorg wil overdragen aan iemand anders (respijtzorg);

d.informatieve en ontspannende bijeenkomsten, themabijeenkomsten en cursussen;

e.een luisterend oor voor uw situatie en verhaal;

f.vrijwilligersverzekering voor de mantelzorgers via gemeente De Bilt voor ongevallen en schade aan persoonlijke eigendommen.

5.9.3. Kapitaliseren mantelzorg

Het vragen van geld voor zorg die anders in het kader van mantelzorg gratis geleverd zou worden, wordt “het kapitaliseren van mantelzorg” genoemd. Dit te gelde maken van mantelzorg willen we voorkomen.

Om gekapitaliseerde mantelzorg te voorkomen, wordt met de inwoner die PGB aanvraagt en zijn of haar mantelzorgers besproken:

a.of er tot dan toe al sprake is geweest van (onbetaalde) mantelzorg;

b.waarom de mantelzorger er eventueel mee stopt;

c.waarom een eventuele nieuwe mantelzorger de zorg niet gratis wil verlenen;

5.9.4. Mantelzorg is niet afdwingbaar

Bij iedere overweging of een maatwerkvoorziening wel of niet wordt toegekend, wordt er een afweging gemaakt of er sprake is van mantelzorg. Mantelzorg is niet afdwingbaar, maar als er taken zijn die door mantelzorger worden gedaan, dan hoeven die niet door een professional worden overgenomen.

Als er sprake is van een latrelatie, dan zal de gemeente nagaan of en in hoeverre de partner bij kan dragen aan het huishouden.

Bij mantelzorg is cliëntsoevereiniteit van toepassing. Het staat de inwoner vrij mantelzorg wel of niet te accepteren. Als een inwoner niet geholpen wil worden door een mantelzorger die dit aanbiedt, kan de inwoner dat weigeren. Er is dan aanspraak op andere vormen van zorg.

8. Maatwerkvoorzieningen

8.1. Het voeren van een gestructureerd huishouden

8.1.1. Regie voeren over een zelfstandig huishouden

Onder regie voeren over een zelfstandig huishouden wordt verstaan dat iemand in staat is zelf inzicht te hebben in de uitvoering van de werkzaamheden die noodzakelijk zijn om te komen tot een schoon en leefbaar huis.

8.1.2. Schoonmaken van het huis

Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen.

Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.

Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, door de bewoners in gebruik zijnde slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap.

Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (buitenkant van de ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van Huishoudelijke Ondersteuning vanuit de Wmo.

8.1.3. Maaltijden bereiden

Voor het bereiden van maaltijden geldt dat er goede voorliggende mogelijkheden zijn, zoals maaltijdservices, open eettafels en kant-en-klaarmaaltijden. Als in een persoonlijke situatie blijkt dat het niet mogelijk is om van deze voorzieningen gebruik te maken, dan kan gekeken worden of het toekennen van uren hulp bij het huishouden een maatwerkoplossing kan bieden.

8.1.3.1. Het verzorgen van eventuele (jonge) kinderen.

Het gaat hier om de verzorging van kinderen waarbij de ouder (tijdelijk) niet in staat is om de ouderrol op zich te nemen én om eenvoudige dagelijkse fysieke verzorging, het bereiden van de maaltijden en zo nog nodig het voeden. Het gaat om de primaire zorg voor (gezonde) kinderen tot 5 jaar, waarbij de nadruk niet ligt op het pedagogische klimaat.

Van kinderen vanaf 5 jaar wordt verwacht dat zij zichzelf kunnen aankleden en wassen, maar dat controle wel nodig is. Vanaf 12 jaar is toezicht hierop normaal gesproken niet meer nodig.

Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Bij uitval van een van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over.

Structurele opvang valt niet onder huishoudelijke hulp. Het is in het algemeen een eigen verantwoordelijkheid van de ouder(s) om daarvoor te zorgen. Gebruikmaking van kinderopvang gaat dan ook voor op het verlenen van huishoudelijke hulp. Denk bijvoorbeeld aan gebruikmaking van kinderopvang en/of crèche, wat in principe gangbaar is tot en met 5 dagen per week. Er is voor een korte periode van maximaal drie maanden inzet van hulp op grond van de Wmo voor opvang van kinderen mogelijk. Dit om de ouder(s) in de gelegenheid te stellen een eigen oplossing te vinden.

8.1.4. Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en schoon bed- en linnengoed

Van de inwoner verwachten we dat hij voor het verzorgen van de was zoveel mogelijk gebruik maakt van voorliggende voorzieningen.

Het gaat hierbij om het wassen, drogen en in uitzonderlijke situaties strijken van bovenkleding. En/of indien noodzakelijk om het wassen en drogen voor bed- en linnengoed. Het doel van dit resultaat is dat de persoon beschikt over schone kleding en schoon bedden- en linnengoed. Het gaat hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. De verzorging van de was, zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied, omvat het behandelen van vlekken, het wassen, het drogen en vouwen van de was.

Extra was kan voorkomen worden door bijvoorbeeld incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten te gebruiken.

In uitzonderlijke situaties en indien de voorliggende voorziening niet afdoende blijkt, kan gebruik worden gemaakt van een maatwerkvoorziening.

8.1.5. Afwegingskader

Het college beoordeelt of er voorliggende of eigen mogelijkheden zijn om een ondervonden probleem op te lossen.

8.1.6. Particuliere hulp

Inzet van een particuliere hulp wordt gezien als een gerealiseerde eigen oplossing. Wanneer een inwoner al geruime tijd gebruik maakt van particuliere huishoudelijke ondersteuning en de inwoner meldt zich bij Het Sociaal Team met de vraag voor een maatwerkoplossing voor de huishoudelijke ondersteuning, hetzij in de vorm van zorg in natura of een persoonsgebonden budget voor de financiering van de huidige hulp, dan zal uit de beoordeling in de indicatiestelling kunnen blijken dat er geen belemmering in het voeren van het huishouden aanwezig is, omdat de inwoner een eigen oplossing heeft gerealiseerd.

Anders is het wanneer een persoon jarenlang gebruik maakt van een particuliere hulp en nu merkt dat er om medische redenen extra ondersteuning noodzakelijk is om het huishouden te voeren. Wanneer een persoon als gevolg van een terugval van inkomen/ een wijziging in de financiële situatie niet langer in staat is de particuliere zorg zelf te bekostigen dan wordt de particuliere huishoudelijke ondersteuning niet meer als voorliggende oplossing beschouwd.

