Aanhef
De raad van de gemeente Dalfsen;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 9 april 2019, nummer 924;
overwegende dat het huidige externe veiligheid 2015-2018 verlopen is;
gelet op de invoering van de Omgevingswet waar externe veiligheid onderdeel van gaat uitmaken;
om duidelijkheid van de status van het beleid te geven;
het beleid weer actueel te maken door en zeer kleine wijzigingen die zijn geweest in de wet- en regelgeving te verwerken;
b e s l u i t :
Het externe veiligheidsbeleid gemeente Dalfsen 2019 vast te stellen.
Externe Veiligheidsbeleid gemeente Dalfsen 2019
INHOUDSOPGAVE Blz.
0SAMENVATTING
1INLEIDING 7
1.1 Aanleiding 7
1.2 Doel van de visie 7
1.3 Aanpak 8
1.4 Invulling geven aan het externe veiligheidsbeleid 8
1.5 Relatie met andere plannen 8
1.6 Relaties met provinciaal beleid 9
1.7 Leeswijzer 10
2WAT IS EXTERNE VEILIGHEID? 11
2.1 Begrippen externe veiligheid 11
2.2 Te onderscheiden risicobronnen 12
3EXTERNE VEILIGHEID IN GEMEENTE DALFSEN 13
3.1 Bestaande risicobronnen 13
3.1.1 Inrichtingen (inrichtingen volgens de Wet milieubeheer/Wabo) 13
3.1.2 Vervoer van gevaarlijke stoffen 14
3.1.3 Ondergrondse buisleidingen 14
3.2 Ruimtelijk ontwikkelingsperspectief 15
3.3 Indeling in gebiedstypen 15
3.4 Externe veiligheid taakuitvoering en werkprocessen 16
4VISIE EN AMBITIE GEMEENTE DALFSEN 17
4.1 Inleiding visie op externe veiligheid 17
4.2 Uitgangspunten externe veiligheidsbeleid 17
4.3 Externe veiligheidsambities gemeente Dalfsen 18
4.3.1 Woongebieden 18
4.3.2 Bedrijventerrein 19
4.3.3 Overig gebied 20
4.4 Effectbenadering 21
4.5 Risicocommunicatie 21
5UITVOERING 22
5.1 Van ambities naar acties 22
5.2 Externe veiligheidstaken 22
5.3 Monitoring en bijsturing 25
Bijlagen
1Korte uitleg begrippen en normen externe veiligheid
2Verklarende woordenlijst en afkortingen
3Indeling in gebiedstypen
4Gemeentelijke risicokaart/ signaleringskaart
5Structuurvisie Kernen
6Overzicht van belangrijke wet- en regelgeving
Bijlage 1
Korte uitleg begrippen en normen externe veiligheid
Wat is externe veiligheid?
Externe veiligheid (ev) gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving die ontstaan bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en door buisleidingen. Ook de risico’s die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving, doordat veiligheidsafstanden tussen risicovolle activiteiten en bijvoorbeeld woningen nodig zijn. Aan de andere kant is het rijksbeleid er op gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd op elkaar.
In onderstaande tabel 1 worden een aantal voorbeelden gegeven van wat wel en wat niet binnen ‘externe veiligheid’ valt.
Tabel 1Voorbeelden wel/geen externe veiligheid
Externe veiligheid
Geen externe veiligheid
Bij de ontwikkeling van woonwijken voldoende afstand houden van hogedruk aardgastransportleidingen (v.v.).
Het verbieden van een voetbalwedstrijd om paniek in de menigte te voorkomen en te bestrijden.
Het aanwijzen van een zo veilig mogelijke transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg of water.
Het verbeteren van de verkeersveiligheid door het aanleggen van veiligere oversteekplaatsen.
Het opleggen van en toezicht houden op veiligheidsafstanden bij de opslag van vuurwerk.
Voorkomen van bos- en heidebranden door regelmatig onderhoud van bos- en heidegebieden.
Het (ver)plaatsen van bedrijven met een opslag van meer dan 10 ton gevaarlijke stoffen in emballage naar locaties op ruime afstand van woonwijken.
Het (ver)plaatsen van GSM- en UMTS-masten.
Om een beeld te schetsen hoe groot de kans op overlijden van een individu per jaar is, als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen, (externe veiligheid) is in de onderstaande tabel 2 de kans op overlijden bij diverse risicovolle activiteiten in het dagelijks leven weergegeven.
