Aanhef
Inleiding
De uitgaven en inkomsten van de gemeente lopen niet synchroon in tijd. Soms leent de gemeente geld om tijdig betalingen te kunnen verrichten en soms heeft ze een (tijdelijk) overschot aan liquide middelen. Al deze inkomende en uitgaande geldstromen lopen via de treasuryfunctie.
Vanaf 2001 vindt de uitvoering van de treasuryfunctie plaats binnen de kaders die zijn vastgelegd in de Wet financiering decentrale overheden, afgekort Wet fido. In deze wet zijn regels opgenomen voor de inrichting en uitvoering van de treasuryfunctie bij decentrale overheden. In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeente regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie moet vastleggen.
Om de activiteiten op het gebied van de treasury op een transparante en beheersbare manier in te richten heeft de gemeente op basis van de regelgeving een aantal instrumenten tot haar beschikking:
•Treasurystatuut (in het vervolg Statuut).
In het Statuut worden de regels uit de wetgeving voor een goede uitvoering van de treasuryfunctie nader uitgewerkt. Deze uitgewerkte regels worden door de gemeenteraad vastgesteld en vormen het kader waarbinnen het college van Burgemeester en Wethouders de treasuryfunctie kan inrichten. De inrichting van de functie vindt plaats door het opstellen van het Besluit uitvoering Treasury.
•Besluit uitvoering treasury (in het vervolg Besluit).
In het Besluit staat beschreven wat de taken en bevoegdheden van het college van Burgemeester en Wethouders zijn en welke taken aan de ambtelijke organisatie toebehoren.
•Treasurywerkboek.
In dit boekwerk worden de stappen van ieder afzonderlijk proces binnen de treasuryfunctie beschreven.
•Paragraaf financiering.
Jaarlijks wordt bij zowel de begroting als de jaarrekening een paragraaf financiering geschreven. In deze paragraaf komt het concrete beleid aan de orde, waarbij de nadruk in de begroting op de plannen voor de toekomst worden gelegd en in de jaarrekening op de verantwoording van het afgelopen jaar.
De treasuryfunctie van de gemeente Culemborg wordt gemandateerd aan de door de Bedrijfsvoeringsorganisatie West-Betuwe (BWB) aangewezen senior financieel expert treasury of diens vervanger (in het vervolg Treasurer).
2. Treasurystatuut
2.1. Algemene doelstellingen van de treasuryfunctie
Artikel 1.
De treasuryfunctie van de gemeente dient tot:
1Het verzekeren van duurzame toegang tot financiële markten tegen acceptabele condities.
2Het beschermen van gemeentelijke vermogens- en renteresultaten tegen ongewenste financiële risico’s.
3Het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities.
4Het renterisico beperken en een zo gunstig mogelijk renteresultaat behalen binnen de wettelijke kaders en de limieten en richtlijnen van dit Statuut. Het bereiken van een zo gunstig mogelijk renteresultaat dient afgewogen te worden tegen eventuele risico’s die zich kunnen voordoen.
5Het genereren van informatie ter ondersteuning van het te voeren treasurybeleid en de af te leggen verantwoording over het gevoerde beheer.
6Bij het aantrekken en uitzetten van financiële producten worden – voor zover dat mogelijk is – partijen benaderd die streven naar duurzaamheid en in hun handelen rekening houden met effecten op het terrein van de natuurlijke leefomgeving (milieu), met sociale gevolgen en met de doelstellingen van goed bestuur .
7Het voorkomen van over- en onderfinanciering.
8Waarborgen dat de taken en verantwoordelijkheden op het gebied van treasury transparant worden uitgevoerd.
9Het toezien op een gezonde balansstructuur en op een efficiënt betalingsverkeer.
2.2. Risicobeheer
Artikel 2.
Om de risico’s te beheersen gelden de onderstaande uitgangspunten:
1De gemeente mag leningen, rekening-courantverstrekkingen of garanties uitsluitend uit hoofde van de publieke taak tegen acceptabele voorwaarden aan derde partijen verstrekken. Vooraf wordt bij de Treasurer advies ingewonnen over de financiële positie en de kredietwaardigheid van de betreffende tegenpartij.
2In overeenstemming met de wet Fido bepaalt de gemeenteraad binnen het kader van de wet- en regelgeving gemotiveerd en transparant wat onder een publieke taak dient te worden verstaan.
