Aanhef
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Baarn, Bunnik, De Bilt, Soest, Utrechtse
Heuvelrug en Wijk bij Duurstede en het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug ieder voor zover zij bevoegd zijn;
Overwegende, dat het gewenst is om de gemeenschappelijke regeling aan te passen als gevolg van ondermeer een wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
Besluiten:
de Gemeenschappelijke regeling Regionale ICT-dienst Utrecht als volgt te wijzigen:
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1: Begripsomschrijvingen
1Deze regeling verstaat onder:
a.de RID: Regionale ICT-dienst Utrecht: het openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 2;
b.gemeenten: de gemeenten Baarn, Bunnik, De Bilt, Soest, Utrechtse Heuvelrug en Wijk bij Duurstede;
c.RDWI: het openbaar lichaam Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug;
d.gemeentebesturen: de colleges van burgemeester en wethouders ieder voor zover zij bevoegd zijn;
e.deelnemers: de gemeenten en RDWI;
f.gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Utrecht;
g.de regeling: de Gemeenschappelijke regeling RID Utrecht;
h.Wgr: de Wet gemeenschappelijke regelingen;
i.de wet: de Gemeentewet.
2Daar waar in deze regeling artikelen en bepalingen van enige wet of andere regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, dienen in die artikelen in plaats van ‘de gemeente’, ‘de raad’, ‘het college’ en ‘ de burgemeester’ te worden gelezen onderscheidenlijk: ‘de RID’, ‘het algemeen bestuur’, ‘het dagelijks bestuur’ en ‘ de voorzitter’.
Artikel 2: Openbaar lichaam
1Er is een openbaar lichaam RID. Dit openbaar lichaam is gevestigd in Doorn.
2Het rechtsgebied van de RID omvat het grondgebied van de deelnemers, voor zover deze een grondgebied hebben.
HOOFDSTUK 2: BELANG, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN
Artikel 3: Doel/belang
Het openbaar lichaam is ingesteld met als doel het uitvoeren van taken die zien op het garanderen van de continuïteit en kwalitatief adequate dienstverlening op het terrein van ICT en de hiervoor benodigde middelen, waaronder soft- en hardware voor de deelnemers aan de RID.
Artikel 4: Taken en bevoegdheden
1Aan het algemeen bestuur van de RID worden geen bevoegdheden van de colleges van de gemeenten of het dagelijks bestuur van de RDWI overgedragen.
2De colleges van de gemeenten en het dagelijks bestuur van de RDWI machtigen het bestuur van de RID om namens hen rechtshandelingen en feitelijke handelingen te verrichten om te komen tot goede ICT-dienstverlening, als bedoeld in artikel 3, waaronder het namens partijen beslissen tot en verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 160, eerste lid aanhef en onder d en artikel 171 Gemeentewet, onderscheidenlijk artikel 33b, eerste lid aanhef en onder d en artikel 33d van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Voor overige bevoegdheden wordt door de betreffende gemeentebesturen onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van de RDWI een apart mandaatbesluit opgesteld.
3De RID verleent, onverminderd het bepaalde in lid 1, alleen diensten aan organisaties binnen het in artikel 2 genoemde rechtsgebied. Met instemming van het algemeen bestuur kunnen ook diensten worden aangeboden aan organisaties buiten het in dit artikel genoemde rechtsgebied en die op grond van artikel 27 aan deze regeling toe mogen treden.
4De RID kan op verzoek nader te omschrijven taken gaan uitvoeren. Deze keuze gaat gepaard met de wijze van kostenverrekening en overige voorwaarden waaronder deze taken worden uitgevoerd.
HOOFDSTUK 3: HET BESTUUR VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING
Artikel 5: Bestuursorganen
De RID kent de volgende bestuursorganen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en een voorzitter.
