Aanhef
het college van de gemeente Cranendonck
gelet op het artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
b e s l u i t
vast te stellen de volgende beleidsregel: Beleidsregels buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwregels 2025
Aanleiding
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Sindsdien maken bestemmingsplannen automatisch deel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Dit geldt eveneens voor een aantal gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat van het Rijk. Dit tijdelijk deel moet uiterlijk op 31 december 2031 zijn omgezet in één gebiedsdekkend Omgevingsplan voor de hele gemeente.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de kruimellijst uit artikel 4 bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), aangezien het Bor wordt ingetrokken en niet langer van kracht is. Onder de Omgevingswet worden omgevingsvergunningen verleend voor zowel binnenplanse als buitenplanse activiteiten:
•Een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (Opa) maakt het mogelijk om, op basis van bestaande regels uit het omgevingsplan, een omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit die afwijkt van het omgevingsplan.
•Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit die afwijkt van het omgevingsplan, buiten de regels van het omgevingsplan.
Beide omgevingsvergunningen hebben betrekking op het afwijken van het omgevingsplan. Dit afwijkingenbeleid richt zich op aanvragen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (Bopa’s), met een specifieke focus op de bouwregels. Om kleine buitenplanse afwijkingen van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan efficiënt en consequent te behandelen, stellen we deze regels op. Dit voorkomt rechtsongelijkheid en onzekerheid. Deze beleidsregels zullen uiteindelijk (deels) in fasen worden verwerkt in het gebiedsdekkend omgevingsplan. Bij de beoordeling van een aanvraag worden de belangen van alle betrokkenen zorgvuldig afgewogen, zodat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gewaarborgd, wat voorheen werd aangeduid als ‘goede ruimtelijke ordening’.
Doel
Het doel van de regels is:
1een duidelijk en flexibel kader bieden voor veel voorkomende planologische afwijkingen van het Omgevingsplan; en
2aanvragen voor een omgevingsvergunning sneller en efficiënter behandelen.
HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1: Begripsbepalingen
Bij de toepassing van deze beleidsregels worden de volgende begripsbepalingen gehanteerd:
HOOFDSTUK 2 ALGEMENE EN SPECIFIEKE AFWEGINGSCRITERIA
PARAGRAAF 2.1 ALGEMENE AFWEGINGSCRITERIA
Artikel 2: Algemene afwegingscriteria
De afwijkingsbevoegdheid wordt niet toegepast wanneer (naar het oordeel van het college):
1er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
2de activiteit in strijd is met het van toepassing zijnde beleid;
3de activiteit leidt tot een onevenredige aantasting van:
•het woon- en leefklimaat van de omgeving;
•het straat- en bebouwingsbeeld;
•de verkeersveiligheid;
•gezondheidsaspecten;
•de sociale veiligheid;
•de milieusituatie;
•landschappelijke en/of natuurlijke waarden;
•stedenbouwkundige aspecten;
•de aanwezige waarden van (naastgelegen) monumentale gebouwen/objecten en/of de cultuurhistorische waarden;
4de activiteit in strijd is met de provinciale Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en de Rijks- en provinciale instructieregels, zoals beoordelingsregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
5de afwijking in verband met de externe veiligheid niet te verantwoorden valt;
6de activiteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan;
7de activiteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld belemmert;
8er niet voldoende parkeergelegenheid kan worden gegarandeerd op eigen terrein conform het op dat moment geldende gemeentelijke parkeerbeleid;
9de initiatiefnemer niet heeft aangetoond dat een omgevingsgesprek is gevoerd conform de handreiking omgevingsgesprek van de gemeente Cranendonck. Hierbij moet inzichtelijk worden gemaakt op welke wijze het omgevingsgesprek heeft plaatsgevonden en hoe de resultaten ervan in het plan zijn verwerkt.
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning dient gemotiveerd te worden dat aan alle bovenstaande punten wordt voldaan.
Daarnaast moet worden aangegeven:
o welke maatregelen voor biodiversiteit worden genomen;
o welke maatregelen voor duurzaamheid worden genomen (bijvoorbeeld verharding en klimaatadaptatie);
o als de activiteit op een bedrijventerrein plaatsvindt: of het plan voldoet aan de profielen uit de ‘regionale programmeringsafspraken werklocaties’ of zijn vervanger.