Tabel 2 De kans op overlijden bij diverse risicovolle activiteiten in het dagelijks leven
Activiteit
Kans op overlijden per jaar
Getroffen door neerstortend vliegtuig
1op de 10 miljoen
Verdrinking door dijkdoorbraak
1op de 10 miljoen
Sterven door bijensteek
1op de 5,5 miljoen
Getroffen door bliksem
1op de 2 miljoen
Externe veiligheid
1op de 1 miljoen (10-6)
Vliegen
1op de 814.000
Werk in een gemiddeld bedrijf
1op de 77.000
Lopen in het verkeer
1op de 54.000
Fietsen
1op de 26.000
Werk in landbouw en visserij
1op de 14.000
Autorijden
1op de 5.700
Brommer rijden
1op de 5.000
Roken (bij één pakje sigaretten per dag)
1op de 200
Veiligheid zo optimaal mogelijk
Door te investeren in veiligheidsmaatregelen, het aantal risicobronnen te beperken en de inrichting van de omgeving van risicobronnen aan te passen, wordt de veiligheid zo optimaal mogelijk gemaakt. Het volledig wegnemen van alle veiligheidsrisico’s is echter niet betaalbaar, niet praktisch uitvoerbaar en botst met het optimaal benutten van de beschikbare ruimte. Binnen de diverse taakgebieden van de landelijke, provinciale, regionale en gemeentelijke overheden dienen er continu afwegingen te worden gemaakt tussen veiligheid, haalbaarheid en kosten. Hierbij gaat het onder meer om taken op het gebied van ruimtelijke ordening, verkeer, milieu en rampenbestrijding. De onderlinge samenhang van de gemaakte afwegingen van verschillende taakvelden is hierbij van cruciaal belang. Hiertoe is een overkoepelend en samenhangend kader noodzakelijk, waarin het externe veiligheidsbeleid voorziet.
Begrippen en normen externe veiligheid
Mate van risico
De mate van risico is afhankelijk van twee aspecten, namelijk de kans op en het mogelijke effect van een ongeval. Onder de kans verstaan we de mogelijkheid dat zich een situatie voordoet waarbij bijvoorbeeld in een opslag van gevaarlijke stoffen een grote brand ontstaat. Aan de hand van ervaringscijfers en modellen is het mogelijk om een dergelijke kans te berekenen. Onder de effecten verstaan we binnen de externe veiligheidswetgeving uitsluitend het aantal acuut dodelijke slachtoffers van een ongeval, bijvoorbeeld het aantal personen dat bij een grote brand in een opslag van gevaarlijke stoffen wordt blootgesteld aan dodelijke concentraties van gevaarlijke dampen. Dat naast dodelijke slachtoffers ook een groot aantal gewonden kan vallen wordt in de risiconorm niet meegenomen. Uiteraard is dit aantal gewonden voor de hulpdiensten (bijvoorbeeld brandweerof ambulancediensten.) wél erg relevant.
In Nederland worden twee maten gehanteerd voor het risico, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Plaatsgebonden risico (PR)
Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een (denkbeeldig) persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of aan beide zijden langs de transportas.
Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk aanwezige) groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt weergegeven als een grafiek met het aantal personen op de horizontale as en de cumulatieve kans op overlijden op de verticale as.
Vanuit het besef dat er altijd veiligheidsrisico’s zullen bestaan, maar dat er wel een norm gesteld moet worden voor de grootte van de risico’s, heeft de Rijksoverheid grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden gesteld.
Landelijke normen
De normen voor de toegestane risico’s als gevolg van ongevallen met gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving
7Zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire RisicoNormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (dit is de voorloper van het nieuw te ontwikkelen wettelijk besluit transportroutes externe veiligheid) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
.
Plaatsgebonden risico (PR)
De normering voor het plaatsgebonden risico is afhankelijk van de aard van het te beschermen object. Hierbij wordt in wet- en regelgeving onderscheid gemaakt tussen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. De norm voor kwetsbare objecten (zoals woningen en ziekenhuizen) is een grenswaarde (waaraan moet worden voldaan). De norm voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleinere kantoorgebouwen of bedrijfsgebouwen) is een richtwaarde (hieraan moet zoveel mogelijk worden voldaan).