3In de treasuryparagraaf van de begroting wordt aangegeven bij welke instellingen uit hoofd van de publieke taak de gemeente het voornemen heeft middelen uit te zetten en wordt de keuze voorzien van een onderbouwing. In de treasuryparagraaf bij de jaarrekening wordt aangegeven of zich in het verslagjaar belangrijke ontwikkelingen in de kredietwaardigheid van de betreffende instellingen hebben voorgedaan.
4De derde partijen aan wie leningen, rekening-courantverstrekkingen of garanties zijn verstrekt, moeten jaarlijks een jaarverslag bij de gemeente indienen. Ook moeten de saldobevestigingen van de gewaarborgde geldleningen aan de gemeente verstrekt worden.
5De gemeente kan middelen uitzetten uit hoofde van de treasuryfunctie indien deze uitzettingen een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Het prudente karakter van deze uitzettingen wordt gewaarborgd door middel van de richtlijnen en limieten van dit Statuut en de Wet fido.
6Overtollige middelen worden conform de Wet Schatkistbankieren uitsluitend uitgezet bij de Nederlandse Staat, lagere Nederlandse overheden en overheidsinstanties, zoals gemeenschappelijke regelingen en gemeentelijke diensten, rekening houdend met het gestelde in artikel 2 lid 5.
7Het gebruik van derivaten is niet toegestaan.
8Beleggingen in onroerend goed is uit het oogpunt van het te lopen risico niet toegestaan.
9Beleggingen in aandelen, opties en vreemde valuta zijn niet toegestaan, met uitzondering van de aankoop van aandelen in het kader van de publieke taak.
10De gemeente verstrekt geen leningen aan (voormalig) gemeentepersoneel of (voormalig) politieke ambtsdragers. Bestaande overeenkomsten worden gerespecteerd.
Renterisicobeheer
Renterisico is het gevaar van ongewenste effecten op de financiële resultaten van de gemeente die voortvloeien uit renteontwikkelingen. Het beleid van het renterisicobeheer is gericht op een spreiding van toekomstige renterisico’s op korte en lange termijn.
De Wet fido geeft voor het beheersen van de renterisico’s concrete richtlijnen, namelijk de kasgeldlimiet en de renterisiconorm.
Artikel 3.
De gemeente voert het renterisicobeheer als volgt uit:
1Rente-instrumenten worden uitsluitend toegepast voor het verminderen of spreiden van het renterisico.
2Het te voeren en gevoerde beleid met betrekking tot het renterisicobeheer wordt toegelicht in de treasuryparagraaf van de begroting, de jaarrekening en – eventueel – in tussentijdse rapportages.
3De gemeenteraad stelt jaarlijks in de treasuryparagraaf van de begroting een rentevisie vast, die gebaseerd is op de rentevisie van tenminste één vooraanstaande financiële instelling.
4Het renterisico op de korte schuld bedraagt maximaal de kasgeldlimiet volgens de Wet fido, tenzij de toezichthouder ontheffing heeft verleend.
5Het renterisico op de lange schuld bedraagt maximaal de renterisiconorm volgens de Wet fido.
6Nieuwe leningen, uitzettingen of vervroegde aflossingen van bestaande leningen worden afgestemd op de bestaande financiële positie van de gemeente, op de opgestelde liquiditeitsplanning en op de actuele rentestand.
7De gemeente streeft naar spreiding in de rentetypische looptijd van de aangetrokken middelen en uitzettingen. De spreiding wordt afgestemd op de actuele rentestand en de rentevisie.
Koersrisico
Koersrisicobeheer is het beheersen van de risico’s die voortvloeien uit de mogelijkheid dat de financiële vaste activa (aandelen, verstrekte geldleningen en bijdragen in investeringen van derden) van de gemeente in waarde verminderen door negatieve (koers)ontwikkelingen.
Artikel 4
1Om de koersrisico’s bij uitzettingen uit hoofde van treasury te vermijden, wordt uitsluitend gebruik gemaakt van producten zoals genoemd in artikel 10 lid 1.
2De koersrisico’s worden verder beperkt door de looptijd van de uitzettingen op de liquiditeitsplanning af te stemmen.
Kredietrisicobeheer (of debiteurenrisicobeheer)
Kredietrisicobeheer is het beheersen van de risico’s die voortvloeien uit de kans op een waardedaling van de vorderingspositie ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van bijvoorbeeld een faillissement.
Artikel 5
1Bij het verstrekken van leningen of garanties worden zoveel mogelijk zekerheden of garanties geëist.
