Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels erfwindturbines gemeente Bunnik

Gemeente Bunnik · geldt sinds 28 februari 2025

Aanhef

Intitulé

Beleidsregels erfwindturbines gemeente Bunnik

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik;

gelet op artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, artikelen 5.1, 5.8 en 5.12 van de

Omgevingswet, artikel 7.207b, tweede lid van de Omgevingsregeling, artikel 5.3, eerste lid van de

Omgevingsverordening provincie Utrecht;

gelet op het Programma Bunnik Klimaatneutraal 2040;

BESLUIT

vast te stellen de volgende beleidsregels

1. Inleiding

1.3.Begripsbepalingen

Artikel 1

2. Beleidsregels

2.1.Randvoorwaarden vanuit wet- en regelgeving

Artikel 2

Op basis van de bestaande wet- en regelgeving moet een omgevingsvergunningsaanvraag voor een

erfwindturbine aan de onderstaande randvoorwaarden voldoen:

a.de vereisten vanuit het Besluit bouwwerken en leefomgeving (Bbl);

b.de vereisten vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) op het gebied van de bescherming

van flora en fauna (hoofdstuk 11);

c.de vereisten vanuit de Omgevingsverordening Provincie Utrecht (hoofdstuk 6) ten aanzien van

natuurgebieden (Afdeling 6.1);

d.vanuit het Omgevingsplan gemeente Bunnik geldende milieueisen met betrekking tot kleine

windmolens;

e.de vereisten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) met betrekking tot externe veiligheid

(hoofdstuk 5.1.2 en bijlage VII);

f.kleinschalige windturbines moeten voldoen aan de NEN‐EN‐IEC norm 61400‐2 dan wel de

eisen uit de Handreiking miniwind en kleine windmolens van Nederlandse WindEnergie

Associatie (NWEA);

g.de instructieregel kleine windturbines uit de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht

h.(Artikel 5.3 (versie 2024)).

i.de voorwaarden ten aanzien van participatie op basis van artikel 7 van de regeling Participatie bij

ruimtelijke ontwikkelingen’ van de gemeente Bunnik

het Aanwijzingsbesluit adviesrecht en verplichte participatie omgevingsvergunningen gemeente

Bunnik.

2.2.Algemene voorwaarden

Artikel 3

Erfwindturbines kennen in potentie een behoorlijke impact op hun direct omgeving. Hierdoor worden er aan

het plaatsen van erfwindturbines een aantal algemene voorwaarden gesteld. Indien een initiatief niet aan

één van deze voorwaarden voldoet, wordt het initiatief dan ook als niet passend beschouwd doordat de

impact daarvan niet in verhouding zou staan tot de opbrengst daarvan. Een initiatief kan dan ook alleen als

passend worden aangemerkt als:

a.De initiatiefnemer gevestigd is in het buitengebied

b.De initiatiefnemer een lokale onderneming of een particulier woonachtig in een gemeentelijk

monument in het buitengebied is.

c.De erfwindturbine op een erf wordt geplaatst dat in eigendom is van initiatiefnemer of van een

verpachter die toestemming heeft verleend voor de plaatsing van een erfwindturbine.

d.De erfwindturbine zich op een locatie bevindt die door de gemeente als passend is aangemerkt (zie

hoofdstuk 3, Passende locaties voor een erfwindturbine).

e.De initiatiefnemer actief de mogelijkheden voor energieopwekking met zonnepanelen heeft

onderzocht en heeft aantoonbaar gemaakt dat deze mogelijkheden de initiatiefnemer niet of niet

afdoende in staat stellen om volledig in haar eigen energiebehoefte te voorzien of dat door enkel

de opwek van zonne-energie er onvoldoende wordt aangesloten op het verbruiksprofiel van de

initiatiefnemer.

f.Voor particuliere initiatiefnemers woonachtig in een gemeentelijk monument geldt het gestelde

onder e niet.

g.Er sprake is van slechts één erfwindturbine op deze bedrijfs- of woonlocatie. In uitzonderlijke

gevallen kan de gemeente ook medewerking verlenen aan de plaatsing van een tweede

erfwindturbine op een bedrijfslocatie. In dat geval zal de gemeente het initiatief ook beoordelen op

basis van de landschappelijke inpassing en de samenhang tussen de twee turbines. (zie 2.3.1 en

2.3.3.).

h.Het initiatief op een zorgvuldige wijze wordt ingepast in het erfensemble en omliggende landschap.