Grenswaarde en richtwaarde
De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten is 10-6 per jaar.
De richtwaarde voor het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten is 10-6 per jaar.
Dus: de kans dat een (denkbeeldig) persoon die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een bedrijfs- of transportongeval, mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar (dat is 10-6 per jaar).
Groepsrisico (GR)
Voor het groepsrisico is een oriënterende waarde vastgelegd. Dit houdt in dat de gemeente hier gemotiveerd van kan afwijken. Een toename van het groepsrisico is, ook al bevindt het risico zich boven of onder de oriënterende waarde, gebonden aan een verantwoordings-plicht.
De oriënterende waarde voor het groepsrisico voor inrichtingen (puntbronnen)
8Voor mobiele bronnen (vervoer gevaarlijke stoffen) geldt dat voor: 10 dodelijke slachtoffers is de oriënterende waarde eens in de tienduizend jaar (10-4), voor 100 dodelijke slachtoffers is de oriënterende waarde eens in de miljoen jaar (10-6) en voor 1.000 dodelijke slachtoffers is de oriënterende waarde eens in de honderd miljoen jaar (10-8).
is hieronder weergegeven.
Oriënterende waarde
De kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers is ten hoogste 10-5 per jaar.
De kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers is ten hoogste 10-7 per jaar.
De kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers is ten hoogste 10-9 per jaar.
Dus: hoe groter de potentiële omvang van de ramp, hoe strenger de oriënterende waarde. Immers, een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met tien dodelijke slachtoffers. Dit is naar normering vertaald door aan de kans op een ramp met 100 doden een grens te stellen - de oriënterende waarde - die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met tien doden. Dus voor 10 dodelijke slachtoffers is de oriënterende waarde eens in de honderdduizend jaar (10-5), voor 100 dodelijke slachtoffers is de oriënterende waarde eens in de tien miljoen jaar (10-7) en voor 1000 dodelijke slachtoffers is de oriënterende waarde eens in de miljard jaar (10-9).
Figuur 1: Groepsrisicocurve
Kanttekeningen bij de normen voor risico’s
De normen voor risico’s sluiten lang niet altijd aan bij de wijze waarop burgers risico’s beleven. Zo is de kans op een dodelijk verkeersongeluk voor de gemiddelde burger veel groter dan de kans om slachtoffer te worden van een ramp met gevaarlijke stoffen. Toch achten veel burgers, mede vanwege vrije keuzes van deelname en de lagere aantallen slachtoffers, de risico’s van het verkeer acceptabeler. Bij externe veiligheid gaat het immers om kleine kansen, maar grote gevolgen. Bovendien zijn veel risico's niet of nauwelijks te berekenen omdat er onvoldoende ervaringsgegevens beschikbaar zijn.
Beoordeling effecten
Zoals hierboven aangegeven wordt in de risiconormering alleen gekeken naar het directe aantal dodelijke slachtoffers. Ook als wordt voldaan aan de landelijke normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, kan een calamiteit nog altijd zeer veel gewonden en zieken tot gevolg hebben. Daarom is het van belang om naast aandacht voor de risico’s ook de mogelijke effecten te beschouwen, zodat ook de mogelijkheden voor beperking, beheersing en bestrijding van deze effecten aan bod komen.
Effectbenadering
9Met de term ‘effect’ wordt bij PR en GR specifiek gezondheidseffecten voor mensen bedoeld. Bij de effectbenadering kan mogelijk een bredere definitie worden gebruikt. Zie ook paragraaf 3.6 over de effectbenadering.
Effectbenadering heeft als doel om de als gevolg van een calamiteit te verwachten effecten in kaart te brengen en zodanig maatregelen te treffen dat deze effecten beheersbaar en bestrijdbaar zijn door de hulpdiensten.
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst en afkortingen
Bestaande situaties
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van het Bevi:
•geldende Wm-vergunning (thans omgevingsvergunning);
•vastgesteld bestemmingsplan of vrijstellingsbesluit op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten is toegelaten;
•aanwezige kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
(Zie ook nieuwe situaties)
Bevoegd gezag
Het bevoegd gezag is de overheidsorganisatie die verantwoordelijk is voor de naleving van bepaalde wetgeving. In de regel is de gemeente of de provincie het bevoegd gezag, maar een waterschap of een ministerie kunnen ook bevoegd gezag zijn. Deze verantwoordelijkheid kan bestaan uit het afgeven van vergunningen, maar kan ook bestaan uit de handhaving en het vaststellen van een bestemmingsplan. Dat is zorgen dat de regels worden nageleefd. Beheerders van (water)wegen, concessiehouders van buisleidingen en bedrijven zijn echter op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de veiligheid en het naleven van de regels.