PARAGRAAF 2.2 SPECIFIEKE AFWEGINGSCRITERIA
Artikel 3: Bijbehorende bouwwerken
Uitgangspunten bij toepassing:
Artikel 3.1: Wijze van meten
Voor bijbehorende bouwwerken, zoals genoemd in dit artikel (artikel 3), gelden de volgende wijze van meten:
Wijze van meten
Functie “Wonen”
(Behorende bij artikel 3.3 onderdeel 1 sub d)
Bij het berekenen van de grootte van het perceel wordt zowel de grond binnen de functie 'Wonen' als die binnen de functie 'Tuin' meegerekend. De grond binnen het bouwvlak wordt niet meegenomen.
Functie “Bedrijf”
(Behorende bij artikel 3.3 onderdeel 1 sub e)
Bij het berekenen van de grootte van het perceel wordt de grond onder de oorspronkelijke bedrijfswoning niet meegenomen.
Buiten de bebouwde kom
(Behorende bij artikel 3.4 onderdeel 3 sub d)
Buiten de bebouwde kom wordt geen onderscheid gemaakt tussen de vraag of het bijbehorend bouwwerk binnen of buiten het bouwvlak staat. Voor de berekening van het maximale aantal toegestane vierkante meters wordt de volledige functie “Wonen” meegerekend.
Artikel 3.2: Algemeen
Voor bijbehorende bouwwerken, zoals genoemd in dit artikel (artikel 3), gelden de volgende algemene voorwaarden:
a.de hemelwaterberging mag niet worden aangesloten op het riool. Er moet een infiltratievoorziening zijn voor het water om in de grond te zakken, waarbij in de gemeentelijke watertoets wordt bepaald hoeveel m3 nodig is;
b.het bijbehorend bouwwerk moet minstens 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;
c.de afstand tussen het bijbehorend bouwwerk en de zijdelingse-, voorste- en achterste bouwperceelsgrens moet minimaal 1 meter zijn;
d.voor het bouwen van een hekwerk als onderdeel van het bijbehorend bouwwerk geldt:
o het hekwerk moet op minstens 2,0 meter van de zijdelingse bouwperceelsgrens worden gebouwd;
o het hekwerk mag maximaal 1,2 meter zijn. De bovenzijde van het hekwerk mag, vanaf de het aansluitende terrein gemeten, niet hoger zijn dan 4,5 meter;
o het hekwerk moet een open afscheiding zijn;
e.het bijbehorend bouwwerk mag maximaal 30 meter van de (bedrijfs)woning of het hoofdgebouw worden gebouwd.
Artikel 3.3: Binnen de bebouwde kom
ONDERDEEL 1.WONING MET DE FUNCTIE “WONEN” &BEDRIJFSWONING MET DE FUNCTIE “BEDRIJF”
Voor een bijbehorend bouwwerk bij een woning met de functie “Wonen” of bij een bedrijfswoning met de functie “Bedrijf”, gelden de volgende voorwaarden aanvullend op de mogelijkheden van het onderdeel van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan:
a.de goothoogte mag niet hoger zijn dan 3,35 m;
b.de bouwhoogte mag niet hoger zijn dan 5,00 m;
c.de grond achter het bouwvlak mag voor maximaal 50% worden bebouwd;
d.voor percelen met de functie “Wonen” geldt, afhankelijk van de grootte van het perceel:
e.voor gronden die worden gebruikt ten behoeve van de bedrijfswoning binnen de functie “Bedrijf” geldt, afhankelijk van de grootte van het perceel:
1Voor een voorbeeld van het aantal m2 aan bijbehorende bouwwerken dat is toegestaan bij een bedrijfswoning met de functie “Bedrijf”, wordt verwezen naar Voorbeeld 1 in de bijlagen.
Grootte perceel
Aanvullende bouwmogelijkheden
< 200 m2
Geen aanvullende bouwmogelijkheden.
200tot 600 m2
Het bebouwd oppervlak aan bijbehorende bouwwerken, zowel vergunningsvrij als vergunningplichtig, mag niet meer dan 100 m2 buiten het bouwvlak of buiten de gronden onder de oorspronkelijke bedrijfswoning zijn.
600tot 1200 m2
Het bebouwd oppervlak aan bijbehorende bouwwerken, zowel vergunningsvrij als vergunningplichtig, mag niet meer dan 120 m2 buiten het bouwvlak of buiten de gronden onder de oorspronkelijke bedrijfswoning zijn.