Artikel 4

Op grond van hoofdstuk 3 van het ‘Aanwijzingsbesluit adviesrecht en verplichte participatie

omgevingsvergunningen gemeente Bunnik’ heeft de gemeenteraad bindend adviesrecht bij de plaatsing

van sommige erfwindturbines. Indien er sprake is van adviesrecht van de raad zal het college alleen positief

besluiten op een omgevingsvergunningsaanvraag als de gemeenteraad een positief advies heeft

afgegeven.

2.3.1. Voorwaarden aangaande de situering van de erfwindturbine

Artikel 5

a.De locatie voor de te plaatsen erfwindturbine bevindt zich achter de voorgevelrooilijn van het

oorspronkelijke hoofdgebouw en binnen het bouwvlak. Deze locatie houdt voldoende rekening met

in- en uitvliegroutes van de aanwezige fauna voor de plaatsing van de erfwindturbine.

b.De erfwindturbine wordt afgestemd op de bestaande erf- en bebouwingsstructuur. Bebouwing op

het erf en de erfwindturbine vormen een ruimtelijk eenheid en passen qua maat en kleurstelling bij

elkaar en de omliggende begroeiing.

c.Wanneer er in een bebouwingslint of op een bedrijventerrein al één of meerdere erfwindturbines

zijn geplaatst, geldt dat de situering op het beoogde perceel in samenhang met de al gerealiseerde

erfwindturbines wordt beoordeeld.

d.De afstand van een erfwindturbine tot gasinfrastructuur bedraagt tenminste dan 25 meter.

e.De afstand van een erfwindturbine tot hoogspanningsinfrastructuur bedraagt tenmisnte de

maximale werpafstand bij twee keer het nominaal toerental van de windturbine.

f.De plaatsgebonden risicocontour (PR) 10-6 van de erfwindturbine (ofwel masthoogte + lengte van

1rotorblad) geldt als grenswaarde voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en

locaties van derden. Deze functies zijn niet toegestaan in de PR 10-6

(artikel 5.7 Bkl).

g.De plaatsgebonden risicocontour (PR) 10-6 van de erfwindturbine (ofwel masthoogte + lengte van

1rotorblad) geldt als standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties van derden.

Deze functies zijn alleen met goede motivering toegestaan in de PR 10-6

(artikel 5.11 Bkl).

2.3.2. Voorwaarden aangaande de eigenschappen van de erfwindturbine

Artikel 6

a.De ashoogte van de erfwindturbine bedraagt maximaal 20 meter, gemeten vanaf de gemiddelde

hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.

b.In afwijking het gestelde onder a is een erfwindturbine met een ashoogte tot maximaal 30 meter

mogelijk in het geval dit noodzakelijk is om volledig of bijna volledig in eigen energiebehoefte van

de bestaande bouwwerken te voorzien. Met (bijna) volledig bedoelt de gemeente dat een grotere

erfwindturbine in ten minste 90% van de energiebehoefte voorziet. De initiatiefnemer dient dit aan

te tonen door een document te overleggen waarop het huidige energieverbruik wordt aangetoond

evenals de verwachte opbrengst van de erfwindturbine.

c.De kleursamenstelling van de windturbine is ingetogen en afgestemd op het landschap:

I. Wanneer de erfwindturbine afsteekt tegen begroeiing (bosschages, houtsingels, etcetera)

of bebouwing met een donkere kleurstelling, gaat de voorkeur uit naar groengrijs of

(donker)groen;

II. Wanneer de erfwindturbine voornamelijk tegen de lucht afsteekt is een lichte grijstoon

wenselijk.

d.De verschijningsvorm en het materiaalgebruik van de erfwindturbine wordt afgestemd op het

karakter van het erf. In het geval van een erf van een agrarisch bedrijf geldt voor de

verschijningsvorm dat enkel erfwindturbines van het HAT-type passend worden geacht.

e.De turbine is niet voorzien van reflecterende materialen en/of reclame-uitingen.