8.1.7. Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp, die huisgenoten geacht worden aan elkaar te verlenen, wordt ook als een voorliggende voorziening beschouwd. Het principe “gebruikelijke hulp” is gebaseerd op de gedachte dat een leefeenheid samen verantwoordelijk is voor het voeren van een gezamenlijk huishouden en de daarbij behorende taken waaronder het huishoudelijke werk. Er mag daarbij echter geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting van de huisgeno(o)t(en). Overbelasting of dreigende overbelasting moet objectief worden vastgesteld, bijvoorbeeld door medisch onderzoek.

8.1.7.1. Huisgenoot

Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die, ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze, één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een partner, een inwonend kind, maar kan ook inwonende ouder zijn.

8.1.7.2. Wie valt buiten de leefeenheid?

Personen die een (pension)kamer huren, niet in enige familiebetrekking staan tot de aanvrager en een huurcontract hebben, worden niet gezien als onderdeel van de leefeenheid.

8.1.7.3. Rekening houden met de leeftijd van de huisgenoten

Bij gebruikelijke hulp wordt er rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt er van huisgenoten verwacht dat zij (afhankelijk van hun leeftijd en mogelijkheden) hun bijdrage leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, et cetera. Van jonge kinderen wordt uiteraard niets of zeer weinig verwacht, terwijl kinderen van 16 en 17 jaar geacht worden om een substantiële bijdrage te leveren. Van (gezonde) jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar wordt verwacht dat ze een eenpersoonshuishouden kunnen voeren. Van (gezonde) volwassenen vanaf 23 jaar wordt verwacht dat ze een volledig huishouden kunnen voeren.

8.1.7.4. Huishouden naast een baan

Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een baan een huishouden te runnen.

8.1.7.5. Ver en lang van huis

Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten per week, zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het om uitstelbare taken. Alleen wanneer er sprake is van maaltijdverzorging of verzorgen van jonge kinderen kan er niet gesproken worden van uitstelbare taken. De afwezigheid van de huisgenoot moet een (aantoonbaar) verplichtend karakter hebben.

8.1.7.6. Niet willen of niet gewend

Bij het stellen van een indicatie wordt er geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat huisgenoten aangeven dat ze het huishoudelijke werk niet willen doen of niet gewend zijn om het te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan en dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp worden geboden bij het aanleren van huishoudelijke taken. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies aangeleerd.

8.1.7.7. Ouderen

Ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen ook onder de gebruikelijke hulp. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding zijn om niet te vragen het huishoudelijke werk aan te leren. Vanaf 80 jaar wordt van een huisgenoot niet meer verwacht dat hij het huishoudelijke werk gaat aanleren.

8.1.8. Maatwerk voorzieningen

Als al het voorafgaande niet heeft geleid tot een oplossing van het probleem, zal het college een maatwerk voorziening inzetten.

Het HHM-normenkader is bedoeld voor het onderbouwen van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp.

Wanneer inwoners als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding.

Het HHM-normenkader is te vinden in de bijlage.

8.1.8.1. Wachttijden

Bij wachtlijsten voor huishoudelijke ondersteuning is de wachttijd niet leidend voor wie het eerst aan de beurt is. Er wordt rekening gehouden met de (financiële) noodzaak van de voorziening en kwetsbaarheid van de inwoner. Deze beoordeling is aan het sociaal team.

8.2. Begeleiding

8.2.1. Individuele begeleiding en/of groepsbegeleiding

Met betrekking tot de begeleiding wordt er onderscheid gemaakt tussen begeleiding individueel, begeleiding groep of een combinatie van beide. Of de inwoner is aangewezen op begeleiding individueel of begeleiding in groepsverband, wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Begeleiding in groepsverband is voorliggend op begeleiding individueel als hetzelfde doel wordt beoogd.

Wanneer de begeleiding gericht is op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is begeleiding groep de aangewezen vorm van begeleiding. Echter, wanneer de zorgbehoefte gelegen is in het bijvoorbeeld een of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de zorgbehoefte is niet gelegen in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur, dan is begeleiding individueel de aangewezen vorm om de zorgbehoefte van de inwoner in te vullen.

8.2.1.1. Groepsbegeleiding

Groepsbegeleiding kan de volgende doelen hebben:

a.het bieden van een dagprogramma met als doel al dan niet aangepaste vormen van arbeid (ook vrijwilligerswerk) of school te vervangen;

b.het bieden van activiteiten met als doel een andersoortige vorm van dag structurering dan arbeid of school en tevens zelfredzaamheid, cognitieve capaciteiten en vaardigheden zoveel mogelijk te handhaven en/of gedragsproblematiek te reguleren;

c.het ontlasten van de mantelzorger.

8.2.1.2. Individuele begeleiding

Individuele begeleiding kan bestaan uit het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken waaronder het voeren van de administratie, het nemen van besluiten en het structureren van de dag.

Individuele begeleiding wordt voor elke inwoner anders ingevuld naar gelang zijn behoefte. Gezelligheidsbezigheden en activiteiten die georganiseerd worden door maatschappelijke organisaties zoals welzijnsinstelling horen expliciet niet bij begeleiding. Hiervoor is de inwoner aangewezen op de vrij toegankelijke voorzieningen.

8.2.2. Vervoer naar de locatie voor dagbesteding

Inwoners met een indicatie voor groepsbegeleiding kunnen, als zij dat nodig hebben, in aanmerking komen voor vervoer naar en van de locatie voor dagbesteding. Vervoer wordt alleen toegekend als:

a.Er groepsbegeleiding is geïndiceerd;

b.De inwoner (of zijn omgeving) niet in staat is om de locatie waar de begeleiding plaatsvindt zelfstandig of met behulp van personen uit zijn/haar sociale netwerk te bereiken.

Er kan vanuit de Wmo geen toezicht tijdens het vervoer worden geïndiceerd. Ook niet naar begeleiding in groepsverband. Het vervoer moet afgestemd zijn op de doelgroep die worden vervoerd.

Het betreft hier geen vervoer met de Regiotaxi maar vervoer geregeld door de zorgaanbieder.

8.4. Beschermd Wonen

8.4.1. Verantwoordelijkheid Gemeente en centrumgemeente

De gemeente is verantwoordelijk voor beschermd wonen voor inwoners met een lichtverstandelijke beperking. Na veranderende wetgeving vanuit het rijk wordt de gemeente ook verantwoordelijk voor nieuwe cliënten beschermd wonen met langdurige psychiatrische, psychosociale of verslavingsproblemen. Tot die tijd doet de gemeente het onderzoek, de centrumgemeente neemt het besluit en geeft de beschikking af.