2Voor elk voornemen tot het verstrekken van een lening of garantie geeft de Treasurer een (financieel) advies waarbij de financiële positie en de kredietwaardigheid van de “vragende” partij wordt beoordeeld.
Intern liquiditeitsbeheer
Artikel 6
1De gemeente beperkt haar interne liquiditeitsrisico’s door haar treasuryactiviteiten te baseren op een liquiditeitsplanning in relatie tot de bestaande leningenportefeuille, grondexploitaties en het meerjarige investeringsprogramma.
2Bij het aantrekken en uitzetten van middelen wordt de liquiditeitsplanning – in overeenstemming met de looptijd van de aan te trekken of uit te zetten lening – herzien.
3Naast het in artikel 6 lid 2 gestelde, wordt ieder kwartaal een liquiditeitsplanning met een planningshorizon kleiner of gelijk aan één jaar opgesteld.
4Bij de begroting wordt een planning gepresenteerd die een periode van één jaar tot het eind van de begrotingscyclus bestrijkt.
5Aan het eind van ieder kalenderjaar stelt de treasurer een jaarplan op, waarin naast een uitdieping van de paragraaf financiering uit de begroting, ook een lange termijnplanning gepresenteerd wordt.
6In de jaarrekening wordt over de ontwikkeling van de liquiditeitspositie van betreffend jaar gerapporteerd.
Valutarisicobeheer
Dit risico kan ontstaan door de waardedaling van een koers van valuta.
Artikel 7
1De gemeente loopt door middel van uitzettingen geen valutarisico.
2Gelden worden uitsluitend aangetrokken, uitgezet of gegarandeerd in de Euro.
2.3. Financiering
Artikel 8
1Financieringen worden uitsluitend aangetrokken ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak.
2Autorisatie voor het aantrekken van nieuwe leningen gebeurt conform het gestelde in het Besluit (waarin zowel de taken en bevoegdheden van het college van Burgemeester en Wethouders, als de taken van de ambtelijke organisatie wordt beschreven), met dien verstande dat de portefeuillehouder financiën vooraf wordt geïnformeerd over de geplande financieringen.
3Financieringen met externe financieringsmiddelen wordt waar mogelijk beperkt door in eerste instantie gebruik te maken van de beschikbare interne financieringsmiddelen, zoals het inzetten van financieringsoverschotten van de overige BWB-deelnemers of de BWB zelf. Dit om de renterisico’s te beperken en het renteresultaat te optimaliseren.
4Toegestaan instrument bij het aantrekken van financieringen is de onderhandse lening.
5De Treasurer vraagt schriftelijk offertes op bij minimaal twee financiële instellingen voordat een financiering wordt aangetrokken. Het tijdstip waarvoor de financiële instelling dient te reageren wordt in de offerte opgenomen. Indien er te laat wordt geoffreerd, wordt de offerte afgewezen.
6Bij het aantrekken van middelen moet altijd vooraf toestemming door de gemeentesecretaris plaatsvinden. De wethouder wordt van het voornemen op de hoogte gesteld.
7Bij het opereren op de financiële markten wordt zodanig gehandeld dat de toegang tot de markten niet in gevaar komt.
8Na het aantrekken van lang vermogen dient ieder bedrag binnen één maand na het afsluiten van de lening achteraf ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het college van Burgemeester en Wethouders.
Aantrekken van kort vermogen
Bij het aantrekken van financieringen korter of gelijk aan één jaar gelden dezelfde uitgangspunten zoals die in artikel 8 (uitgezonderd lid 8) zijn benoemd. Daarnaast gelden de volgende uitgangspunten:
Artikel 9
1Toegestane instrumenten bij het aantrekken van financieringen met een looptijd korter of gelijk aan één jaar zijn de kredietfaciliteit in de rekening-courant bij de huisbankier, call- of daggeld en kasgeld.
2Het aantrekken van financieringen voor een periode korter of gelijk aan één jaar kan zonder goedkeuring van het college van Burgemeester en Wethouders door de treasurer worden uitgevoerd.
3Aan het begin van ieder kalenderjaar bekrachtigt het college van Burgemeester en Wethouders de leningen met een looptijd korter of gelijk aan één jaar die in het voorafgaand kalenderjaar zijn opgenomen.
Uitzettingen
Voor uitzettingen van overtollige financieringsmiddelen gelden de volgende uitgangspunten.
Artikel 10
1Toegestane financieringsinstrumenten bij het uitzetten van gelden zijn rekening-courant, deposito schatkist en onderhandse leningen aan ander decentrale overheden.
