Gemeentelijke regelgeving

Vastgesteld ‘Beleidskader Zonne-energie 2021 Dantumadiel’

Gemeente Dantumadiel · geldt sinds 21 juni 2022

Aanhef

De raad van de gemeente Dantumadiel,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 23 november 2021;

Gelezen het voorstel van het presidium d.d. 7 december 2021;

gelet op het bepaalde in de artikelen 1:3 lid 4 en 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 108 en 147 van de Gemeentewet;

Besluit:

1In te stemmen met de reacties zoals opgenomen in de bijgevoegde en als zodanig gewaarmerkte ‘Reactienota Beleidskader Zonne-energie 2021 DAN’.

2Het bijgevoegde en als zodanig gewaarmerkte ‘Beleidskader Zonne-energie 2020 DAN (7.0 definitieve versie)’ vast te stellen.

Bijlage 3 Achtergrondinformatie bij landschappelijk beoordelingskader

A. Algemene dragers van landschapskenmerken

Ruimtelijke overgangen en contrasten

De ontwikkeling van Fryslân heeft een rijkdom aan verschillende en uitgesproken landschapstypen voortgebracht. Bij ingrepen is het uitgangspunt om de diversiteit van overgangszones en de ruimtelijke contrasten tussen deze landschapstypen herkenbaar en leesbaar te houden.

Grootschalige open gebieden

Grootschalige openheid en weidsheid of leegte van de open landschapstypen, de beleving van wind en ruimte zijn misschien wel de meest herkende landschappelijke kenmerken van Fryslân. De weilanden met los verspreide boerderijen zijn ook belangrijke componenten van de grootschalige openheid, zoals die ook te beleven is in de gebieden in de kleigebieden.

Watersystemen

Met betrekking tot het totaal aan watersystemen, van grootschalig tot zeer fijnmazig, van zout naar zoet, wordt voorgestaan dat zij een functie hebben of krijgen als onderdeel van een groter geheel. Het watersysteem van de Waddenzee is het belangrijkste onderdeel van het natuurlijke watersysteem.

Dijken

De op onderstaand kaartbeeld onderscheiden dijken hebben vanwege de heldere landschappelijke context een hoge belevingswaarde. Daarom is het van belang de directe omgeving van de dijk vrij te houden van ontwikkelingen die het beeld van deze dijken vertroebelen.

Reliëf

Het reliëf is de weerslag van de ontstaansgeschiedenis en de bruikbaarheid van de ondergrond. De verschillen binnen het reliëf zijn meestal miniem, waardoor het voortbestaan ervan zeer kwetsbaar is. Onder reliëf wordt het totaal aan zowel natuurlijk reliëf als kunstmatig reliëf verstaan: het aanwezige reliëf dient gerespecteerd te worden.

Verkaveling

De verkaveling houdt verband met het reliëf en laat zien hoe de ondergrond invloed had op het in cultuur brengen van een gebied. Verkavelingsvormen dragen bij aan de sfeer van een gebied en zijn belevingswaarde. De verkaveling is de onderlegger voor nieuwe ontwikkelingen, waarbij vooral richting (of het ontbreken ervan), vorm en verhouding belangrijke onderdelen van de ruimte zijn.

Nederzettingen, dorpen en steden in hun omgeving

Onder dit landschapskenmerk wordt de opbouw van de nederzettingen, dorpen en steden, inclusief de (agrarische) buurten en het afzonderlijke boerenerf verstaan met het accent op de wijze waarop zij contact maken met het omliggende landschap. Bij ontwikkelingen dienen de afleesbaarheid van het ontstaan en de ontwikkeling van de nederzetting in het landschap versterkt te worden.

B. Gebiedskenmerken per landschapstype

B1: Lauwersmeergebied

Het Lauwersmeergebied is van oorsprong een getijdendelta van hoge ouderdom. In de jaren zestig van de 20ste eeuw is de Lauwerszee afgesloten en is het Lauwersmeer ontstaan. Langs de voormalige zeedijk is er plaatselijke verdichting door bebossing en bebouwing. Deze bepalen samen met de oude zeedijken en de jonge zeepolderdijken, de natte graslanden en de landbouwpolders het beeld.