8.4.2. Toegang

De toegang tot beschermd wonen start bij het Sociaal Team.

Als tijdens het gesprek met het Sociaal Team wordt geconcludeerd dat de inwoner met langdurige psychiatrische, psychosociale of verslavingsproblemen, beschermd wonen nodig heeft, dan wordt onderzoek gedaan naar passend aanbod. Het onderzoek wordt gedeeld met de centrumgemeente. Die neemt het uiteindelijke besluit en geeft de beschikking af.

Beschermd wonen is landelijk toegankelijk. Dat betekent dat inwoners zich in principe tot iedere centrumgemeente kunnen wenden voor opvang en beschermd wonen.

Beschermd wonen is een tijdelijke voorziening.

Bij een inwoner wordt nagegaan of deze persoon in aanmerking komt voor een Wlz-indicatie. Als een inwoner in aanmerking komt voor beschermd wonen, dan wordt besproken op welke termijn de inwoner weer zelfstandig kan gaan wonen.

8.5. Doventolk in de leefsituatie

8.5.1. Een aanvraag doen

De aanvraag voor een doventolk kan worden ingediend bij Menzis. Zij beoordelen de aanvraag en melden de inwoner aan bij Tolknet. Overigens is het zo dat een indicatie voor hulp bij Tolknet levenslang geldig is. Herindicatie is dus niet nodig.

Het Sociaal Team heeft bij de inzet van een doventolk slechts een doorverwijzende rol.

8.6. Wonen in een geschikt huis

8.6.1. Hoofdverblijf

Woningaanpassingen worden alleen aangebracht in het hoofdverblijf van de inwoner.

Het hoofdverblijf is de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft en waar het centrum van zijn dagelijkse sociale en economische activiteiten ligt.

In een enkel geval is er sprake van twee hoofdverblijven. Dat kan bijvoorbeeld wanneer het om een gehandicapt kind van gescheiden ouders gaat, dat in co-ouderschap wordt opgevoed. In dat geval kan er een aanpassing in beide woningen aangebracht worden.

Co-ouderschap moet dan ook echt inhouden dat het kind de helft van de tijd bij de ene en de andere helft van de tijd bij de andere ouder woont. Alleen dan kunnen in allebei de huizen woonvoorzieningen worden toegepast.

Als de aanvrager bijvoorbeeld zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling of meer dan de helft van de tijd bij één van de twee ouders verblijft, kan voor een woonruimte een voorziening worden getroffen om deze ruimte bezoekbaar te maken.

8.6.2. Bijzondere woonvormen

Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van woning. Bijzondere woonvormen waarvoor er via de Wmo geen compensatieplicht geldt, zijn:

a.hotels;

b.pensions;

c.trekkerswoonwagens;

d.kloosters;

e.tweede woningen;

f.vakantiewoningen;

g.recreatiewoningen;

h.kamerverhuur.

8.6.3. Op gehandicapten of ouderen gerichte woongebouwen

Voor specifiek op gehandicapten en/of ouderen gerichte woongebouwen ligt er geen verantwoordelijkheid voor aanpassingen bij de gemeente. Van de eigenaar van het gebouw mag immers verwacht worden dat als hij een gebouw aanduidt als geschikt voor gehandicapten of ouderen, hij daar ook de voorzieningen voor heeft getroffen. Voorzieningen en aanpassingen in deze woningen kunnen worden gezien als algemeen gebruikelijk en standaard aanwezig. Reguliere woningen die via de Wmo zijn aangepast, worden niet gezien als op gehandicapten en/of ouderen gericht. De woningen zijn immers in eerste instantie niet als zodanig gebouwd.

Voor wooncomplexen die niet specifiek op ouderen zijn gericht, geldt niet dat de eigenaar (of de vereniging van eigenaren) per definitie verantwoordelijk is voor algemene voorzieningen en aanpassingen in de gemeenschappelijke ruimtes van het gebouw. Wel mag van de eigenaar verwacht worden dat hij bij verbouwing en renovatie rekening houdt met de bewoners en hun behoeften. In bijzondere situaties is het mogelijk om als gemeente nadere afspraken met de woningbouwcorporaties te maken.

Als een wooncomplex bewoond wordt door meerdere inwoners met een beperking in de zelfredzaamheid treedt de gemeente met de vereniging van eigenaren (VVE) in gesprek. In dat gesprek wordt de verantwoordelijkheid van de VVE besproken die ze hebben in het aanpassen van de woningen en algemene ruimten.

Personen met beperkingen die verhuizen van of naar een zorgwoning waarbij de functie “verblijf” van toepassing is, of die verhuizen van of naar een andere niet-zelfstandige woning, hebben in principe geen recht op woningaanpassingen.

8.6.4. De in de woning gebruikte materialen

De eigenaar van de woning is verantwoordelijk voor de in de woning gebruikte materialen. Als de problemen voortkomen uit de gebruikte materialen, dan dient de inwoner zich te wenden tot de woningeigenaar.

8.6.5. Verhuizing naar een ongeschikte woning

Er zijn situaties waarbij de inwoner verhuist van een aangepaste en/of geschikte woning naar een woning die minder of helemaal niet is aangepast/geschikt. Dit is een verhuizing van een geschikte naar een niet geschikte woning. De gemeente heeft alleen een verantwoordelijkheid voor het aanpassen van de woning als er voor deze verhuizing een belangrijke reden bestaat en van de inwoner niet verwacht mag worden dat hij of zij zelfredzaam is in het oplossen van het probleem. De gemeente dient bij de berekening van de eventueel te vergoeden kosten een afweging te maken van alle individuele relevante factoren die voor een persoon van belang zijn.

Ook als iemand met (dreigende) beperkingen verhuist vanuit een voor hem of haar ongeschikt huis, dan verwacht de gemeente dat hij of zij deze gelegenheid aangrijpt om naar een geschikte woning te verhuizen. Hierbij wordt ook van de inwoner verwacht dat hij of zij rekening houdt met de toekomst.

8.6.6. Eigen oplossingen

Onderzocht wordt in hoeverre eigen oplossingen kunnen leiden tot een oplossing voor het probleem. Hierbij wordt ook overwogen of er volstaan kan worden met voorzieningen die relatief goedkoop en regulier in de handel verkrijgbaar zijn, waarbij er een afweging gemaakt moeten worden of de aanschaf van de voorziening niet leidt tot extreem hoge extra kosten voor de aanvrager.