2Bij een financieringsoverschot wordt indien mogelijk naar interne aanwending gekeken, om zo eventuele financieringstekorten bij de andere BWB-deelnemers of de BWB zelf op te lossen.
3Bij het uitzetten van middelen uit hoofde van de treasuryfunctie voor een periode langer dan één jaar geldt, naast de voorwaarden van artikel 2, 3, 4 en 5, dat de gemeente er op moet letten, dat er geen conflict ontstaat met het schatkistbankieren (artikel 12 en 13).
4Middelen die aangehouden worden bij de schatkist, kunnen binnen de schatkist geplaatst worden op een depositorekening. De looptijd hiervan is minimaal twee dagen en maximaal tien jaar met de mogelijkheid tot vervroegd vrijvallen tegen de actuele marktwaarde, zoals berekend in bijlage 1 van de Regeling rekening-courant- en leningenbeheer van het Rijk.
5De maximale looptijd van uitzettingen bedraagt 40 jaar.
6In het specifieke geval van leningen aan woningcorporaties geldt een aanvullende eis vanuit de wet Fido. De gemeente is in dit geval verplicht minimaal dezelfde eisen te stellen als het Waarborgfonds Sociale Woningbouw.
7Voordat de Treasurer besluit tot het uitzetten van middelen autoriseert de gemeentesecretaris het voorgenomen besluit.
8Het uitzetten van financieringen voor een periode korter of gelijk aan één jaar kan zonder goedkeuring van het college van Burgemeester en Wethouders door de treasurer worden uitgevoerd.
9Aan het begin van ieder kalenderjaar bekrachtigt het college van Burgemeester en Wethouders de leningen met een looptijd korter of gelijk aan één jaar die in het voorafgaand kalenderjaar zijn verstrekt.
10Voor het uitzetten financieringsmiddelen met een looptijd van langer dan één jaar dient in alle gevallen achteraf - binnen één maand na het afsluiten van de lening - ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het college van Burgemeester en Wethouders.
Relatiebeheer
De gemeente beoogt het realiseren van gunstige c.q. marktconforme condities voor af te nemen financiële diensten. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:
Artikel 11
1De Treasurer beoordeelt één keer in de vier jaar de bankrelaties aan de hand van de algemene voorwaarden en de bancaire condities.
2Bankrelaties dienen wat hun kredietwaardigheid betreft minimaal een A-rating hebben.
3Financiële instellingen (banken, kredietinstellingen, beleggingsinstellingen, effectinstellingen, verzekeraars en pensioenfondsen) dienen statutair in Nederland gevestigd te zijn. Bovendien dienen zij onder Nederlands toezicht te vallen, bijvoorbeeld De Nederlandsche Bank of de Verzekeringskamer.
4Tussenpersonen moeten geregistreerd staan bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en daarvan een vergunning als makelaar hebben ontvangen.
5Het beheer van relaties met financiële instellingen, waaronder bankrelaties, valt onder de verantwoordelijkheid van de Treasurer.
Hier onder wordt verstaan:
a.Het beheer van rekeningen bij verschillende bancaire instellingen, waarbij wordt gestreefd naar een zo klein mogelijk aantal rekeningen om de transparantie te vergroten.
b.Het zorgdragen voor voldoende kredietfaciliteit bij verschillende bancaire instellingen.
c.Het zorgdragen voor informatie bij financiële instellingen over verdeling van bevoegdheden binnen de gemeente ten behoeve van een efficiënte afhandeling en het minimaliseren van risico’s van transacties.
d.Het onderhouden van contacten met banken, instellingen en (geld)makelaars ten behoeve van de toegang tot en van kennis over de ontwikkelingen in de financiële markten.
2.4. Schatkistbankieren
Artikel 12
1Overtollige liquide middelen van de gemeente (boven het drempelbedrag) mogen alleen in rekening-courant of via deposito’s bij de Nederlandse Staat worden aangehouden of onderling worden uitgeleend aan decentrale Nederlandse overheden of overheidsinstanties.
2Deze overtollige middelen blijven te allen tijde beschikbaar voor de publieke taak.
3Overtollige middelen mogen niet uitgezet worden bij overheidsinstanties, die onder financieel toezicht staan van de gemeente. Indien er sprake is van een publieke taak mogen overtollige middelen wel uitgezet worden.
Artikel 13
1Uitgezonderd van het verplicht aanhouden in de schatkist zijn de volgende middelen:
a.Middelen voor zover deze, gerekend over een kwartaal gemiddeld het drempelbedrag niet te boven gaan.
b.Middelen op een zogenaamde G-rekening als bedoeld in artikel 1 lid k van de Uitvoeringsregeling Inleners-, keten- en opdrachtsgeversaansprakelijkheid 2004.