BRZO-inrichting
In het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO 1999) staan criteria die aangeven welke bedrijven een risico van zware ongevallen hebben. Dit hangt samen met de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Voor deze bedrijven gelden strengere regels dan normaal. Er wordt binnen de groep BRZO-bedrijven nog onderscheid gemaakt tussen een zware en een lichtere categorie. De lichtere categorie wordt ook wel PBZO (preventiebeleid zware ongevallen)-bedrijven genoemd, omdat ze een preventiebeleid moeten hebben en een veiligheidsbeheersysteem (VBS). Voor bedrijven van de zware categorie geldt dit ook, maar deze moeten tevens een risicoanalyse uitvoeren en een veiligheidsrapport (VR) opstellen. Die bedrijven worden daarom ook wel VR(plichtige)-bedrijven genoemd.
Drempelwaardenlijst
Het ministerie van Binnenlandse Zaken en het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu hebben in overleg met het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een tabel met drempelwaarden vastgesteld die bepaalt wanneer een inrichting ‘Risicokaart-relevant’ is. Deze drempelwaarden geven in feite aan wanneer een stationaire risicosituatie met gevaarlijke stoffen een zodanig verhoogd gevaar heeft dat het relevant wordt geacht, dat deze is te zien op de publieke Risicokaart. Het basiscriterium voor deze 'drempelwaarden Risicokaart-relevant' is dat er bij de betreffende hoeveelheid gevaarlijk stof een effectafstand letaal (op basis van 1% letaliteit) van 50 meter of meer mogelijk wordt geacht. Dit basiscriterium gaat niet altijd op. Er zijn stofcategorieën waarbij, uit praktische overwegingen, voor een andere drempelwaarde is gekozen. De grondslag van de drempelwaardenlijst is per stofcategorie vermeld in het achtergronddocument horend bij de Leidraad-GS.
Effect
De effecten ten gevolge van:
•explosie: het ontstaan van een drukgolf en/of warmtestraling;
•brand;
•toxisch: gevaar van vergiftiging door giftige gassen of dampen.
Effectgebied
Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt. Om te bepalen hoe groot dit gebied is, wordt gebruik gemaakt van de alarmeringsgrenswaarde (schade voor mensen). De kans dat een ongeluk gebeurt, is in het effectgebied niet verrekend. Dat is het belangrijkste verschil met risicocontouren.
Explosie
Een explosie of ontploffing geeft een korte maar krachtige drukgolf en een kortdurende, hevige warmtestraling. Dit zijn de belangrijkste veroorzakers van letsel bij mensen in de buurt van een explosie. Ook brokstukken als bijvoorbeeld glasscherven, die door de drukgolf rondvliegen, kunnen levensgevaarlijke verwondingen veroorzaken. Explosies kunnen optreden bij:
•brandbaar gas: bijvoorbeeld aardgas, propaan, butaan of LPG;
•sommige vluchtige vloeistoffen;
•patronen en andere munitie;
•professioneel en consumentenvuurwerk;
•sommige producten, zoals geconcentreerde kunstmest;
•stof van bijvoorbeeld voedingsmiddelen, graan of hout.
Gevaarlijke stoffen
Gevaarlijke stoffen zijn stoffen waarvan het gebruik, het transport of de opslag, risico’s met zich meebrengt. Het kan gaan om explosiegevaar, brand, giftigheid of radioactiviteit. De gevaren zijn vaak de keerzijde van nuttige eigenschappen van die stoffen. Het zijn vaak brandstoffen, grondstoffen voor nuttige producten zoals medicijnen, kunststoffen en kunstmest of hulpstoffen die voor allerlei doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld voor koelen, reinigen of conserveren. Daarnaast kan het ook om afvalstoffen gaan.
Grenswaarde
Grenswaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer. Van een grenswaarde mag niet worden afgeweken.