8.6.7. Verhuizen

Ook wordt afgewogen in hoeverre verhuizen een oplossing biedt. Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen:

a.het verwachte beloop van de beperkingen en belemmeringen en de verwachte andere aanpassingen die in de toekomst noodzakelijk worden geacht;

b.financiële consequenties van de verhuizing;

c.de beschikbaarheid van geschikte woningen en de termijn waarop een geschikte woning kan worden gevonden (in verband met de medische verantwoorde termijn);

d.de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de betrokkene;

e.argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg en sociaal netwerk.

Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd.

Artikel 7 lid 10 van de verordening is hier van toepassing: Het college kent alleen een voorziening toe indien deze proportioneel is. Als de kosten van verhuizen lager zijn dan de kosten van een woningaanpassing (nu en in de verwachte toekomst) kan verhuizen de aangewezen oplossing zijn. Dit kan uiteraard alleen als er rekening gehouden is met bovenstaande aspecten.

8.6.8. Complexere onroerende woonvoorzieningen

Als blijkt dat het aanpassen van de woning of woonruimte de goedkoopst compenserende oplossing is, moet worden aangegeven hoe hieraan invulling wordt gegeven.

Een bouwkundige aanpassing of woon technische ingreep aan een woonruimte wordt op grond van de Wmo door het college toegekend aan de inwoner. De gemeente kan, in het geval er sprake is van een huurwoning, ervoor kiezen om de kosten voor de voorziening direct aan de eigenaar uit te betalen. De beschikking wordt verstuurd aan de aanvrager/belanghebbende met een afschrift aan de woningeigenaar.

8.6.9. Programma van eisen

Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt de consulent altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden.

Het heeft de voorkeur om 3 offertes te kunnen vergelijken. Kosten voor de offerte kunnen gedeclareerd worden onder de volgende voorwaarden:

a.De offerte wordt niet uitgevoerd;

b.De kosten bedragen niet meer dan 1% van het offerte bedrag;

c.De kosten mogen niet meer zijn dan € 500,-.

d.Afspraken over de te declareren kosten zijn gemaakt voordat de offerte gemaakt wordt.

8.6.10. In de keuken

Aanpassingen in de keuken zijn mogelijk als sprake is van beperkingen bij het uitvoeren van keukenactiviteiten waarvoor belanghebbende grotendeels verantwoordelijk is en er geen huisgenoten zijn die deze werkzaamheden over kunnen nemen.

8.6.11. Aan de trap

Als iemand vraagt om zijn beperkingen in het traplopen op te lossen, dan wordt gekeken naar de mate van normaal gebruik van de woning. In eerste instantie wordt er gekeken of er, door het op een aanvaardbare en duurzame manier anders gebruiken van gebruiksruimten, mogelijkheden zijn om op de begane grond te gaan slapen en/of gebruik te kunnen maken van een natte cel. Trapliften worden in bruikleen verstrekt.

8.6.12. Aanbouw

Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt, besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als van tevoren vaststaat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties.

Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning, zal het college allereerst beoordelen wat iemands eigen mogelijkheden zijn.

Er zal altijd gekeken worden of het verhuizen naar een geschikte woning een oplossing kan bieden.

Bij toekenning van woningaanpassingen die waarde vermeerderend zijn voor de woning kunnen afspraken worden gemaakt over (gedeeltelijke) terugbetaling van de woningaanpassing bij verkoop van de woning. Deze afspraken worden vastgelegd in een beschikking.

8.6.13. Tuin en terras

Als de aanleg van een verhard terras, direct aansluitend op de woonruimte of een toegangspad tussen de voordeur en openbare weg noodzakelijk is wordt alleen het minimaal noodzakelijk aantal m2 vergoed.

8.6.14. Maximale vergoeding woonwagens

Als de technische levensduur van een woonwagen minder dan vijf jaar is, of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt, bedraagt de vergoeding voor bouwkundige en niet-bouwkundige woonvoorzieningen, uitraasruimten en verwijdering van in bruikleen verstrekte voorzieningen maximaal € 1.000,-.

8.6.15. Opstalverzekering

De gemeente eist dat de eigenaar van de woning bij het vergroten van de woning zelf zorgt voor de aanpassing van de opstalverzekering.

8.6.16. Financiële tegemoetkoming voor vervangen vloerbedekking in verband met longklachten

Inwoners met allergie of astma kunnen in aanmerking komen voor een forfaitaire tegemoetkoming (bijdrage in de kosten) voor het vervangen van de vloerbedekking als dat noodzakelijk is. Dit is alleen mogelijk wanneer een arts een duidelijke diagnose heeft gesteld en middels een medisch advies de ernst en noodzaak is vastgesteld.

In de regel krijgt de inwoner een vergoeding als:

a.hij of zij bij de aanschaf van de oude materialen niet had kunnen weten dat hij longklachten zou krijgen of dat deze erger zouden worden;

b.de vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is.

In principe gaat het bij woningsanering om het vervangen van de vloerbedekking in de slaapkamer en in de woonkamer. Voor het vervangen van gordijnen of behang in de slaap- of woonkamer worden geen saneringskosten verstrekt.

Voor de kosten wordt door de medewerker van het Sociaal Team onderzoek gedaan naar de op dat moment goedkoopste, adequate oplossing.

Bij het vervangen wordt uitgegaan van een uitzonderingssituatie. Indien een vloerbedekking al aan vervanging toe was vanwege de leeftijd van de vloerbedekking, geldt het vervangen als algemeen gebruikelijk en wordt dus geen tegemoetkoming beschikt. Ook bij een verhuizing is het aanpassen van de vloerbedekking algemeen gebruikelijk en is de inwoner hier zelf verantwoordelijk voor.

8.6.17. Verhuiskostenvergoeding

Iemand die vanwege zijn beperkingen niet meer in zijn eigen woning kan wonen en daarom moet verhuizen, kan in aanmerking komen voor een forfaitaire tegemoetkoming (bijdrage in de kosten) voor de verhuiskosten. Het gaat dan om kosten voor het verhuizen en eventuele inrichting elementaire woonfuncties. De hoogte van de verhuiskostenvergoeding wordt vastgesteld op basis van vooraf in te dienen offertes, waarbij het uitgangspunt goedkoop en adequaat wordt gehanteerd.

Er wordt maximaal € 3.500,- vergoed door de gemeente.