> 1200 m2
Het bebouwd oppervlak aan bijbehorende bouwwerken, zowel vergunningsvrij als vergunningplichtig, mag niet meer dan 10% van de oppervlakte van de percelen met de functies "Wonen" en "Tuin" buiten het bouwvlak zijn, met een maximum van 200 m². Voor de gronden die worden gebruikt ten behoeve van de bedrijfswoning binnen de functie "Bedrijf" geldt hetzelfde, met een maximum van 200 m² buiten de gronden onder de oorspronkelijke bedrijfswoning.
DE (BEDRIJFS)WONING WORDT GESPLITST
Indien een (bedrijfs)woning middels een Bopa wordt gesplitst, worden de regels in onderdeel 1 en 3 uit dit artikel (artikel 3) toegepast alsof er sprake is van één (bedrijfs)woning. De verdeling wordt gebaseerd op het percentage van de verdeling van het perceel.
2Voor een voorbeeld van de verdeling van het aantal m2 aan bijbehorende bouwwerken dat is toegestaan bij het splitsen van een (bedrijfs)woning, wordt verwezen naar Voorbeeld 2 in de bijlagen.
Bij splitsing in het buitengebied moet ook worden voldaan aan het beleidskader ‘Afsplitsen bedrijfswoningen buitengebied gemeente Cranendonck’ of zijn opvolger.
ONDERDEEL 2.GEBOUW ANDERS DAN EEN (BEDRIJFS)WONING
Voor een bijbehorend bouwwerk bij een gebouw anders dan bedoeld in onderdeel 1, gelden de volgende voorwaarden aanvullend op de mogelijkheden van het onderdeel van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan:
a.de goothoogte van het bijbehorende bouwwerk wordt niet hoger dan de goothoogte van het hoofdgebouw;
b.de bouwhoogte van het bijbehorende bouwwerk wordt niet hoger dan het hoofdgebouw;
c.de grond achter de achtergevellijn is niet meer dan 50% bebouwd met vergunningsvrije, dan wel vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken.
d.In afwijking van het bepaalde onder c: binnen de functie “Centrum -1” geldt dat de grond achter de achtergevellijn voor meer dan 50% bebouwd mag zijn met vergunningsvrije, dan wel vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken, mits:
o voor de locatie een functie “Centrum -1” geldt;
o de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om op de locatie tegemoet te komen aan de ruimtebehoefte;
o de gevraagde ontwikkeling passend is binnen het centrum; en
o de functionele en ruimtelijke structuur niet onevenredig wordt aangetast.
Artikel 3.4: Buiten de bebouwde kom
ONDERDEEL 3.WONING MET DE FUNCTIE “WONEN” &BEDRIJFSWONING ANDERS DAN DE FUNCTIE “WONEN”
Voor een bijbehorend bouwwerk bij een woning met de functie “Wonen” of een bedrijfswoning met een functie anders dan “Wonen”, gelden de volgende voorwaarden in afwijking van de mogelijkheden van het onderdeel van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan:
a.de goothoogte mag niet hoger zijn dan 3,35 m;
b.de bouwhoogte mag niet hoger zijn dan 5,00 m;
c.de grond achter het bouwvlak mag voor maximaal 50% worden bebouwd;
d.voor percelen met de functie “Wonen” is een maximum van 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken, zowel vergunningsvrij als vergunningplichtig, toegestaan;
3Voor een voorbeeld van het aantal m2 aan bijbehorende bouwwerken dat is toegestaan bij een woning met de functie “Wonen” buiten de bebouwde kom, wordt verwezen naar Voorbeeld 3 in de bijlagen.
e.voor percelen met de functie anders dan “Wonen” is een maximum van 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken, zowel vergunningsvrij als vergunningplichtig, toegestaan, mits deze een relatie hebben met de bedrijfswoning.