HET ALGEMEEN BESTUUR
Artikel 6: Samenstelling, plaatsvervanging en zittingsduur
1Het algemeen bestuur van de RID bestaat uit 8 leden
2De deelnemers wijzen elk uit hun midden één lid en een plaatsvervangend lid aan.
3De bepalingen voor de leden van het algemeen bestuur zijn van overeenkomstige toepassing op hun plaatsvervangers.
4Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter alsmede diens plaatsvervanger aan. De deelnemer, uit wiens midden de voorzitter afkomstig is, mag een tweede lid in het algemeen bestuur aanwijzen. Dit lid kan niet tevens een plaatsvervangend lid, als bedoeld in het tweede lid zijn. Voor het tweede lid wordt tevens een plaatsvervangend lid aangewezen. De voorzitter is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur.
5De leden van het algemeen bestuur hebben, onverminderd het bepaalde in de leden 6 tot en met 11, zitting gedurende de zittingsduur van de gemeenteraad.
6De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de leden van de raden van de gemeenten aftreden. Zij blijven hun functie waarnemen tot het moment dat de deelnemers nieuwe leden voor het algemeen bestuur hebben aangewezen.
7Een lid dat tussentijds ophoudt lid van het college van burgemeester en wethouders, dan wel van het dagelijks bestuur van de RDWI te zijn, houdt daarmee tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur.
8Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijden ontslag nemen.
9Het lid dat ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het algemeen bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens of wier plaats dit lid is benoemd, zou hebben moeten aftreden.
10Het lid van het algemeen bestuur dat tussentijds ontslag neemt, stelt de voorzitter alsmede het bestuur van de deelnemer dat deze heeft aangewezen hiervan schriftelijk op de hoogte. Het ontslag is onherroepelijk.
11Een lid van het algemeen bestuur dat ontslag heeft genomen, wordt vervangen door een plaatsvervanger, totdat een nieuw lid voor het algemeen bestuur is benoemd.
12De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen door het college van burgemeester en wethouders die het aangaat, of het dagelijks bestuur van de RDWI vindt binnen twee maanden plaats.
Artikel 7: Bevoegdheden
1Aan het algemeen bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen.
2De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar:
a.het aanwijzen van de voorzitter diens plaatsvervanger en de overige leden van het dagelijks bestuur;
b.het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen en de Jaarstukken;
c.het vaststellen van een reglement van orde van het algemeen bestuur;
d.het vaststellen van de Financiële verordening en de Controle verordening;
e.publicatie van verordeningen en andere besluiten conform de Algemene wet bestuursrecht, de Bekendmakingswet of andere wetgeving
f.het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing van deze gemeenschappelijke regeling;
g.het instellen van (vaste) commissies van advies overeenkomstig artikel 24 van de WGr
Artikel 8: Werkwijze
1Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast.
2Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee leden van het algemeen bestuur dit verzoeken (onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen).
3In het laatste geval vindt de vergadering binnen twee weken plaats.
4De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.
5Tegelijkertijd met de oproep brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de, genoemde stukken waaromtrent geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd. Op de vergaderingen van het algemeen bestuur zijn de artikelen 22 en 23 van de wet van toepassing.
6Elk lid van het algemeen bestuur heeft een stemgewicht van twee. Behalve de leden aangewezen door de deelnemer waaruit de voorzitter afkomstig is, hebben een stemgewicht van één.
7De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.
8De deuren worden gesloten wanneer een vijfde deel van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.
9Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd.
Artikel 9: Besloten vergadering
In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het beleidsplan, de begroting, de rekening en het liquidatieplan.
HET DAGELIJKS BESTUUR
Artikel 10: Samenstelling, plaatsvervanging en zittingsduur
1Het dagelijks bestuur bestaat uit een voorzitter, een secretaris en een algemeen lid. Tenminste één van de leden van het dagelijks bestuur, niet zijnde de voorzitter, wordt benoemd op basis van zijn of haar deskundigheid over de taakgebieden van deze regeling.