Ook het Dokkumer Grutdjip wordt tot dit deelgebied gerekend. Tot halverwege de 18de eeuw stond het Dokkumer Grutdjip onder invloed van de getijden, omdat het verbonden was met de toenmalige Lauwerszee en Waddenzee. Het stroomgebied van het Dokkumer Grutdjip is vrijwel onbebouwd, met uitzondering van enkele boerderijen op de terpen, kenmerkt zich door een grootschalige openheid en wordt begrensd door grillige dijken. De volgende gebiedshoedanigheden zijn hier te onderscheiden:

Grootschalige openheid Lauwerszeedijk

Kenmerken:

-De grootschalige openheid langs de voormalige Lauwerszeedijk met het bijbehorende waterstaatkundige erfgoed zoals dijken, sluizen en de bebouwing op en aan de dijk, inclusief de afsluitende dijk met sluizen aan de noordzijde.

Contrast Nieuwe Zee- of Buitendijk

Kenmerken:

-contrast in schaal tussen het oude en het nieuwe land;

-de compartimentering in het zuiden van het gebied, ontstaan door de aanleg van het dijkenstelsel.

Reliëf langs het Dokkumer Grutdjip

Kenmerken:

-het reliëf van de bedding van de voormalige getijdenstroom het Dokkumer Grutdjip;

-de aanwezige waterstaatkundige werken.

Open landschap met puntverdichtingen

Kenmerken:

-open en robuust landschap met daarin groene puntverdichtingen, zoals dorpen en boerderijerven.

B2: Kleigebied Oostergo

Aan de oostzijde van de voormalige Middelzee ligt het gebied van Oostergo, dat bestaat uit een brede kwelderwal met aan de zeezijde zeepolders en buitendijkse kwelders en landinwaarts het kleiterpen-landschap in de voormalige kweldervlakte. Ten oosten van deze zone ligt een overgang (wig) tussen de klei en het laagveen: het zogenaamde ‘klei-op-veengebied’. De volgende gebiedshoedanigheden zijn te onderscheiden:

Kwelderwal ten noorden van Leeuwarden

Kenmerken:

-het lineaire karakter van de kwelderwal;

-de ritmiek van de (terp)dorpen als leesbare, afzonderlijke eenheden op de wal met de openheid daartussen. De dorpen mogen niet aan elkaar vastgroeien;

-de dorpssilhouetten moeten herkenbaar blijven zonder dat “ruis” ontstaat tussen de dorpsranden en het omliggende landschap;

-het reliëf, zowel het natuurlijke reliëf (kreken en slenken) als het cultuurhistorische reliëf (zoals dijken, terpen en het bochtige karakter van het slenken- en prielenpatroon);

-de ruimte tussen de dorpen op de kwelderwal vrijhouden van beplanting.

Het systeem van zeedijken

Kenmerken:

-de afleesbaarheid en helderheid van de landschappelijke context van de dijklichamen.

Het open kleiterpenlandschap

Kenmerken:

-het open kleiterpenlandschap en de vrij lege kweldervlakte met terpen, radiaire terpdorpen (met kerk), terpnederzettingen (zonder kerk) en (veelal verhoogde) boerderijerven, en eendenkooien;

-het stelsel van geulen, kreken en prielen en de vaarten en opvaarten naar dorpen en boerderijen;

-de puntvormige verdichting in het landschap van (terp)dorpen waarbij het beeld wordt versterkt door:

-de ligging aan en/of begrenzing door waterlopen,

-de openbaarheid van (doorgaande) routes langs de oevers;

-de beplanting geconcentreerd in het dorp en bij de toegang tot het dorp.

Overgang klei – veen

Kenmerken:

-het grootschalig contrast tussen het kleigebied en het zandgebied van de wouden met daartussen de leegte van het klei-op-veengebied;

-de waardevolle niet bebouwde terreinen van de klei op veen-terpen;

-de stedenbouwkundige structuur van de dorpen, in dit gebied geconcentreerd radiair en lineair, in en vanaf de compacte dorpskernen, die water en dijken volgen;

-de verkaveling als onderlegger en basis bij ontwikkelingen.