2Het drempelbedrag wordt bepaald op basis van een percentage van het begrotingstotaal van de gemeente.
3Het drempelbedrag wordt jaarlijks in de treasuryparagraaf van de begroting opgenomen.
4Over de benutting van het drempelbedrag per kwartaal wordt bij de jaarrekening gerapporteerd.
5Middelen van derden vallen buiten het schatkistbankieren.
6Voor de uitgezonderde middelen gelden de reguliere regels rondom uitzettingen zoals ze in dit Statuut zijn opgenomen.
2.5. Kasbeheer
Artikel 14
1Het liquiditeitsgebruik wordt beperkt, door de geldstromen op gemeenteniveau waar mogelijk op elkaar en de liquiditeitsplanning af te stemmen. Hierbij wordt erop toegezien dat de liquiditeitspositie voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen.
2Voor het betalingsverkeer wordt zoveel mogelijk elektronisch gebruik gemaakt van het hoofd- en nevenrekeningstelsel van de huisbankier. Bestaande rekeningen bij andere banken worden zo min mogelijk gebruikt en de rekening courant saldi worden zo laag mogelijk gehouden.
3De contante geldstromen en spoedbetalingen worden zoveel mogelijk beperkt.
4Het geldstroombeheer wordt door de BWB uitgevoerd.
Saldo- en liquiditeitenbeheer
Voor het saldo- en liquiditeitenbeheer gelden de volgende bepalingen:
Artikel 15
1De gemeente heeft een rekening courant overeenkomst afgesloten met de huisbankier.
2De gemeente streeft naar concentratie van liquiditeiten binnen één stelsel van rentecompensatie bij haar huisbankier.
3De gemeente streeft naar een uiterste betalingstermijn van 30 dagen. Hierbij wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de betalingsvoorwaarden van de leverancier.
2.6. Uitzettingen en garanties publieke taak
Artikel 16
1De gemeente verstrekt geen leningen en garanties anders dan genoemd in artikel 2 en 5 van dit Statuut.
2Bij het afgeven van garanties wordt gebruik gemaakt van waarborgfondsen, zoals het Waarborgfonds Sociale Woningbouw, het Waarborgfonds Sport en het Waarborgfonds Zorg. Indien de garantie niet door een Waarborgfonds kan worden afgegeven, worden door de gemeente zoveel mogelijk zekerheden gevestigd.
3Het rendement op het uit te zetten vermogen moet in overeenstemming zijn met de geldende geld- en kapitaalmarkttarieven bij verschillende financiële instanties, waaronder de huisbankier.
4De gemeente kan een garantie verstrekken aan een stichting of vereniging. Jaarlijks vindt toetsing plaats van de financiële situatie van de stichting of vereniging aan de hand van de door de stichting of vereniging verplicht te overleggen jaarstukken.
5De aanvrager van de garantstelling brengt de lening onder bij een financiële instelling met minimaal een A-rating of een rating met gelijke strekking.
6In de op te stellen Nota Verstrekte leningen en garantstellingen wordt nader ingegaan op de spelregels voor het verstrekken van garanties uit hoofd van de publieke taak.
2.7. C.V. Ontwikkelingsmaatschappij Parijsch (C.V.)
Artikel 17
1De gemeente draagt zorg voor de financiering van de activiteiten van de C.V.
2Het aantrekken van financiering geschiedt op basis van een liquiditeitsplanning die door de C.V. wordt aangeleverd.
3Het aantrekken en vervolgens aan de C.V. verstrekken van middelen vindt plaats conform de regels van artikel 8 tot en met 10 van dit Statuut.
Bijlage 1 Begrippenkader
•Begrotingstotaal
De totale lasten op de begroting.
•Daggeldlening
Lening tussen twee partijen tegen een vast rentepercentage voor de looptijd van één dag.
•Derivaten
Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren.
•Financiering
Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel het benutten van eigen vermogen als het aantrekken van vreemd vermogen.
•Garantie
Een borgstelling waarbij de gemeente zich tegenover een geldverstrekker verbindt één of meerdere vorderingen van een geldverstrekker op een debiteur te voldoen indien de debiteur niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet.
•Geldstroombeheer
De activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten over te boeken zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer).