Artikel 3.5: Huisvesting in verband met mantelzorg
ONDERDEEL 4.GEBOUW VOOR (PRÉ-)MANTELZORG
Voor een bijbehorend bouwwerk welke wordt gebouwd en gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden de volgende voorwaarden aanvullend op de mogelijkheden van het onderdeel van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan:
een tijdelijke uitbreiding van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken zoals genoemd in de regels van het Omgevingsplan en/of zoals aangegeven in onderdeel 1 en 3 uit dit artikel (artikel 3) wordt toegestaan voor een mantelzorgeenheid indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a.een maximum van 100 m²;
b.verplaatsbaar;
c.voldaan wordt aan de beleidsregels Mantelzorg & Afhankelijk wonen of diens opvolger;
d.na beëindiging van de mantelzorg de tijdelijk extra gebouwde vierkante meters verwijderd worden;
Artikel 4: Inhoud hoofdgebouw van de woning buiten de bebouwde kom
Voor het uitbreiden van het hoofdgebouw van de woning buiten de bebouwde kom met de functie “Wonen”, geldt in afwijking van de mogelijkheden van het onderdeel van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan dat de woning een maximale inhoud van 750 m3 mag hebben. Deze uitzondering geldt niet als de woning via een maatwerktitel is opgericht.
Artikel 5: Dakkapel en dakopbouw of soortgelijke uitbreidingen
Aan de uitbreiding van een (bedrijfs)woning middels het plaatsen van een dakkapel en dakopbouw worden de volgende voorwaarden verbonden:
1een dakkapel wordt voorzien van een plat dak of heeft dezelfde hellingshoek als het dak waar de dakkapel op wordt geplaatst;
2een dakopbouw heeft dezelfde hellingshoek als het dak waarop de dakopbouw wordt geplaatst;
3een dakopbouw mag niet hoger worden dan de maximale bouwhoogte zoals opgenomen in het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan;
4de breedte van de dakkapel of dakopbouw mag maximaal 70% van de breedte van het dakvlak bedragen, waarbij geldt dat indien de dakkapel of dakopbouw meer dan 50% en maximaal 70% van het dakvlak breed wordt de gewichtige reden voor deze breedte van de dakkapel of dakopbouw aangetoond moet worden.
Artikel 6: Gebouwisolatie
Voor het aanbrengen van voorzieningen gericht op het duurzaam isoleren van een bestaand gebouw, kan worden afgeweken van de maatvoering in het (tijdelijk deel) van het omgevingsplan, mits derden niet onevenredig in hun belangen worden geschaad.
U moet ook controleren of uw activiteit schadelijke gevolgen heeft voor planten of dieren in het wild. Het is uw eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of er sprake is van schadelijke gevolgen. Ook heeft u een specifieke zorgplicht om respectvol om te gaan met de natuur en u in te zetten om deze zo min mogelijk te verstoren. Als er mogelijk sprake is van schadelijke gevolgen, dan kunt u maatregelen nemen om deze te voorkomen.
Als u twijfelt of uw activiteit schadelijk gevolgen voor flora en fauna heeft, kunt u een kort onderzoek laten doen door een ecologisch adviesbureau. Dit heet een quickscan. Deze scan maakt duidelijk of uw plannen gevolgen hebben voor beschermde diersoorten.
Voor complexere initiatieven is het gebruikelijk om een quickscan uit te laten voeren. De kosten voor het uitvoeren van een quickscan zijn voor uw eigen rekening. Blijkt uit de quickscan dat uw plan negatieve gevolgen heeft voor beschermde soorten? Vraag dan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit aan bij de Provincie Noord-Brabant.
Artikel 7: Tijdelijk plaatsen en/of gebruiken bij (ver)(her)bouwen
Artikel 7.1: Tijdelijke bewoning woonkeet, woonunit en stacaravan
Aan dit artikel wordt toepassing gegeven voor het tijdelijk plaatsen en/of gebruiken van een woonkeet, woonunit of stacaravan voor bewoning bij het (ver)(her)bouwen van een (bedrijfs)woning, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
1de grond dient in eigendom te zijn van de aanvrager van de vergunning, of er dient schriftelijk toestemming voor het gebruik verkregen te zijn van de eigenaar van de grond;
2de tijdelijke woonvoorziening wordt geplaatst aan de achterzijde van het perceel, achter de te (ver)(her)bouwen woning, binnen de functie ‘Wonen’;
3indien objectief kan worden aangetoond dat plaatsing volgens het bepaalde in het tweede lid niet mogelijk is, kan plaatsing in het zij- of voorerf of op een andere locatie worden overwogen;
4de tijdelijke woonvoorziening wordt gebruikt door de hoofdbewoner van de te (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning;
5de tijdelijke woonvoorziening wordt uitgevoerd in 1 bouwlaag;
6de tijdelijke woonvoorziening moet zodanig zijn gelegen dat dit niet leidt tot verkeersonveilige situaties of onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen;
7de tijdelijke woonvoorziening dient verwijderd te worden en het gebruik dient gestaakt te worden binnen 3 maanden na gereedmelding van de te (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning, maar in ieder geval binnen 3 maanden na ingebruikname van de te (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning;
8de tijdelijke woonvoorziening dient goed bereikbaar te zijn voor hulpdiensten.