B3: Noordelijke wouden

De Noordelijke Wouden maken deel uit van de noordwestelijke uitloper van het Drents Plateau. Zowel in de lagere delen als op de hogere delen met een dekzanddek komt een sterk microreliëf voor. In de Noordelijke Wouden liggen naar verhouding veel aardkundig waardevolle gebieden met pingoruïnes en dobben. Op de hogere zandgronden, waar de sloten ontbreken, vormen vanouds houtwallen de scheiding van de kavels. Op de lager gelegen gronden, waar watervoerende sloten aanwezig zijn, kenmerken elzensingels de slootkanten en daarmee de perceelsgrenzen. Het gebied is rijk aan waardevolle archeologische terreinen.

De nederzettingen met boerderijplaatsen hebben zich hier voornamelijk lineair ontwikkeld. In de hogere veengebieden heeft zich begin 20ste eeuw, na de afgraving van het veen, een specifieke vorm van bewoning ontwikkeld in de vorm van kleinschalige perceeltjes en intensieve bebouwing bestaande uit verspreid gelegen, kleine woningen en keuterboerderijen (heidedorpen). Op verschillende plaatsen is een aantal landgoederen en bossen aangelegd. Daarnaast zijn er enkele verveningsgebieden, met een strakke lineaire opbouw van bebouwing langs vaart en wijk.

De laagste delen van de Noordelijke Wouden worden gekenmerkt door openheid. Beplanting is door de hoge grondwaterstand vrijwel afwezig en bebouwing schaars. Deze open veenweidegebieden contrasteren sterk met het aangrenzende kleinschalige elzensingel- en houtwallenlandschap.

Kleinschaligheid singellandschap

Kenmerken:

-kleinschaligheid van het gebied met hoge dichtheid aan kavelgrensbeplanting van houtwallen en elzensingels en een dicht netwerk van kleinschalige infrastructuur (zandpaden en sloten);

-veenontginningsdorpen met verspreide bebouwing of dun bebouwde linten met een grillig verloop;

-in en nabij de dorpskernen dichter bebouwde linten en buurten;

-benutten en van functie blijven voorzien van de kleinschalige infrastructuur van de vele zandwegen en sloten in het gebied, zoals bijvoorbeeld die rond de Friese esdorpen en in de heideontginningsdorpen.

Beplantingsstructuren

Kenmerken:

de samenhang van historische wegen met bebouwingslinten en rijke schakeringen aan wegbeplanting in verschillende vormen: singels, bomen, hagen;

de bossen behorend bij landgoederen en overige landgoedbiotoop in samenhang met het landschap;

openingen in een bebouwingslint met doorzichten naar het landschap;

geen beplanting en bebouwing in de tussen de zandgronden gelegen lagere veenweidegebieden.

Herkenbaarheid kleinschalige ontginningen

Kenmerken:

-historische waarden, eenvoud en soberheid van de stedenbouwkundige context doen mee in de maat en schaal van deze gebieden en bebouwingen;

-de bebouwingsstructuur opgebouwd volgens een bepaald stramien en ritmiek.

Herkenbaarheid esgebied

Kenmerken:

-het reliëf en de landschapsstructuur van het esgebied rond Westergeest;

-de helderheid van het contrast tussen de landschapsstructuur van het esgebied en de regelmatige opstrekkende verkaveling in de woudontginningen.

Herkenbaarheid en beleefbaarheid van het natuurlijke reliëf

Kenmerken:

-het natuurlijke reliëf in de vorm van dekzandruggen, pingoruïnes en kleine stuifduinen in restanten van voormalige heidevelden.

Hoogveenontginningsgebieden

Kenmerken:

-het eigen karakter van de hoogveenontginningen: de langgerekte verkavelingsstructuur en de langgerekte bebouwings- en beplantingsstructuren;

-de samenhang tussen de bebouwingsstructuur en de waterstructuur;

-versterken en herkenbaar houden van de samenhang tussen de waterstructuren en de bebouwingsstructuur en bebouwingstypen zichtbaar houden;

Structuur heideontginningsgebieden

Kenmerken:

-karakteristieke blokvormige structuren en verkavelingen met verspreide bebouwing in de heideontginningsgebieden;

-een losse, ruim opgezette en ‘open’ structuur die ook nu nog goed herkenbaar is in de totale dorpsstructuur.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.