2De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur. Zij worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur nadat overeenkomstig artikel 7 de leden van het algemeen bestuur zijn aangewezen.
3Het algemeen bestuur kan, in afwijking van het tweede lid, op voorstel van het dagelijks bestuur, maximaal één lid van buiten de kring van het algemeen bestuur benoemen tot lid van het dagelijks bestuur. Dit lid mag geen lid van de raden of colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten of het dagelijks bestuur van de RDWI zijn, danwel een dienstbetrekking hebben bij één van de deelnemers. Dit lid wordt voor een periode van vier jaar benoemd op basis van zijn kennis op de taakgebieden van deze regeling.
4De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die openvallen, vindt plaats binnen twee maanden na de melding van de opengevallen plaats.
5Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt indien het lid ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur. Het externe lid treedt af nadat de zittingstermijn is verstreken.
6Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet.
Artikel 11: Werkwijze
1Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht, zulks onder opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen.
2Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur.
3Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
4Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd.
5De artikelen 54. 56, 58 en 59 van de Wet zijn van overeenkomstige toepassing op het dagelijks bestuur.
Artikel 12: Taken
De taak van het dagelijks bestuur is:
1Het uitvoeren van alle taken en bevoegdheden genoemd in artikel 5 van deze regeling die niet aan andere bestuursorganen van de RID zijn toegewezen krachtens de regeling of andere wet- en regelgeving.
2Onverminderd het bepaalde in artikel 33b van de Wgr is het dagelijks bestuur voorts belast met:
a.het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd, voor zover die voorbereiding niet aan anderen is opgedragen;
b.het uitvoeren van besluiten van het algemeen bestuur;
c.het beheer van de eigendommen en geldmiddelen van de RID;
d.het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en het verlies van recht of bezit;
e.het houden van een voortdurend toezicht op het beheer en de exploitatie van de RID, alsmede op al wat de RID aangaat, waaronder de zorg voor de archiefbescheiden;
f.het beslissen tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de RID;
g.het behartigen van de belangen van de RID bij andere overheidslichamen en instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de RID van belang is.
DE VOORZITTER
Artikel 13: Aanwijzing en Taken
1De voorzitter is tevens voorzitter van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.
2De voorzitter wordt in de eerste vergadering van iedere zittingsperiode van het algemeen bestuur door en uit het algemeen bestuur aangewezen. De deelnemer waarvan een lid in het algemeen bestuur tot voorzitter is benoemd brengt een extra lid in het algemeen bestuur in.
3Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt hij vervangen door de plaatsvervangend voorzitter. Deze wordt aangewezen tijdens de eerste vergadering van het algemeen bestuur.
4De voorzitter vertegenwoordigt de RID in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen gemachtigde.
5De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.
6De voorzitter treedt af op de dag waarop de zittingsperiode van het algemeen bestuur eindigt.
7Indien de voorzitter ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt hij of zij tevens op voorzitter te zijn.
8Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslaan als hij of zij niet langer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet.
9Indien het voorzitterschap van de RID tussentijds openvalt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuwe voorzitter aan.
HOOFDSTUK 4: INLICHTINGEN EN VERANTWOORDING DOOR HET ALGEMEEN EN DAGELIJKS BESTUUR
Artikel 14: Intern
1De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.
2Zij geven het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.
3Zij geven tezamen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen.
4De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.
Artikel 15: Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur
1Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geeft de colleges en het dagelijks bestuur van de RDWI schriftelijk alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde beleid nodig is.
2De in lid 1 genoemde inlichtingen worden ook schriftelijk door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter aan de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van de RDWI verstrekt.
Artikel 16: Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur
1Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk aan het dagelijks bestuur van de RDWI verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur aangegeven wijze.
2Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door het college van burgemeester en wethouders of dagelijks bestuur waarbinnen dit lid functioneert, worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van dat college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk dat dagelijks bestuur bezit.