Artikel 7.2: Tijdelijke bewoning bestaand bijbehorend bouwwerk
Aan dit artikel wordt toepassing gegeven voor het tijdelijk gebruiken van een bestaand bijbehorend bouwwerk voor bewoning bij het (ver)(her)bouwen van een (bedrijfs)woning, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
1het bijbehorend bouwwerk dient in eigendom te zijn bij de aanvrager van de vergunning, of er dient schriftelijk toestemming voor het gebruik verkregen te zijn van de eigenaar van het bijbehorend bouwwerk;
2het bijbehorend bouwwerk wordt gebruikt door de hoofdbewoner van de te (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning;
3het bijbehorend bouwwerk moet zodanig zijn gelegen dat de tijdelijke bewoning niet leidt tot verkeersonveilige situaties of onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen;
4het gebruik dient gestaakt te worden binnen 3 maanden na gereedmelding van de (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning, maar in ieder geval binnen 3 maanden na ingebruikname van de (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning;
5de tijdelijke woonvoorziening dient goed bereikbaar te zijn voor hulpdiensten.
HOOFDSTUK 3 OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 8: Strijdige situaties
De afwijkingsbevoegdheden worden niet toegepast in die gevallen waarin sprake is van een bestaande illegale situatie op het perceel, ongeacht of de aanvraag ziet op deze illegale situatie. De afwijkingsbevoegdheid wordt wel toegepast, conform de voorwaarde van dit beleid, indien hierdoor de strijdige situatie wordt opgeheven of wordt beëindigd.
Artikel 9: Overeenkomst nadeelcompensatie voorwaarde voor afwijking
Het besluit op een aanvraag voor een omgevingsvergunning is een schadeveroorzakend besluit zoals omschreven in artikel 15.1, eerste lid van de Omgevingswet. Een omgevingsvergunning kan dus een grondslag vormen voor nadeelcompensatie. De onderhavige beleidsregels zijn bedoeld voor afwijkingen van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan. Deze afwijkingen kunnen invloed hebben op de omgeving. Wanneer de toepassing van deze beleidsregels, na inschatting van het risico op schadevergoeding door nadeelcompensatie boven het normaal maatschappelijk risico, leidt tot waardevermindering van omliggende bebouwing, moet worden onderzocht of het toepassen van onderhavige beleidsregels redelijk is. Indien dit het geval is, moet worden bepaald of een nadeelcompensatieovereenkomst met de aanvrager van de vergunning moet worden aangegaan.
Via deze overeenkomst, opgesteld door de gemeente, verklaart de initiatiefnemer dat hij of zij de schadevergoeding door nadeelcompensatie en de daarmee samenhangende kosten voor zijn of haar rekening te nemen. De gemeente bepaalt wanneer het sluiten van een nadeelcompensatieovereenkomst noodzakelijk is. In het geval dat er een anterieure overeenkomst is gesloten waarin nadeelcompensatie al geregeld is, is de anterieure overeenkomst voldoende. Indien de noodzakelijke nadeelcompensatieovereenkomst om welke reden dan ook niet wordt gesloten, wordt op basis van de onderhavige beleidsregels geen medewerking verleend. Deze beleidsregels zijn immers gebaseerd op een bevoegdheid.
Artikel 10: Reguliere procedure, tenzij
Onder de Omgevingswet is de reguliere procedure voor ‘omgevingsvergunningen’ de hoofdregel (titel 4.1 Awb). Het college van burgemeester en wethouders beslissen binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. De beslistermijn kan wegens de ontvankelijkheidstoets (de controle of de aanvraag compleet is) worden opgeschort. Daarnaast kan de beslistermijn met 6 weken worden verlengd.
Tegen het besluit is bezwaar, beroep en hoger beroep mogelijk. Alleen belanghebbenden kunnen van deze rechtsmiddelen gebruikmaken.