8.6.17.1. Afwijzingsgronden

Er zijn vijf mogelijke afwijzingsgronden:

a.Op grond van leeftijd of gezinssituatie het algemeen gebruikelijk is dat er een verhuizing naar meer passende woonruimte plaatsvindt;

b.Er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;

c.Verhuizing naar een zorginstelling/niet zelfstandige woonruimte;

d.Jongeren die voor het eerst zelfstandig gaan wonen;

e.Verhuizing heeft al plaatsgevonden en de noodzaak kan achteraf niet vastgesteld worden.

8.6.17.2. Verhuiskostenvergoeding voor het verlaten van een aangepaste woning

De verhuiskostenvergoeding kan ook worden verstrekt aan een inwoner die een reeds aangepaste woning ten behoeve van een inwoner met een beperking verlaat. Denk daarbij aan een rolstoelvriendelijke woning die bij overlijden of verhuizen van de degene voor wie de woonvoorziening gerealiseerd is, niet meer nodig is voor de achtergebleven partner of overige bewoners. Zij kunnen dan besluiten om de woning beschikbaar te stellen voor een andere inwoner met beperkingen. Door de verhuiskostenvergoeding ook in deze situaties te verstrekken, stimuleert het college een duurzaam gebruik van aangepaste woningen.

8.6.18. Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten

Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten worden alleen aangebracht als er geen nadelige invloed is van extreme slijtage door weer en wind of vandalisme. Ook wordt er een zorgvuldige afweging gemaakt bij het aanbrengen van de voorziening of de voorziening geen belemmeringen oplevert voor het gebruik van de gemeenschappelijke ruimte voor medebewoners.

8.6.19. Bezoekbaar maken woning

Als de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling of bij gehandicapte kinderen die door een echtscheiding, waarbij er geen sprake is van co-ouderschap, het hoofdverblijf hebben bij één ouder dan kan er een voorziening worden getroffen om één woning bezoekbaar te maken. Daarbij gaat het alleen om de volgende zaken:

a.het kunnen bereiken en van de woonruimte;

b.het kunnen bereiken en gebruiken van de woonkamer;

c.het kunnen bereiken en gebruiken van het toilet.

Hierbij gaat het dus alleen om op bezoek gaan en niet over logeren.

8.6.20. Verwijderen van voorzieningen

Voorzieningen worden zo min mogelijk verwijderd. Daar waar het onontkoombaar is om de voorziening te verwijderen zijn de kosten van het verwijderen voor de eigenaar van de woning, tenzij de aanvrager of de gemeente anders is overeengekomen met de eigenaar van de woning of met de leverancier van de bruikleenvoorziening.

8.6.21. Huurderving in verband met het vrijhouden van aangepaste woningen

Woningen die na verbouwing vanuit de WMO rolstoelvriendelijk zijn gemaakt en waarvan de bewoner de woning verlaat, worden door de woningbouwcorporatie tot maximaal 6 maanden vrijgehouden voor een andere bewoner met beperkingen. De periode van zes maanden kan éénmalig met een periode van maximaal drie maanden verlengd worden als bekend is dat binnen deze drie maanden een persoon met beperkingen de woning zal betrekken.

De gemeente vergoedt de eerste maand van leegstand niet aan de woningbouwvereniging, omdat het bij reguliere verhuur ook regelmatig voorkomt dat een woning een dergelijke periode leeg staat. Voor de overige maanden waarin de woning op verzoek van de gemeente leegstaat, wordt de kale huur aan de woningbouwvereniging vergoed.

8.7. Verplaatsen in en om de woning en vervoer voor het aangaan en onderhouden van sociale contacten

8.7.1. Eigen mogelijkheden en voorliggende voorzieningen

Voor vervoer en het verplaatsen worden in de handel regulier verkrijgbare voorzieningen niet vergoed vanuit de Wmo. Verwacht wordt dat een inwoner deze zelf aanschaft. Voorbeelden hiervan zijn een rollator en een elektrische fiets.

Wat het vervoer betreft, moet in eerste instantie afgewogen worden of de persoon in kwestie nog met het openbaar vervoer kan reizen, al dan niet onder begeleiding met gebruik van een OV begeleiderskaart. Daarna wordt er gekeken of een al in het bezit zijnde eigen auto op een veilige manier voor het vervoer ingezet kan worden of dat familieleden, vrienden of vrijwilligers een oplossing in het vervoersprobleem kunnen bieden. Voor het vervoer over een korte afstand van maximaal 5 kilometer wordt ook gekeken naar het gebruik van een (brom)fiets.

8.7.2. Niet anti-revaliderend

Zodra iemand niet in staat is om zich anders dan met het gebruik van een hulpmiddel te verplaatsen dan kan er een hulpmiddel worden verstrekt. Uitgangspunt bij de verstrekking is dat het moet gaan om een goedkoopste, adequate voorziening.

Uitzondering op bovenstaande beleidsregel:

Er wordt geen hulpmiddel versterkt als het gebruik ervan in strijd is met het behandelplan (een rolstoel mag nooit anti revaliderend werken)

Inwoners met een blijvende zorgbehoefte die woonachtig zijn in een instelling met een indicatie verblijf en behandeling komen, op grond van de Wmo, niet in voor een hulpmiddel in aanmerking.

8.7.3. Verzekering van de rolstoel en andere gemotoriseerde vervoermiddelen.

De gemeente verzekert gemotoriseerde rolstoelen en andere gemotoriseerde vervoermiddelen die in het kader van de Wmo verstrekt worden via een verzekeringscontract bij de leverancier van de hulpmiddelen. Het betreft een verzekering tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid. Bij rolstoelen die in de vorm van een PGB worden verstrekt, wordt het afsluiten van een verzekering aan de rolstoelgebruiker overgelaten. In het totale PGB is een bedrag opgenomen voor de kosten van een verzekering.

8.7.4. Verkeersveilig

De inwoner moet in staat zijn om het vervoermiddel waar hij eventueel voor in aanmerking komt, veilig te besturen. Hiervan wordt een inschatting gemaakt op basis van het verkeersverleden van inwoner (rijbewijs, fietservaring etc.) en zijn of haar beperkingen. Als het niet duidelijk is of inwoner verkeersveilig is, dan kan de gemeente een aantal observatielessen laten plaatsvinden.