HOOFDSTUK 5: DE DIRECTEUR
Artikel 17: Functie, Benoeming en Taken
1De bestuursorganen van de RID worden bijgestaan door een directeur, aan wie in het dagelijks bestuur een adviserende stem toekomt.
2De directeur vervult ten behoeve van het algemeen bestuur en ten behoeve van het dagelijks bestuur de functie van ambtelijk secretaris.
3De directeur is belast met de dagelijkse leiding van de RID.
4De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.
5De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur worden vastgelegd in een statuut. Het statuut wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur.
6De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op ondernemingsraden.
7Het dagelijks bestuur wijst de functionaris aan die als plaatsvervanger optreedt voor de directeur in geval van diens afwezigheid voor langere duur.
Artikel 18: Machtiging en mandaat
1Het dagelijks bestuur draagt de bedrijfsvoering en de hem opgedragen uitvoering van wettelijke voorschriften in mandaat op aan de directeur.
2Het dagelijks bestuur stelt met in achtneming van het directiestatuut, uit een oogpunt van doelmatig en doeltreffend bestuur en de uitoefening van bevoegdheden binnen de organisatie, een mandaat- en volmachtbesluit vast.
3Het in het eerste lid bedoelde mandaat kan zich niet uitstrekken tot het beschikken op bezwaarschriften en tot het instellen van beroep.
Artikel 19: Klachtbehandeling
1Klachten van medewerkers van de RID worden afgehandeld door de directeur onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur.
2Klachten ten aanzien van de uitvoering van de taken van de RID worden onder verantwoordelijkheid van de directeur afgehandeld.
HOOFDSTUK 6: HET PERSONEEL
Artikel 20: Personeel
1Bij de RID is personeel werkzaam.
2De collectieve arbeidsovereenkomst samenwerkende gemeentelijke organisaties (cao SGO), dan wel de (gewijzigde) collectieve arbeidsovereenkomst die daarvoor in de plaats komt, is van toepassing op het personeel van de RID.
3De RID is lid van de Werkgeversvereniging Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (WSGO)
4Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden.
5Het aangaan van een arbeidsovereenkomst, schorsing en ontslag van personeel geschieden door het dagelijks bestuur.
6In onderling overleg wordt afgesproken welke deelnemer zorg zal dragen voor de afhandeling van personele zaken van het personeel van deze regeling.
HOOFDSTUK 7: HET BELEIDSPLAN EN HET BELEIDSVERSLAG
Artikel 21: Beleidsplan en beleidsverslag (kadernota)
1Het dagelijks bestuur zendt de kadernota vóór 1 februari met hierin een ontwerp van het meerjarenbeleidsplan voor de komende periode toe aan de raden en colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en aan het dagelijks bestuur van de RDWI.
2Het ontwerpbeleidsplan wordt voor een ieder, tezamen met de ontwerpbegroting, ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190 lid 2 en 3 van de wet is overeenkomstig van toepassing.
3De raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van de RDWI kunnen binnen 8 weken na toezending van de kadernota bij het dagelijks bestuur hun zienswijze kenbaar maken. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren, waarin de zienswijze zijn vervat, bij het ontwerp van het meerjarenbeleidsplan, voorzien van terugkoppeling, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Het dagelijks bestuur informeert de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van de RDWI overeenkomstig artikel 10 lid 6 van de Wgr voordat het algemeen bestuur besluit omtrent de vaststelling van het meerjarenbeleidsplan.
4Het algemeen bestuur stelt het beleidsplan uiterlijk vast op 15 september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor het beleidsplan moet dienen.
5Het algemeen bestuur stelt op basis van het beleidsplan, het bedrijfsplan van de RID vast. Wensen van deelnemers die afwijken van de algemene beleidslijn, worden opgenomen in het bedrijfsplan en door de RID uitgevoerd. Eventuele bijkomende kosten worden door de deelnemer voldaan. Op de financiële gevolgen hiervan is artikel 23 lid 4 van toepassing.