Groepsrisico (GR)
Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Anders gezegd geeft het groepsrisico weer wat de kans is op het overlijden van een groep personen ten gevolge van een ongeval bij een bedrijf. Voor het groepsrisico is geen grenswaarde vastgesteld
Informatie Systeem Overige Ramptypen
Naast het registeren van gegevens in het RRGS is het bevoegd gezag verplicht om het
Informatiesysteem Overige Ramptypen (ISOR) bij te houden. De uitwerking van de
registratieplicht is opgenomen in de Ministeriële regeling ‘Provinciale risicokaart’. Actualisatie en beheer van de gegevens in het ISOR berust bij gemeenten. Tot 1 januari 2014 was deze taak belegd bij de Brandweer. Echter, na de overgang van de gemeentelijke brandweer naar de Veiligheidsregio is nog niet duidelijk wie verantwoordelijkheid is / wordt voor het ISOR-beheer. Veiligheidsregio, provincie en gemeenten zijn hierover nog in gesprek. Voor de invoer van de ‘overige ramptypen’ dient de Leidraad Risico Inventarisatie - Overige Ramptypen (LRI-OR) toegepast te worden.
Inrichting
Het woord inrichting komt onder andere uit de Wet milieubeheer (art. 1.1). Het betreft bedrijven die vallen onder het Activiteitenbesluit of inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is.
Invloedsgebied
Gebied waarin, volgens bij regeling van de minister vast te stellen regels, personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bij bedrijven is het gebied tot de 1% letaliteitsgrens, behalve voor LPG-tankstations, waar de grens van het invloedsgebied op 150 meter is gesteld. Deze 1%-letaliteitgrens geeft de afstand aan van de risicovolle inrichting of transportroute tot een punt waarbij een daar aanwezige persoon nog een kans van 1% heeft om te overlijden ten gevolge van een ongeval binnen die inrichting.
Kans op dodelijke slachtoffers
Bij het externe veiligheidsbeleid wordt gesproken over risico’s. Hierbij gaat het om de kans dat er een ongeval gebeurt waarbij het effect is dat er dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Het gaat hierbij om slachtoffers die direct en binnen twee à drie weken overlijden ten gevolge van dat ongeval. Naast het effect dat er dodelijke slachtoffers kunnen vallen, kunnen er ook veel gewonden zijn.
Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt. De effectbenadering is dan ook vooral van belang bij de repressietaak van de hulpverleningsdiensten, want het geeft het gebied aan waarbinnen zij moeten optreden. Over het algemeen kan het aantal gewonden worden gekoppeld aan het aantal dodelijke slachtoffers, aangezien door het beperken van de kans op dodelijke slachtoffers tevens de kans op gewonden wordt verkleind. Ook de voorbereiding op en de bestrijding van de effecten van een ongeval en de nazorg hebben zowel betrekking op gewonden als op dodelijke slachtoffers.
Zie verder bij plaatsgebonden risico en bij risicocontour.
Kwetsbaar object en beperkt kwetsbaar object
In het Bevi zijn niet-limitatieve definities opgenomen van de begrippen beperkt kwetsbaar en kwetsbaar object.
Nieuwe situaties
Het betreft situaties ná inwerkingtreding van het Bevi (27 oktober 2004):
•het oprichten van een inrichting;
•het veranderen van een bestaande inrichting waarvoor een omgevingsgunning nodig is en waarbij de verandering nadelige gevolgen heeft voor het Plaatsgebonden Risico;
•een bestemmingsplan dat wordt vastgesteld of herzien (inclusief de goedkeuring ervan);
•een vast te stellen wijzigings-, uitwerkings- of vrijstellingsbesluit en de in verband daarmee af te geven verklaring van geen bezwaar;
•besluiten die betrekking hebben op vervangende nieuwbouw en opvulling van gaten binnen aaneengesloten bebouwing in bestaand stedelijk gebied.
(Zie ook bestaande situaties)
Ontruimingsplan
Een ontruimingsplan geeft aan hoe een ontruiming van een gebouw of een terrein moet plaatsvinden. De overheid eist in bepaalde gevallen een ontruimingsplan van bedrijven. Het gaat daarbij uiteraard om de veiligheid van groepen mensen die aanwezig kunnen zijn.