8.7.5. Sport

Alle inwoners van onze gemeente moeten de gelegenheid hebben om aan sport deel te nemen. Als een inwoner hiervoor een rolstoel nodig heeft dan kan hij aanspraak maken op een sportrolstoel. Ook kunnen er ander sporthulpmiddelen voor mensen met een beperking verstrekt worden op grond van de Wmo.

Vanzelfsprekend is de inwoner vrij in zijn sportkeuze, ongeacht of hij daar een rolstoel of ander hulpmiddel bij nodig heeft. Wel is het zo dat veel sportverenigingen sportrolstoelen en/of andere hulpmiddelen uitlenen voor personen met een beperking die de sport wil beoefenen of wil uitproberen. Die mogelijkheid is voorliggend.

Sportrolstoelen en aangepaste sportvoorzieningen worden niet in natura verstrekt. De gemeente biedt in voorkomende gevallen een persoonsgebonden budget (PGB) aan voor de aanschaf. De inwoner krijgt dit PGB alleen wanneer hij kan aantonen dat hij of zij:

a.de sport beoefent waarvoor de voorziening is aangevraagd;

b.actief lid is van een sportvereniging;

c.zonder de sportrolstoel of de aangepaste sportvoorziening niet kan sporten door zijn of haar beperkingen.

8.7.5.1. Hoogte forfaitaire tegemoetkoming sportvoorziening

De forfaitaire tegemoetkoming voor een sportrolstoel of -voorziening bedraagt maximaal:

a.€ 6.000,- voor een elektrische voorziening

b.€ 3.000,- voor een niet elektrische voorziening.

Dit bedrag is bedoeld voor de aanschaf, het onderhoud, de benodigde aanpassingen en andere kosten die samenhangen met het gebruik van de sportrolstoel of -voorziening. Mocht het bedrag niet toereikend zijn, dan kan de vergoeding hoger worden toegekend, mits aan de aanvrager de extra noodzakelijke kosten kan onderbouwen.

Voor een sportrolstoel of -voorziening wordt een afschrijvingstermijn van drie jaar aangehouden.

8.7.6. Wmo-vervoersvoorzieningen

Vervoer kan op meerdere manieren mogelijk gemaakt worden:

a.via collectief taxivervoer;

b.via een individueel vervoermiddel.

8.7.7. Collectief vervoer via Regiotaxi

Bij het indiceren van een vervoersvoorziening worden eerst de mogelijkheden onderzocht voor het gebruik van collectief vervoer (Regiotaxi). Regiotaxi wordt in eerste instantie toegekend als collectieve voorziening, al dan niet onder begeleiding. Als blijkt dat het reizen met meerdere personen in een auto niet tot de mogelijkheden behoort, kan collectief vervoer op individuele basis worden toegekend.

In de verordening is het maximaal aantal kilometers opgenomen waarmee een inwoner met gereduceerd tarief kan reizen. Bij hoge uitzondering kan daarvan afgeweken worden. Dit kan in overleg met de consulent. Het besluit van de consulent is hierin leidend.

8.7.7.1. Begeleiding bij het vervoer

Bij de Regiotaxi kan begeleiding worden geïndiceerd. Dit betekent dat er kosteloos een medisch noodzakelijke begeleider mee moet reizen. Zodra begeleiding is geïndiceerd mag een gebruiker niet meer alleen met de Regiotaxi reizen.

8.7.8. Valys

Buiten een gebied van ongeveer 20 km kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht.

8.7.9. Scootmobiel

Iemand die, in het kader van het leven van alledag, belemmeringen ondervindt in het bereiken van vervoersbestemmingen in de directe woonomgeving en voor middellange afstanden, kan in aanmerking komen voor een scootmobiel. Hierbij worden de volgende zaken in overweging genomen:

De aanvrager kan:

a.zelfstandig op en van de scootmobiel stappen;

b.enkele meters zelfstandig, zonder loophulpmiddel lopen;

c.de scootmobiel op een adequate wijze (technisch) bedienen;

d.zelfstandig deelnemen aan het verkeer op de openbare weg op basis van voldoende verkeersinzichten.

Aangezien de scootmobiel een mobiliteitsprobleem in de directe woonomgeving compenseert, wordt een scootmobiel niet verstrekt voor vervoersbestemmingen buiten dit vervoersgebied.

8.7.9.1. Stalling scootmobiel

Belangrijk is dat er een stallingmogelijkheid voor de scootmobiel is met een elektriciteitspunt voor het opladen van de accu’s. Als de inwoner niet kan voorzien in de minimale eisen voor een stalling, (indien er geen afgesloten ruimte is, drie wanden en een dak), en een haak aan de muur om de voorziening te beschermen tegen diefstal, dan komen kosten voor aanleg en/of elektrapunt voor vergoeding in aanmerking. Als deze kosten erg hoog zijn, kunnen andere vervoersvoorzieningen overwogen worden.

8.7.10. (Elektrische) Handbike

Een (elektrische) handbike is een aankoppelfiets aan de rolstoel, waarmee iemand met behulp van armkracht of elektrisch de rolstoel kan voortbewegen. Een handbike kan gebruikt worden voor afstanden die normaal met de fiets afgelegd zouden worden.

8.7.11. forfaitaire tegemoetkoming autoaanpassing

Bij een autoaanpassing gelden de volgende regels:

a.de aan te passen auto moet de investering waard zijn en mag daarom in de regel niet meer dan vijf jaar oud zijn. In sommige gevallen is ook bij een oudere auto een aanpassing mogelijk. Dit hangt af van de soort aanpassing, de overplaatsbaarheid daarvan en de kilometerstand. Voor de gebruikstermijn van de aanpassing wordt over het algemeen uitgegaan van minimaal zeven jaar;

b.er moet vastgesteld zijn dat de tegemoetkoming autoaanpassing de goedkoopste, adequate oplossing is voor het individuele vervoerprobleem.

8.7.12. forfaitaire tegemoetkoming vervoerskosten

Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van vervoerskostenvergoeding dient aan de volgende criteria te worden voldaan:

a.het moet gaan om kosten van het bovengebruikelijk gebruik van de eigen auto;

b.er moet sprake zijn van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden;

c.er moet vastgesteld zijn dat de tegemoetkoming vervoerskosten de goedkoopst adequate oplossing is voor het individuele vervoersprobleem.