6Het dagelijks bestuur bereidt het beleidsverslag over het afgelopen jaar voor. Het beleidsverslag wordt ter vaststelling aan het algemeen bestuur voorgelegd dat er vóór 15 september over beslist.
7Het dagelijks bestuur zendt het beleidsplan en beleidsverslag binnen twee weken na vaststelling aan de deelnemers.
8Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden, alsmede het dagelijks- en algemeen bestuur van de deelnemers betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
9In afwijking van het achtste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen.
10Het negende lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken.
11Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het negende of het tiende lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.
HOOFDSTUK 8: FINANCIËLE BEPALINGEN
Artikel 22: Begrotingsprocedure
1Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting van de RID voor het komende kalenderjaar, vergezeld van een memorie van toelichting alsmede de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), toe aan de raden en colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten en het dagelijks bestuur van de RDWI. Artikel 190 lid 1 van de wet is van toepassing.
2De ontwerpbegroting wordt door de gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190 lid 2 en 3 van de wet is van overeenkomstige toepassing.
3De raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van de RDWI kunnen binnen 12 weken na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze kenbaar maken. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze van de raden zijn vervat, bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Het dagelijks bestuur informeert de raden van de gemeenten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van de RDWI overeenkomstig artikel 35 lid 4 van de Wgr voordat het algemeen bestuur besluit omtrent vaststelling van de begroting.
4Na vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur zendt het dagelijks bestuur de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
5Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen zo mogelijk van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de wijzigingen die geen invloed hebben op de bijdragen van de deelnemers.
Artikel 23: Bijdragen van de deelnemers
1Voorschotten voor de taakuitvoering en de organisatie van de RID worden jaarlijks voor het begin van ieder kalenderjaar aan de deelnemers op basis van de begroting in rekening gebracht.
2De voorschotten worden berekend op basis van de door het algemeen bestuur vastgestelde verdeelsleutel van de deelnemers
3De deelnemers zijn verplicht de voorschotten op te nemen in hun begroting. Op de bijdrage van de deelnemers wordt de vergoeding voor diensten van de deelnemers aan de RID in mindering gebracht. Additionele diensten van de RID aan de deelnemers worden apart in rekening gebracht. De verdeelsleutel wordt door het algemeen bestuur vastgesteld.
4De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot per kwartaal op de vijftiende dag van eerste maand van het kwartaal éénvierde deel van de in het eerste lid bedoelde bijdrage.
5De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de gemeenschappelijke regeling over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen.
6Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de wet.
Artikel 24: Reserve
1De RID vormt een reserve (fonds) ten laste van de gemeentelijke bijdragen aan de uitvoeringskosten tot maximaal 10% van de jaarlijkse apparaatskosten.
2Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op gemeentelijke verzoeken daaromtrent geeft het dagelijks bestuur toepassing aan afspraken tussen de deelnemers over de te vormen reserve.
Artikel 25: Jaarstukken
1Het dagelijks bestuur legt voor 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken, waaronder de voorlopige jaarrekening en het voorlopige jaarverslag met de daarbij behorende bescheiden en een berekening van de door de deelnemende gemeenten en de RDWI te betalen bijdragen, benevens het rapport van de overeenkomstig artikel 213 van de wet met de controles belaste accountant. Het rapport bevat een verslag van een onderzoek naar het getrouwe beeld van de baten en lasten.
2De jaarstukken worden gelijktijdig aan de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten en het aan het algemeen en het dagelijks bestuur van de RDWI toegezonden, die binnen acht weken na ontvangst daarvan schriftelijk hun zienswijze kenbaar kunnen maken bij het dagelijks bestuur. De terugkoppeling wordt aan het algemeen bestuur aangeboden. Het dagelijks bestuur informeert de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van de RDWI overeenkomstig artikel 10 lid 6 van de Wgr voordat het algemeen bestuur besluit omtrent de vaststelling van de jaarstukken.
3Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt deze vast in het jaar, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, alsmede de bijdragen die de deelnemers betalen in het eventuele exploitatietekort.
4Het dagelijks bestuur zendt de jaarstukken binnen twee weken, na de vaststelling, doch voor 15 juli, met alle bijbehorende stukken aan gedeputeerde staten.
5Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.
HOOFDSTUK 9: HET ARCHIEF
Artikel 26: Archief
1Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam.
2De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
3Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.
4Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van het Regionaal Archief Zuid-Utrecht in Wijk bij Duurstede.
5Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de directeur-archivaris van het Regionaal Archief Zuid-Utrecht.
6De directeur-archivaris van Regionaal Archief Zuid-Utrecht brengt jaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
7Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam.
HOOFDSTUK 10: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING
Artikel 27: Toetreding
1Het bestuur van een organisatie, die wenst toe te treden, richt het verzoek ter zake aan het algemeen bestuur.
2Het algemeen bestuur zendt het verzoek als bedoeld in lid 1 binnen drie maanden na ontvangst door aan de deelnemers onder overlegging van zijn advies omtrent de toetreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden.
3Toetreding vindt plaats indien tweederde van de deelnemers daarmee instemmen, alsmede het bevoegde bestuur van de toetredende organisatie.
4Het algemeen bestuur stelt voorwaarden voor toetreding vast
5Van elk besluit tot toetreding van een deelnemer wordt terstond kennis gegeven aan de deelnemers en aan het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel.
Artikel 28: Uittreding
1De daartoe bevoegde bestuursorganen kunnen bepalen dat een deelnemer uittreedt.
2Van het besluit als bedoeld in het voorgaande lid wordt uiterlijk drie kalendermaanden vóór het einde van het kalenderjaar kennisgeving gedaan aan het algemeen bestuur. Voordat een deelnemer een kennisgeving doet, wordt het dagelijks bestuur verzocht om te inventariseren welke consequenties de uittreding heeft voor de RID, de uittredende deelnemer en de overige deelnemers. Het dagelijks bestuur maakt een quick-scan die indicatief van aard is, maar niet bindend. De kosten voor de quickscan komen voor rekening van de deelnemer die om de inventarisatie vraagt.
3Uittreding is te alle tijde mogelijk, mits daarvan met een opzegtermijn van tenminste één kalenderjaar, van tevoren schriftelijk aankondiging is gedaan.
4De financiële gevolgen van uittreding, inclusief de daardoor ontstane frictie- en desintegratiekosten, komen voor rekening van de uittredende deelnemer. Onder desintegratiekosten worden verstaan de kosten die te maken hebben met (de afbouw van) de overcapaciteit die kan ontstaan in de personele en de materiële sfeer. Basis voor de berekening van de desintegratiekosten is de begroting van het jaar waarin tot uittreden wordt besloten. Voor de afbouwperiode wordt een periode van vier jaar gehanteerd.
5De kosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend (de vaste kosten van De RID), worden berekend via de dan geldende verdeelsleutel voor een termijn van maximaal vier jaar, waarbij een afbouw wordt gebruikt dat de uittredende partij het eerste jaar na uittreding 100% van dat bedrag betaald, het tweede jaar na uittreding 75%, het derde jaar 50% en het vierde jaar 25%.
6De RID doet redelijkerwijs al het mogelijke om de kosten voor de uittredende deelnemer zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur doet met de deelnemer die wil uittreden onderzoek naar de mogelijkheid om desintegratiekosten te verminderen..
7Voor de vaststelling van de financiële gevolgen als bedoeld in lid 4 wordt door de RID en de uittredende gemeente gezamenlijk advies gevraagd aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente.
8Het algemeen bestuur stelt voorwaarden voor uittreding vast, gebaseerd op het advies van de externe, bedoeld in het vorige lid. Het algemeen bestuur kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies, onverminderd het recht op schadevergoeding van de uittredende deelnemer bij afwijking.