2.3.3. Nadere ruimtelijke afwegingen

Artikel 7

Het plaatsen van een erfwindturbine is maatwerk. Bij het maken van een afweging of de erfwindturbine wel

of niet wenselijk is op een locatie wordt dan ook een situatie specifieke afweging gemaakt over de

wenselijkheid van het initiatief. Hierbij zal het college in ieder geval kijken naar de impact van het initiatief op

a.de bezonningsituatie;

b.lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing;

c.zichtlijnen of visuele hinder;

d.het behoud van beschermd dorpsgezicht of het aanzicht van monumenten;

e.het voorkomen van slagschaduw;

f.risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten;

g.risico’s voor de fauna waarvan men redelijkerwijs kan verwachten dat deze de te plaatsen

erfwindturbine zal passeren.

h.geluidshinder;

i.de mogelijkheid tot voortzetting dan wel uitbreiding van een bestaand bedrijf;

j.een zorgvuldige landschappelijke inpassing, waaronder de samenhang met andere nabijgelegen

(erf)windturbines.

Indien het college van mening is dat het initiatief onevenredig veel impact heeft ten aanzien van één of

meerdere van bovenstaande aspecten kan het college besluiten om alsnog geen medewerking te verlenen

of nadere instructies te geven ten aanzien van de plaats, omvang, het gebruik en de ruimtelijke inpassing

van de erfwindturbine.

3. Passende locaties voor een erfwindturbine

Artikel 8

Het college ziet kansen voor de plaatsing van erfwindturbines bij:

a.Bedrijven in het buitengebied;

b.Bedrijventerreinen in het buitengebied;

c.Gemeentelijke monumenten in het buitengebied.

Deze locaties bieden door hun ligging genoeg kansen voor een rendabele energie opwek, doordat het hier

relatief hard waait. Daarnaast geldt voor het bedrijventerrein dat de erfwindturbines hier als minder storend

worden ervaren doordat er nauwelijks woningen aanwezig zijn in dit gebied.

Artikel 9

Ondanks dat er sprake is van een positieve grondhouding van de gemeente Bunnik, zijn er toch gebieden

waar de ontwikkeling van erfwindturbines op voorhand als niet wenselijk wordt bestempeld. Het betreft hier

locaties binnen de volgende gebieden.

a.Locaties binnen het UNESCO-werelderfgoedgebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie;

b.Locaties binnen het gebied van het Natuurnetwerk Nederland (NNN-gebied);

c.Locaties behorende bij provinciale of Rijksmonumenten;

d.Locaties binnen de bebouwde kom.

Naar mening van het college weegt in deze gebieden de potentiële opbrengst van een erfwindturbine in

duurzame energie niet op tegen de negatieve impact van de turbine op de directe omgeving. Het college

zal dan ook geen medewerking verlenen aan initiatieven binnen deze gebieden om de cultuurhistorische-,

landschappelijke- en/of natuurwaarden van deze gebieden te beschermen en om de leefbaarheid in de

dorpskernen te borgen.

3.1.1. Locatie specifieke omstandigheden

Artikel 10

Locatie specifieke omstandigheden kunnen aanleiding zijn om een extra afweging te maken, boven op het

algemene afwegingskader. In onderstaande lijst van locatie specifieke omstandigheden geldt eveneens een

‘ja, mits’ benadering, maar gelden er extra randvoorwaarden. Het gaat daarbij om de plaatsing van

erfwindturbines:

a.Op een locatie binnen een stiltegebied

Erfwindturbines kunnen geluidsoverlast met zich meebrengen. Deze vormen daardoor een risico

voor stiltegebieden omdat deze niet ‘bij deze plekken horen’. Agrarische bedrijven en de activiteiten

die hier bij horen worden echter als onderdelen beschouwd van de gebiedseigen geluiden aldaar.