9. Keuze leveringsvorm maatwerkvoorziening (ZIN en PGB)

9.2. Zorg in natura

9.2.1. Diensten

Bij diensten zoals begeleiding en huishoudelijke hulp, gaat de gemeente contracten aan met zorgleveranciers. Zij leveren de benodigde hulp. De inwoner kiest uit het beschikbare aanbod. De gemeente is eindverantwoordelijk voor daadwerkelijke levering van de benodigde hulp. De geleverde zorg wordt door de zorgaanbieder rechtstreeks bij de gemeente gedeclareerd.

9.2.2. Materiele voorzieningen

Als het een materiële voorziening betreft, dan wordt deze in bruikleen verstrekt. De gemeente blijft eigenaar.

Als het gaat om een woningaanpassing (aard en nagelvast) dan wordt de eigenaar van de woning, eigenaar van de voorziening tenzij het een traplift betreft. Een traplift wordt in bruikleen verstrekt.

De geleverde voorziening wordt door de leverancier rechtstreeks bij de gemeente gefactureerd.

9.3. Persoonsgebonden budget

9.3.1. Diensten

Als de gemeente een PGB voor een dienst verstrekt dan betekent dit dat de gemeente bij de Sociale Verzekeringsbank via trekkingsrecht een geldbedrag aan de inwoner ter beschikking stelt. Hiermee kan de inwoner zelf de benodigde (= door het Sociaal Team geïndiceerde) hulp of ondersteuning inkopen. De SVB geeft eventuele betalingsgegevens aan dienstverleners door aan de belastingdienst.

9.3.2. Materiele voorzieningen

Als de gemeente een PGB verstrekt voor een materiele voorziening wordt de uitbetaling gedaan aan de leverancier. In het geval dat dit niet kan, kan hiervan afgeweken worden.

Bij een materiele voorzieningen die via een PGB wordt vertrekt wordt de inwoner eigenaar van deze voorziening.

9.3.3. Beoordeling PGB

De consulent toetst of aan de volgende drie wettelijke voorwaarden is voldaan:

a.Budgetvaardigheid van de aanvrager: kan inwoner op eigen kracht voldoende dan wel met hulp de taken die bij een persoonsgebonden budget horen op een verantwoorde wijze uitvoeren? Als de inwoner de hulp wil inkopen met een PGB dan moet helder worden of de inwoner bekwaam is PGB-taken uit te voeren, zoals het juiste product inkopen, de veiligheid, doeltreffendheid en clientgerichtheid in de gaten houden, contract aangaan en zorgverleners aansturen;

b.Motivatie: de inwoner moet aangeven waarom een PGB gewenst is;

c.Kwaliteit: is gewaarborgd dat hulp die de inwoner met het PGB wil inkopen van goede kwaliteit is?

9.3.4. Kwaliteit in de Wmo bij een PGB

In het geval van de Wmo heeft de budgethouder zelf de regie over de ondersteuning die hij met het persoonsgebonden budget contracteert. Daarmee krijgt hij de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan hij deze zo nodig bijsturen.

Het Sociaal Team kan vooraf toetsen of de veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid voldoende is gegarandeerd.

In het geval van een materiele voorziening kan alleen een tweedehandse voorziening aangeschaft worden als het echt niet anders kan en met goedkeuring van het Sociaal Team.

Bij een materiële voorziening in de vorm van een PGB is de budgethouder verantwoordelijk voor de kwaliteit van de voorziening tijdens de geldigheid van de beschikking. Van tevoren moeten daarom afspraken gemaakt tussen het Sociaal Team en de inwoner over de kosten voor onderhoud en reparatie.

In principe gelden voor een PGB-zorgprofessional dezelfde eisen als gesteld worden aan zorgverleners die via zorg in natura, zorg leveren.

Voor materiële voorzieningen die betaald worden via een PGB gelden dezelfde kwaliteitseisen als die aan de voorzieningen in natura gesteld worden.

9.3.4.1. Kwaliteitseisen voor inzet vanuit het sociale netwerk vanuit een PGB

Indien met het PGB een persoon uit het sociale netwerk betaald wordt, wordt verwacht dat hier afspraken mee te maken zijn. De zorg mag niet vrijblijvend zijn. Op deze manier kan een plan gemaakt worden en kan de budgethouder ook beoordelen of er op de juiste manier aan de doelen gewerkt wordt.

Eisen aan de informele hulpverlener zijn niet hetzelfde als bij een professionele hulpverlener. Het is daarom extra van belang dat de inwoner in het budgetplan aantoont dat de hulp doelmatig is.

9.3.5. Budgetplan

Bij het beoordelen van de kwaliteit wordt meegewogen of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het PGB wordt verstrekt.

De aanvrager maakt dit inzichtelijk door het invullen van een budgetplan waarin is vastgelegd:

a.wie de budgethouder is en wie de budgetbeheerder is en wat de relatie tot de budgetbeheerder is;

b.een beschrijving van de benodigde Wmo voorziening of dienst;

c.Op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid;

d.hoe de kwaliteit van de hulpverlening beoordeeld wordt.

e.Waar hij zijn ondersteuning zal inkopen en hoeveel er voor de ondersteuning betaald moet worden.

In het geval van een materiële voorzienig is het budgetplan niet altijd verplicht. Het sociaal team beslist of een budgetplan aangeleverd dient te worden. Bij een materiële voorziening moet er in het budgetplan ook een programma van eisen worden opgenomen met daarin afspraken over:

f.een verzekering;

g.de kosten van onderhoud en reparatie (na de garantie);

h.hoeveel en hoe te declareren en uit te betalen;

i.de kwaliteitseisen van voorziening;

j.een eventuele tweedehands aanschaf.

9.3.6. Pgb-vertegenwoordiging

Aan een pgb verbonden taken (budgetbeheer) kunnen worden uitgevoerd door:

a.de budgethouder zelf;

b.een wettelijk vertegenwoordiger;

c.een door de budgethouder gemachtigde vertegenwoordiger.

Bij minderjarige budgethouders zijn de ouder(s) of voogd de wettelijk vertegenwoordiger(s) die het budgetbeheer kunnen uitvoeren.

Als de inwoner onvoldoende in staat is het budgetbeheer op verantwoorde wijze uit te voeren, dan is hulp mogelijk van een wettelijk vertegenwoordiger (curator, bewindvoerder of mentor).

Een budgethouder kan ook een andere persoon als pgb-vertegenwoordiger machtigen voor uitvoering van het budgetbeheer namens de cliënt (maximaal 1).