In paragraaf 16.5.3 van de Omgevingswet en in artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit staat wanneer de uitgebreide procedure geldt. Activiteiten waarvoor een m.e.r.(beoordelingsplicht) geldt vallen in ieder geval niet onder de reikwijdte van deze regeling, hiervoor is altijd een uitgebreide procedure aan de orde.
Artikel 11: Hardheidsclausule
Er kunnen altijd bijzondere omstandigheden zijn die bij toepassing van de vastgestelde beleidsregels in een concreet geval tot onevenredige gevolgen leiden in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. In het algemeen kan er een beroep op de hardheidsclausule worden gedaan indien:
1Er bijzondere omstandigheden kunnen worden aangevoerd die medewerking in afwijking van het de beleidsregels noodzakelijk maken en er geen redelijke alternatieven bestaan om hierin te voorzien, mits de ruimtelijke consequenties beperkt blijven en geen (ongewenste) precedentwerking hoeft te worden gevreesd;
2Als het verzoek weliswaar niet binnen de geldende beleidsregels past, maar een beleidswijziging als gevolg van het verzoek voor de hand ligt;
3Een verzoek weliswaar past binnen de in dit beleid neergelegde uitgangspunten, maar dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, er geen medewerking dient te worden verleend.
Voorkomen moet worden dat de in de beleidsregels neergelegde uitgangspunten als een recht worden toegepast. Aan ieder afwijkingsbesluit gaat een belangenafweging vooraf die in een concreet geval, zelfs als het verzoek past binnen de in dit beleid opgenomen randvoorwaarden, tot weigering van het afwijkingsverzoek kan leiden. Er moet onderkend worden dat elk beleid onvoorziene neveneffecten kan hebben. Met een beroep op de hardheidsclausule kunnen onvoorziene, onaanvaardbare gevolgen van beleidsregels worden voorkomen.
HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN
Artikel 12: Inwerkingtreding
1De ‘Beleidsregels planologische afwijkingsregelingen 2019’ van de gemeente Cranendonck die op 3 september 2019 door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld, wordt ingetrokken bij inwerkingtreding van deze beleidsregels.
2Deze beleidsregels met de bijbehorende bijlagen treden in werking de dag nadat zij zijn bekendgemaakt.
Artikel 13: Citeertitel
Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: ‘Beleidsregels buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwregels 2025’ van de gemeente Cranendonck.
Bijlagen: Voorbeelden 4 Deze tekeningen zijn illustratief en niet op schaal. Er kunnen geen rechten worden ontleend aan deze voorbeelden.
Voorbeeld 1) Behorende bij artikel 3.3 Binnen de bebouwde kom
ONDERDEEL 1: BEDRIJFSWONING MET DE FUNCTIE “BEDRIJF”
Wijze van meten:
Om te kunnen bepalen hoeveel m2 aan bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning is toegestaan, wordt de volgende rekensom gemaakt:
Het aantal m2 van het perceel dat wordt gebruikt voor de bedrijfswoning – het aantal m2 van de oorspronkelijke bedrijfswoning zelf.
In onderstaand voorbeeld: het geel gestreepte vlak – het oranje gebouw.
Het gedeelte dat wordt gebruikt voor de bedrijfsvoering wordt niet meegerekend. Eventuele bijbehorende bouwwerken bij het bedrijfsgebouw tellen ook niet mee.
De bestaande bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning tellen wel mee in het totaal om te bepalen hoeveel m2 aan bijbehorende bouwwerken al zijn gerealiseerd en hoeveel m2 extra is toegestaan. Vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken tellen ook mee in deze berekening.
Berekenen max aantal toegestane m2 aan bijbehorende bouwwerken:
-Het perceel met de functie “Bedrijf” is 1000 m2.
-Het gedeelte dat wordt gebruikt voor de bedrijfswoning is 600 m2.
-De oorspronkelijke bedrijfswoning is 100 m2.
-Het bestaande bijbehorende bouwwerk bij de bedrijfswoning is 30 m2.
De rekensom: 600 m2 – 100 m2 = 500 m2.
Dit betekent dat artikel 3.3 onderdeel 1 sub e geldt (in de tabel: 200 tot 600 m2) en er maximaal 100 m2 buiten de grond onder de oorspronkelijke bedrijfswoning is toegestaan. Er staat al een bijbehorend bouwwerk van 30 m2. Met een Bopa kan nog 70 m2 aan bijbehorende bouwwerken gerealiseerd worden.