9Van elk besluit tot toe- of uittreding van een deelnemer wordt terstond kennis gegeven aan de deelnemers en aan het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel.
10De verschuldigde uittredingskosten worden in het jaar van uittreden betaald door de uittredende deelnemer.
Artikel 29: Wijziging
1De regeling wordt gewijzigd, indien de daartoe bevoegde organen van tenminste tweederde van de deelnemers daartoe eensluidend besluiten.
2Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de deelnemers.
3Voorstellen uitgaande van het algemeen bestuur worden toegezonden aan de deelnemers, die binnen 6 maanden na ontvangst ter zake een besluit nemen en dat terstond aan het algemeen bestuur mededelen. Deze termijn is inclusief de in de Wgr genoemde termijn voor zienswijzen van de raden of bestuur van de deelnemers.
4Voorstellen uitgaande van het dagelijks bestuur of één of meer deelnemers worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de bevoegde bestuursorganen van de deelnemers doet toekomen, waarna deze verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid.
5De bij wet voorgeschreven toezending van de wijziging aan het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel, geschiedt door het dagelijks bestuur.
Artikel 30: Geschillen
1Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 Wgr de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.
2De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken deelnemer. Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt.
3De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen.
4De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.
5Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil wordt bij het verzoek om een beslissing van gedeputeerde staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd.
Artikel 31: Ontbinding en liquidatie
1De regeling kan worden ontbonden, op voorstel van het algemeen bestuur, gelezen artikel 9 Wgr, bij een daartoe strekkend besluit van de daartoe bevoegde bestuursorganen van tenminste tweederde van de deelnemers.
2Het algemeen bestuur stelt een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling, dat gebruikt dient te worden, ingeval een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid wordt genomen. Een zodanig besluit wordt met een tweederde meerderheid genomen, conform de zienswijzenprocedure ex artikel 10 lid 5 en 6 Wgr.
3Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten ter zake de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling.
4Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel.
5Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van de gemeenschappelijke regeling over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.
6Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.
7Van het besluit tot ontbinding of tot wijziging van deze regeling wordt terstond bericht gezonden aan de deelnemers en Gedeputeerde Staten, almede naar het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel van het ressort waaronder de regeling valt.
8De organen van de gemeenschappelijke regeling blijven ook na het tijdstip van ontbinding in functie, totdat de vereffening is voltooid.
9Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van ‘in liquidatie’, zodat het opschrift komt te luiden: “(naam GR i.l.)”.
HOOFDSTUK 11: SLOTBEPALINGEN
Artikel 32: Evaluatie
Het algemeen bestuur kan een besluit omtrent de evaluatie van de regeling nemen.
Artikel 33: Duur
1In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet beslist het algemeen bestuur. Van deze beslissing worden de deelnemers onverwijld in kennis gesteld.
2De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
Artikel 34: Inwerkingtreding
1De gewijzigde regeling treedt in werking op 1 maart 2025, of als het besluit later bekend wordt gemaakt op de dag na bekendmaking.
2Het gemeentebestuur van gemeente De Bilt draagt zorg voor de bekendmaking van de regeling overeenkomstig artikel 26 van de Wgr. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Daarnaast verwerkt het dagelijks bestuur de gegevens als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Wgr in het register, bedoeld in artikel 136 van de Wgr.
Artikel 35: Citeertitel
De regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling RID Utrecht”.
Toelichting op enkele artikelen:
Enkele artikelen uit de GR vragen om een korte toelichting.
Governancestructuur (artikelen 6 en 10)
Bij samenwerking door middel van een gemeenschappelijke regeling zijn verschillende actoren te identificeren. De deelnemers zijn de gezamenlijke eigenaren van het GR RID.
De GR RID treedt op als opdrachtnemer en uitvoerder en kan contracten aangaan met derden. Het algemeen bestuur treedt op als controleur van het dagelijks bestuur en het dagelijks bestuur houdt toezicht op het functioneren van de directeur.