De pgb-vertegenwoordiger moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

a.heeft regelmatig contact met inwoner;

b.weet wat de hulpvraag is, houdt in de gaten of de hulp goed en op de afgesproken momenten wordt gegeven en houdt het welzijn en de ontwikkeling van de inwoner goed in de gaten;

c.kan goed communiceren met de budgethouder; spreekt dezelfde taal;

d.gaat altijd mee op gesprek met het Sociaal Team;

e.voldoet aan de 10 pgb-vaardigheidseisen van het Ministerie van VWS;

f.is geen familie van de hulpverlener, of van diens leidinggevende(n) of zelf een meerdere van de zorgverlener;

g.mag maximaal vier andere budgethouders vertegenwoordigen;

h.mag niet zelf een budgethouder zijn;

i.mag niet de hulpverlener van de budgethouder zijn, tenzij het gaat om de ouder(s) of voogd die als wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige budgethouder zijn. Zij kunnen wel én hulpverlener én vertegenwoordiger zijn.

j.mag niet uit het pgb betaald worden.

Als er bij het verstrekken van een pgb sprake is van een pgb-vertegenwoordiger voor het budgetbeheer, dan registreert de gemeente de vertegenwoordiger en toetst de gemeente of de pgb-vertegenwoordiger aan de gestelde voorwaarden voldoet.

9.3.7. Duur PGB

Het PGB voor huishoudelijke hulp, begeleiding, kortdurend verblijf en beschermd wonen wordt verstrekt met een maximum van 3 jaar.

Een indicatie kan een langere looptijd hebben dan 3 jaar. In dat geval wordt na 3 jaar opnieuw onderzocht of een PGB de best passende financiering is.

Voor andere voorzieningen hangt de duur van het PGB af van de afschrijvingstermijn van de betreffende voorziening.

9.3.8. Hoogte van het PGB bij een dienst

Voor de hoogte van het PGB gelden de volgende regels:

a.Het tarief voor het PGB is gebaseerd op het door het Sociaal Team opgestelde indicatie;

b.Het tarief is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen waarmee het gestelde doel behaald kan worden;

c.Bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura;

d.Het PGB-budget wordt tijdens de duur van de indicatie niet verhoogd met het CBS-indexcijfer.

De hoogte van een PGB voor een dienst wordt vastgesteld per uur of per dag(deel) op basis van het basistarief dat door de gemeente is vastgesteld.

Afhankelijk van de uitvoerder van de dienst worden de volgende percentages van dit basistarief gehanteerd:

Een dienst ingekocht bij een al dan niet door de gemeente gecontracteerde instelling; maximaal 100% van de kosten die door de gemeente, voor de voorziening bij een gecontracteerde aanbieders, wordt betaald.

Een dienst door een zelfstandige zonder personeel (ZZP’er): maximaal 85%; dit omdat ervan uit wordt gegaan dat de overheadkosten van een ZZP’er minder bedragen dan bij een instelling.

De hoogte van het PGB via het sociaal/informeel netwerk bedraagt:

a.Voor huishoudelijke hulp maximaal € 19,50 per uur;

b.Voor individuele begeleiding maximaal €22,50 per uur;

c.Kortdurend verblijf maximaal € 55,00 per etmaal;

Deze tarieven blijven gelden voor de duur van de beschikking, ook in geval van tussentijdse mutaties ten aanzien van de omvang van de zorg, mits de hulpaanbieder dezelfde blijft.

Een informele hulp kan maximaal een fulltime werkweek (maximaal 40 uur per week) declareren.

Een betaling uit het PGB wordt gedaan over de tijd die er werkelijk gewerkt is aan de doelen.

Er wordt betaald naar het aantal minuten dat de dienst verleend is.

Vakantie uren, vakantietoeslag, reiskosten, feestdagen uitkering, eenmalige uitkering, uitkering bij ziekte, een vrij besteedbaar bedrag of begeleiding- en/of administratiekosten in verband met het PGB mogen niet betaald worden uit een PGB.

Een vaststaand maandloon is niet toegestaan.

9.3.9. Hoogte van een PGB voor een materiële voorziening

Bij het bepalen van wat de voorziening in natura gekost zou hebben, wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening, zoals de gemeente die had kunnen inkopen.

Als de inwoner liever een duurdere uitvoering van een materiele voorziening wil dan de gemeente op basis van “goedkoopst adequaat” zal verstrekken, dan kan dat via het PGB. De inwoner krijgt het PGB op basis van de goedkoopst adequate voorziening en betaalt de rest zelf bij. De risico’s die deze keuze met zich meebrengt, zijn voor de inwoner.

Wanneer met het pgb een hulpmiddel wordt aangeschaft, omvat het pgb een bedrag voor een eventuele verzekering zoals vastgelegd in het budgetplan.

Daarnaast is het budget voor onderhoud en reparaties, in geval van elektrische voorzieningen 6% van de hoogte van het pgb per jaar, en voor niet-elektrische voorzieningen 2%. Deze kosten worden vergoed op declaratiebasis en zijn gemaximeerd tot aan het aantal jaar van de afschrijvingstermijn. Als er garantie wordt geboden op de te kopen voorziening, wordt er het 1e jaar geen bedrag gereserveerd voor onderhoud en reparatie.

9.3.10. Weigeren van een persoonsgebonden budget

Naast de eisen vanuit de Wmo en de Verordening stelt gemeente De Bilt, voor een PGB de volgende aanvullende criteria op basis waarvan door het college een PGB kan worden geweigerd:

a.Indien aan de inwoner in de drie jaren voorafgaand aan de datum van het gesprek een PGB is verleend waarbij door de inwoner niet is voldaan aan de voorwaarden (uit de wet, de verordening, deze nadere- en beleidsregels en de voorwaarden zoals in de beschikking omschreven);

b.Als het voornemen is het PGB in te zetten voor een spoedeisende situatie;

c.Als de zorgverlener die uit het PGB wordt betaald ook namens de inwoner de budgetbeheerder is, tenzij hier gegronde redenen voor zijn (het oordeel van het college is hierin leidend);

d.Als de zorgverlener die uit het PGB wordt betaald een aanbieder is die bij de regionale inkoop zorg is afgewezen.

Een PGB kan ook geweigerd worden als er naar het oordeel van het Sociaal Team overwegende bezwaren zijn of een ernstig vermoeden dat de budgethouder de aan een PGB verbonden taken niet op een verantwoorde wijze kan uitvoeren.

Om een PGB af te wijzen vanwege overwegende bezwaren, moet er onderbouwing zijn. Dit kan bijvoorbeeld een medische onderbouwing zijn of andere bewijsstukken van onbekwaamheid.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.