Voorbeeld 2) Behorende bij artikel 3.3 Binnen de bebouwde kom
ONDERDEEL 1: DE (BEDRIJFS)WONING WORDT GESPLITST
Wijze van meten:
Om te kunnen bepalen hoeveel m2 aan bijbehorende bouwwerken bij beide woningen zijn toegestaan, geldt het volgende:
Bij splitsing wordt het aantal m2 aan bijbehorende bouwwerken naar rato in percentage verdeeld over de gesplitste percelen.
VOOR splitsing
Berekenen max aantal toegestane m2 aan bijbehorende bouwwerken:
-Het perceel met de functie “Wonen” is 800 m2.
-Het bouwvlak is 150 m2.
-Het bestaande bijbehorende bouwwerk bij de woning is 40 m2, maar valt binnen het bouwvlak en wordt dus niet meegerekend.
De rekensom: 800 m2 – 150 m2 = 650 m2.
Dit betekent dat artikel 3.3 onderdeel 1 sub d geldt (in de tabel: 600 tot 1200 m2) en er maximaal 120 m2 buiten het bouwvlak is toegestaan. Met een Bopa kan nog 120 m2 aan bijbehorende bouwwerken gerealiseerd worden.
NA splitsing
Berekenen max aantal toegestane m2 aan bijbehorende bouwwerken:
-Perceel 1 heeft een oppervlakte van 500 m2.
-Perceel 2 heeft een oppervlakte van 300 m2.
-Het bouwvlak blijft 150 m2 groot.
De rekensom voor perceel 1: 500 m2 van 800 m2 = 62,5% van 120 m2.
Dit betekent dat er maximaal 75 m2 buiten het bouwvlak binnen de functie “Wonen” is toegestaan. In dit voorbeeld wil de eigenaar achter op het perceel een schuur met een grootte van 10 m2 plaatsen. Dit betekent dat hij nog 65 m2 aan bijbehorende bouwwerken overhoudt.
De rekensom voor perceel 2: 300 m2 van 800 m2 = 37,5% van 120 m2.
Dit betekent dat er maximaal 45 m2 buiten het bouwvlak binnen de functie “Wonen” is toegestaan. In dit voorbeeld wil de eigenaar achter op het perceel een garage met een grootte van 45 m2 plaatsen. Dit betekent dat hij geen extra m2 bijbehorende bouwwerken overhoudt. Binnen het bouwvlak is wel nog ruimte om te bouwen.
Het totaal aantal toegestane m2 aan bijbehorende bouwwerken voor de twee percelen blijft dus in totaal 120 m2 buiten het bouwvlak binnen de functie “Wonen”.
Voorbeeld 3) Behorende bij artikel 3.4 Buiten de bebouwde kom
ONDERDEEL 3:WONING MET DE FUNCTIE “WONEN”
Wijze van meten:
Om te kunnen bepalen hoeveel m2 aan bijbehorende bouwwerken bij de woning is toegestaan, geldt het volgende:
Binnen de functie “Wonen” in het buitengebied is maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken (behorende bij de woning) toegestaan – het aantal bestaande m2 aan bijbehorende bouwwerken.
In onderstaand voorbeeld: het gele vlak – het groene vlak.
De gronden met de functie “Agrarisch” worden niet meegerekend.
De bestaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie “Wonen” tellen wel mee in het totaal om te bepalen hoeveel m2 aan bijbehorende bouwwerken al zijn gerealiseerd en hoeveel m2 extra is toegestaan. Vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken tellen ook mee in deze berekening.
Buiten de bebouwde kom wordt geen onderscheid gemaakt tussen de vraag of het bijbehorend bouwwerk binnen of buiten het bouwvlak staat. Voor de berekening van het maximale aantal toegestane vierkante meters wordt de volledige functie “Wonen” meegerekend.
Berekenen max aantal toegestane m2 aan bijbehorende bouwwerken:
-Het perceel met de functie “Wonen” (geel vlak) is 1000 m2.
-Het oorspronkelijke hoofdgebouw (oranje huis) is 200 m2.
-Het bestaande bijbehorende bouwwerk bij de woning is 40 m2.
Artikel 3.4 onderdeel 3 sub d bepaalt dat er maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan. Er staat al een bijbehorend bouwwerk van 40 m2.
De rekensom: 150 m2 – 40 m2 = 110 m2. Met een Bopa kan nog 110 m2 aan bijbehorende bouwwerken gerealiseerd worden.