De deelnemers treden op als opdrachtgever van de RID organisatie.
Formeel is de eigenaar-opdrachtnemerverhouding eenzijdig geregeld in de tekst van de gemeenschappelijke regeling en is deze voor iedere deelnemer gelijk. Toetreden tot de gemeenschappelijke regeling betekent het accepteren van de uniforme spelregels die er gelden. Deze spelregels zijn door een individuele deelnemer dan ook niet te veranderen. Hetzelfde geldt voor de begroting en de bijdrage aan de gemeenschappelijke regeling, waarover niet vrijelijk per deelnemer onderhandeld kan worden.
De eigenaarrol is verankerd en (bestuurlijk) ingevuld door zitting te hebben in het algemeen bestuur van de GR
De relatie tussen de eigenaar, een rol die bestuurlijk wordt ingevuld (collegelid) en opdrachtgever, een rol die ambtelijk wordt ingevuld (algemeen directeur) is een interne; de gemeenten dienen hierover in eigen huis afspraken te maken.
De relatie opdrachtgever – opdrachtnemer wordt tweezijdig contractueel verankerd. Vanwege het belang van standaardisatie en efficiency is gekozen voor het sluiten van een dienstverleningsovereenkomst, waarin de voor alle deelnemers uniform geldende uitvoeringskaders en afspraken over het uniforme basispakket aan dienstverlening en de daarvoor geldende kwaliteitseisen en prestatie-indicatoren worden vastgelegd.
Deze overeenkomst die gesloten wordt tussen de directeur van RID en de algemeen directeuren van de deelnemers in hun rol van opdrachtgevers, wordt via een collectief opdrachtgeversoverleg, waarin alle deelnemers participeren, tot stand gebracht onderhouden. Ook al is de invullingsruimte voor de dienstverleningsovereenkomst beperkt omdat de bestuurlijke en financiële en kaders vastliggen in de tekst van de gemeenschappelijke regeling, de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten en de begroting, is dit toch de gewenste werkwijze. Dit vanwege de duidelijkheid die er mee gecreëerd wordt en de mogelijkheid de rolscheiding van eigenaar en opdrachtgever hiermee te expliciteren. Uitgangspunt is, dat de dienstverlening door de nieuwe organisatie zoveel als mogelijk plaats vindt op basis van een uniform basispakket. Dit heeft als voordeel dat de efficiency van de nieuwe organisatie geoptimaliseerd wordt. Om dit te realiseren moeten de opdrachtgevers intensief met elkaar optrekken en het eens worden over de kaders voor de taakuitvoering door de gezamenlijke ICT-organisatie. Deze afspraken worden vastgelegd in de dienstverleningsovereenkomst/Producten en Diensten Catalogus. De dienstverleningsovereenkomst bevat de belangrijkste inhoudelijke en procesmatige afspraken tussen de RID en de deelnemers. Hiermee ontstaat collectief opdrachtgeverschap voor het uniforme dienstverleningspakket.
Vanuit de eigenaren (het algemeen bestuur) kan er behoefte zijn aan een gezamenlijk advies vanuit de deelnemers over bijvoorbeeld de begroting, jaarstukken, verordeningen e,d. Artikel 8 lid 2.g biedt de mogelijkheid om hiervoor een commissie van advies in te richten. Dit vindt plaats in het Algemeen directeurenoverleg. Dit betekent dus het volgende:
Het Algemeen Directeurenoverleg is belast met:
a) Het adviseren van het dagelijks en het algemeen bestuur betreffende het eigenaarschap van de RID;
b) Het opdrachtgeverschap in het bepalen van het pakket van dienstverlening van de RID, binnen de door het AB gegeven financiële kaders;
Het opdrachtgeverschap voor de doorontwikkeling van de RID en advisering daarover aan het dagelijks en algemeen bestuur van de GR RID.