Doordat de erfwindturbine wordt ingepast om onderdeel te vormen van het agrarische ensemble

(op het bouwvlak geplaatst) kan dit als onderdeel van de agrarische activiteit worden beschouwd.

De plaatsing van erfwindturbines binnen stiltegebied is dan ook mogelijk, mits deze direct gekoppeld

is aan een agrarische onderneming.

b.Langbroekerwetering en Hollendewagenweg

De landschappen ‘Langbroekerwetering’ en het gebied rondom de ‘Hollendewagenweg’ gelden

voor de gemeente als kenmerkende gebieden met een hoge landschappelijke en culturele waarde.

Desondanks kan het plaatsen van erfwindturbine binnen deze gebieden passend zijn. In het geval

een initiatiefnemer een aanvraag doet voor het plaatsen van een erfwindturbine binnen deze

gebiedszones dient in het aan te leveren landschappelijke inpassingsplan specifiek te worden

ingegaan op de landschappelijke waarden van dit gebied.

c.Nabij gemeentelijke monumenten in het buitengebied

Verspreid over de gemeente zijn verschillende gemeentelijke monumenten. In veel gevallen geldt

voor deze panden dat deze uitdagingen kennen om te verduurzamen. Het plaatsen van

zonnepanelen op en nabij deze gebouwen, hoewel niet verboden, kan immers ten kosten gaan van

de cultuurhistorische waarden van het monument. De gemeente zal advies inwinnen bij de

welstandcommissie (MooiSticht) of een erfwindturbine mogelijkerwijs een betere oplossing is ten

aanzien van de verduurzaming van het monument. Het advies van MooiSticht is van

doorslaggevende waarde bij de keuze van de gemeente om wel of geen medewerking te kunnen

verlenen aan de plaatsing van een erfwindturbine.

In bijlage 2 treft men een kansenkaart met daarin overzicht van de locaties die door de gemeenten kansrijk

worden geacht, locaties waar extra aandachtspunten gelden én locaties die niet kansrijk zijn voor de

plaatsing van erfwindturbines.

Bijlage 1 – Definitie van erfwindturbine binnen de beleidsregels

Een erfwindturbine is een vorm van een kleinschalige windturbine die wordt ingezet voor de opwek van duurzame energie ‘achter de meter’. Dit betekent dan ook dat het overgrote deel van de energie die wordt opgewekt direct en ter plekke wordt verbruikt. Een eventueel overschot kan terug geleverd worden aan het net. Ten behoeve van dit beleidskader kijkt de gemeente in basis naar erfwindturbines van het HAT-type, met een minimale ashoogte van 10 meter en maximale ashoogte van 20 meter.

Bij uitzondering is een aanvraag tot vergunning ook mogelijk voor erfwindturbines:

•Van het VAT-type, met een maximale ashoogte van 20 meter (ashoogte bestaat in het geval van het VAT-type uit de optelsom van rotorhoogte en mastlengte)

•Een erfwindturbine met een maximale (as)hoogte van 30 meter.

Erfwindturbines van het HAT-type kenmerken zich door een as die evenwijdig aan de windrichting ligt. De wieken van de rotor staan loodrecht op de wind. Indien de turbine actief is, staat deze turbine met de neus in de wind. Verandert de wind van richting, dan zal de turbine opzoek gaan naar een nieuwe optimale stand ten opzichte van de wind met gebruik van een windvaan of kruimotor. Het kenmerkende beeld van een HAT-type turbine zijn de windturbines met 3 wieken, maar er zijn ook voorbeeld van HAT-type turbines met 2 wieken of een groter aantal wieken dat wordt omringd door een ring. Bij erfwindturbines van het VAT-type staat de as, in tegenstelling tot bij het HAT-type, loodrecht op de windrichting. De wieken zijn evenwijdig aan deze as bevestigd. Doordat deze turbines de wind loodrecht op de wieken vangen, is dit type turbines niet afhankelijk van de windrichting. Er zijn voorbeelden van VAT-turbines met volledig dichte rotorbladen (Savonius-type) als met open rotorbladen (Darrieus-type).

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.