Oriëntatie waarde
Betreft een toetsingswaarde (die het karakter heeft van een oriëntatie waarde), waarvan het bevoegd gezag gemotiveerd mag afwijken. Een oriëntatie waarde heeft in tegenstelling tot een grens- en richtwaarde geen juridische status.
Plaatsgebonden Risico (PR)
Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft.
Plasbrandaandachtsgebied
Gebied tussen de PR-contour en 30 (spoor/weg) meter waarbij in RO-plannen rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.
Ramp
Volgens de Wet rampen en zware ongevallen is een ramp of zwaar ongeval een gebeurtenis:
1waardoor een ernstige verstoring van de openbare veiligheid is ontstaan, waarbij het leven en de gezondheid van vele personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate worden bedreigd of zijn geschaad, en
2waarbij een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.
Regionaal Crisisplan
Veiligheidsregio IJsselland is verplicht om een crisisplan te maken1. Het crisisplan vervangt sinds enkele jaren de gemeentelijke rampenplannen en beschrijft hoe de crisisorganisatie bij een incident, ramp of crisis functioneert. Dit om zoveel mogelijk schade en slachtoffers te voorkomen en om de maatschappelijke ontwrichting zo veel mogelijk te beperken. De overheid speelt hierin een belangrijke rol, maar heeft geen monopolie. Ook crisispartners, inwoners, bedrijven en instellingen in de regio hebben een belangrijke rol in het beheersen van de crisis en het verminderen van schade en slachtoffers.
Het crisisplan omvat een beschrijving van:
•de crisisorganisatie;
•de verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden;
•de maatregelen en voorzieningen die de gemeenten in de regio IJsselland treffen bij de bestrijding van rampen en crises;
•de afspraken met andere partijen die bij een incident, ramp of crisis betrokken zijn.
De risico’s voor Veiligheidsregio IJsselland zijn beschreven in het Regionaal Risicoprofiel. Het profiel is gebaseerd op de lokale risico’s.
Het crisisplan beschrijft een generieke aanpak en is toepasbaar op alle risicotypen. Aanvullend op het crisisplan zijn er rampbestrijdingsplannen en informatiekaarten. Veiligheidsregio IJsselland kent rampbestrijdingsplannen voor de volgende risico-objecten:
•Gasunie, Ommen;
•Akzo Polymer & Functional Chemicals, Deventer;
•Argos, Zwolle;
•Hardix, Kampen;
•Salland Oil, Kampen;
•KernKraftwerk Emsland (Duitsland).
Register risicosituaties gevaarlijke stoffen
Het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS) is een centraal landelijk register met gegevens over risicosituaties die in Nederland bestaan rond het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze gegevens worden beheerd door het RIVM en via internet op een risicokaart gepresenteerd. Daarnaast worden deze gegevens gebruikt in plaatselijke risicokaarten die ook andere risicosituaties tonen.
Richtwaarde
Richtwaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ten aanzien van het niveau van het plaatsgebonden risico. Van een richtwaarde mag slechts om gemotiveerde redenen worden afgeweken.
Risicobron
De plaatsen waar risico's vandaan (kunnen) komen, worden risicobronnen genoemd. Het betreft hierbij:
•bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden gemaakt, gebruikt of opgeslagen;
•routes en pijpleidingen waarover of -door gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.
Risicocontouren
Een risicocontour geeft aan hoe hoog in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron. Deze contourlijnen kan men vergelijken met de gewone hoogtelijnen op een kaart: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner.
Risicokaart
Een risicokaart laat zien waar risicobronnen liggen. Het gaat daarbij om risicobronnen waardoor mensen direct letsel kunnen oplopen, bijvoorbeeld gevaarlijke stoffen en andere relevante risico's, zoals overstromingen. In totaal kunnen de risico's van een dertiental verschillende ramptypen op kaart worden getoond. Maar er zijn ook risicokaarten waarop alleen risicosituaties met gevaarlijke stoffen staan.
Route gevaarlijke stoffen
Voor de routering van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang. Alle rijkswegen en de meeste provinciale wegen zijn op genomen in de Basisnet. Daarin staan per weg en/of spoorvak de maximale hoogte van het groepsrisico. De wegen in het Basisnet vallen voor de routering onder het rijk als bevoegd gezag. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen, gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Redenen voor routering zijn bijvoorbeeld kwetsbare situaties, zoals dichte bebouwing, de aanwezigheid van een ziekenhuis of de ligging van een waterwingebied. De gemeente kan vervolgens ook een ontheffing verlenen aan bedrijven als deze hiertoe een verzoek indienen.