•Huisbankier
Onder huisbankier wordt de financiële onderneming verstaan, die de bulk van de geldstromen verzorgt en waar een kort geld faciliteit aangehouden wordt.
•Intern liquiditeitsrisico
De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitsplanning en meerjarig investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen.
•Kasgeldlening
Opname of uitzetting van geldmiddelen voor korte termijn (van één dag tot twaalf maanden).
•Kasgeldlimiet
Het maximum van de kortlopende financieringspositie op basis van de Wet fido (wordt berekend aan de hand van een wettelijk vastgesteld percentage van het begrotingstotaal aan het begin van het jaar).
•Koersrisico
Het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen.
•Kredietrisico
De risico’s op een waardedaling van een vordering als gevolg van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij.
•Limiet
Een type richtlijn die een uiterste grens aangeeft.
•Liquiditeitenbeheer
Het aantrekken en uitzetten van middelen korter of gelijk één jaar.
•Liquiditeitenplanning
Een prognose van in- en uitgaande geldstromen, voortvloeiende uit de gemeentelijke begroting, geplande investeringen, verstrekking van leningen aan derden en de financiering daarvan en de belegging van overtollige middelen.
•Prudent karakter
Het vermijden van (bovenmatig) risico bij leningen/uitzettingen..
•Publieke taak
Gemeenten kunnen uitsluitend leningen aangaan, middelen uitzetten en garanties verlenen voor de uitoefening van de publieke taak. De Wet fido geeft aan het begrip publieke taak een beperkte invulling. Bankachtige activiteiten (het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomen) worden hiertoe niet gerekend en zijn verboden. Overigens is het de raad van de gemeente die het kader van de publieke taak, binnen de normen van de Wet fido, bepaalt.
•Rating
Een oordeel over de kredietwaardigheid van een bedrijf, bank of een ander soort financiële instelling, financiële producten of een land.
•Rekening-courant
Lopende rekening. De rekening die voor de afhandeling van het girale betalingsverkeer wordt gebruikt.
•Relatiebeheer
Het omvat het onderhouden van relaties met instellingen waarmee in het kader de uitvoering van het treasurybeleid contacten worden onderhouden.
•Rentecompensatie stelsel
Stelsel waarbij de (valutaire) debet en creditsaldi van alle rekeningen van een organisatie worden samengevoegd tot één gecombineerd saldo, waarover de rente wordt berekend.
•Renterisico
Het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen van leningen of uitzettingen van gelden met een looptijd langer dan één jaar.
•Renterisiconorm
Een – bij de aanvang van het jaar op basis van de Wet fido – gefixeerd percentage van het begrotingstotaal van de gemeente dat bij realisatie niet mag worden overschreden.
•Rente typische looptijd
Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding.
•Rentevisie
Toekomstverwachting over de renteontwikkeling.
•Richtlijn
Een bindend voorschrift voor een handelswijze die gevolgd moet worden.
•Ruddo
Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden.
•Schatkistbankieren
Het aanhouden van overtollige liquide middelen en beleggingen bij het ministerie van Financiën door gemeenten, provincies, waterschappen en door hen opgerichte gemeenschappelijke regelingen De middelen die een decentrale overheid in de schatkist aanhoudt, blijven beschikbaar voor de uitoefening van hun publieke taak.
•Treasurer
De persoon in dienst van de BWB die in opdracht van de gemeente verantwoordelijk is voor de uitvoering van de treasuryfunctie van de gemeente Culemborg.
•Treasurybeleid
Vastlegging van de uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en limieten, de organisatorische en administratieve kaders, de informatievoorziening en de administratieve organisatie.
•Treasurycommissie
Een adviescommissie voor beleidsvoorstellen en rapportages over treasury aan het college van burgemeester en wethouders. De commissie bestaat uit de wethouder Financiën, de concerncontroller, de gemeentesecretaris en de treasurer, desgewenst aangevuld met een extern deskundig lid.
•Treasuryfunctie
De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit de deelfuncties risicobeheer, financiering, schatkistbankieren en kasbeheer.
•Treasuryparagraaf
Het begrotingsonderdeel c.q. jaarrekeningonderdeel waarin het beleid voor de komende jaren wordt vastgelegd resp. waarin verantwoording wordt afgelegd van de realisatie van het voorgenomen beleid.
•Treasurystatuut
Het document waarin de beleidsmatige infrastructuur voor de uitvoering van de treasuryfunctie is vastgelegd.
•Uitzetting
Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode korter of gelijk één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van langer dan één jaar.
•Wet fido
Wet financiering decentrale overheden.