Transportroute
Transport van gevaarlijke stoffen vindt vooral plaats over de weg, over het water, per spoor en door buisleidingen.
Veiligheidsrapport
De meest gevaarlijke bedrijven die vallen onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO 1999), moeten een veiligheidsrapport opstellen. In het veiligheidsrapport moet onder andere worden aangetoond dat:
•een preventiebeleid en een veiligheidsbeheerssysteem zijn ingevoerd;
•gevaren zijn geïdentificeerd en doeltreffende maatregelen zijn genomen;
•de installatie en de bedrijfsvoering voldoende veilig en betrouwbaar zijn.
Zelfredzaamheid
Zelfredzaamheid is de mate waarin de aanwezigen (bewoners, werkenden en bezoekers) zich op eigen kracht in veiligheid kunnen brengen. Voorbeelden van aspecten die de zelfredzaamheid beïnvloeden zijn:
•preventieve voorlichting/communicatie in de richting van bewoners;
•de planning van functies van gebouwen met gebruikers met een hoge dan wel een verminderde zelfredzaamheid;
•infrastructurele voorzieningen om de gevarenzone te ontvluchten, vluchtrichtingen, e.d;
•maatregelen voor het alarmeren en informeren van bewoners;
•mogelijkheden om bouwwerken via maatregelen beter te beveiligen, zoals de ventilatie van af te sluiten ruimte te controleren en te reguleren.
Bijlage 3
Indeling in gebiedstypen
Woongebied = binnen zwarte lijn in oranje
Bedrijventerrein = binnen zwarte lijn in grijs
Overige gebied = de rest
Bijlage 4
Gemeentelijke risicokaart/ signaleringskaart
Plaatsgebonden risico (PR) = rood/ rode plus
Invloedsgebied voor groepsrisico (GR) = roze- oranje
Advieszone Veiligheidsregio (effectgebied) = geel
Externe veiligheid speelt geen rol = rest van het grondgebied = groen
Bijlage 5
Structuurvisie Kernen
Bijlage 6
Overzicht van belangrijke wet- en regelgeving
Naam + afkorting
Inhoud/ relevantie voor gemeenten
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) regelt de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is één geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu. Onder andere de volgende vergunningen zijn opgenomen in de omgevingsvergunning: milieuvergunningen, bouwvergunningen, sloopvergunningen, monumentenvergunning, huisvestingsvergunning, gebruiksvergunning en afvalbeschikking.
Wet milieubeheer (Wm)
Op grond van deze wet verstrekt de gemeente omgevingsvergunningen milieu aan bedrijven en houdt toezicht op de naleving van milieuvergunningen. Eén van de aspecten waar bij de afhandeling van een aanvraag om vergunning rekening mee wordt gehouden, is externe veiligheid.
Wet ruimtelijke ordening (Wro)
Hoe ruimtelijke plannen tot stand komen en gewijzigd worden, is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze wet bepaalt de taken van het bevoegd gezag en de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen. De Wro regelt o.a. de plaatsing van risicobronnen en risico-ontvangers ten opzichte van elkaar (‘goede ruimtelijke ordening’). Gemeenten hebben in het kader van deze wet duidelijke bevoegdheden en taken.
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs)
Wet in het kader van internationale vervoersvoorschriften (ADR/ADNR/RID). De Wvgs is een integrale kaderwet voor de routering van vervoer gevaarlijke stoffen. De gemeenten zijn bevoegd om vervoer gevaarlijke stoffen over wegen binnen het gemeentelijk grondgebied te routeren. Daarmee worden transporteurs verplicht bepaalde routes te volgen.
Wet basisnet
Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd
Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt.
Wet veiligheidsregio’s (Wvr)
Deze wet is in werking getreden op 1 oktober 2010. Belangrijke wettelijke taak voor gemeenten (Raad) is het wel/niet leveren van zienswijzen op het risicoprofiel. Vervolgens wordt de gemeente betrokken bij het opstellen van het veiligheidsregionaal beleidsplan en crisisplan. Hoewel voor wat betreft de verplichting om over risico’s te communiceren lijkt te zijn overgegaan van de gemeente naar de veiligheidsregio, ligt er wel degelijk een rol voor de gemeente om aan deze taak invulling te geven.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Dit besluit stelt veiligheidsnormen vast ten aanzien van bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het verplicht gemeenten vanaf 27 oktober 2004 bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor activiteit milieu en het maken en goedkeuren van ruimtelijke plannen rekening te houden met externe veiligheid. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen. De gemeente dient dit besluit toe te passen bij milieuvergunningverlening en ruimtelijke besluiten.
Besluit risico´s zware Ongevallen (BRZO ’99)
Met het inwerkingtreden van het BRZO 1999 heeft Nederland het grootste deel van de Seveso-richtlijn in Nationale wetgeving vastgelegd. Het BRZO’99 stelt eisen aan het veiligheidsbeleid van bedrijven die op grote schaal met gevaarlijke stoffen werken. Dit besluit heeft als doel mens en milieu te beschermen tegen ernstige ongevallen met gevaarlijke stoffen door dergelijke ongevallen zoveel mogelijk te voorkomen en bij ongevallen de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken. Indien de gemeente het bevoegd gezag is, is zij verantwoordelijk voor Wm-vergunningverlening en het toezicht bij dit type bedrijven. Dit houdt tevens de volgende activiteiten in: beoordeling veiligheidsrapporten, uitvoeren inspecties, opstellen bestuurlijk inspectieprogramma en aanwijzing domino-bedrijven.
Regeling externe veiligheid Inrichtingen (Revi)
In deze regeling zijn regels opgenomen voor de afstanden en berekening van het plaatsgebonden- en groepsrisico ter uitvoering van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Bovendien wijst de regeling een aantal categorieën van bedrijven aan waarop het Bevi van toepassing is. De gemeente dient deze regeling toe te passen bij haar taken op het gebied van ruimtelijke ordening en milieuvergunningverlening.
Regeling provinciale risicokaart (Rpr)
In de ministeriële regeling provinciale risicokaart staat omschreven welke verantwoordelijkheden gemeenten en provincie hebben bij het vullen en bijhouden van de risicokaart. Deze regeling heeft een directe relatie met de Wet veiligheidsregio’s hangt nauw samen met het REV.
Registratiebesluit externe veiligheid (REV)
In het Registratiebesluit worden overheden verplicht om risicosituaties met gevaarlijke stoffen te melden in het landelijke Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen. Gemeenten dienen dit systeem te vullen en actueel te houden. In het register is beschreven welke informatie in het landelijk register voor gevaarlijke situaties als gevolg van opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen vermeld moeten worden. Het register heeft een directe link met de provinciale risicokaart.
Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik 2006
Deze circulaire geeft regels voor de opslag van munitie en kruit voor civiel gebruik. Het gaat hierbij specifiek om de veiligheidszones die dienen te worden gehanteerd. De gemeente dient deze circulaire te gebruiken bij besluitvorming op het gebied van ruimtelijke ordening en in het kader van de Wet milieubeheer.
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden de gemeente moet aanhouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
Circulaire Van Houwelingen 1988
Deze circulaire geeft de regels voor de opslag van munitie en kruit voor militair gebruik (dus voor complexen van het ministerie van Defensie). Het gaat hierbij specifiek om de veiligheidszones die dienen te worden gehanteerd. De gemeente dient deze circulaire te gebruiken bij besluitvorming op het gebied van ruimtelijke ordening.
Publicatiereeks gevaarlijke stoffen 2005-ev (PGS)
De publicatiereeks Gevaarlijke stoffen (PGS) vervangt de voormalige CPR-richtlijnen. Deze worden gebruikt bij vergunningverlening en algemene regels op grond van de Wet milieubeheer en bij arbeids-, transport- en brandveiligheid. De gemeente dient deze richtlijnen te gebruiken bij besluitvorming over vergunningverlening en handhaving.
Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev)
Het Btev geeft de kaders weer voor het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en waterwegen. Het Btev is primair van toepassing op de rijksinfrastructuur, die t.z.t. onderdeel uitmaakt van de Basisnetten Weg, Water en Spoor. Het bevat vaste afstanden voor het plaatsgebonden risico (PR), vaste invoergegevens voor de berekening van het groepsrisico (GR) en de aanwijzing van plasbrandaandachtsgebieden.